SRU-HvJ-2008-13

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnisnummer: 18/2008

Uitspraak: 31 december 2008

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 19 maart 2002 en uitgesproken tegen de verdachte:

[Verdachte], geboren op [geboortedatum] te [Plaats], ten tijde van de aanhouding chauffeur van beroep en wonende aan de [Adres 1], thans in vrijheid gesteld;
verschenen in persoon en bijgestaan door zijn raadsman mr. H.R. Schuurman, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 27 maart 2002 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 04 april 2002 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis.

Ingevolge artikel 372 van het Wetboek van Strafvordering moet het hoger beroep door zowel de verdachte, alsook het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak worden ingesteld. Nu het hoger beroep door de vervolgingsambtenaar eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld, dient het openbaar ministerie daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hof zal derhalve dienovereenkomstig beslissen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton, waarbij de verdachte ten aanzien van het onder A. ten laste gelegde (medeplegen van overtreding van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, sub a en onder A van de wet verdovende middelen) werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht, met oplegging daarnaast van een geldboete van Sfl. 5.000.000,- (subsidiair 3 maanden hechtenis), met verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten een truck van het merk DAF, zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het vonnis waarvan beroep
Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 19 maart 2002 is de verdachte – verkort weergegeven – ter zake van het onder A. (medeplegen van overtreding van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, sub a en onder A van de wet verdovende middelen) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht, met oplegging daarnaast van een geldboete van Sfl. 5.000.000,- (subsidiair 3 maanden hechtenis), met verbeurdverklaring van de in beslag goederen, te weten een truck van het merk DAF met kenteken [nummer] en met bevel tot gevangenhouding.

Het hof is gebleken dat in het beroepen vonnis de bewezenverklaring niet is opgenomen, doch dat de kantonrechter heeft volstaan met het vermelden van de kwalificatie. Reeds daarom kan het hof zich niet verenigen met het vonnis a quo en zal het hof het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

De tenlastelegging:
Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De ontvankeliikheid van de vervolgingsambtenaar
Van de zijde van de verdediging is in hoger beroep aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien er een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde heeft plaatsgevonden, waardoor doelbewust of op zijn minst met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak. Hiertoe heeft de raadsman zakelijk weergegeven – een aantal afzonderlijke gronden aangevoerd, die hetzij op zichzelf, dan wel in onderling verband en onderlinge samenhang bezien dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof zal de door de verdediging aangevoerde gronden voor niet-ontvankelijkheid afzonderlijk bespreken.

Excessieve geweldstoepassing bij de aanhouding:
Van de zijde van de verdediging is betoogd dat tegen de verdachte, zonder dat daartoe enige aanleiding of noodzaak bestond, excessief geweld is toegepast bij zijn aanhouding door de dienstdoende ambtenaren van politie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:
Het hof stelt bij de bespreking van dit verweer als uitgangspunt voorop dat er vanuit dient te worden gegaan, dat door politie en justitie conform de geldende wetgeving en richtlijnen wordt opgetreden. Slechts indien door feiten dan wel omstandigheden gerede twijfel aan de rechtmatigheid van dat optreden naar voren komt, dient een nader onderzoek te volgen. Met de raadsman is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval voldoende aannemelijk is geworden dat jegens verdachte tijdens zijn aanhouding excessief geweld is toegepast door leden van het A-team. Het hof is tot dit oordeel gekomen op basis van de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen van de getuigen Breinburg en Berggraaf, beiden penitentiaire ambtenaren in onderlinge verband en samenhang beschouwd met de door de verdachte ter zake afgelegde verklaringen. Verdachte zat onder de blauwe plekken, hetgeen zichtbaar werd nadat hij zich ontkleed had.
De verdachte heeft desgevraagd mede gedeeld dat dit letsel het directe gevolg was van mishandelingen door de dienstdoende ambtenaren van politie. Verdachte heeft als gevolg van de mishandelingen tevens pijn geleden. Overigens heeft de verdachte verklaard dat hij tijdens zijn verhoren niet is mishandeld.

Nu naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat jegens de verdachte ten tijde van zijn aanhouding, dan wel kort daarna excessief geweld is toegepast, rijst de vraag welke juridische consequentie hieraan dient te worden verbonden. Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat de onderhavige gang van zaken niet dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Dit zou anders zijn, indien zou zijn gebleken dat als direct gevolg van het toepassen van excessief geweld jegens de verdachte, zijn nadien afgelegde verklaringen zodanig zouden zijn beinvloed, dat in alle redelijkheid niet kan worden volgehouden dat de verdachte zijn verklaringen in vrijheid heeft afgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken, dat zulks het geval is geweest, temeer nu de verhoren van de verdachte na zijn aanhouding zijn afgenomen door verbalisanten van de afdeling Narcotica Brigade en niet door de ambtenaren van politie, die direct betrokken waren bij de aanhouding van de verdachte. Nu aldus niet is gebleken dat de door de verdachte gegeven verklaringen in strijd met het pressieverbod als bedoeld in artikel 21 van het Wetboek van Strafvordering tot stand zijn gekomen, is voor de nietontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen plaats. Evenmin ziet het hof aanleiding om over te gaan tot bewijsuitsluiting van vorenbedoelde verklaringen. Wel zal het hof overgaan tot strafvermindering ter sanctionering van het ongeoorloofde gedrag van de dienstdoende ambtenaren van politie, waarmee op flagrante wijze inbreuk is gemaakt op de rechten van de verdachte.

Het verweer wordt mitsdien (deels) gehonoreerd.

De overschrijding van de redelijke termijn:
Van de zijde van de verdediging is voorts aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak in hoger beroep binnen een redelijke termijn zou zijn geschonden. Hiertoe heeft de raadsman zakelijk weergegeven – betoogd dat, nu de termijn gerekend vanaf de datum waarop de Kantonrechter in het Derde Kanton uitspraak heeft gedaan (te weten: 19 maart 2002) en de onderhavige strafzaak in hoger beroep is aangevangen, (te weten: 17 december 2007) bijna zes jaren bedraagt, mede gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, de houding van de justitiabelen en de houding van de verdachte, sprake is van een dusdanig forse overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van de strafzaak in hoger beroep, dat een niet-ontvankelijkheid van de vervolgingsambtenaar dient te worden uitgesproken, dan wel subsidiair een forse strafvermindering dient te worden toegepast.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn hier geschonden. De inzendtermijn als bedoeld in artikel 373, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering vangt aan op het moment dat de verdachte appel heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter, te weten op 27 maart 2002.

Blijkens de zich in het dossier bevindende stukken zijn de stukken van het geding op 15 augustus 2006 aangeboden ter griffie van het hof en is de behandeling van de zaak pas aangevangen op 17 december 2007. Het hof stelt vast dat nu deze termijn meer dan vier jaren heeft geduurd, als rechtstreeks gevolg daarvan het recht van verdachte op een openbare behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn is overschreden. Met de raadsman acht het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen.

Bij afweging van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door berechting enerzijds en anderzijds het belang van de verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging, nadat die termijn is overschreden, zou een nietontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie naar het oordeel van het hof evenwel geen passende reactie vormen.

Het hof vindt in de voormelde termijnoverschrijding echter wel aanleiding een lagere straf op te leggen dan het hof zonder deze overschrijding zou hebben opgelegd.

Het verweer van de zijde van de verdediging wordt derhalve gehonoreerd, in dier voege dat bij de op te leggen straf rekening zal worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als hiervoor vermeld.

Nu naar het oordeel van het hof niet is gebleken, dat sprake is geweest van een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is tekort gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak, dient het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de hiervoor besproken gronden te worden verworpen.

Aangezien voor het overige door de verdediging geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn gemaakt, die zouden moeten leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie naar het oordeel van het hof ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder A. van de inleidende dagvaarding ten laste is gelegd, zoals aangegeven in bijlage I, met dien verstande, dat hij:
op 16 maart 2001 in het district [District], tezamen en in vereniging (in nauwe en bewuste samenwerking) met [Naam 1] en [Naam 2], en [Naam 3] en [Naam 4], en een of meer tot nog toe onbekend gebleven personen opzettelijk vanuit Columbia in Suriname heeft ingevoerd 1139,5 kilogram cocaïne als bedoeld in artikel 3 lid 1 onder punt a van de Wet verdovende middelen, hebbende hij, verdachte toen aldaar tezamen en in vereniging opzettelijk voormelde cocaïne per vliegtuig, waarin voormelde cocaïne aanwezig was vanuit Columbia in Suriname ingevoerd door nadat voormelde vliegtuig op een daartoe geschikt gemaakte weg in voormeld district was geland, voormelde cocaïne uit voormelde vliegtuig te halen en in de laadbak van een autotruck te laden en vervolgens voormelde cocaïne te vervoeren naar een bergplaats elders in voormeld district, hebbende hij, verdachte, aldus tezamen en in vereniging de cocaïne opzettelijk ingevoerd.

Door het hof qebruikte bewiismiddelen
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De strafbaarheid van de feiten
Het onder A bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid sub a. en onder A en strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Wet verdovende middelen (SB 1998, no. 14) in samenhang bezien met artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel
De Kantonrechter in het Derde Kanton heeft de verdachte – verkort weergegeven ter zake van het onder A. (medeplegen van overtreding van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, sub a en onder A van de wet verdovende middelen) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht, met oplegging daarnaast van een geldboete van Sfl. 5.000.000,- (subsidiair 3 maanden hechtenis), met verbeurdverklaring van de in beslag goederen, te weten een truck van het merk DAF met kenteken [nummer] en met bevel tot gevangenhouding.

De vervolgingsambtenaar heeft zich achter de door de kantonrechter opgelegde straf geschaard.

De verdediging heeft, onder verwijzing naar de toepassing van geweld jegens de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn een lagere straf bepleit dan door de Kantonrechter in het Derde Kanton is opgelegd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met:
 – de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
– de omstandigheid dat het bij het bewezen verklaarde feit gaat om grote hoeveelheden verdovende middelen;
– de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, waarbij de grootschalige invoer en doorvoer van dergelijk grote hoeveelheden verdovende middelen tevens de Republiek Suriname internationaal gezien schade berokkent als doorvoerland.

Het hof overweegt hierbij in het bijzonder het navolgende:
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk tezamen en in vereniging invoeren van een relatief grote hoeveelheid cocaïne in Suriname. Hij heeft de verdovende middelen, nadat deze het land waren binnengekomen, verder vervoerd in zijn truck.

Om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst weer voor dezelfde verleidingen zal bezwijken is een straf die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat naar het oordeel van het hof op zijn plaats.

Onder verwijzing naar hetgeen het hof met betrekking tot het verweer van de zijde van de verdediging ter zake de overschrijding van de redelijke termijn reeds heeft overwogen merkt het hof nog op dat nu de redelijke termijn voor behandeling en berechting in hoger beroep in deze strafzaak is overschreden, deze omstandigheid ten voordele van de verdachte in de strafmaat zal moeten worden verdisconteerd.

Voorts zal het hof in strafmitigerende zin acht slaan op de omstandigheid dat jegens verdachte bij de aanhouding excessief geweld is toegepast.

Hoewel voor het bewezen verklaarde naar het oordeel van het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de door de kantonrechter opgelegde gevangenisstraffen voor de totale duur van tien jaren passend zou zijn geweest, zal het hof, gelet op de vorenbedoelde overschrijding van de redelijke termijn en de toepassing van geweld, in het onderhavige geval, overgaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur. Voorts zal het hof, mede gelet op de financiële draagkracht van de verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, niet overgaan tot oplegging daarnaast van een geldboete.

Het hof komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen aldus tot een strafoplegging die afwijkt van hetgeen, wat door de vervolgingsambtenaar is gevorderd. Het hof acht de gemaakte keuzes met betrekking tot strafsoort en strafmaat het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.

Alles overziende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van in totaal zes jaren passend en geboden.

Beslag
Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp (te weten het voertuig van het merk DAF met kenteken [nummer]), is vatbaar voor verbeurdverklaring.

De toepasseliike wettelijke bepalingen
Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 40, 44 en 50a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

Beslissing:
Het Hof van Justitie:
Rechtdoende in hoger beroep:
Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 19 maart 2002 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen, dat verdachte het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder A ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in het Derde Kanton onder A meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
A: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, sub a. en onder A van de Wet Verdovende Middelen gegeven verbod.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) jaren;

Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, te weten vanaf 16 maart 2001 tot en met 20 februari 2007 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
1 x truck van het merk DAF met

Aldus gewezen door:
mr. J.R. Von Niesewand, Vice-President, mr. A.A. Hermelijn en mr. A. Charan, leden-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh als fungerend-griffier, en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 31 december 2008.

mr. J.R. Von Niesewand en mr. A.A. Hermelijn zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh      w.g. A. Charan

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2011-8

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnisnummer: 07/2011

Parketnummer:01-01-2095

Uitspraak: 14 februari 2011

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 16 augustus 2005 en uitgesproken tegen de verdachte:

[Verdachte], geboren op [geboortedatum 1] te [Plaats], ten tijde van de aanhouding administratief medewerker van beroep en thans wonende aan de [Adres 1], thans in vrijheid gesteld,

verschenen in persoon en bijgestaan door zijn raadsman G.R. Sewcharan en mr. S.R. Heijmans, beiden advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankeliikheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 30 augustus 2005 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton. Het hof is echter gebleken dat het hier moet zijn gegaan om een kennelijke schrijffout en dat het hoger beroep moet worden geacht te zijn ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zoals eerder bij tussenbeslissing van het hof ook is geconstateerd.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 7 september 2005 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis.

Ingevolge artikel 372 van het Wetboek van Strafvordering moet het hoger beroep door zowel de verdachte, alsook het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak worden ingesteld. Nu het hoger beroep door de vervolgingsambtenaar eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld, dient het openbaar ministerie daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hof zal derhalve dienovereenkomstig beslissen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton zal bevestigen, met aanvulling van bewijsmiddelen.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton onder C. ten laste gelegde.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 16 augustus 2005 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder IA en IB ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder IC (medeplichtigheid aan diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht en met handhaving van het bevel tot gevangenhouding.

Bij tussenvonnis d.d. 15 juli 2004 heeft de Kantonrechter in het Tweede Kanton de destijds opgeworpen excepties en weren verworpen.

Het vonnis a quo (voormeld) in het Tweede Kanton zal worden bevestigd, onder aanvulling van bewijsmiddelen en de toegepaste wettelijke voorschriften.

De tenlasteleqqinq:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De door het hof qebeziqde bewiismiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd met de hierna opgenomen bewijsmiddelen.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton onder C ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – betoogd dat in het onderliggende procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijsmateriaal is, teneinde vast te kunnen stellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde medeplichtigheid van de diefstal.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

Naar het oordeel van het hof vindt de door of namens de verdachte bepleite vrijspraak zijn weerlegging in de redengevende feiten en omstandigheden die volgen uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen.

In dit verband overweegt het hof aanvullend nog het navolgende: naar het oordeel van het hof hebben [Naam 1] en [Naam 2] over het voorval op woensdag 10 april 2002, waarbij het slachtoffer [Naam 3] met geweld is beroofd en als gevolg daarvan is komen te overlijden uitermate betrouwbare verklaringen afgelegd die niet alleen consistent (en in strijd met de ontkennende verklaring van verdachte) zijn, maar tevens ondersteuning vinden in andersoortig bewijsmateriaal. Ten aanzien van de verdachte heeft te gelden dat de getuige [Naam 4] heeft verklaard dat verdachte op de hoogte was van de omstandigheid dat het latere slachtoffer op die bewuste dag gelden zou komen brengen. Voorts is uit Telesur-uitdraaien van medeverdachte [Naam 5] gebleken dat deze de verdachte op de betreffende dag omstreeks 13.17 uur heeft gebeld, dat terwijl het feit zich omstreeks 13.35 uur heeft voltrokken. Verdachte en medeverdachte [Naam 5] kenden elkaar al vanaf november 2001 en [Naam 3] heeft ook het huis van verdachte aangewezen, omdat hij daar eerder zou zijn geweest. Het hof heeft ook nog acht geslagen op de gedetailleerde verklaringen van medeverdachte [Naam 5] over de wijze waarop het contact tussen verdachte en hemzelf tot stand is gekomen en hoe de beroving nader is gepland.

Ten slotte heeft het hof in belastende zin mede acht geslagen op de omstandigheid dat de getuige [Naam 6] heeft verklaard dat hij voor de verdachte een boodschap moest overbrengen aan medeverdachte [Naam 5] om zijn, verdachtes, naam niet te noemen. [Naam 5] heeft deze gang van zaken in eerste aanleg bevestigd. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat zonder meer bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder C. ten laste gelegde. Feiten of omstandigheden die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden, zijn het hof niet gebleken of anderszins door de verdediging aannemelijk gemaakt.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Het hof is overigens niet gebleken dat de verdachte op enig moment het opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, weshalve de bewezenverklaring enkel ziet op de medeplichtigheid aan de gekwalificeerde diefstal, als bedoeld in artikel 372 van het Wetboek van Strafrecht, de dood ten gevolge hebbende.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 11, 38, 44, 70, 73, 370 en 372 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 16 augustus 2005 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van:

medeplichtigheid aan diefstal vergezeld van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) jaren met aftrek van de tijd voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht vanaf 11 april 2002, overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus gewezen door: mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend-president, mr. S.M.M. Chu en mr. A.C. Johanns, Leden-plaatsvervangers, bijgestaan door mw. I. Madarsa als fungerend-griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 14 februari 2011.

w.g. mw. I. Madarsa      w.g. I.H.H.M. Rasoelbaks

                                     w.g. S.M.M. Chu

                                     w.g. A.C. Johanns

 

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2009-6

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnisnummer: 07/2009

Parketnummer: 1-1-1893

Uitspraak: 17 juli 2009

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 17 augustus 2006 en uitgesproken tegen de verdachte:

[Verdachte] geboren op [geboortedatum 1] in het [District 1] (Suriname), wonende aan de [Adres 1], thans gevangen gehouden,

verschenen in persoon en bijgestaan door zijn raadsman, mr. D. Kraag, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 23 augustus 2006 op de voorgeschreven wijze en tijdig appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 31 augustus 2006 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande hebben de beide partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het onderzoek ter terechtzittinq in hoqer beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton zal bevestigen, onder aanvulling van bewijsmiddelen en met bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

De verdediging heeft:

  • primair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder I ten laste gelegde;
  • voorts bepleit dat de verdachte ten aanzien van het hem bij inleidende dagvaarding onder II en III ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een duur niet langer dan door de verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 17 augustus 2006 is de verdachte ter zake van moord, een zware mishandeling en het opzettelijk stichten van brand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren, met openbare tewerkstelling en met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafvordering, met handhaving van de gevangenhouding van de verdachte.

Het hof is gebleken dat in het vonnis a quo (voormeld) de bewezenverklaring niet is opgenomen, doch dat de kantonrechter heeft volstaan met het vermelden van de kwalificatie. Reeds daarom kan het hof zich niet verenigen met het vonnis a quo. Nu het vonnis a quo, in strijd met artikel 343 van het Wetboek van Strafvordering, evenmin een aanduiding van de inhoud van de bewijsmiddelen bevat, voor zover deze tot het bewijs van de ten laste gelegde feiten geldt, zal het hof het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

De tenlasteleqqinq:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder I, II en III van de inleidende dagvaarding ten laste is gelegd, zoals aangegeven in bijlage I, met dien verstande, dat hij:

IA: op 23 december 2003 te [Plaats], opzettelijk en met voorbedachten rade [Slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hebbende hij verdachte, na in kalm beraad en rustig overleg – het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd om die [Slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven – ter uitvoering van dat voornemen of dat plan zich op een eerder tijdstip begeven naar de woning van die [Slachtoffer 1] en op uitnodiging van de ouders van die [Slachtoffer 1] op het balkon van voormelde woning plaatsgenomen en die [Slachtoffer 1] opgewacht en – toen die [Slachtoffer 1] thuis arriveerde – die [Slachtoffer 1] tegemoet gelopen en vervolgens opzettelijk één of meer schoten met een vuurwapen gelost op het voorhoofd en in het lieskanaal van die [Slachtoffer 1] voornoemd, hebbende die [Slachtoffer 1] ten gevolge van die vorenomschreven handelingen bekomen, zodanige letsels als omscheven in het visum et repertum, uitgebracht door professor. dr. M.A. Vrede, patholoog, zijnde die [Slachtoffer 1] ten gevolge van die letsels overleden.

IIA: op 08 maart 2005 te [Plaats], opzettelijk [Slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, hebbende hij verdachte, toen en aldaar die [Slachtoffer 2] achterna gerend en opzettelijk met een mes meer steken in het lichaam van die [Slachtoffer 2] toegebracht, hebbende die [Slachtoffer 2] ten gevolge van vorenomschreven handelingen een kapwond en een gecompliceerde fractuur aan de rechterbovenarm, in ieder geval zwaar lichamelijk letsel bekomen.

III: op 8 maart 2005 te [Plaats], opzettelijk brand heeft gesticht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten was, hebbende hij, verdachte, toen aldaar een brandende kaars, welke zich op een tafel in de kamer van een woning bevond in aanraking gebracht met een in voormelde ruimte aanwezig bankstel, waardoor voormeld bankstel in brand geraakte, waardoor vervolgens voormelde woning en de daarin aanwezige goederen in brand geraakten en daardoor gemeen gevaar voor goederen en voor de alstoen in de woning aanwezige goederen en levensgevaar voor onder meer [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 3], die zich alstoen in de benedenwoning bevonden te duchten is geweest.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof qebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder IA bewezen verklaarde feit:

Het op ambtsbelofte op 23 december 2003 door A.V. Ganpat (agent van politie Eerste Klasse) opgemaakt prQces-verbaal, doorgenummerde pagina’s 109 tot en met 111, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als relaas van bevindingen van de betreffende verbalisant, inhoudende:

”Op 23 december 2003, omstreeks 19.45 uur werd portofonisch bericht ontvangen van de Centra/e Meldkamer dat kort te voren aan de [Adres 2] bij de familie [Naam 3] een manspersoon middels âvee schoten uit een vuistvuurwapen om het leven is gebracht. Naar aanleiding van deze melding begaf ik mij vergezeld door de ambtenaren van politie W. Lamsberg en S. Gokoe/ op het opgegeven adres, teneinde een onderzoek in te stelen. Op het opgegeven adres trof ik op de zandberm voor de omrastering een manspersoon van Hindoestaanse komaf aan. Hij lag op zijn rug. Hij was gekleed in een crèmekleurige trui en een pantalon, terwij/ zijn hoofd en trui bebloed was. Zijn voorhoofd vertoonde een verwonding, waaruit bloed sijpelde. Op mijn roepen reageerde hij niet en hij vertoonde geen tekenen van leven meer. Staande het onderzoek vervoegde een manspersoon zich bij mij die opgaf te zijn [Naam 1]. Hij verklaarde dat de persoon die op de grond lag zijn zoon is die ten rechte is geheten: [Slachtoffer 1]. Hij verklaarde dat een haf uur terug een manspersoon van het gemende ras gezeten op een groen gelakte bromfiets, damesmode/ van het merk Yamaha thuis bij hem is geweest en naar zijn zoon vroeg. [Slachtoffer 1] was op dat moment niet thuis en de manspersoon hield hem voor dat hij zijn zoon dringend nodig had. Hierop belde zijn echtgenote [Slachtoffer 1] op zijn mobiele telefoon, waarna de bedoelde manspersoon zich met de telefoon naar de straat begaf en het gesprek met [Slachtoffer 1] verder voerde. Hierna kwam de manspersoon weer naar het terras toegelopen en nam hij plaats op de stoe/ op het voorterras. Hij hield hun voor dat hun zoon onderweg was naar hem toe. Hij verklaarde verder dat zijn zoon na ongeveer vijf minuten thuis aankwam, zijn voertuig aan de buitenzijde plaatste, uitstapte en naar de poort toeliep. Op hetzelfde moment zag hij de bedoelde manspersoon opstaan en naar buiten lopen. Hij haalde een vuistvuurwapen, dat hij onder zijn trui had bewaard tevoorschijn, richtte dat op zijn zoon en loste vervolgens twee schoten. Hij zag zijn zoon neerva//en. (…) Volgens zijn verklaring was de bedoelde manspersoon 1.60 meter lang, had een normaa/ postuur, was gekleed in een bruingek/eurde /angemouwtrui en had hij een zwarte hoofddoek op zijn hoofd gebonden. Zijn echtgenote die eveneens ter plaatse werd aangetroffen en opgafte zijn, [Naam 2] en wonende op voormeld adres, bevestigde de verklaring van haar echtgenoot. (…) De inmiddels ter plaatse gearriveerde arts, drs. I.R. Toe/sie, stelde de dood vast'(

B.

Het op ambtsbelofte op 14 februari 2005 door D. Bhattoe (onderinspecteur bij politie) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina’s 131 tot en met 137, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van [Naam 1], inhoudende:

”Op 20 december 2003 bevond ik mij omstreeks 19.00 uur samen met mijn vrouw thuis. Bij deze gelegenheid verscheen een manspersoon op een bromfiets bij de poort. Mijn zoon [Slachtoffer 1] was enkele dagen daarvoor vertrokken met de mededeling dat hij naar [District 2] zou gaan. Voorts had hij ons voorgehouden dat hij op maandag 22 december 2003 terug zou komen. Nadat de man met de bromfiets bij de poort was gestopt en mij op het terras had gezien, vroeg hij mij in het Surinaams of [Slachtoffer 1] thuis was. Hij deelde mij mede dat hij een vriend van [Slachtoffer 1] was en dat hij hem wilde ontmoeten. Nadat ik hem kenbaar had gemaakt dat hij na twee dagen terug moest komen, bracht hij de bromfiets weer op gang door op de starterpedaa/ te trappen en reed hij weg (…).

Op dinsdag 23 december 2003 bevond ik mij weer thuis met mijn vrouw. Mijn zoon was a/ weer in [Plaats]. Bij die gelegenheid verscheen dezelfde man op dezelfde bromfiets weer bij de poott. Nadat hij was gestopt, vroeg hij mij of [Slachtoffer 1] thuis was. Ik moet u verklaren dat mijn zoon de bijnaam [Slachtoffer 1] heet. Ik hield hem voor dat mijn zoon a/ in [Plaats] was, doch niet thuis aanwezig was. Hierop zei de man tegen mij dat hij [Slachtoffer 1] dringend moest ontmoeten. Aangezien [Slachtoffer 1] ons had voorgehouden hem te benen, wanneer de man zou terugkomen, belde mijn vrouw hem op. Nadat zij [Slachtoffer 1] aan de lijn had, vroeg [Slachtoffer 1] aan zijn moeder om de telefoon aan de man te geven, zodat hij tot de man kon praten. Zodoende gaf zij de telefoon aan de man. Wat zij precies hebben besproken, heb ik niet kunnen volgen, maar na beëindiging van het gesprek, zei de man dat hij op [Slachtoffer 1] moest wachten. Naar aanleiding daarvan nodigde ik de man toen uit om op een stoe/ op het balkon/terras op de begane grond aan de voorzijde plaats te nemen. Hij nam toen plaats. Kott daarna vroeg de man om een glas koud water. Mijn vrouw is toen water gaan halen. Toen mijn vrouw het water in een Was gaf, verwijderde de man de va/he/m van zijn hoofd. Ik kon zijn gezicht daarbij goed zien en ik nam toen ook waar dat hij zijn hoofd had gebonden met een zwarte doek, a/s gevolg waarvan ik zijn haardracht niet goed kon zien. Hij had dezelfde va/he/m op als de eerste keer. De man is slank van postuur, kan ongeveer 1.60 meter lang zijn en had een bruine huidskleur. Hij is een mix type, vermoedelijk een mix tussen een creoo/ met een indiaan of Javaan. In ek geva/ heb ik deze man bij een eerder gehouden spiege/confrontatie herkend en hem aangewezen. Ik heb daaromtrent reeds een verklaring afgelegd en daar persisteer ik bij. (…) Ongeveer een kwartier hierna kwam mijn zoon aangereden met zijn auto. De man vroeg toen aan mij of het [Slachtoffer 1] was, waarop ik hem bevestigend antwoordde. De man stond toen gelijk op, nadat hij zijn va/he/m op zijn hoofd had gezet en liep toen gelijk op [Slachtoffer 1] af, die net zijn auto was uitgestapt. Ik hoorde mijn zoon aan de man vragen wie hij was en van waar hij hem kende en waarom hij had gezegd dat hij een vriend van mijn zoon was. Hierop kreeg hij geen antwoord. Daarna nodigde mijn zoon hem uit om te komen zitten, zodat hij kon horen wat de man hem te verte//en had. De man zei toen dat hij niet zou gaan zitten. Mijn zoon draaide zich toen weer om naar de man en op datzelfde moment trok de man een vuistvuurwapen vanuit de onderkant van zijn trui. Hij schoot in de richting van mijn zoon die gelijk daarna vie/ en loste vervolgens een tweede schot in de richting van mijn zoon. Ik maakte toen aanstalten om mijn zoon te helpen, maar toen de man zulks zag, richtte hij het wapen op mij. Ik zocht toen dekking achter een pilaar van de schutting, waarna de man op zijn bromfiets sprong en wegreed

C.

Het op ambtsbelofte op 4 januari 2005 door D. Bhattoe (onderinspecteur bij politie) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina’s 138 tot en met 143, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van [Naam 2], inhoudende:

’t…) Op 23 december 2004 (het hofbegrijpt: 2003) bevond ik mij samen met mijn man thuis. Omstreeks 19.00 uur verscheen dezelfde man op dezelfde bromfiets weer bij de poort. Hij vroeg mij weer naar mijn zoon (…). Na het gesprek liet mijn echtgenoot de man binnen en plaatste hij een stoe/ op de voorbalkon, waarop de man plaats nam. Mijn man en ik namen a//bei ook plaats op het balkon. Op een gegeven moment vroeg de man om een glas water. Ik ben toen water gaan halen en ik gaf hem water met wat resten ijs. De man verwijderde daarbij de va/he/m om het water te kunnen drinken en ik kon toen zijn gezicht goed zien. Ik zag daarbij dat hij op zijn hoofd een zwarte doek had gebonden. (…) Ik kwam toen buiten en mijn man hield mij voor dat mijn zoon was doodgeschoten door de man. Ik zag geen spoor van de man, terwij/ ik mijn zoon bij de poort op de grond aantrof. Hij reageerde daarbij niet en ik vermoed dat hij gelijk moet zijn overleden. (…) Kort tevoren hebt u mij in de gelegenheid geste/d om drie manspersonen te observeren via een spiege/confrontatie. De drie mannen waren in een aparte ruimte naast elkaar opgesteld. Zij hadden alen een nummer hangen ter hoogte van hun borst en waren alen gekleed in blauwe ketelpakken. Nadat ik de mannen goed had geobserveerd, heb ik u de man met nummer 9 aangewezen. De man met nummer 9 komt overeen met de man die mijn zoon van zijn leven heeft beroofd. Zijn lichaamslengte, gezicht en voora/ zijn ietwat slaperige ogen komen compleet overeen met die van de man in kwestie. (…) U zegt mij dat de man met het nummer 9 ten rechte [Verdachte] is genaamd

D.

Het op ambtsbelofte op 4 januari 2005 door P. Jethoe (onderinspecteur bij politie) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina’s 150 en 151, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van [Naam 1], inhoudende:

”(…) Ik ben daarnet in de gelegenheid gesteld om via een zogenaamde spiege/confrontatie een vietta/ manspersonen dat van dezelfde bevolkingsgroep bleek te zijn en qua postuur, lichaamslengte, huidskleur, haardracht gelijkenissen met elkaar vertoonden, terwijl’ zij a//en in een blauwe pak met een nummer om hun ha/s stonden, te observeren. Bedoelde personen stonden in een andere ruimte opgesteld, terwij/ ik hen vanuit weer een andere ruimte kon gadeslaan. Bij dezen heb ik meteen en in één oogopslag de man met nummer 6 herkend. Hij is de man die op dinsdag 23 december 2003 mijn zoon heeft opgezocht en hem vervolgens heeft doodgeschoten. Ik kan mij hierin niet vergissen, omdat de man zeker een kwartier lang thuis bij mij op het terras heeft gewacht, waarbij mijn wouw hem zelfs een glas koud water had aangeboden.

Ter verduidelijking verklaar ik dat deze man, die volgens u ten rechte genaamd is [Verdachte], herken aan zijn lichaamsbouw en lengte, alsook aan zijn gezicht, mond, neus en oren, maar vooral de ogen, omdat hij de gewoonte schijnt te hebben naar beneden te kijken, dan we/ op te kijken met zijn gezicht naar beneden. Ik heb de man ook aan zijn houding bij het lopen herkend. Ik verklaar nogmaals dat een vergissing in dezen onmogelijk is en dat hij de dader is die mijn zoon heeft doodgeschoten (…)’í

E.

Het schriftelijke stuk d.d. 23 maart 2005 opgemaakt en ondertekend door D. Bhattoe, onderinspecteur van politie en gericht aan het Hoofd van de justitiële dienst van de Commissaris van Politie, doorgenummerde pagina’s 104 en 105, voor zover relevant en zakelijk weergegeven inhoudende:

”Op dinsdag 23 december 2003 werd de in leven geheten [Slachtoffer 1] voor zijn woning aan de [Adres 2] van het leven beroofd. In de maand december van dit jaar (het hof begrijpt: 2004) kreeg de recherche informatie van een betrouwbare informant die anoniem wenst te blijven en wiens personalia bekend zijn, dat de moord is gepleegd door ene [Verdachte], die een gevangenisstraf uitzat en ingesloten was in de strafinrichting Hazart in het [District 2]. De informatie werd uitgewerkt en de voornoemde verdachte bleek inderdaad een gevangenisstraf uit te zitten in de strafinrichting Hazart, terzake diefstal met geweld. Voorts is gebleken dat hij ten tijde van de moord nog op vrije voeten was. Er werd een spiege/confrontatie gehouden tussen de verdachte voornoemd en getuigen. Hierbij is hij door twee getuigen positief herkend a/s de dader”.

Het op ambtseed op 5 januari 2005 door R.S. Kalka (agent van politie Eerste

Klasse) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina’s 160 en 165, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van T.A. Benjamin, inhoudende:

”(…) Ter verduidelijking kan ik u verklaren dat ik de gebroeders [Naam 3] ken, namelijk [Naam 4], [Naam 5] en [Verdachte]. Van deze broers weet ik data//een [Verdachte] nog in leven is. De rest is overleden. (…) Persoonlijk reed ik ook op een bromfiets. Het was van het mode/ Yamaha, groenge/akt en het was een damesmode/. Ik moet u verklaren dat deze bromfiets niet aan mij toebehoorde, maar aan [Naam 4] (…).

Ik weet niet waar [Naam 4] deze bromfiets had gekocht, dan we/ waar hij het vandaan had. Wat ik u we/ kan verklaren is dat ik bedoelde motorrijtuig wilde kopen van [Naam 4] en ik had hem hierover gesproken. [Naam 4] was akkoord gegaan hiermee en had mij voorgehouden dat ik de bromfiets voor een bedrag van toen 500.000 Surinaamse gulden kon kopen. Nadat ik dit bedrag had opgebracht, ging ik naar [Naam 4] toe om hem voor de bromfiets te betalen en het vervolgens te kopen van hem. Ik moet u thans verklaren dat in plaats dat [Naam 4] de bromfiets voor mij heeft verkocht, hij [Naam 4], voor mij vrij verrassend een jachtgeweer trok, weke hij op mij gericht hield.

Vervolgens beroofde [Naam 4] mij onder bedreiging van het jachtwapen van het geldbedrag groot SF 500.000, Desgevraagd dee/ ik mee dat deze beroving begin 2003 had plaatsgevonden. (…) U vraagt mij thans of het a//een [Naam 4] was die de groene dames Yamaha bromfiets reed en ik kan u daarop verklaren dat [Naam 4] de bromfiets het meest ging rijden, doch ook de andere broers, waar onder [Verdachte], reden ook op de bromfiets in kwestie. (…) Het vuistvuurwapen van [Verdachte] was een pistoo/ die indien ik het goed heb, nikke/k/eurig was. Het was een pistoo/ en zulks weet ik nog, omdat hij het voor mij gespannen had op de bewuste dag dat [Verdachte] bij mij thuis was geweest en de bromfiets uiteindelijk werd teruggenomen

G.

Het op ambtsbelofte op 5 januari 2005 door D. Bhattoe (onderinspecteur bij politie) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuiae, doorgenummerde pagina’s 52 tot en met 54, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van [Naam 6], inhoudende:

”Ik ben [Naam 6]. Ik heb vier broers gehad, waawan drie inmiddels zijn overleden. De ene die nog /eet heet [Verdachte] en is ingesloten. (…) Op uw vraag of ik [Verdachte] ook met andere bromfietsen heb gezien, waar hij mee reed, verklaar ik dat ik hem tenminste een keer heb gezien met een groen gelakte Dames Yamaha bromfiets die hij reed Volgens [Verdachte] behoorde die bromfiets toe aan ene [Naam 7]. Ik had [Naam 7] ook meermalen met dezelfde bromfiets gezien

Het schriftelijk stuk van het Pathologisch Anatomisch Laboratorium van het Academisch Ziekenhuis te Paramaribo d.d. 23 februari 2004 opgemaakt door Profa Dr. M.A. Vrede, patholoog, doorgenummerde pagina’s 86 en 87 van het dossier voor zover relevant en zakelijk weergegeven inhoudende:

”Bij obductie d.d. 24/12/2003 in het Mortuarium Academisch Ziekenhuis Paramaribo op het lijk van [Slachtoffer 1]., geboren op [geboortedatum 2], vond ik de volgende bijzonderheden: (…) Samenvattend: Een man overleden na schotverwondingen (opgave van politie). Uitwending toonde het slachtoffer  een tweeta/ schotverwondingen, waarvan de eerste ge/oka/iseerd was in het voorhoofd, op circa 2 centimeter verwijderd van de rechter-wenkbrauw (inschot). Deze schotverwonding toonde nagenoeg over de gehele omtrek een brandzone (…). Ter hoogte van het /inker/ieskanaa/ werd er een tweede schotwond gevonden (…). De hersenen toonden uitgebreide verbrijzeling van de voorkwabben en de hersenbalk. ( ..) De dood was a/s gevolg van verbrijzeling van hersenweefse/ a/s gevolg van een schotverwonding aan het voorhoofd.

Ten aanzien van de onder 11,4 en III bewezen verklaarde feiten:

Het op ambtseed op 8 maart 2004 door L.A. Nijhove (agent van politie Eerste Klasse) opgemaakt proces-verbaal, doorgenummerde pagina’s 201 tot en met 203, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als relaas van bevindingen van de betreffende verbalisant, inhoudende:

’Op maandag 8 maart 2004, omstreeks 23.55 uur begaf ik mij tezamen met de eveneens alhier dienende agent van politie Tajib naar de [Adres 3], waar volgens bekomen bericht een geva/ van mishandeling en brandstichting zou hebben plaatsgehad, teneinde een onderzoek in te stelen.

Ter plaatste aangekomen voegde aangeefster (het hof begrijpt: [Slachtoffer 3] zich bij mij en verklaarde het volgende: Heden deden zij en haar man (het hof begrijpt: [Slachtoffer 2]) hun woning omstreeks 20.00 uur aan. Zij troffen thuis en aan de voorzijde van de woning buurtbewoners aan, dit vanwege het feit dat een van haar zonen op vrijdag 5 maart/. was komen te overlijden, waardoor men bij elkaar gekomen was. Er is volgens haar a/coho/ gedronken, hetgeen tot gevolg had dat een van haar zonen (het hof begrijpt: verdachte) tekeer begon te gaan en waarbij bedreigende uitlatingen niet uitbleven. Hij wilde volgens de uitlatingen die door hem werden gedaan, bloed zien. A/s gevolg van uitlatingen van [Verdachte], had iedereen de woning verlaten (…). Ze werd op een gegeven moment bang voor hem, zo erg dat ze niet bij hem in de buurt wilde gaan. Meteen daarna stichtte hij opzettelijk brand in de woonkamer door vuur tegen enkele goederen, waar onder het bankstel, aan te houden. Deze gingen ten gevolge van die brandstichting in Wammen op. Op een gegeven moment sloeg de rookwolk over naar andere delen van de woning, a/s gevolg waarvan iedereen de woning diende te verlaten (…). Het slachtoffer in de persoon van [Slachtoffer 2] die zich op dat moment in een van de slaapkamers bevond, kon de rook niet aan en is a/s een van de eerste personen via de ramen uit de woning gevlucht. Volgens verklaring van aangeefster is haar zoon meteen daarna achter hem aan gegaan (…). De aangeefster toonde mij de woning waarin haar zoon brand had gesticht. Deze is van het type hoogbouw. Het onderste gedeelte wordt door de aangeefster en familie bewoond, terwijl de eigenaar op de bovenverdieping woonachtig is.

Staande het onderzoek voegde ik mij op de spoedeisende hu/p van het Academisch Ziekenhuis, alwaar het slachtoffer 1 (het hof begrijpt: [Slachtoffer 2]) op een van de brandcarren werd aangetroffen. Zijn bovenlichaam was nagenoeg gehee/ met Woed besmeurd, terwij/ hij constant van pijn kreunde. (…). Het slachtoffer verklaarde dat nadat hij thuis was gekomen met zijn vrouw, hij meteen naar de slaapkamer was gegaan, omdat zijn stiefzoon [Verdachte], met wie hij in onmin leefde, zich in het gezelschap bevond. (…). Via een van de ramen vluchtte hij de woning uit. Hij werd daarbij door [Verdachte] achterna gezeten. Enkele meters daarna kwam hij te va//en en werd hij door [Verdachte] genaderd. Meteen daarna maakte [Verdachte] met een scherp voorwerp opzettelijk en zonder aanleiding te hebben gekregen steekbewegingen naar het gelaat van hem, ten gevolge waan;an hij steken in zijn gelaat moest incasseren. Enke/ van de steekbewegingen heeft hij met zijn handen en voeten kunnen weren, waardoor erger kon worden voorkomen. [Verdachte] bracht hem behoorlijk wat steekbewegingen toe, waardoor hij hee/ erg vee/ pijn had geleden. Doordat het donker was, was het voor hem onmogelijk om waar te nemen met wek voorwerp de steken aan zijn lijf waren toegebracht. Hij heeft aan niemand aanleiding gegeven om met te mishandelen en zwaar lichamelijk /etse/ toe te brengen. De aanleiding van dit voorva/ is hem niet bekend”.

B.

Het op ambtseed op 13 januari 2005 door R.S. Kalka en A.R. Meerzorg (beiden agent van politie Eerste Klasse) opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde pagina’s 234 tot en met 240, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

” (…) In de voorkamer brandde een kaars op een tafel. Er was ook een tafe/k/eed op deze tafe/ en ik heb vervolgens het tafe/k/eed weggetrokken. Hierdoor moet de kaars op de bankstel zijn gekomen, waardoor deze in brand vloog.

c.

Het op ambtseed op 11 januari 2005 door R.S. Kalka (agent van politie Eerste Klasse) opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina’s 125 tot en met 130, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van [Slachtoffer 2], inhoudende:

”Nadat u verbalisant mij heeft voorgehouden waarover u mij bij proces-verbaa/ wenst te horen, namelijk omtrent de aangifte gedaan door mijn persoon ter zake opzettelijke brandstichting en zware mishandeling gepleegd door mijn stiefzoon [Verdachte] op 8 maart 2004, kan ik u dienaangaande het volgende verklaren:

(…) Het moet die avond omstreeks 23.30 uur – 00.00 uur zijn geweest dat ik op bed lag uit te rusten, toen ik plotseling hoorde dat [Verdachte] tekeer ging in de woning (…). In ieder geva/ hoorde ik dat [Verdachte] a//es wat hij maar kon vinden in de woning kapot sloeg. Op een gegeven ogenblik kwam mijn wederhe/Ê naar mij in de slaapkamer en het wat op dat moment dat ik wilde gaan kijken wat er met [Verdachte] aan de hand was. Mijn wederhelft hield mij toen voor om niet de slaapkamer uit te gaan, omdat [Verdachte] met een mes gewapend was. (…) Ervan uitgaande dat [Verdachte] vertrokken was, kwam ik uit de slaapkamer en wat ik toen zag, was verschrikkelijk. Ik zag dat [Verdachte] in de slaapkamer stond, terwijl’ het bankste/ in de voorkamer in brand stond. Voor mij was duidelijk dat [Verdachte] het bankste/ opzettelijk in brand had gestoken. Dit vormde levensgevaar voor zowel mijn persoon en mijn wederhelft, maar meer nog voor onze achtjarige dochter die in een slaapkamer lag te slapen.

..) Het gevaar bestond ook voor mensen die boven in de woning woonden. (…) In ieder geva/ was ik behoorlijk in de war en vluchtte ik uiteindelijk de woning uit. Ik rende de straat op en werd meteen door [Verdachte] achterna gezeten, die nog steeds gewapend was met een mes. Het volgende moment kon ik mij niet meer uit de voeten maken en gelukte het [Verdachte] mij te benaderen. Het was alsof de duive/ [Verdachte] had overgenomen en zonder dat ik hem daartoe enige aanleiding had gegeven, bracht [Verdachte] mij vele steken toe met het mes, waarmee hij was gewapend. Ik op mijn beurt had geen andere mogelijkheid dan de steken met mijn handen af te weren. [Verdachte] probeerde mij te vermoorden, terwij/ ik hem niets had aangedaan. Ik zag dit daar [Verdachte] steeds weer probeerde fata/e delen van mijn bovenlijf en gelaat te steken. Dit gelukte hem niet, daar het mij steeds lukte om deze steken met mijn armen af te weren.

Echter heb ik door de steken toegebracht door [Verdachte], zovee/ dat ik niet exact kan aangeven hoevee/ steken hij mij opzettelijk heeft toegebracht, hee/ wat zware verwondingen opgelopen aan zowe/ mijn linkerarm alsook mijn rechterarm. Ook aan mijn linkerbeen heb ik een steek moeten incasseren”.

D.

Het schriftelijk stuk van de Korps Politie Suriname d.d. 8 april 2004 opgemaakt door de districtsgeneesheer, doorgenummerde pagina’s 51 van het dossier voor zover relevant en zakelijk weergegeven inhoudende:

”Bij dezen wordt u verzocht een geneeskundig onderzoek in te stelen bij, [Slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 2] te [District 1], wegens mishandeling en van uw bevindingen zo spoedig mogelijk schriftelijke mededeling aan mij te doen aan de hand van onderstaande vragen, zo nodig met toelichting op bijlagen.

  1. Welk letsel heeft u bij bovengenoemde waargenomen?

Multipele kapwonden aan de linker onderarm en rechter bovenarm en de hand (…).

2a. Laat het letsel uitzicht op volkomen genezing?

Onzeker.

2b. is voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van de ambts- en beroepsbezigheden waarschijnlijk?

Onzeker.

2c. Hoe lang acht u de tijd van de tijdelijke ziekte of van de verhindering in de uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden?

Onzeker.

A/dus op beroepseeed opgemaakt op 9 maart 2004 door de orthopeed’í

E.

Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 februari 2009, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte inhoudende:

”Ik erken mij schuldig te hebben gemaakt aan de onder II en III ten laste gelegde feiten, te weten het opzettelijk brandstichting en de zware mishandeling. Ik heb op 8 maart 2004 niet a//een opzettelijk brand gesticht in de woonkamer van de woning van mijn moeder, maar ook heb ik mijn stiefvader [Slachtoffer 2] meermalen met dat mes gestoken, als gevolg waarvan hij lichamelijk letsel heeft opgelopen’.

De biizondere overweqinqen omtrent het bewijs

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder I ten laste gelegde moord. Hiertoe heeft de raadsman zakelijk weergegeven – betoogd dat de verklaringen van de anonieme getuige, vanwege het ontbreken van deugdelijk onderzoek naar de bron van de informatie c.q. de persoon van zijn informant, als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt, weshalve deze verklaring niet mag worden gebezigd voor het bewijs.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat nu de gehouden spiegelconfrontaties, waarbij verdachte is herkend door de getuigen, niet de minimale kwaliteitstoets voor wat betreft de objectiviteit kunnen doorstaan, de resultaten van deze spiegelconfrontaties om die reden niet bruikbaar zijn voor het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De raadsman heeft voorts betoogd dat nu de zus van de verdachte, [Naam 6] niet is gewezen op het haar toekomende verschoningsrecht, de door haar ter zake afgelegde verklaring niet mag worden gebezigd voor het bewijs. Ten slotte heeft de raadman nog gewezen op het ontbreken van nader technisch onderzoek op de plaats delict, het niet nader kunnen ondervragen van de getuige [Naam 7] ter terechtzitting in hoger beroep en de twijfelachtige achtergrond van het overleden slachtoffer, redenen waarom de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder I ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

Naar het oordeel van het hof vindt de door of namens de verdachte bepleite vrijspraak zijn weerlegging in de redengevende feiten en omstandigheden die volgen uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen.

Het hof zal de verweren hierna afzonderlijk bespreken.

Met betrekking tot de bruikbaarheid van de resultaten spiege/confrontaties:

Het hof stelt bij de beoordeling van het verweer betreffende de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de resultaten van de spiegelconfrontaties als uitgangspunt voorop dat de daaruit verkregen resultaten als betrouwbaar dienen te worden aangemerkt, behoudens contra-indicaties. Voorts dient naar het oordeel van het hof de door de verdediging gestelde onbetrouwbaarheid van de resultaten naar het oordeel van het hof tegen de achtergrond van de overige zich in het dossier bevindende stukken te worden bezien.

Ten aanzien van de wijze waarop de spiegelconfrontaties zijn gehouden, heeft de inspecteur van politie D. Bhattoe ter terechtzitting in hoger beroep een aanvullende verklaring afgelegd. Hij heeft daarbij verklaard dat bij de spiegelconfrontaties doorgaans wordt gewerkt met figuranten die op dat moment beschikbaar zijn. Er is geen vaste groep van personen die als figurant kan fungeren en er kunnen,

afhankelijk van het aanbod, tussen de vier tot zeven personen worden ingezet als figurant, een en ander afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waar

onder, naar het hof aanneemt, ook de persoonlijke kenmerken van de verdachte. Het hof is, gelet op deze afgelegde verklaring en mede gelet op het ontbreken van specifieke richtlijnen met betrekking tot de procedure van de spiegelconfrontaties, van oordeel dat van de zijde van de politie in beginsel alle mogelijke waarborgen in acht zijn genomen, teneinde de spiegelconfrontatie zo deugdelijk en rechtmatig mogelijk te laten verlopen.

Aan de raadsman kan worden toegegeven dat uit de onderliggende stukken niet expliciet naar voren komt dat de opsporingsambtenaar die betrokken is geweest bij de spiegelconfrontatie speciaal daartoe opgeleid was. Echter, die enkele vaststelling dwingt naar het oordeel van het hof nog niet tot de conclusie dat de resultaten van de spiegelconfrontaties, reeds om die reden als onbruikbaar terzijde dienen te worden gesteld. Het hof stelt in dit verband als uitgangspunt voorop dat er vanuit dient te worden gegaan, dat door politie en justitie conform de geldende wetgeving en richtlijnen te allen tijde integer wordt gehandeld. Slechts indien door feiten dan wel omstandigheden gerede twijfel aan de rechtmatigheid van het handelen naar voren komt, dient een nader onderzoek te volgen. Naar het oordeel van het hof is van zodanige feiten of omstandigheden niet gebleken.

Op grond van de processen-verbaal naar aanleiding van de spiegelconfrontaties stelt het hof tevens vast dat de getuige [Naam 1] uit een groep van in totaal vier personen die van dezelfde bevolkingsgroep bleken te zijn, de verdachte in een oogopslag heeft herkend aan zijn lichaamsbouw, lengte, gezicht en (de manier van kijken van) zijn ogen. Bij de spiegelconfrontatie met de getuige [Naam 2] is voorts gebruik gemaakt van twee figuranten, waarbij deze getuige de verdachte eveneens heeft herkend aan zijn lichaamslengte, gezicht en in het bijzonder zijn slaperige ogen. Gelet op de omstandigheid dat voorafgaand aan de moord de dader langere tijd in de directe nabijheid van de beide getuigen heeft verbleven en beide getuigen zijn gezicht goed hebben kunnen zien, is het hof van oordeel dat aan de herkenning door beide getuigen in het kader van het bewijs zonder meer doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

Het hof vermag niet in te zien welk belang de getuigen erbij kunnen hebben gehad om een andere persoon dan diegene die de moord op hun zoon heeft uitgevoerd aan te wijzen. Met de raadsman is het hof van oordeel dat er vele invloeden zijn, die kunnen inwerken op de betrouwbaarheid van een positieve herkenning. Echter, nu het hof niet is gebleken van feiten of omstandigheden die van negatieve invloed zijn geweest op de verkregen resultaten van de spiegelconfrontaties, dienen de resultaten van de spiegelconfrontaties als betrouwbaar te worden aangemerkt, weshlave zij naar het oordeel van het hof ook bruikbaar zijn voor het bewijs.

Met betrekking tot het verschoningsrecht ten aanzien van de getuige [Naam 6]:

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de opsporingsambtenaar voorafgaand aan het verhoor van [Naam 6], zijnde de zus van de verdachte (en bloedverwant in de rechte lijn als bedoeld in artikel 197 van het Wetboek van Strafvordering) haar niet heeft gewezen op het haar toekomende verschoningsrecht. Echter anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat dit nalaten niet met zich meebrengt dat de door haar afgelegde verklaring aldus onbruikbaar zou zijn voor het bewijs.

Naar het oordeel van het hof kan uit (het systeem van) de wet niet worden afgeleid dat er een wettelijk verhoorvoorschrift bestaat, dat een tot verschoning bevoegde getuige voorafgaand aan diens verhoor op diens bevoegdheid dient te worden gewezen.

Weliswaar is in artikel 273 van het Wetboek van Strafvordering bepaald dat de President, alvorens een getuige te horen, diens identiteit, beroep en eventuele verwantschap met de verdachte moet vaststellen, en is het aannemelijk dat de wetgever daarmee heeft beoogd een gepaste uitoefening van het verschoningsrecht te bevorderen, maar een verplichting om nadrukkelijk op dat verschoningsrecht te wijzen is noch in artikel 273, noch elders in het Wetboek van Strafvordering voorzien. Nu het dus, anders dan met betrekking tot de cautieplicht geldt, geen wettelijk geregeld verhoorvoorschrift is, noch voor het onderzoek ter terechtzitting, noch voor het verhoor bij de rechter-commissaris, kan de door de getuige afgelegde verklaring zonder meer worden gebezigd voor het bewijs.

Wellicht ten overvloede merkt het hof nog op dat het afleggen van een verklaring door een getuige verplicht is, indien de oproep uitgaat van een (zittings)rechter. De wet verplicht een als getuige te horen persoon evenwel niet te gehoorzamen aan een daartoe strekkende oproep of uitnodiging van een opsporingsambtenaar. Is eenmaal een verhoorsituatie ontstaan, dan is er dus ook geen verplichting de vragen van de opsporingsambtenaar te beantwoorden. Een getuige heeft de bepalingen rond het verschoningsrecht derhalve niet nodig om het verhoor door een opsporingsambtenaar uit de weg te gaan dan wel diens vragen onbeantwoord te laten. Dit laat onverlet dat het door een opsporingsambtenaar, voorafgaand aan een verhoor, wijzen op het verschoningsrecht, mede gelet op het enerverende karakter van een verhoor door een opsporingsambtenaar en overige implicaties voor een getuige, als uitermate raadzaam dient te worden aangemerkt.

Overige verweren:

Nu het hof geen gebruik zal maken van de verklaringen die zijn afgelegd door de anonieme getuige, behoeft dit verweer van de zijde van de verdediging naar het oordeel van het hof geen nadere bespreking.

De verweren worden mitsdien – in al hun onderdelen – verworpen.

De strafbaarheid van de feiten

Het onder I A bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder II A bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 362, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder III bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 207 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel

De kantonrechter heeft de verdachte ter zake van een moord, een zware mishandeling en het opzettelijk stichten van brand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met openbare tewerkstelling en met aftrek van door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van die uitspraak in verzekerde bewaring doorgebrachte tijd.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton zal bevestigen.

De verdediging heeft een lagere straf bepleit dan door de kantonrechter in eerste aanleg is opgelegd, te weten voor een duur niet langer dan door de verdachte in voorarrest is doorgebracht.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met:

  • de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;
  • de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor (gewelds)misdrijven en;
  • het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is geweest.

Het hof overweegt hierbij in het bijzonder het navolgende:

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uiterst kille moord op een persoon in bijzijn van zijn ouders. Moord is een van de zwaarste delicten uit het Wetboek van Strafrecht vanwege de zeer ingrijpende en onomkeerbare gevolgen van de daad.

Uit het dossier heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte bij zijn handelen uitermate berekenend te werk is gegaan, waarbij hij, nadat het slachtoffer bij zijn ouderlijke woning arriveerde, nagenoeg direct is overgegaan tot het trekken van een vuistvuurwapen en het lossen van de dodelijke schoten op het slachtoffer. Een dergelijke vorm van bruut geweld, die het karakter lijkt te hebben van een kille afrekening, dient naar het oordeel van het hof ernstig te worden afgekeurd.

Het hof rekent het de verdachte ook aan dat hij, na te zijn aangehouden, geen openheid van zaken heeft gegeven over het gebeuren. De verdachte heeft voorts, in aanmerking genomen zijn ontkennende houding, geen enkel inzicht verschaft in zijn beweegredenen om tot deze moord over te gaan. Deze onduidelijkheid zal de daad voor de nabestaanden nog onbevattelijker maken. Het hof heeft evenmin enig teken van berouw over de daad kunnen afleiden, noch uit de verklaringen van verdachte ten overstaan van de politie, noch uit zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen. De verdachte heeft zich daarnaast ook nog schuldig gemaakt een opzettelijke brandstichting, waarmee hij anderen in (levens)gevaar heeft gebracht. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig geweldadige mishandeling op zijn stiefvader met gebruikmaking van een steekwapen. Het is aan omstandigheden buiten de verdachte om te danken dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van de verdachte niet is komen te overlijden.

Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de op te leggen straf meegewogen dient te worden, dat de samenleving door de bovenstaande feiten ernstig is geschokt.

Het hof komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen aldus tot een strafoplegging die afwijkt van hetgeen, wat door of namens de verdachte ter verdediging naar voren is gebracht.

Het hof acht de gemaakte keuzes met betrekking tot strafsoort en strafmaat het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.

Alles overziende acht het hof, evenals de kantonrechter, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren passend en geboden.

De toepasseliike wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 11, 38, 44, 82, 207, 349 en 362 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissinq:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter Tweede Kanton d.d. 17 augustus 2006 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep; en opnieuw rechtdoende:

Verklaart, zoals hier voren overwogen, bewezen, dat verdachte de onder IA, IIA en III ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

IA: moord

IIA: zware mishandeling

III: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was en levensgevaar voor een ander te duchten was.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren;

Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, vanaf voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Aldus gewezen door: mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President, mr. A.A. Hermelijn en mr. S.M.M. Chu, plv, Leden, bijgestaan door mw. I. Madarsa als fungerend-griffier, en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 17 juli 2009.

mr. A.A. Hermelijn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g. I. Madarsa       w.g. R.G. Rodrigues

                                 w.g. S.M.M. Chu

 

Voor eensluidend afschrift,

De Griffie van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2011-7

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnisnummer: 04/2011

Uitspraak: 01 juni 2011 VERSTEK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen 14 december 2004 en uitgesproken tegen de verdachte:

[Verdachte], geboren te [District 1], ten tijde van de uitspraak [leeftijd] jarèn oud, geen beroep en wonende te [Plaats 1] in het [District 2], thans ip vrijheid gesteld; niet verschenen.

Ontvankelijkheid

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 15 december 2004 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de vervolgingsambtenaar tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

Het onderzoek ter terechtzittin in ho er beroe

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende de verdachte ten aanzien van het onder A, B en C ten laste gelegde zal vrijspreken en de verdachte ten aanzien van het onder D ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht en met bevel tot gevangenneming.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 14 december 2004 is de verdachte – verkort weergegeven – ter zake van het onder A, B en C ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake het onder D ten laste gelegde (zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende) ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van gronden ten aanzien van de overwegingen van de kantonrechter met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte.

De strafbaarheid van de verdachte

In eerste aanleg is van de zijde van de verdediging aangevoerd, dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de raadsman betoogd dat de verdachte heeft gehandeld vanuit een van buiten komende drang, waaraan zij redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden (psychische overmacht), dan wel dat zij de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door een wederrechtelijke aanranding is veroorzaakt (noodweerexces).

Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het volgende gebleken.

De verdachte heeft het [Slachtoffer] op 4 februari 2004 met gasoline overgoten en vervolgens met een aansteker in brand gestoken. Het slachtoffer heeft als gevolg van dit handelen ernstige brandverwondingen opgelopen, als direct gevolg waarvan hij is komen te overlijden.

De verdachte en het [Slachtoffer] hadden een affectieve relatie, welke door het slachtoffer is verbroken op 3 februari 2004. In de daaropvolgende nacht is de verdachte, volgens haar eigen verklaring, op een pijnlijke en vernederende wijze seksueel misbruikt door [Slachtoffer]. Het slachtoffer heeft de verdachte, nadat hij zijn geslachtsdeel met een zwelmiddel, te weten afrodisiacum, had ingesmeerd, tegen de wil van de verdachte met geweld anaal misbruikt. De volgende dag is de verdachte samen met het slachtoffer per boot vertrokken naar het dorp [Plaats 1]. Daar aangekomen deelde het slachtoffer aan de moeder van de verdachte mede dat hij de relatie met de verdachte had beëindigd en haar om die reden had teruggebracht naar haar moeder. Na die mededeling liep het slachtoffer terug richting de boot. De verdachte liep achter het slachtoffer aan en heeft hem daarop verzocht om de relatie niet te beëindigen. Na zijn herhaalde afwijzing, is zij daarop in woede ontstoken en heeft zij het slachtoffer overgoten met gasoline, waarna zij het slachtoffer in aanraking heeft gebracht met vuur.

Daarnaar gevraagd heeft de verdachte in het voorbereidend onderzoek onder meer verklaard tot haar daad te zijn gekomen als direct gevolg van het seksuele misbruik in de nacht voorafgaand aan het bewezen verklaarde handelen, en voorts mede als gevolg van de vele mishandelingen die de verdachte gedurende de relatie heeft ondergaan en uiteindelijk de vernederende wijze waarop zij op die dag is gedumpt door het slachtoffer met de mededeling door hem dat zij geen enkele man haar meer zou aanvaarden als vrouw vanwege het anaal misbruikt zijn. De verdachte heeft als gevolg van die mishandelingen een aantal miskramen te verduren gehad.

Uit onderzoek aan het lichaam van de verdachte op 11 februari 2004, enkele dagen na het voorval, is komen vast te staan dat er sprake was van erosieve letsels aan de anus van de verdachte en uitwendige bloedingen. De arts heeft op basis van zijn bevindingen een hersteltijd van 10 tot 14 dagen voorgeschreven. Hieruit kan worden afgeleid dat het waargenomen letsel bij de verdachte bij elkaar 17 tot 21 dagen in beslag zou nemen, hetgeen naar het oordeel van het hof met zich meebrengt dat bij het bij de verdachte geconstateerde letsel als relatief zwaar dient te worden aangemerkt. Voorts acht het hof de verklaring van de verdachte dat zij seksueel is misbruikt op basis van deze bevindingen aannemelijk geworden.

Naar het oordeel van het hof kan uit het vorenstaande worden afgeleid dat er een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft plaatsgevonden ten opzichte van het lichaam van de verdachte in de nacht voorafgaand aan het bewezen verklaarde handelen. Ten tijde van het handelen door de verdachte was van een noodweersituatie echter geen sprake meer, aangezien de wederrechtelijke aanranding was afgelopen. Daarbij stelt het hof vast dat de verdachte met haar bewezen verklaarde handelen de grenzen van een noodzakelijke verdediging (proportionaliteit) heeft overschreden.

Naar het oordeel van het hof kan onder omstandigheden van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging ook sprake zijn, indien op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch deze gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijk aanranding.

Uit de inhoud van het rapport d.d. 15 september 2004 van rapporteur K.I.R. Jadnanansing, psychiater blijkt dat de verdachte zich ten tijde van het bewezen verklaarde handelen zo in haar eer gekrenkt voelde, dat tijdelijk sprake was van een bewustzijnsvernauwing, hetgeen ook als ziekelijk kan worden aangemerkt. De ten laste gelegde feiten kunnen haar dan ook in verminderde mate worden aangerekend, aldus de psychiater.

Uit de inhoud van het rapport van drs. H.E. Essed, psycholoog NIP, blijkt voorts dat de verdachte als gevolg van het gebeuren in de voorafgaande nacht in een situatie van verminderde psychische weerstand is komen te verkeren, als gevolg waarvan ook hij concludeert tot een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid.

Het hof zal zich verenigen met de reeds weergegeven conclusies c.q. bevindingen van Jadnanansing en Essed en maakt deze tot de zijne.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van de conclusies van de psychiater en de psycholoog worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde heeft gehandeld vanuit een ongewone psychische toestand. Het hof stelt voorts vast dat de psychische druk, waar de verdachte mee te kampen heeft gehad is ontstaan als onmiddellijk gevolg van de gewelddadige aanranding in de nacht voor het bewezen verklaarde handelen gevolgd door vernederende afwijzing van haar door het slachtoffer tot continuering van de relatie. Als gevolg hiervan is er naar het oordeel van het hof een hevige gemoedsbeweging ontstaan, van waaruit de verdachte heeft gemeend te moeten handelen jegens het latere slachtoffer. Het hof stelt zich voor dat het misbruik, de vernedering, het onbruikbaar verklaard zijn en het gedumpt worden bij de moeder een aaneenschakeling van emoties heeft veroorzaak bij de verdachte, waarbij de uiteindelijke afwijzing door het slachtoffer naar het oordeel van het hof waarschijnlijk heeft gefungeerd als de welbekende druppel die de emmer heeft doen overlopen, als gevolg waarvan de verdachte heeft gehandeld, zonder daarbij de grenzen van de proportionaliteit en de subsidiariteit in acht te nemen.

Onder deze omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte een geslaagd beroep op het noodweerexces toekomt, ook al is zij in haar handelen de gebruikelijke grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit te buiten gegaan. Kenmerkend bij het handelen vanuit het noodweerexces is dat de grenzen van een noodzakelijk verdediging zijn overschreden, zodat het niet voldaan zijn aan de eisen van de proportionaliteit en subsidiariteit een geslaagd beroep op noodweerexces naar het oordeel van het hof niet in de weg staat.

Nu naar het oordeel van het hof sprake is geweest van handelen op grond van noodweerexces, dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdachte is derhalve niet strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 14 december 2004, met aanvulling en verbetering van gronden, waarbij de verdachte – verkort weergegeven – ter zake van het onder A, B en C ten laste gelegde is vrijgesproken en ten aanzien van het onder D ten laste gelegde (zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende) ontslagen is van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door: mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend President, mr. A.C. Johanns en mr. D.G.W. Karamat Ali, leden-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh als fungerend-griffier, en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 01 juni 2011.

w.g. GA. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh     w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks

                                                                                  w.g. A.C. johanns

                                                                                  w.g. D.G.W. Karamat Ali

SRU-HvJ-2022-44

GR-15193

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

 

De Stichting Auteursrechten Suriname,
gevestigd te Paramaribo,
appellante in kort geding,
verder te noemen: Sasur,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp,

tegen

N.V. Radio 10,
gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
verder te noemen: Radio 10,
gemachtigde: mr. D. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen Sasur als eiseres en Radio 10 als gedaagde in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 7 april 2016 (A.R. No. 073983) spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

 

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 21 april 2016 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat Sasur tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van Sasur van 20 oktober 2017;
  • de antwoordpleitnota van Radio 10 van 2 februari 2018;
  • het repliekpleidooi van 18 mei 2018;
  • het dupliekpleidooi van 2 november 2018.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling 

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Sasur daarin kan worden ontvangen.
  2. Tegen de feiten zoals vastgesteld door de kantonrechter zijn geen grieven aangevoerd. Het hof zal daarvan ook uitgaan.
  3. Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1 Sasur is een auteursrechtenorganisatie die tot doel heeft om de materiële en immateriële belangen van auteurs en hun rechtverkrijgenden, uitgevers en uitgeversbedrijven te bevorderen. 

3.2 Radio 10 exploiteert een radiostation en maakt via dat radiostation regelmatig muziekwerken openbaar.

3.3 Bij beschikking van 21 april 2005, gewijzigd bij beschikking van 17 mei 2006 heeft de minister van Justitie en Politie aan Sasur op de voet van het toen geldende artikel 30 bis van de Wet Auteursrecht 2013 toestemming gegeven om bedrijfsmatig bemiddeling te verlenen inzake muziekauteursrecht.

3.4 Een op 10 februari 2006 door Sasur en op 7 maart 2006 door Stichting Stemra ondertekende overeenkomst (verder de overeenkomst Sasur-Stemra) bepaalt onder meer het volgende (Sasur wordt aangeduid met SAS).

Artikel 2: non exclusief mandaat

  1. STEMRA verleent hierbij aan SAS het niet overdraagbare non-exclusieve recht om in het territorium van SAS (Suriname) toestemming te geven of te weigeren om het STEMRA repertoire op geluids- en/of beelddragers vast te leggen en te verspreiden, de voorwaarden vast te stellen voor het geven van die toestemming, in rechte op te treden tegen inbreuken op het STEMRA repertoire en al datgene te (doen) verrichten, zowel in als buiten rechte, waartoe STEMRA zonder deze Mandaatovereenkomst zelf gerechtigd zou zijn. Dit aan SAS verleende recht is aan SAS persoonlijk verbonden en derhalve niet overdraagbaar aan derden.
  2. SAS verleent hierbij aan STEMRA het niet overdraagbare non-exclusieve recht om in het territorium van STEMRA (Nederland) toestemming te geven of te weigeren om het SAS repertoire op geluids- en/of beelddragers vast te leggen en te verspreiden, de voorwaarden vast te stellen voor het geven van die toestemming, in rechte op te treden tegen inbreuken op het SAS repertoire en al datgene te (doen) verrichten, zowel in als buiten rechte, waartoe SAS zonder deze Mandaatovereenkomst zelf gerechtigd zou zijn. Dit aan STEMRA verleende recht is aan STEMRA persoonlijk verbonden en derhalve niet overdraagbaar aan derden.

3.5 Voormelde aan Sasur gegeven toestemming bedrijfsmatig bemiddeling te verlenen inzake muziekauteursrecht is in 2013 ingetrokken.

3.6 Bij wet van 17 april 2015 (S.B. 2015 no. 83), houdende nadere wijziging van de Wet Auteursrecht 1913 (G.B. no. 15, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1981 no. 23), verder de wijzigingswet 2015, is artikel 30 bis van de Wet Auteursrecht vervangen door de artikelen 30 a tot en met i. Die bepalingen luiden – voorzover hier van belang – als volgt.

30a 1. Voor het verlenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht van makers en gebruikers is toestemming vereist van de Minister. De Minister verleent de toestemming indien is voldaan aan alle voorwaarden gesteld bij of krachtens deze wet, na advies door de Raad.

  1. Onder het verlenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht wordt verstaan het al dan niet op eigen naam, ten behoeve van de makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden, sluiten of ten uitvoer leggen van overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar of de uitzending in een radio- of televisieprogramma, door tekens geluid of beelden van die muziekwerken, of hun verveelvoudigingen, in hun geheel of gedeeltelijk.

(….)

30c 1. Alleen gerechtigd tot bemiddeling inzake muziekauteursrecht is bevoegd de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging, opgericht naar Surinaams recht, zonder het oogmerk om winst te maken die kantoor houdt in Suriname en waarvan de leden zijn geregistreerd bij het Bureau Intellectuele Eigendom als te zijn de makers van muziekwerken.

(….)

Artikel II van de wijzigingswet 2015 behelst overgangsbepalingen. Lid 1 van artikel II luidt als volgt.

Verenigingen, die op grond van artikel 30 bis van Wet Auteursrecht 1913 vóór de inwerkingtreding van onderhavige wet toestemming is verleend om als bedrijf te bemiddelen inzake muziekauteursrecht, wordt in de gelegenheid gesteld om binnen een periode van 3 maanden na inwerkingtreding van deze wet aan al het bepaalde in deze wet te voldoen.

3.7 Sasur heeft gevorderd Radio 10 te verbieden de muziekwerken I want to know what love is en Leave the message behind the door en enig ander muziekwerk, al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door Sasur beheerde repertoire, geheel of gedeeltelijk door middel van het door haar geëxploiteerde omroepstation, of op welke andere wijze dan ook, zonder de van Sasur verkregen toestemming openbaar te maken dan wel te veelvoudigen, alsmede Radio 10 te veroordelen tot betaling van een dwangsom en van de kosten van het geding.

3.8 Radio 10 heeft de vordering bestreden.

3.9 De kantonrechter heeft de gevraagde voorziening geweigerd.

4. Sasur heeft één grief aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Deze luidt als volgt.

Grief I

De Kantonrechter heeft ten onrechte in rechtsoverweging 3.4 het onderscheid tussen handhaving van het auteursrecht ex. art. 1 WA door de rechthebbende (de muziekauteur of diens rechtverkrijgende) en bemiddeling ex. art. 30a e.v. Wet Auteursrecht 1913, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 83 (hierna WA) miskend en deze begrippen vereenzelvigd, door te overwegen dat Sasur als rechthebbende van de auteursrechten op de muziekwerken haar auteursrechten niet zonder toestemming tot bemiddeling ex. art. 30a e.v. WA mag handhaven.

Het hof zal voor zover nodig ook ingaan op de door Sasur gegeven toelichting op de grief.

5. Radio 10 bestrijdt de grief. Zij kan zich met het vonnis waarvan beroep verenigen en verzoekt het hof het vonnis te bevestigen. 

6. Het hof overweegt het volgende.

6.1 Sasur erkent dat zij niet meer ‘ten behoeve van rechthebbenden van muziekauteursrechten (kan) bemiddelen.’ Zij stelt echter dat zij haar vordering niet instelt uit hoofde van bemiddeling maar haar eigen auteursrechten op grond van artikel 1 WA wenst te handhaven. Haar zijn ‘krachtens art. 2 lid 1 van de overeenkomst tussen haar en de stichting Stemra auteursrechten op de muziekwerken uit het wereldrepertoire overgedragen – waaronder de auteursrechten op de muziekwerken “I want to know what love is” en “Leave the message behind”. (….) Sasur is derhalve rechthebbende van de muziekauteursrechten waarvoor zij van de Kantonrechter een verbod aan geïntimeerde tot openbaarmaking en verveelvoudiging heeft verzocht’, aldus nog steeds Sasur.

6.2 Sasur beroept zich op de overdracht van auteursrechten krachtens de overeenkomst Sasur-Stemra. Gelet op de inhoud van artikel 2 van die overeenkomst, hiervoor geciteerd, kan niet anders worden vastgesteld dan dat Sasur respectievelijk Stemra de rechten en bevoegdheden van de andere partij niet voor zich maar ten behoeve van die andere partij uitoefenen (dan wel ten behoeve van de rechthebbenden wier belangen die andere partij behartigt). Het uitoefenen van die rechten en bevoegdheden is niet anders op te vatten dan als het ‘ten uitvoer leggen’ van een overeenkomst (de overeenkomst Sasur-Stemra) betreffende de uitvoering in het openbaar of de uitzending in een radioprogramma in de zin van het hierboven geciteerde artikel 30a lid 2 WA zoals dat sinds de wijzigingswet luidt. 

6.3 Dit wordt ook bevestigd door de verdere inhoud van de overeenkomst Sasur-Stemra, bijvoorbeeld de benaming van de overeenkomst: ‘Mandaat overeenkomst’. Voorts bepaalt artikel 3 van die overeenkomst het volgende. 

Alle auteursrechtelijke vergoedingen, beloningen, schadevergoeding, compensatie, onkostenvergoedingen en andere bedragen die SAS zal incasseren of ontvangen in verband met het collectief beheer van de mechanische reproductierechten zullen door SAS worden beheerd ten behoeve van de rechthebbenden van zowel SAS als STEMRA en de wederkerige zusterorganisaties van STEMRA en zullen worden behandeld en gedistribueerd overeenkomstig zodanig voorwaarden zoals die van tijd tot tijd schriftelijk tussen SAS en STEMRA zullen worden overeengekomen.

De door SAS (en STEMRA) geïncasseerde vergoedingen worden derhalve ontvangen ten behoeve van de rechthebbenden en niet ten behoeve van SAS (en STEMRA) zelf.

6.4 Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat dit ‘ten uitvoer leggen’ van de overeenkomst Sasur-Stemra en het in dat verband door Sasur handhavend optreden onder de definitie van bemiddelen zoals opgenomen in voormeld artikel 30a lid 2 WA vallen. 

6.5 Tot dergelijke bemiddeling is alleen gerechtigd een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging als bedoeld in artikel 30c lid 1 WA. Aan die kwalificatie voldoet Sasur, een stichting, niet. 

6.6 Zij kan evenmin een beroep doen op de hiervoor geciteerde overgangsregeling van de wijzigingswet. Zij voert wel aan dat zij een stichting is en geen vereniging zoals genoemd in de overgangsbepaling. Uit niets valt echter af te leiden dat het de bedoeling is geweest de in die bepaling aan verenigingen als daar bedoeld geboden gelegenheid ook aan stichtingen te bieden. Gelet op de in artikel 30 a WA beoogde beperking tot ‘verenigingen waarvan de leden zijn geregistreerd bij het Bureau Intellectuele Eigendom als te zijn de makers van muziekwerken’ moet worden aangenomen dat de overgangsbepaling niet extensief mag worden geïnterpreteerd. Bovendien blijkt uit niets – Sasur stelt dat ook niet – dat Sasur ervoor gezorgd heeft dat zij – nog afgezien van de aard van haar rechtspersoonlijkheid (stichting in plaats van vereniging) – ervoor gezorgd heeft dat zij binnen drie maanden na inwerkingtreding van de wijzigingswet aan ‘al het bepaalde’ in die wet voldeed.

6.7 Een en ander brengt mee dat de kantonrechter de vorderingen terecht heeft afgewezen. De grief faalt derhalve.

6.8 Sasur voert nog aan dat de met de wijzigingswet ingevoerde bepalingen strijdig zijn met artikel 5 lid 2 van de Berner Conventie. Wat er in zijn algemeenheid ook zij van die stelling, het in die bepaling vervatte formaliteitenverbod (kort gezegd: ’buitenlandse’ werken worden in de aangesloten landen op gelijke wijze beschermd als binnenlandse werken) is in deze zaak niet aan de orde. De stelling van Sasur kan dan ook niet rechtvaardigen dat zij in afwijking van de wijzigingswet zou mogen handhaven en – gelet op het hiervoor overwogene: daarmee – bemiddelen in de zin van artikel 30a lid 2 WA.

7. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bevestigen. Het hof zal Sasur, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 7 april 2016 (A.R. No. 07-3983);

veroordeelt Sasur in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van Radio 10 gevallen en tot op heden begroot op nihil;

 

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. A.C. Johanns, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 april 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

 

w.g. S.C. Berenstein           w.g. D.D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. E. Naarendorp, gemachtigde van appellante en advocaat mr. R.A.W. Birtantie namens advocaat mr. D. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde.

 

Voor Afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-90

G.R.No. 15089  

         

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

 

in de zaak van

DE STICHTING RADIO OMROEP SURINAME (SRS)
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding, verder te noemen: SRS,
gemachtigde: mr .M.G.A .Vos, advocaat,

en

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
appellant in kort geding, verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding, verder te noemen: Sasur,
gemachtigde: mevr. M. Gangapersad, LL.M, BSc., algemeen directeur,

 

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 5 mei 2015 (A.R.No 15-1096 ) tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 18 mei 2015, inhoudende dat SRS en de Staat op 18 mei 2015 hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 5 mei 2015 in kort geding gewezen tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde;
  • een pleitnota van SRS van 5 augustus 2016;
  • een antwoordpleitnota van Sasur van 7 oktober 2016;
  • een repliekpleitnota van SRS van 3 februari 2017;
  • een dupliekpleitnota van Sasur van 16 juni 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat SRS en de Staat daarin kunnen worden ontvangen.

De beoordeling

  1. Kort samengevat betreft het geschil in eerste aanleg het volgende: 

Bij vonnis in kort geding van 3 december 2009 heeft de kantonrechter op vordering van Sasur aan SRS een verbod opgelegd om een aantal gespecificeerde muziekwerken zonder toestemming van Sasur openbaar te maken of te verveelvoudigen. Voorts heeft de kantonrechter aan SRS verboden “om enig muziekwerk of delen daarvan al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door eiseres beheerde repertoire midddels het door haar geëxploiteerde omroepstation (….) zonder van eiseres verkregen toestemming openbaar te maken danwel te verveelvoudigen”. Ten slotte heeft de kantonrechter SRS veroordeeld tot de betaling van een dwangsom groot SRD 1.000,– voor iedere keer dat SRS deze verboden zou overtreden, tot een maximum van SRD 1.000.000,–.  

Sasur heeft op 7 augustus 2014, na aanzegging bij deurwaardersexploot aan SRS dat deze het maximum aan dwangsommen ter  hoogte van SRD 1.000.000,– had verbeurd, executoriaal beslag gelegd op het recht van erfpacht op het perceel waarop SRS haar radio-omroepbedrijf exploiteert. Op 21 augustus 2014 heeft zij terzake van de beweerdelijk verbeurde dwangsommen executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van SRS onder de Surinaamse Bank N.V. en Hakrinbank N.V..

Op 10 maart 2015 heeft SRS bij de kantonrechter een vordering in kort geding aangebracht, waarbij zij opkwam tegen bovenbedoelde beslagen. Na vermindering van eis strekt de vordering primair tot a. opheffing van het executoriale beslag op het recht van erfpacht op het perceel land en b. staking van de tenuitvoerlegging van de derdenbeslagen onder de Banken totdat in hoger beroep definitief zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter 19 januari 2015, A.R.No.144867. Subsidiair vorderde SRS schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 december 2009, A.R.No. 

07-3984, terzake van de vastgestelde dwangsom, totdat in hoger beroep zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter van 19 januari 2015, A.R.No. 14-4867. In dat vonnis, A.R.No. 14-4867, werd de vordering van SRS tot opheffing van het executoriale beslag op het erfpachtsrecht van het perceel van SRS afgewezen. De kantonrechter overwoog daarin onder meer – kort en zakelijk weergegeven – dat Sasur ondanks de intrekking van de ministeriële toestemming aan Sasur om met betrekking tot auteursrechten te bemiddelen bevoegd was gebleven om terzake van die auteursrechten handhavend op te treden en aldus bevoegd was gebleven om de onderhavige dwangsommen door middel van executoriale beslagen te innen.

Bij tussenvonnis van 16 april 2015 heeft de kantonrechter de Staat toegestaan om zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van SRS.

In het vonnis waarvan beroep van 5 mei 2015 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de primaire vordering van SRS tot opheffing van de onder SRS gelegde executoriale beslagen afgewezen en de subsidiair vordering, tot schorsing van de executie van dwangsommen, toegewezen. 

  1. SRS stelt dat mevr. M. Gangapersad in hoger beroep niet als gemachtigde kan optreden omdat zij geen advocaat is. Dit is onjuist. De wet vereist niet dat een gemachtigde in civiele procedures de hoedanigheid van advocaat heeft. Dat geldt ook voor hoger beroep.
  2. SRS voert twee grieven aan. Grief 1 verwijt de kantonrechter dat deze niet aan zijn motiveringsplicht heeft voldaan omdat zij het primair gevorderde heeft geweigerd maar in de overwegingen niet gemotiveerd heeft waarom zij dit heeft gedaan. In grief 2 voert SRS aan dat het primair gevorderde ten onrechte is geweigerd.
  3. Grief 1 is gegrond. De kantonrechter heeft inderdaad niet gemotiveerd waarom het primair gevorderde niet voor toewijzing vatbaar was.
  4. SRS baseert grief 2 op de stelling dat het perceel waarop zij haar bedrijf uitoefent bestemd is voor de openbare dienst en dat daarom ingevolge artikel 312a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarop geen beslag gelegd mag worden. Deze grief faalt. SRS heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het perceel rechtstreeks gericht is op het openbaar belang. Het feit dat SRS door de Staat is opgericht en onder toezicht van een door de Minister benoemde Raad van Toezicht staat, maakt nog niet dat de feitelijk door SRS uitgeoefende werkzaamheden rechtstreeks het openbaar belang dienen. Ook de omstandigheid dat de Staat voor haar berichtgeving mede gebruik maakt van SRS maakt nog niet dat daarmee rechtstreeks het openbaar belang wordt gediend. SRS is slechts een van de vele media waarvan de Staat voor haar berichtgeving gebruik maakt en Sasur heeft aannemelijk gemaakt dat SRS mede op commerciële activiteiten gericht is.
  5. Ambtshalve merkt het Hof op, dat partijen in dit geding niet zijn ingegaan op de vraag of het intrekken door de Minister van Justitie en Politie van de toestemming aan Sasur om te bemiddelen inzake auteursrechten ook meebrengt dat Sasur geen daden van handhaving terzake van auteursrechten, zoals executie van de onderhavige dwangsommen, mag verrichten. Dit punt komt aan de orde in het kort geding in hoger beroep A.R.No.14-486. Het Hof zal daar in deze zaak niet op vooruit lopen.
  6. Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom, dat het vonnis waarvan beroep moet worden bevestigd, met aanvulling van gronden en met veroordeling van SRS in de proceskosten van beide instanties. 

 

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:

Bevestigt, met aanvulling van gronden, het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 2015, waarvan hoger beroep; 

Veroordeelt SRS in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Sasur tot op deze uitspraak begroot op nihil. 

 

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-plaatsvervanger en 

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President  bij vervroeging  uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

 

w.g. S.C. Berenstein              w.g. A.C. Johanns

 

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens mr. Ramlal, gevolmachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-89

G.R.No. 15089A             

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

 

in de zaak van

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante, verder te noemen Sasur,
gevolmachtigde: mw. M. Gangapersad, LL.M. B.Sc., algemeen directeur,

tegen

DE STICHTING RADIO OMROEP SURINAME (SRS)
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, verder te noemen SRS,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

en

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende te Paramaribo,
geïntimeerde, verder te noemen de Staat,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

 

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 5 mei 2015 (A.R.No. 151096) tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

 

Het procesverloop in hoger beroep

Dit procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 11 mei 2015, inhoudende dat Sasur op 11 mei 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 5 mei 2015 in kort geding gewezen tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde;
  • een pleitnota van Sasur van 4 november 2016;
  • een antwoordpleitnota van SRS van 3 februari 2017;
  • een repliekpleitnota Sasur van 16 juni 2017;
  • een dupliekpleitnota van SRS van 3 november 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is door Sasur tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Sasur daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling

  1. Kort samengevat betreft het geschil in eerste aanleg het volgende:

 Bij vonnis in kort geding van 3 december 2009 heeft de kantonrechter op vordering van Sasur aan SRS een verbod opgelegd om een aantal gespecificeerde muziekwerken zonder toestemming van Sasur openbaar te maken of te verveelvoudigen. Voorts heeft de kantonrechter aan SRS verboden “om enig muziekwerk of delen daarvan al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door eiseres beheerde repertoire midddels het door haar geëxploiteerde omroepstation (….) zonder van eiseres verkregen toestemming openbaar te maken danwel te verveelvoudigen”. Ten slotte heeft de kantonrechter SRS veroordeeld tot de betaling van een dwangsom groot SRD 1.000,– voor iedere keer dat SRS deze verboden zou overtreden, tot een maximum van SRD 1.000.000,–.  

Sasur heeft op 7 augustus 2014, na aanzegging bij deurwaardersexploot aan SRS dat deze het maximum aan dwangsommen ter  hoogte van SRD 1.000.000,– had verbeurd, executoriaal beslag gelegd op het recht van erfpacht op het perceel waarop SRS haar radio-omroepbedrijf exploiteert. Op 21 augustus 2014 heeft zij terzake van de berweerdelijk verbeurde dwangsommen executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van SRS onder de Surinaamse Bank N.V. en Hakrinbank N.V..

Op 10 maart 2015 heeft SRS bij de kantonrechter een vordering in kort geding ingesteld, waarbij zij opkwam tegen bovenbedoelde beslagen. Na vermindering van eis strekt de vordering primair tot a. opheffing van het executoriale beslag op het recht van erfpacht op het perceel land en b. staking van de tenuitvoerlegging van de derdenbeslagen onder de Banken totdat in hoger beroep definitief zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter 19 januari 2015, AR no.144867. Subsidiair vorderde SRS schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 december 2009, AR no. 073984, terzake van de vastgestelde dwangsom, totdat in hoger beroep  onder nummer GR 15038 zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter van 19 januari 2015, AR no. 144867. In dat vonnis, AR no. 144867, werd de vordering van SRS tot opheffing van het executoriale beslag op het erfpachtsrecht van het perceel van SRS afgewezen. De kantonrechter overwoog daarin onder meer –kort en zakelijk weergegeven- dat Sasur ondanks de intrekking van de ministeriële toestemming aan Sasur om met betrekking tot auteursrechten te bemiddelen bevoegd was gebleven om terzake van die auteursrechten handhavend op te treden en aldus bevoegd was gebleven om de onderhavige dwangsommen door middel van executoriale beslagen te innen.

Bij tussenvonnis van 16 april 2015 heeft de kantonrechter de Staat Suriname toegestaan om zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van SRS.

In het vonnis waarvan beroep van 5 mei 2015 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de primaire vordering van SRS tot opheffing van de onder SRS gelegde executoriale beslagen afgewezen en de subsidiaire vordering, tot schorsing van de executie van dwangsommen, toegewezen.

2.Het hof heeft uit de pleitnota van Sasur begrepen dat Sasur zeven (ongenummerde) grieven aanvoert tegen het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 2015.

  1. In de eerste grief maakt Sasur er bezwaar tegen dat de kantonrechter het vonnis in kort geding van 3 december 2009 aanduidt als “gewraakt vonnis”. Volgens Sasur is dat onjuist omdat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Kennelijk meent Sasur dat de kantonrechter door het woord “gewraakt” te gebruiken, aanneemt dat tegen dit vonnis nog wel een gewoon rechtsmiddel openstaat. Die uitleg volgt het hof niet. Naar de mening van het hof wil de kantonrechter met “gewraakt vonnis” niet meer zeggen dan “vonnis, dat door partijen verschillend wordt uitgelegd”. De grief faalt.
  2. In grief 2 voert Sasur aan dat de kantonrechter ten onrechte vermeldt dat het vonnis van 3 december 2009 op 16 mei 2012 aan SRS is betekend. Volgens Sasur vond die betekening op 10 november 2011 plaats. Uit de processtukken in eerste aanleg blijkt dat de betekening inderdaad op 10 november 2011 geschiedde. De grief is gegrond maar dat heeft geen enkel gevolg voor deze procedure. Relevant is slechts dat de betekening op rechtsgeldige wijze heeft plaats gevonden, wanneer dat geschiedde doet in dit verband niet terzake. 
  3. Grief 3 richt zich tegen rechtsoverweging 4.3.3. in het vonnis waarvan beroep. Bij wijze van toelichting op het restitutierisico bij inning van de dwangsommen door Sasur voordat het hof in de zaak in de zaak GR 15038 definitief heeft beslist, overweegt de kantonrechter hier dat Sasur de gemotiveerde stelling van SRS en de Staat dat Sasur geen enkel vermogen heeft waarop SRS verhaal zou kunnen zoeken, niet, althans niet gemotiveerd, heeft weersproken. De grief treft geen doel: Sasur heeft de duidelijke stelling van SRS slechts in vage bewoordingen ontkend en deze niet voldoende gemotiveerd weersproken. Voor de hand had gelegen dat Sasur door middel van bankafschriften, eigendomsbewijzen of andere schriftelijke bewijsstukken haar vermogenspositie zou hebben verduidelijkt, maar dat is niet geschied.
  4. Grief 4 voert aan dat de kantonrechter ten onrechte een “verkapt appèl” door SRS tegen het vonnis van 3 december 2009 heeft toegestaan. Het vonnis van 3 december 2009 is een vonnis in kort geding, dat dus per definitie slechts een voorlopige voorziening treft. Bij latere wijziging van omstandigheden –zoals in dit geval het intrekken door de minister van justitie en politie van de toestemming aan Sasur om te bemiddelen in auteursrechtzaken- mag onderzocht worden welke consequenties dit voor de executie van het vonnis in kort geding heeft. Dat onderzoek geschiedt in dit geval in de zaak GR 15038. Daarin moet het hof nog uitspraak doen. De kantonrechter heeft in de onderhavige zaak, AR 15089A, redenen gevonden om de executie te schorsen totdat het onderzoek in de zaak GR 15038 is afgerond en daarin uitspraak is gedaan. Dat is iets anders dan het toestaan van een verkapt appèl. De grief faalt.
  5. Grief 5 (overweging 2.5 in de pleitnota van Sasur) mist naast de hiervoor behandelde grief 4 zelfstandige betekenis.
  6. Grief 6 richt zich tegen de opmerking van de kantonrechter dat het vonnis van 3 december 2009 van langer dan 5 jaar geleden dateert. Deze opmerking wordt gemaakt bij de afweging van het belang van SRS om de beslissing van het hof in de zaak GRNO. 15038 af te wachten tegenover het belang van Sasur om nu reeds de dwangsommen te kunnen executeren, met het risico dat de geïncasseerde bedragen gerestitueerd moeten worden als de uitspraak van het hof in de zaak GR 15038 in voor Sasur ongunstige zin uitvalt. De kantonrechter mocht de omstandigheid dat de incassering van de dwangsommen reeds zo lang op zich heeft laten wachten in haar afweging betrekken. De grief faalt.
  7. Grief 7 betoogt dat het vonnis waarvan beroep in strijd is met artikel 492 Rv. Dit betoog gaat echter niet op. Het bepaalde in dit artikel staat er niet aan in de weg dat bij verschil van mening over de vraag of dwangsommen verschuldigd zijn en executie van die dwangsommen toelaatbaar is, dit verschil van mening als executiegeschil in kort geding aan de rechter wordt voorgelegd.
  8. Het Hof heeft ambtshalve geen bedenkingen tegen het beroepen vonnis, zodat, nu de grieven zijn verworpen danwel niet relevant zijn bevonden, dit vonnis zal worden bevestigd.

5.Sasur zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

 

De beslissing in hoger beroep in kort geding

 

Het Hof:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 5 mei 2015 (A.R.No 151096). 

Veroordeelt Sasur in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van SRS tot op deze uitspraak begroot op nihil.

 

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-Plaatsvervanger en 

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-Griffier bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein               w.g. A.C. Johanns

 

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. Ramlal, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-43

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. No. 14774

21 januari 2022

 

In de zaak van

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te harer Parkette te Paramaribo,
appellante in kort geding,
hierna te noemen: “de Staat”,
gemachtigden: mr. S. Mangroelal en mr. J.M. Nibte, advocaten,

tegen

DE STICHTING LEEFBAAR TOURTONNE 5, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen “de Stichting”,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

ke het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 16 april 2009 bekend onder AR. No. 073593 tussen de Stichting als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding, de Staat als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in kort geding en [Naam] als gedaagde in kort geding, 

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 5 maart 2021.

  1. Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de processen-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 13 april 2021 en 4 mei 2021;
  • de conclusie tot uitlating na comparitie van partijen, zijdens de Staat, gedateerd 5 november 2021.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden. 

  1. De verdere beoordeling

2.1 De Staat heeft in hoger beroep de vernietiging gevorderd van het vonnis van de kantonrechter in kort geding gedateerd 16 april 2019  met  AR. No. 073593, en gevorderd dat het Hof opnieuw rechtdoende, de Stichting in haar oorspronkelijke vordering niet-ontvankelijk verklaart c.q. haar vordering ontzegt als zijnde ongegrond en niet bewezen.

2.2 Het Hof heeft bij tussenvonnis een comparitie van partijen gelast teneinde inlichtingen te verkrijgen over de staat en de status van het perceel, over de vraag of er nog activiteiten worden ontplooid op het perceel en om na te gaan of een minnelijke regeling mogelijk is.

2.3 Tijdens de comparitie van partijen is – voor zover van belang  – door de gemachtigde van de Stichting het volgende verklaard: “In de jaren 2000 en 2007 heeft de Stichting wederom een verzoek gedaan aan de Staat om dit perceel in grondhuur te verkrijgen. Op deze verzoeken is door de Staat nooit gereageerd. Na het verzoek van de Stichting zijn er percelen door de Staat uitgegeven. …. Het is ons toch gebleken, dat de Staat het perceelland heeft verkaveld en aan twaalf mensen in grondhuur heeft afgegeven. Er mochten geen delen van het perceel … aan derden in grondhuur worden verkocht of gegeven. Bijna het gehele terrein is bebouwd. Er was wel een voorstel gedaan voor een ander perceelland, dat gelegen is aan de Nieuwe Charlesburgweg in Paramaribo. Het is een zwampgebied en begroeid. Het is 1.5 kilometer verwijderd van het woongebied.”

2.4 Door de voorzitter van de Stichting is alsvolgt verklaard: “Er is geen ander perceel. Op perceel nr. 12 is er ook gebouwd. Er zijn percelen aan de Stichting Prosopeia Personata in grondhuur uitgegeven door het Ministerie van Ruimtelijke Ordening Grond- en Bosbeheer. Op het project Chiragally zijn de percelen momenteel onder water en het is uit de buurt. Dit is geen optie.”

2.5 Het Hof overweegt dat uit de comparitie van partijen geen minnelijke regeling is voortgevloeid waardoor de zaak in hoger beroep verder beoordeeld moet worden. Daarbij zullen tevens worden meegenomen de omstandigheden zoals die tijdens de comparitie van partijen door partijen zijn aangegeven.

2.6 De Staat heeft tegen het vonnis een negental grieven aangevoerd die verkort weergegeven op het volgende neerkomen:

Grief I: de kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat de vordering van de Stichting was gebaseerd op artikel 1386 BW. Deze grond is onvoldoende gebleken uit het inleidend verzoekschrift. De kantonrechter in kort geding was niet bevoegd om kennis te nemen van de zaak. Er zijn administratiefrechtelijke procedures welke kunnen worden gevolgd indien men zich wil beklagen over een bepaald overheidsoptreden. Een rechtstreekse controle door de kantonrechter op de rechtmatigheid van een administratiefrechtelijke handeling door de overheid gepleegd is in casu niet toegestaan. De kantonrechter heeft nagelaten de toetsingscriteria die gehanteerd moeten worden bij het toetsen van overheidshandelen op onrechtmatig handelen, te hanteren. Als toetsingscriteria noemt de Staat strijd met de rechtsplicht, een inbreuk op een subjectief recht en strijd met de zorgvuldigheid welke in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van een ander betamelijk is.

Grief II: de kantonrechter is er ten onrechte vanuit gegaan dat er sprake was van een spoedeisend belang. De Stichting was onrechtmatig occupant van het perceel en had geen recht of titel om zich op het perceel te bevinden voor het ontplooien van activiteiten.

Grief III: de kantonrechter is er ten onrechte vanuit gegaan dat de Stichting belang had bij het gevorderde. De Stichting was onrechtmatig occupant van het perceel en pleegde juist jarenlang reeds een onrechtmatige daad jegens de Staat.

Grief IV: de kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de Stichting niet prematuur is in haar vordering. Het laatste verzoek van de Stichting dateert van 8 mei 2007. Ten tijde van het indienen van de zaak was de periode van zes maanden nog niet verstreken. Bovendien was reeds in 1997 aan de Stichting medegedeeld dat haar aanvraag voor het perceel is afgewezen.

Grief V: de kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat als voorlopige maatregel de intrekking van de beschikking moet worden gelast. Hij heeft daarmee de belangen van partijen onvoldoende tegen elkaar afgewogen. 

Grief VI: de kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat er niet is beslist op de aanvraag van de Stichting. De Staat heeft wel beslist op de aanvraag van de Stichting.

Grief VII: ten onrechte gaat de kantonrechter ervan uit dat de Staat stilzwijgend toestemming aan de Stichting heeft verleend om het perceel te bewerken en te bebouwen. De Stichting heeft zich niet gestoord aan de afwijzing en heeft het perceel onrechtmatig geoccupeerd. Hierdoor wordt de onrechtmatige occupatie ten onrechte gerechtvaardigd.

Grief VIII: ten onrechte is de kantonrechter voorbij gegaan aan het feit dat op 22 december 1997 reeds aan de Stichting was medegedeeld dat het verzoek voor uitgifte van het perceel in grondhuur is afgewezen.

Grief IX: ten onrechte heeft de kantonrechter aan de Staat een verbod opgelegd om het perceel opnieuw aan [Naam] uit te geven. De kantonrechter gaat hiermee buiten haar bevoegdheid aangezien de Staat het beleid uitstippelt en de rechter een beperkte bevoegdheid heeft het beleid te toetsen. 

De beoordeling van grief I

2.7.1 De Stichting heeft op deze grief gereageerd waarbij zij aanvoerde dat zij zich wel heeft beroepen op onrechtmatig handelen. In haar inleidend verzoekschrift, met name onder punt acht, heeft zij gesteld dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door in strijd te handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Terecht heeft de kantonrechter als restrechter geoordeeld in de zaak, immers, er bestaat geen speciale rechtsgang waarbinnen de Stichting een spoedvoorziening zou kunnen krijgen.

2.7.2 Het Hof is van oordeel dat, gelijk de Stichting aanvoert, uit onder andere het achtste sustenu van het inleidend verzoekschrift blijkt dat de Stichting wel als grondslag voor het gevorderde het onrechtmatig handelen van de Staat had aangevoerd. Voorts is het Hof van oordeel dat, alhoewel de Staat aanvoert dat er een andere administratieve rechtsgang bestaat die de Stichting had kunnen volgen, de Staat die rechtsgang niet noemt. De Stichting heeft terecht haar vordering op grond van onrechtmatig handelen door de Staat bij de kortgedingrechter neergelegd. De burgerlijke rechter zal, zolang er geen bestuursrechter is aangewezen, mogen oordelen over dit soort geschillen tussen burger en overheid.

Aan de eerste grief moet daarom voorbij gegaan worden.

De beoordeling van de grieven II, III en IV

2.8.1 Het Hof zal deze grieven samen bespreken nu zij allen betrekking hebben op de ontvankelijkheidsvereisten.

De Stichting heeft in reactie op de grieven aangevoerd dat zij wel een spoedeisend belang had omdat zij door de uitgifte van de grond aan derden geen gemeenschapsactiviteiten meer kon uitoefenen op het terrein. Voorts voert zij aan dat zij niet prematuur was omdat de Staat ook op de aanvraag van 2000 nimmer gereageerd had. De aanvraag van 2007 betrof een herhaald verzoek om het perceel in grondhuur aan haar uit te geven.

2.8.2 Het Hof overweegt dat terecht door de kantonrechter is geoordeeld dat de omstandigheid dat de Stichting op een gegeven moment geen gemeenschapsactiviteiten meer kon uitoefenen omdat het perceel door de Staat aan anderen werd uitgegeven, een spoedeisend belang met zich meebrengt. Het betreft een omstandigheid waarbij een voorziening bij voorraad gevorderd zou mogen worden. Eveneens stelt de Stichting terecht en wordt terecht door de kantonrechter overwogen, dat er geen sprake is van het prematuur indienen van de vordering nu de Staat op de aanvraag van het jaar 2000 nimmer gereageerd heeft.

2.8.3 Ten aanzien van de grief dat de Stichting onrechtmatig occupant van het perceel was en dat zij dus geen recht of titel had om zich op het perceel te bevinden oordeelt het Hof dat deze omstandigheid de verplichting van de Staat tot het nemen van een besluit op het verzoek van de Stichting niet wegneemt.

2.8.4 Ook de omstandigheid dat de Staat reeds in 1997 had beslist op een eerder verzoek van de Stichting neemt de verplichting van de Staat niet weg om wederom te moeten beslissen op het drie jaar later in het jaar 2000 ingediende nieuwe verzoek en het in 2007 herhaald verzoek van de Stichting.

Aan deze grieven zal daarom voorbij gegaan worden.

De beoordeling van de grieven VI en VIII

2.9.1 Het Hof zal voorts de grieven VI en VIII samen bespreken nu deze beiden betrekking hebben op de vraag of de Staat heeft beslist op de aanvraag van de Stichting in het jaar 2000 en 2007. 

2.9.2 De Stichting heeft in reactie op die grieven aangevoerd dat zij noch op haar verzoek van 2 mei 2000, noch op haar verzoek van 8 mei 2007 antwoord heeft ontvangen. 

2.9.3 De Staat heeft in haar repliek pleitnota in het derde sustenu aangegeven dat het haar niet duidelijk is of er is beslist op het verzoek van de Stichting van 25 maart 2000. Verder is de Staat niet ingegaan op de stelling van de Stichting betrekking hebbend op het niet beslissen door de Staat op de aanvragen.

2.9.4 Het Hof overweegt dat, nu de Staat stelt dat zij in 1997 heeft gereageed op de aanvraag van 1997 en verder niets heeft gesteld of overgelegd met betrekking tot het beslissen op de aanvragen van de Stichting uit de jaren 2000 en 2007, vast komt te staan dat de Staat niet heeft beslist op de aanvragen van de Stichting gedaan in 2000 en 2007. De kantonrechter heeft daarom terecht overwogen dat de Stichting niet prematuur is in haar vordering.

De grieven VI en VIII zullen daarom worden verworpen.

De beoordeling van de grieven V, VII en IX

2.10.1 Het Hof zal deze drie grieven samen bespreken nu de grieven met elkaar in verband staan.

De Stichting heeft op deze grieven aangevoerd dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat de burgerlijke rechter bevoegd is om de Staat te bevelen een grondhuurbeschikking in te trekken indien bij de uitgifte onrechtmatig is gehandeld en de rechtsplicht bestaat om aan een onrechtmatige toestand een eind te maken. Het is niet juist dat de kantonrechter de wederzijdse belangen niet voldoende tegen elkaar heeft afgewogen. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat er geen sprake is geweest van onrechtmatige occupatie, immers, de Stichting ontplooide gemeenschapsactiviteiten op het perceel en de Staat was daarvan op de hoogte.Voorts heeft de Staat niet betwist dat zij in casu de aanvragen van de Stichting en van [Naam] niet in de volgorde van ontvangst heeft behandeld waardoor zij in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.10.2 Het Hof overweegt dat de Staat, gelijk de Stichting stelt en gelijk de kantonrechter heeft overwogen, blijkens de stellingen en weren van partijen en de overgelegde producties, niet de volgorde van ontvangst heeft aangehouden bij het nemen van het besluit omtrent het perceel dat is uitgegeven aan [Naam]. 

De Stichting had erop mogen rekenen dat de Staat eerder een beslissing zou nemen op haar verzoek dan het verzoek van [Naam], nu zij haar verzoek eerder had ingediend. De Staat heeft hierdoor gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Ook is niet betwist dat een aanvraag tot het verlenen van het recht van grondhuur, van [Naam] ontbreekt. Voorts is niet door de Staat betwist dat zij ervan op de hoogte was dat de Stichting gemeenschapsactiviteiten ontplooide op het perceel en dat zij daar geen bezwaren tegen heeft geopperd. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat de kantonrechter aannemelijk heeft geacht dat de Stichting niet kan worden aangemerkt als onrechtmatig occupant en dat de uitgifte van een deel van het perceel aan [Naam], niet conform de wettelijke procedures is verlopen.

Het Hof zal op grond hiervan ook deze drie grieven verwerpen.

2.11 Het Hof overweegt dat op grond van al het voorgaande het vonnis waarvan beroep, in conventie en reconventie, zal worden bevestigd. 

2.12 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig en zal de Staat, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten verwijzen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

  1. De beslissing

Het Hof

3.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in kort geding in conventie en reconventie gewezen en uitgesproken op 16 april 2009 bekend onder AR. No. 073593 in het eerste kanton;

3.2  Veroordeelt  de Staat in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep begroot op SRD.697,50

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door        mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 21 januari 2022 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier. 

 

w.g. S.C. Berenstein                       w.g. D.D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. A.C.A. Karg namens advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellant noch bij gemachtigden noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-42

GR-15192                                            

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

De Stichting Auteursrechten Suriname,
gevestigd te Paramaribo,
appellante in kort geding,
verder te noemen: Sasur,
vertegenwoordigd door: M. Gangapersad,

tegen

De Staat Suriname,
zetelende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. D. Kraag en mr. N.U. van Dijk, advocaten,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen Sasur als eiseres en de Staat als gedaagde in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 7 april 2016 (A.R. No. 15-3099) spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

 

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 19 april 2016 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat Sasur tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van Sasur van 3 november 2017;
  • de antwoordpleitnota van de Staat van 5 januari 2018;
  • het repliekpleidooi van 7 december 2018;
  • de dupliekpleidooi en uitlating producties van 3 april 2019.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling 

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Sasur daarin kan worden ontvangen.
  2. Tegen de feiten zoals vastgesteld door de kantonrechter zijn geen grieven aangevoerd. Het hof zal daarvan ook uitgaan.
  3. Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1 Sasur is een auteursrechtenorganisatie die tot doel heeft om de materiële en immateriële belangen van auteurs en hun rechtverkrijgenden, uitgevers en uitgeversbedrijven te bevorderen. Zij heeft de bevoegdheid gekregen om de auteursrechten op het wereldrepertoire in Suriname te handhaven en te exploiteren en wel op de voet van artikel 30 bis Auteurswet (AW), zoals deze bepaling luidde tot de invoering van de wet van 17 april 2015 (S.B. 2015 no. 83), houdende nadere wijziging van de Wet Auteursrecht 1913 (G.B. no. 15, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1981 no. 23), verder de wijzigingswet 2015.

3.2 Bij de wijzigingswet 2015 is artikel 30 bis vervangen door de artikelen 30 a tot en met i. Die bepalingen luiden – voorzover hier van belang – als volgt.

30a 1. Voor het verlenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht van makers en gebruikers is toestemming vereist van de Minister. De Minister verleent de toestemming indien is voldaan aan alle voorwaarden gesteld bij of krachtens deze wet, na advies door de Raad.

  1. Onder het verlenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht wordt verstaan het al dan niet op eigen naam, ten behoeve van de makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden, sluiten of ten uitvoer leggen van overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar of de uitzending in een radio- televisieprogramma, door tekens geluid of beelden van die muziekwerken, of hun verveelvoudigingen, in hun geheel of gedeeltelijk.

(….)

30c 1. Alleen gerechtigd tot bemiddeling inzake muziekauteursrecht is bevoegd de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging, opgericht naar Surinaams recht, zonder het oogmerk om winst te maken die kantoor houdt in Suriname en waarvan de leden zijn geregistreerd bij het Bureau Intellectuele Eigendom als te zijn de makers van muziekwerken.

Artikel II van de wijzigingswet 2015 behelst overgangsbepalingen. Lid 1 van artikel II luidt als volgt.

Verenigingen, die op grond van artikel 30 bis van Wet Auteursrecht 1913 vóór de inwerkingtreding van onderhavige wet toestemming is verleend om als bedrijf te bemiddelen inzake muziekauteursrecht, wordt in de gelegenheid gesteld om binnen een periode van 3 maanden na inwerkingtreding van deze wet aan al het bepaalde in deze wet te voldoen.

3.3 Sasur heeft – na aanvulling van eis – gevorderd 

I. De Staat te veroordelen om met onmiddellijke ingang de juiste en volledige informatie van alle aanvragen van openbare vermakelijkheden, waarbij er muziek openbaar gemaakt zal worden, uiterlijk 2 weken vóór elk te houden evenement schriftelijk aan Sasur te verstrekken, waaronder in ieder geval de namen van de vergunningaanvrager(s), hun contactadres(sen) en -telefoonnummer(s), de datum(s) en plaats(en) van het te houden evenement(en).

II. De Staat te veroordelen om met onmiddellijke ingang Sasur als belangenorganisatie te horen, alvorens enig vergunning te verlenen voor een openbare vermakelijkheid waarbij er muziek openbaar gemaakt zal worden.

III. De Staat te veroordelen om met onmiddellijke ingang een bezwaar- en beroepsprocedure voor Sasur in te bouwen binnen de procedure voor het verlenen van vergunningen voor openbare vermakelijkheden.

IV. De Staat te verbieden om enig vergunning voor een openbare vermakelijkheid waarbij muziek openbaar gemaakt zal worden te verlenen, zonder overlegging van een geldige Sasurlicentieovereenkomst door de vergunningaanvrager.

V. De Staat te veroordelen om met onmiddellijke ingang terug te plaatsen onder de kop GELET OP de tekst ”de Wet Auteursrecht 1913 (G.B. no.1913 no.15, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1981 no.23”; en ”de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 21 april 2005 (S.B.2005 no.65) en 17 mei 2006 (S.B.2006 no.58)” in alle af te geven vergunningen voor openbare vermakelijkheden.

VI. De Staat te veroordelen om met onmiddellijke ingang terug te plaatsen de vergunningsvoorwaarde ”Dat bij het openbaar maken van muziek de vergunninghouder(st)er vóór de aanvang van de activiteit over de nodige licentie/toestemming van Sasur moet beschikken, in zoverre van muziekwerken met of zonder woorden behorende tot het Sasur-repertoire gebruik gemaakt zal worden” in alle af te geven vergunningen voor openbare vermakelijkheden.

VII. De Staat te veroordelen tot het verzenden van een afschrift van die verleende vergunningen aan Sasur.

alsmede de staat te veroordelen tot betaling van een dwangsom en van de kosten van het geding.

3.4 De Staat heeft de vordering bestreden.

3.5 De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

4. Sasur heeft één grief aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Deze luidt als volgt.

 

Grief I

De Kantonrechter heeft ten onrechte in rechtsoverweging 4.2 het onderscheid tussen handhaving van het auteursrecht ex. art. 1 WA door de rechthebbende (de muziekauteur of diens rechtverkrijgende) en bemiddeling ex. art. 30a e.v. Wet Auteursrecht 1913, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 83 (hierna WA) miskend en deze begrippen vereenzelvigd, door te overwegen dat Sasur als rechthebbende van de auteursrechten op de muziekwerken haar auteursrechten niet zonder toestemming tot bemiddeling ex. art. 30a e.v. WA mag handhaven.

Het hof zal voor zover nodig ook ingaan op de door Sasur gegeven toelichting op de grief.

5. De Staat bestrijdt de grief. Hij kan zich met het vonnis waarvan beroep verenigen en verzoekt het hof het vonnis te bevestigen. 

6. Het hof overweegt het volgende.

6.1 Sasur erkent dat zij niet meer ‘ten behoeve van rechthebbenden van muziekauteursrechten (kan) bemiddelen.’ Zij stelt echter dat zij haar vordering niet instelt uit hoofde van bemiddeling maar haar eigen auteursrechten op grond van artikel 1 AW wenst te handhaven. Haar zijn ‘krachtens exploitatie-, wederkerigheid- en mandaatovereenkomsten met respectievelijk auteursrechthebbenden en zusterorganisaties auteursrechten op de muziekwerken uit het wereldrepertoire overgedragen. (….) Sasur is derhalve rechthebbende van de muziek auteursrechten waarvoor zij van de Kantonrechter voorzieningen heeft verzocht’, aldus Sasur.

6.2 Gelet op deze stellingen, in het bijzonder de stelling dat aan Sasur de betrokken auteursrechten zijn overgedragen ‘krachtens exploitatie-, wederkerigheid- en mandaatovereenkomsten’, kan niet anders worden vastgesteld dan dat Sasur bij die overeenkomsten op zich heeft genomen om ten behoeve van de makers van de betrokken muziekwerken of hun rechtverkrijgenden, die overeenkomsten ten uitvoer te leggen daaronder begrepen de beoogde handhaving. De in eerste aanleg en hoger beroep door Sasur overgelegde overeenkomsten ondersteunen deze vaststelling. Zie bijvoorbeeld artikel 2 e.v. van het in hoger beroep overgelegde (in de Nederlandse vertaling:) Contract voor wederkerige vertegenwoordiging, waarin partijen elkaar over en weer het recht geven om onder meer – ‘als het nu in eigen naam is of in die van de betreffende auteur’ – handhavend op te treden. Ook blijkt uit de verdere bepalingen van deze overeenkomst dat partijen de auteursrechtvergoedingen voor elkaar innen en aan elkaar – na aftrek van kosten en dergelijke – afdragen. Dat betekent dat het niet gaat om activiteiten ten behoeve van Sasur zelf, maar ten behoeve van haar contractspartij respectievelijk de leden van die contractspartij. 

6.3 Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het ‘ten uitvoer leggen’ van voormelde exploitatie-, wederkerigheid- en mandaatovereenkomsten en het in dat verband handhavend optreden door Sasur valt onder de definitie van bemiddelen zoals opgenomen in het hierboven geciteerde artikel 30a lid 2 AW.

6.4 Tot dergelijke bemiddeling is alleen gerechtigd een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging als bedoeld in artikel 30c lid 1 AW. Aan die kwalificatie voldoet Sasur, een stichting, niet. Zij kan evenmin een beroep doen op de hiervoor geciteerde overgangsregeling van de wijzigingswet.

6.5 Een en ander brengt mee dat de kantonrechter de vorderingen terecht heeft afgewezen. De grief faalt derhalve.

6.6 Sasur heeft nog een beroep gedaan op de Berner Conventie en het Trips-verdrag. Het hof begrijpt de desbetreffende stellingen aldus dat Sasur aanvoert dat de Staat tekort schiet in het inrichten van een infrastructuur die rechthebbenden faciliteert hun auteursrechten adequaat te beschermen en te exploiteren alsmede dat Sasur niet in de gelegenheid is te voldoen aan de met de wijzigingswet ingevoerde eisen. Deze stellingen kunnen echter niet tot een ander oordeel leiden. Zelfs indien deze stellingen juist zouden zijn, zouden zij immers nog niet rechtvaardigen dat Sasur in afwijking van de wijzigingswet zou mogen handhaven en – gelet op het hiervoor overwogene: daarmee – bemiddelen in de zin van artikel 30a lid 2 AW.

7. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bevestigen. Het hof zal Sasur als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 7 april 2016 (A.R. No. 15-3099);

veroordeelt Sasur in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de Staat gevallen en tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. A.C. Johanns, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 april 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R.A.W. Birtantie namens advocaat mr. D. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellante noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

 

Voor Afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2024-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

CIVAR 2023H00239
20 december 2024
Beschikking in de zaak van:

[APPELLANT],
wonende te [Plaats],
appellant,
verder te noemen “de vader”,
gemachtigde: mr. R.M.C. Denz en mr. S.N. Muntslag-Essed, advocaten,

tegen

[GEΪNTIMEERDE],
wonende te [Plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen “de moeder”,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gegeven voogdijbeschikking van 28 maart 2023 (A.R. No. 21-1020 / CIVAR no. 202100725) hierna geduid als “de beschikking”.

1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de vader bij schrijven van zijn procesgemach-
tigde op 20 april 2023 hoger beroep heeft ingesteld;
– het op 24 oktober 2024 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid
2 Uit de aantekening van de griffier op het doorlopend proces-verbaal blijkt dat partijen op 28 maart 2023 aanwezig waren bij het gegeven van de beschikking. De vader heeft bij schrijven van zijn gemachtigde op 20 april 2023 appèl aangetekend. Gelet op het voorgaande heeft de vader tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn van 30 dagen na het geven van de beschikking is geschied, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

3. De feiten
3.1 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste kanton van 5 augustus 2021 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is ingevolge artikel 282 van het Burgerlijk Wetboek een datum bepaald voor het familieverhoor ter voorziening in de voogdij over de minderjarige kinderen van partijen.

3.2 Tijdens de behandeling van de voogdijprocedure hebben het Bureau voor Familierechtelijke Zaken en een deskundige rapporten uitgebracht.

3.3 De kantonrechter heeft bij de beschikking de moeder tot voogd en de vader tot toeziend voogd over hun minderjarige kinderen benoemd. Ook is daarbij bepaald dat de minderjarigen het eerste, tweede en vierde weekend van elke maand van vrijdag 18.00 uur tot en met zondag 18.00 uur en voorts elke woensdag bij de vader zullen verblijven, met dien verstande dat de vader op de woensdag de minderjarigen van school ophaalt en de minderjarigen weer op de donderdag op school afzet, alsook dat de minderjarigen de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vader zullen verblijven.

4. De beoordeling
4.1 De vader heeft tijdens het verhoor verklaard dat vanaf de beschikking is gegeven, de kinderen in goed overleg met de moeder merendeels bij hem zijn, onder andere omdat de moeder met een onzekere situatie met betrekking tot haar werk werd geconfronteerd. Hij heeft ook de taken van de voogd uitgevoerd en wenst dat hij als voogd wordt benoemd en de moeder tot toeziend voogd.

4.2 De moeder heeft tijdens het verhoor verklaard dat zij de vader alle ruimte heeft geboden om in contact te staan met de kinderen. Nadat haar voertuig kapot ging en zij de kinderen niet meer naar school kon brengen en afhalen, heeft zij voorgesteld dat de kinderen vaker bij de vader verblijven, zodat hij hen naar school kan brengen. Nadat haar voertuig is gerepareerd zullen de kinderen weer bij haar verblijven en zal de door de kantonrechter in eerste aanleg bepaalde omgangsregeling worden hervat.

4.3 Het Hof constateert dat uit de processen-verbaal van de in eerste en tweede aanleg gehouden verhoren blijkt dat zowel de vader als de moeder gelet op hun instelling en hun materiele voorzieningen, in staat moet worden geacht de voogdij over de kinderen uit te oefenen. In de door de deskundige, een ontwikkelingspsycholoog, na psychologisch onderzoek van partijen opgestelde rapporten, is geadviseerd de moeder te benoemen tot voogd en de vader tot toeziend voogd. Uit de verklaringen van partijen blijkt dat de moeder, nadat zij tot voogd is benoemd, de vader alle gelegenheid heeft geboden om de relatie met de minderjarigen in stand te houden en dat de moeder de belangen van de minderjarigen op een goede wijze heeft behartigd. Geconcludeerd wordt derhalve dat de kantonrechter toentertijd niet ten onrechte heeft beslist als vervat in de beschikking, en ook nadien zich generlei omstandigheid heeft voorgedaan die het wijzigen van de beschikking wenselijk maakt. De beschikking zal dan ook in hoger beroep worden bevestigd.

5. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

Bevestigt de beschikking van 28 maart 2023 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gegeven in de tussen partijen gevoerde procedure bekend onder CIVAR no. 202100725.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. J.M. Jensen en mr. A.C. Johanns, leden, en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 december 2024, in tegenwoordigheid van de Ad-hoc Fungerend-Griffier, mevr. W. Moerahoe, LL.B.

w.g. W. Moerahoe      w.g. S.S.S. Wijnhard

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

 

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld