Nederlandse Tweede Kamer brengt beleefdheidsbezoek aan het Hof van Justitie van Suriname

10 juli 2026

De delegatie samen met de President van het Hof van Justitie in de zittingszaal van het Hof van Justitie

Een delegatie van de Tweede Kamer der Staten-generaal uit Nederland heeft een beleefdheidsbezoek gebracht aan het Hof van Justitie op maandag 6 juli jongstleden.

De delegatie bestond uit leden van de Tweede Kamer, waaronder Hanneke van der Werf en Jan Struijs. De leden werden welkom geheten door de president van het Hof van Justitie, mr. I. Rasoelbaks en leden van het Management Team mr. D. Sewratan en mr. I. Lachitjaran. Er is onder meer gesproken over de samenwerking tussen het Hof van Justitie van Suriname en Nederland.

Van gedachten is gewisseld over mogelijkheden om de samenwerking tussen Nederland en Suriname op het gebied van de rechtspraak te versterken.


 

Behandeling strafzaken verdachte O.W. alias Kappalani van 8 juli 2026

Op 8 juli 2026 is de strafzaak tegen de verdachte O.W. alias Kappalani behandeld door de kantonrechter. Deze verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding van de vuurwapenwet, bedreiging, mishandeling, afpersing, poging doodslag en poging zware mishandeling. Deze zaak stond voor het pleidooi van de raadsvrouw in beide zaken.

Tijdens het pleidooi heeft de raadsvrouw de kantonrechter verzocht om de verdachte een laatste kans te geven door de voorlopige hechtenis van de verdachte op te schorten.

De Officier van Justitie heeft tijdens de repliek de kantonrechter verzocht om de verdachte te veroordelen conform de strafeis.

De raadsvrouw heeft tijdens de dupliek gepersisteerd bij het pleidooi.

Hierna kreeg de verdachte het laatste woord. Hij bood wederom zijn verontschuldiging aan.

Op 12 augustus 2026 wordt de strafzaak voortgezet.

Lees ook het vorige bericht: https://rechtspraak.sr/actualiteiten/behandeling-strafzaken-verdachte-o-w-alias-kappalani-van-20-mei-2026/

 

Paramaribo, 10 juli 2026

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Behandeling strafzaak verdachte D. Veira van 2 juli 2026

Op 2 juli 2026 is de strafzaak tegen de verdachte D. Veira behandeld door de kantonrechter. Deze verdachte is tevens advocaat van beroep. De verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan belediging (feit 1), bedreiging (feit 2) met een misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling, zoals opgenomen in de tenlastelegging. De zaak stond voor pleidooi. De verdachte was niet aanwezig.

De raadslieden hebben het pleidooi gehouden. Volgens de verdediging moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard en moet de verdachte worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

Op 6 augustus 2026 zal de strafzaak worden voortgezet met de repliek.

Lees ook het vorige bericht: https://rechtspraak.sr/actualiteiten/behandeling-strafzaak-verdachte-d-veira-van-4-juni-2026/

 

Paramaribo, 9 juli 2026,

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Decentralisatie van de Rechtspraak naar Brokopondo en Moengotapu

6 juli 2026

In het kader van de decentralisatie van de Rechtspraak werd een voorlichtingsbijeenkomst gehouden voor de lokale gemeenschap in Brokopondo (Klaaskreek en Brownsweg) en Moengotapu. De delegatie bestond uit functionarissen van het Hof van Justitie, het Ministerie van Justitie en Politie en de Dienst Burgerlijke Zaken (DBZ). Er werd door de lokale bewoners waardering uitgesproken voor hun aanwezigheid en voor de duidelijke informatie die zij kwamen verstrekken over de dienstverlening aan de gemeenschap.

Rechter mr. I. Lachitjaran gaf aan dat de decentralisatie van de rechtspraak in Marowijne in 2023 van start is gegaan, nadat uit onderzoek en gesprekken met vertegenwoordigers en bewoners was gebleken dat er een duidelijke behoefte bestond aan rechtspraak dichterbij huis. Zij benadrukte dat de rechtspraak voor iedereen toegankelijk moet zijn, ongeacht de woonplaats. In dat kader werd ook aangekondigd dat het streven is om vanaf oktober 2026 ook zittingen in Albina te doen.

De delegatie op bezoek in Brokopondo, staand mr. I. Lachitjaran die vertelt over de decentralisatie van de Rechtspraak

Rechter mr. M. Mettendaf lichtte vervolgens toe hoe de dienstverlening in de praktijk verloopt. Daarbij werken de Rechtspraak, de Dienst Burgerlijke Zaken en het Bureau Rechtszorg nauw samen om burgers in de regio beter van dienst te zijn. Sinds 2023 worden regelmatig zittingen in Moengo en in Brokopondo centrum gehouden. Uit evaluaties is echter gebleken dat nog niet iedereen bekend is met deze voorzieningen. Daarom wordt actief voorlichting gegeven over de beschikbare diensten en de mogelijkheden voor burgers om hun rechten en belangen te behartigen. Vooralsnog worden uitsluitend civiele- en familiezaken behandeld, waaronder grondhuurkwesties, geldvorderingen, echtscheidingen, problemen met geboorte-inschrijvingen, correcties van foutief geregistreerde namen en verzoeken om een beschermingsbevel.

De delegatie te Moengotapu. V.l.n.r. mr. R. Bron, mr. M. Mettendaf, mr. I. Lachitjaran en mevr. N. Koema

Mr. R. Bron, onderdirecteur Rechtsaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Politie,  benadrukte dat het doel van decentralisatie is om overheidsdiensten dichterbij de burger te brengen en zo de toegankelijkheid van de dienstverlening te vergroten. Aansluitend verzorgde mevrouw N. Koema van de Dienst Burgerlijke Zaken een presentatie over de werkzaamheden en dienstverlening van haar afdeling. Beide instanties informeerden de aanwezigen over de ondersteuning die burgers kunnen ontvangen, bespraken veelvoorkomende vraagstukken en gaven uitleg over de procedures en mogelijkheden om juridische en administratieve hulp te krijgen.

De aanwezigen maakten volop gebruik van de gelegenheid om vragen te stellen en zich nader te laten informeren. Na afloop van de bijeenkomst vonden informele gesprekken plaats met de genodigden.

Deze bijeenkomst onderstreepte het belang van een toegankelijke rechtspraak en overheidsdienstverlening, waarbij burgers in hun eigen leefomgeving de ondersteuning kunnen krijgen die zij nodig hebben.


 

SRiS overhandigt bundel Burgerrechtelijke en Burgerprocesrechtelijke wetgeving aan het Hof van Justitie

2 juli 2026

Op vrijdag 26 juni 2026 heeft de Stichting voor de Rechtsorde in Suriname  (SRiS) vertegenwoordigd door de voorzitter Gerold Sewcharan, een exemplaar van de SRiS bundel Burgerrechtelijke en Burgerprocesrechtelijke wetgeving  overhandigd aan het Hof van Justitie. De bundel werd in ontvangst genomen door Hofpresident  mr. I. Rasoelbaks. De overhandiging vond plaats bij het Hof van Justitie aan het Onafhankelijkheidsplein.

Voorzitter van de SRiS, mr. G. Sewcharan, overhandigt de bundel aan hofpresident, mr. I. Rasoelbaks

De bundel bevat een uitgebreide verzameling van de burgerrechtelijke en burgerprocesrechtelijke wetgeving, waaronder het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Overgangswetten, de Aanpassingswet Nieuw Burgerlijk Wetboek en de Algemene Termijnenwet.

Met deze uitgave beoogt de SRiS de nieuwe burgerrechtelijke en burgerprocesrechtelijke wetgeving beter toegankelijk te maken en het gebruik ervan in de rechtspraktijk te ondersteunen.


 

Behandeling hoger beroep strafzaak Smaragdstraat van 24 juni 2026

Op 24 juni 2026 is de behandeling voortgezet in de strafzaak tegen de verdachten R.P., D.E., G.K. en L.R. door het Hof van Justitie. Deze verdachten werden in verband gebracht met de onderschepte drugs, welke werden gevonden op een adres aan de Smaragdstraat in Paramaribo. Aan de verdachten zijn de feiten deelneming aan een criminele organisatie en overtreding van de wet verdovende middelen ten laste gelegd. De zaak stond voor dupliek van de raadslieden en het laatste woord van de verdachte.

De raadslieden van de verdachten hebben de dupliek gehouden.

Hierna hebben de verdachten het laatste woord gevoerd.

Op 24 november 2026 zal het Hof van Justitie uitspraak doen in de strafzaak.

Lees ook het vorige bericht: https://rechtspraak.sr/actualiteiten/behandeling-hoger-beroep-strafzaak-smaragdstraat-van-30-maart-2026/

 

Paramaribo, 2 juli 2026

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Politieambtenaren betrokken bij Pikin Saron onlusten vrijgesproken

De kantonrechter heeft op 30 juni 2026 de verdachten A.R., J.K., K.L., S.W., K.v.B., S.d.J. en R.W. vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Aan de verdachten waren de feiten doodslag, zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend en dood door schuld ten laste gelegd. Volgens de kantonrechter hebben de verdachten A.R., J.K., K.L. en S.W. zich niet schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. De verdachten K.v.B., S.d.J. en R.W. hebben zich wel schuldig gemaakt aan het feit dood door schuld maar de kantonrechter heeft dit feit niet strafbaar geacht omdat er sprake was van een noodsituatie. Verder is gebleken dat zij steeds hebben gehandeld volgens het politiehandvest.

De officier van justitie had op 3 februari 2026 tegen alle verdachten voor het feit medeplegen van zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend een gevangenisstraf geëist van twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Voor het feit doodslag vroeg de vervolging om vrijspraak. Volgens de officier van justitie was er geen sprake van noodweerexces.

Op 10 maart 2026 hadden de raadslieden van de verdachten de kantonrechter verzocht om algehele vrijspraak voor alle verdachten.

De kantonrechter heeft bij de bewijsmotivering tegen de verdachten A.R., J.K., K.L. en S.W. overwogen dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Dit blijkt uit de verklaringen van de verdachten, getuigen, de patholoog-anatoom, de reconstructie op locatie en de omstandigheden van het gebeuren. Volgens de kantonrechter is niet komen vast te staan de het slachtoffer Wolfjager door een politiekogel is geraakt en/of door de politie is doodgeschoten omdat er over en weer werd geschoten. Daarnaast kan aan de verdachten niet het verwijt worden gemaakt dat zij het slachtoffer niet op tijd medische hulp hebben geboden omdat zij pas na instructies van hoger hand het bos konden betreden alwaar het slachtoffer werd gevonden. Bij de bewijsmotivering tegen de verdachten K.v.B., S.d.J. en R.W. heeft de kantonrechter in acht genomen dat er sprake was van een noodsituatie en dat de agenten hebben gehandeld uit verdediging en binnen de grenzen van de aan hen toegekende bevoegdheden als politieagenten.

Lees ook het vorige bericht: https://rechtspraak.sr/actualiteiten/behandeling-strafzaak-politieambtenaren-pikin-saron-van-14-mei-2026/

 

Paramaribo, 30 juni 2026

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Uitspraak strafzaak 500 kilo cocaïne in cockpit van SLM-toestel van 24 juni 2026

Op 24 juni 2026 zijn de verdachten A.O., S.D., E.B., R.T., G.R., G.B., D.P., O.Z. en L.G veroordeeld door de kantonrechter voor overtreding van de Wet Verdovende Middelen. De verdachten S.D. en E.B. kregen een gevangenisstraf van 5 jaren en 6 maanden opgelegd onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Aan de overige zeven verdachten werd een gevangenisstraf van 6 jaren opgelegd onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Tevens werd aan alle verdachten een geldboete opgelegd van SRD 50.000,- te vervangen door 6 maanden hechtenis en handhaving van het bevel tot gevangenhouding. Ook besliste de kantonrechter dat de inbeslaggenomen cocaïne wordt onttrokken aan het verkeer en dat de verdachten de inbeslaggenomen telefoons terugkrijgen.

De verdachten hebben 546.700 gram cocaïne uitgevoerd. De drugs werd aangetroffen in een ruimte achter de cockpit van een toestel van de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij waar de boordcomputers zich bevinden. 

Volgens de kantonrechter is de nauwe en bewuste samenwerking duidelijk gebleken uit het onderzoek. De verdachten S.D. en E.B. hebben vanaf het begin openheid betracht vandaar dat de gevangenisstraf van deze twee verdachten ook in mindering is gebracht. De kantonrechter heeft bij de bewijsmotivering de verklaringen van de verdachten, de verklaringen van getuigen, de verklaringen van de digitale recherche, de verklaringen van de forensische opsporing en de processen-verbaal opgemaakt door de politie meegenomen voor de beslissing.

De officier van justitie heeft tegen alle negen verdachten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar en een geldboete van SRD 50.000,- geëist. Tevens vroeg de vervolging om onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen cocaïne en teruggave van de inbeslaggenomen telefoontoestellen. Voor twee van die verdachten, namelijk A.O. en O.Z., die op het moment van het strafbare feit een publieke functie vervulden of betrokken waren bij de beveiliging van de luchthaven is aanvullend een verbod gevraagd om de komende vijf jaar dit soort functies uit te oefenen. De kantonrechter is niet meegegaan met dit voorstel omdat deze verdachten zich voor de eerste maal hebben moeten verantwoorden voor de kantonrechter.

De raadslieden van de verdachten L.G. en G.B. vroegen tijdens het pleidooi vrijspraak van de gehele tenlastelegging. De raadsman van de verdachte S.D. vroeg de kantonrechter in het pleidooi om de strafeis te mitigeren en bij de strafoplegging een zodanige straf op te leggen dat passend en geboden wordt geacht. De raadsman van de verdachten A.O., G.R. en D.P. gaf tijdens het pleidooi aan dat er geen wettig en overtuigend bewijs is geleverd voor betrokkenheid van zijn cliënten bij het uitvoeren van drugs. De raadsman van de verdachte O.Z. vroeg integraal vrijspraak van de gehele tenlastelegging wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

 

Paramaribo, 25 juni 2026

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Rechter oordeelt in het voordeel van de Staat Suriname

De kantonrechter heeft op 23 juni 2026 Baitali in het ongelijk gesteld in haar vordering. Baitali spande een rechtszaak aan tegen de Staat Suriname, met name het Ministerie van Openbare Werken nadat er geen uitvoering werd gegeven aan een eerder vonnis van de kantonrechter uitgesproken op 10 juli 2025.

Baitali vorderde dit keer dat de kantonrechter de Staat gebiedt om binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis een afschrift van het onderhandelingsrapport en alle overige documenten die op 7 maart 2025 aan de IDB zijn doorgestuurd voor goedkeuring aan haar verstrekt op straffe van een dwangsom van SRD 10.000.000,- per overtreding en SRD 1.000.000,- per dag dat er hieraan geen gevolg wordt gegeven. Volgens Baitali heeft de Staat niet in overeenstemming gehandeld met de toepasselijke aanbestedingsregels, waarbij het contact of de afstemming tussen de Staat en Kuldipsingh buiten het formele aanbestedingskader heeft plaatsgevonden. Baitali geeft aan dat dit in strijd is met het transparantiebeginsel en van rechtswege nietig is.

Baitali vorderde ook dat de Staat wordt veroordeeld om in plaats van het genoemde bedrag van de dwangsom in het veroordelend vonnis een dwangsom van SRD 1.000.000,- per dag aan haar te betalen voor iedere dag dat niet is voldaan aan hetgeen in het vonnis is beslist. Tevens vroeg zij dat de Staat wordt veroordeeld in de proceskosten. Volgens Baitali schijnt de reeds opgelegde dwangsom geen afdoende prikkel te zijn voor de Staat om het eerdere vonnis uit te voeren.

De Staat verweerde zich op de eerste vordering door te stellen dat de vordering te ruim is, disproportioneel, onvoldoende bepaald, ongefundeerd en in strijd met de noodzakelijke vereisten bij wet bepaald. De documenten waar Baitali inzage in zou willen krijgen, hebben betrekking op Kuldipsingh en niet op Baitali. De Staat werpt op dat IDB eerst het evaluatierapport heeft goedgekeurd alvorens de onderhandelingen tussen de inschrijver en de Staat hebben plaatsgevonden. Er is volgens de Staat geen sprake van schending van aanbestedingsregels.

De Staat heeft ook verweer gevoerd over de tweede vordering. Volgens de Staat moet Baitali niet ontvankelijk worden verklaard en dient de vordering te worden afgewezen. Volgens de Staat is er wel een herbeoordeling van de inschrijving van Baitali geweest en is dit ook per schrijven aan Baitali medegedeeld. Hiermee is elk gerechtvaardigd en redelijk belang van Baitali bij de verdere uitvoering van het veroordelend vonnis komen te vervallen, waardoor dan ook ieder spoedeisend belang ontbreekt.

De Staat diende een tegenvordering in en vroeg dat de verdere executie van het veroordelend vonnis onmiddellijk wordt stopgezet of geschorst, de dwangsommen gekoppeld aan dit vonnis te mitigeren naar nihil vanaf 2 januari 2026, Baitali te verbieden om het veroordelend vonnis te executeren totdat hierover anders mocht zijn beslist op straffe van een dwangsom van SRD 5.000.000,-, Baitali verbiedt om de voortzetting van het project niet te verhinderen op straffe van dwangsom van SRD 5.000.000,-, Baitali veroordeelt tot betaling van de advocaatkosten, proceskosten en executiekosten. Volgens de Staat maakt Baitali misbruik van het executierecht en zal verdere executie leiden tot onevenredig nadeel tegen de Staat, het algemeen belang en het direct belang van derden.

Baitali verweerde zich tegen deze vordering tot afwijzing van de vordering omdat zij van mening is dat de Staat zonder grondige reden het veroordelend vonnis niet uitvoert. Volgens Baitali is de IDB niet bevoegd de financiering stop te zetten en dient de Staat de IDB te dwingen tot naleving van deze leenovereenkomst.

De kantonrechter oordeelde over de eerste vordering van Baitali dat bij toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a lid 1 van het Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan drie voorwaarden moet worden voldaan. Echter heeft Baitali aan geen van deze voorwaarden voldaan.

Over de tweede vordering van Baitali oordeelde de kantonrechter dat het veroordelend vonnis op 25 juli 2025 in kracht van gewijsde is gegaan. Dit betekent dat het vonnis op die datum onherroepelijk is geworden. Baitali is tegen dit vonnis niet in hoger beroep gegaan en heeft hiervoor de mogelijkheid ook niet meer vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat een inhoudelijke beoordeling van stellingen en verweren van partijen, nadat op de vordering is beslist, slechts door een bij wet aangewezen beroepsinstantie kan plaatsvinden.

Over de vordering van de Staat komt de kantonrechter tot de conclusie dat Baitali misbruik maakt van haar executierecht omdat de reputatieschade de enige schade is die zij lijdt en de Staat deels al uitvoering aan het veroordelend vonnis heeft gegeven. Ten aanzien van het terugbrengen van de dwangsommen naar nihil kan de kantonrechter volgens artikel 611d lid 2 van het Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hiertoe pas overgaan als de veroordeelde geheel of gedeeltelijk geen mogelijkheid heeft om aan de veroordeling te voldoen. De Staat heeft pas in november 2025 enige poging gewaagd om uitvoering te geven aan het veroordelend vonnis en heeft reeds een deel van de dwangsommen betaald.

De kantonrechter weigerde beide vorderingen van Baitali en veroordeelde Baitali in de proceskosten. De kantonrechter besliste dat de verdere executie van het vonnis gewezen op 10 juli 2025 wordt geschorst totdat in een bodemprocedure definitief is beslist over het geschil. Tevens werd aan Baitali het verbod opgelegd om het voormeld vonnis verder te executeren op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag tot een maximum van SRD 1.000.000,-. Ook werd het verbod aan Baitali opgelegd om de voortzetting van het project te verhinderen op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag tot een maximum van SRD 1.000.000,- en betaling van de liquidatietarief van SRD 2.500,-.

 

Paramaribo, 23 juni 2026

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Werkbezoek aan Albina in het district Marowijne in het kader van decentralisatie

16 juni 2026

In het kader van het verdere proces tot decentralisatie van de Rechtspraak bracht een delegatie van het Hof van Justitie op 11 juni 2026 een werkbezoek aan Albina in het district Marowijne. Met functionarissen van het Hof zijn ook meegereisd functionarissen van het ministerie van Justitie en Politie en de Dienst Burgerlijke Zaken (DBZ), voorheen geheten Centraal Bureau voor Burgerzaken. De delegatie werd ontvangen door de districtscommissaris M. Vyent. Tijdens de bijeenkomst werd  gesproken over de mogelijkheid om ook in Albina civiele zittingen te houden, zoals dit nu al in Moengo plaatsvindt. Afhankelijk van de behoefte, wordt samen met de DC er naartoe gewerkt, dat de eerste zittingen in oktober 2026 kunnen plaatsvinden.

Rechter M. Mettendaf vertelt over de zittingen die nu worden gehouden in Moengo.

Naast DC Vyent waren onder andere aanwezig, gezagsdragers en vertegenwoordigers van de bestuursressorten, leden van de districtsraad,  de Douane en het Nationaal Leger.

DC Vyent sprak zijn steun uit voor het initiatief. Volgens hem is het belangrijk dat inwoners van het district dichterbij huis terecht kunnen voor juridische zaken. Hij riep de aanwezige bestuursfunctionarissen op om de bevolking goed te informeren hierover.

De rechters I. Lachitjaran en M. Mettendaf, hebben een korte inleiding gegeven over de voordelen en mogelijkheden van de civiele zittingen in Albina, voor de lokale bevolking.  Afhankelijk van de behoefte is het streven om eenmaal per maand zittingen in Albina te houden. Het ligt in de bedoeling dat functionarissen van het Bureau Familierechtelijke Zaken (BUFAZ), het Bureau Rechtszorg en DBZ, samen met het Hof zullen meereizen om hun diensten aan te bieden aan de lokale bevolking.

Mevr. N. Koema geeft uitleg over de procedures en werkzaamheden van de Dienst Burgerlijke Zaken

Mr. R. Bron, onderdirecteur Rechtsaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Politie, en  N. Koema, van de Dienst Burgerlijke Zaken, gaven ook een korte inleiding over de diensten die door hun ministerie worden aangeboden. Zij bespraken veel voorkomende vragen en problemen waarmee burgers te maken krijgen. Het publiek heeft goed gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zich te doen informeren door vele vragen te stellen.

Na afloop van de bijeenkomst vonden er informele gesprekken plaats met de genodigden en er werd tevens overleg gevoerd met de districtscommissaris en zijn bestuur.