SRU-HvJ-2021-1

In naam van de Republiek!

 Vonnisnummer:        62/2021

Uitspraak:               17 december 2021

VERSTEK                                                     

                           

Het Hof van Justitie van Suriname

in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers

Zitting houdende te Paramaribo,  inzake het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

 

HOEFDRAAD, Gillmore Andre, geboren op [datum] in [district], gewezen politieke ambtsdrager in de functie van Minister van Financiën en wonende aan de [adres] te [district], in vrijheid verkerend;

De verdachte is niet verschenen, doch wordt bijgestaan door mr. M. Dubois, advocaat bij het Hof van Justitie.

 

De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het Hof

Krachtens de wettelijke bepalingen is het Hof bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de verdediging is aangevoerd dat het OM niet –ontvankelijk verklaard dient te worden t.a.v. feit II, III en V, omdat er sprake is van obscuur libel. Het tenlaste gelegde betreft een combinatie van gedragingen uit de Bankwet 1956 (art. 16 en 18)  en art. 13 van de Anti Corruptiewet (hierna ACW). Naar de mening van de verdediging  heeft de wetgever ten aanzien van die gedragingen uit de Bankwet 1956 (hierna Bankwet) geen strafbaar feit in het leven geroepen terwijl, het openbaar ministerie met gebruikmaking van art. 13 ACW getracht heeft die gedragingen aan te doen merken als een strafbaar feit. Naar de mening van de verdediging verwijst de ACW naar een bestuurlijk aspect en omdat er geen Bestuurswet in Suriname is, kan de ACW niet van toepassing zijn.

 

Het Hof overweegt alsvolgt;

Het Hof begrijpt dat de verdediging zich hierbij richt op het artikel 35A Bankwet (SB 2005 no. 56), waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat art. 21 leden 2 en 4 strafbare feiten (misdrijven) opleveren. Artikel 13 lid 1a ACW  is – voorzover van belang- gericht op het verbod om niet in strijd te handelen met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures. Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) op dit artikel betreft het handelingen, besluiten en adviezen door een publieke functionaris verricht of genomen die in strijd zijn met de voor de besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit wil zeggen dat de ACW niet beperkt is tot gedragingen die expliciet aangemerkt zijn als misdrijven. Het verweer van de verdediging dat de verweten gedraging uit de Bankwet een strafbaar feit moet betreffen aleer tot vervolging kan worden overgegaan, is derhalve ongegrond en wordt verworpen.

Het is het Hof anderszins niet gebleken van omstandigheden, die de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan. Het openbaar ministerie zal daarom ontvankelijk worden verklaard in zijn vervolging.

 

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen gebleken om de vervolging te schorsen.

Het onderzoek ter terechtzitting

Bij tussenvonnis van 11 januari 2021 is door het Hof beslist op de preliminaire weren. Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis. 

 

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg, 11 januari 2021, 04 februari 2021, 11 maart 2021, 06 mei 2021 en 17 december 2021. 

 

De tenlastelegging:

Aan verdachte zijn de volgende feiten ten laste gelegd:

Feit I Deelname aan een criminele organisatie (art 188 Sr)
Feit II, III en V overtreding van art. 13 lid 1 onder a ACW
Feit IV en VI onder A ambtsverduistering (art. 423 Sr) en onder B gekwalificeerde verduistering (art. 382 Sr.)

Wijziging tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage I en II gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding en de gewijzigde ten lastelegging, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

 

De vordering van de vervolgingsambtenaar

De procureur generaal heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van de onder I, II, III, IVA, V en VIA ten laste gelegde feiten, met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren, een geldboete van Srd 500.000,- (Vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) te vervangen door 12 (twaalf) maanden hechtenis en de gevangenneming van de verdachte.

 

Het standpunt/verweer van de verdediging:

Door de verdediging is vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet het verwijt gemaakt kan worden dat hij in daderschap en/of deelneming met van Trikt e.a. de verweten strafbare gedragingen – overtreding van de ACW en ambtsverduistering c.q. verduistering- gepleegd heeft.

Volgens de verdediging bevat het dossier onvoldoende bewijs dat verdachte samen met van Trikt e.a. een organisatie vormde gericht op het plegen van misdrijven.

Naar de mening van de verdediging is er ook geen sprake van schending van art.13 ACW  omdat:

  • Het delictsbestandsdeel “wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de art. 16 lid 3 (verbod op quasi- fiscale activiteiten),

18 (verbod op koop onroerend goed anders dan voor haar eigen bedrijfsvoering) en art. 21 (verbod  op overschrijden maximum te  verstrekken voorschotten aan de Staat) van de Bankwet  aangezien genoemde bepalingen geen strafbare feiten betreffen;

  • De betrokken artikelen 16, 18 en 21 van de Bankwet zijn kwalitatieve delicten welker overtreding alleen door een persoon in de hoedanigheid van president van de Bank vervuld kunnen worden.

Bewezenverklaring

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder I, II, III, IVA, V en VIA van de inleidende dagvaarding ten laste is gelegd, met dien verstande, dat hij op meer tijdstippen gelegen in de periode maart 2019 tot en februari 2020 te Paramaribo, als gewezen minister van Financiën en als een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de ACW tezamen en invereniging met de publieke functionarissen in de uitoefening van hun publieke functies  t.w. VAN TRIKT, Robert – Gray president van de Centrale Bank van Suriname en KROMOSOETO, Ginmardo Budiono, directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK, en HAUSIL, Faranaaz gehuwd Alibaks als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International Affairs bij de Centrale Bank van Suriname, zich schuldig heeft gemaakt aan:

I                      Deelname aan een criminele organisatie.
II, III en V    Overtreding van art. 13 lid 1 onder a ACW quasi fiscale handelingen van de Bank, aankoop onroerend goed betalen overheidsuitgaven door de Bank en verstrekken van blanco       krediet.

IVA en VIA    Ambtsverduistering van gelden verkregen naar aanleiding van de verkoop van overheidspanden en de Royalty overeenkomsten.

De bewezenverklaring is als bijlage III gehecht, van waaruit de inhoud geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

 

Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd.

Bewijsmiddelen

  1. De bewezenverklaarde feiten houden verband met elkaar. Hun beginpunt ligt in de Clairfield en Benelux overeenkomsten daarom zal het Hof de bewijsmiddelen m.b.t. feit I t/m VIA gezamenlijk  opsommen
  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van Ramsukul, D., ambtenaar van politie d.d. 28 januari 2020, betreffende – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven– (map II, pg 13 tot en met 27)

de ontvangst van het schrijven van de Procureur- generaal voor het instellen van een opsporingsonderzoek inzake mogelijke malversaties gepleegd bij de Centrale Bank van Suriname.

  1. De verklaring van de getuige Van Trikt, Robert- Gray, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O. d.d. 9 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (zwarte map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 107-117):

p.108: In 2018 was ik nog geen governor maar kreeg van Hoefdraad het verzoek voor een databank. De assets van de staat moesten op waarde worden gewaardeerd. Toen was Buysse van Clairfield in Suriname en is dit met de minister besproken. Ik was reeds governor en tijdens een meeting in Washington is dit onderwerp weer naar voren gehaald. Hoefdraad heeft aangegeven een lening te arrangeren voor de overname van de Afobakkadam. Ik heb een gesprek met Hoefdraad gehad over het project om de assets te waarderen en het opzetten van het fonds. Hoefdraad heeft toen aangegeven dat deze projecten door de CBvS konden worden uitgevoerd. Alles is afgestemd met Hoefdraad. Uit zijn voice apps blijkt ook dat hij dit heeft bevestigd. Ik heb de ideeën voorgelegd aan de heer Buysse van Clairfield, die als core business evaluatie van assets heeft. Hieruit zijn de projecten Prodigy en Prodigy 2 uitgerold. Toen Buysse in Suriname was is hij ook ontvangen door de minister. Ten huize van de minister is met hem gesproken over de projecten. Ook toen heeft de minister kenbaar gemaakt dat het goede projecten zijn.

p.109: Ik had inmiddels brieven gestuurd naar de minister die naar de verschillende overheidsinstituten verzonden moesten worden ter verkrijgen van informatie. Van de minister kreeg ik te horen dat de brieven na enige aanpassing zouden worden verzonden en dat [persoon 1] de coordinator zou worden vanuit het ministerie. Ik heb een overzicht ontvangen van alle ambassades van de minister die ik heb doorgestuurd naar Clairfield. Met de minister is er veel gesproken over het terugbrengen van de langlopende schuld van de staat bij de CBvS en het verhogen van de inkomsten van de Staat. De bedoeling was om het schulden plafond van de Staat omlaag te brengen.

p.110: Belangrijk is wel dat hij op de hoogte was van alle projecten voordat de overeenkomsten tot stand kwamen.

p.111: In de volgende projecten heeft Hoefdraad directe bemoeienis gehad door middel van expliciete handelingen:

Prodigy I: hierin heeft hij expliciet aangegeven dat [persoon 1] als coordinator van het ministerie zou optreden voor het verzamelen van data door middel van brieven die naar de verschillende overheidsinstanties zouden worden verzonden.

Prodigy 5: de informatie van de ambassades komt van het ministerie

Lagarde1: er is een missive en een resolutie; de data afkomstig van Iamgold is door de minister naar mij verzonden. De minister heeft afspraken met Grassalco gemaakt via de minister van Natuurlijke Hulpbronnen.

  1. De verklaring van de getuige Hausil, Faranaaz, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 15 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 139-146):

Ik weet dat alle assets van de overheid gewaardeerd zouden worden.

p.142: In opdracht van Van Trikt heeft mijn directoraat ook conceptbrieven opgesteld ten behoeve van de minister van Financiën met betrekking tot de “valuation of Assets”.

p.143: Mijn conceptbrief heb ik verzonden naar Hoefdraad en van Trikt.

p. 144: Hoefdraad heeft mijn conceptbrief gebruikt om geld op te nemen bij de CBvS nadat daarin veranderingen zijn aangebracht. Ik heb naderhand die veranderde versie van mijn conceptbrief gezien.

  1. Het op ambtseed opgemaakt procesverbaal d.d 14 maart 2020 van Z.Pierkhan ambtenaar van politie, betreffende het verhoor van de Minister van Financien, Hoefdraad,Gilmore- voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier Map I pg. 338)

Ik wist dat Buyse was aangetrokken als adviseur. Ik heb kennis gemaakt met hem in 2018. De ideeen waren mij wel bekend. Zeker drie overeenkomsten hebben betrekking op de Staat en [persoon 1] is gekoppeld aan Van Trikt en Buyse. De door de CBvS gesloten overeenkomsten ten behoeve van de Staat zijn puur quasi-fiscaal en verboden door de Bankwet. Ik was op de hoogte van de valuation assets projecten en de waardebepaling van de royalties uit de Delfstoffenovereenkomst.

  1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 24 augustus 2020 van Thakoer, R, ambtenaar van politie, betreffende het 4e nader verhoor van de getuige, [persoon 2] (directielid CBvS), – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier III, p. 41-54):

p.43: Gaande het onderzoek is naar voren gekomen dat de kosten die de ex-governor Robert van Trikt liet dragen door de CBvS (…) in principe door de Staat gedragen moesten worden. Onder quasi-fiscaal versta ik dat het kosten zijn die door de staatsbegroting gedragen moeten worden.

  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 25 augustus 2020 van Soekhoe, Kishnu R, ambtenaar van politie, betreffende het nader verhoor van [persoon 3], (econoom/ ex-governor CBvS)– voorover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier II, p. 98-109):

p.99: Wanneer de zaak niet tot het werkterrein van de CBvS behoort maar tot het werkterrein van de Staat dan moet zij de zaken zelf ter hand nemen en zelf financieren en niet de CBvS.

p. 101: de minister van Financien is bekend met de Bankwet.

  1. Het referte proces-verbaal , opgemaakt door Ramsukul, D, inspecteur van politie d.d. 14 maart 2020, betreffende de schriftelijke vastlegging van devoice notes” tussen Hoefdraad en van Triktvoorover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- I, 20.07.2021, p. 68- 69.

Waarin onder andere is vervat dat Hoefdraad aanwijzingen geeft dat de brief aangepast moet worden omdat de namen Clairfield & Orion zomaar ruis zal geven. Idee is gewoon dat Financien het coördineert. Dat [persoon 1] coordinator is in het proces en vocal point is. Dat [persoon 1] Hoefdraad heeft gerapporteerd hoe de meeting is verlopen. Voorts dat de C.B.v.S. dat heel ding overneemt. 

  1. De brief van het Ministerie van Financien om informatie van parastatalen te verkrijgen ( I, 20.07.2019, p. 77 en 78).

Dit heeft geresulteerd in project Prodigy een overeenkomst tussen Clairfield Benelux en de C.B.v.S. 

  1. Het resultaat van het onderzoek verricht met betrekking tot de overeenkomsten die de C.B.v.S. heeft getekend met Clairfield Benelux. (Ds. I, 20.07.2021, p. 49-54), waarbij uit de evaluatie blijkt dat:

p.49.1: Project Lagarde I: “Valuation of fairness opinion of RGM Royalty Suriname

Het onderwerp van deze overeenkomst is een opinie over de mate waarin de royalty die Rosebel betaalt aan de republiek Suriname rechtvaardig is. Het uiteindelijk doel is om de waarde van de royaltyrechten gedurende 10 jaren door de CBvS als zekerheid te laten dienen, teneinde de schuld die de Republiek Suriname heeft af te lossen.

Bij de ondertekening op 02.10.2019, heeft de CBvS, EURO 300.000,- betaald.

Non-refundable vergoeding overeengekomen van EURO 620.000,-.

p.50: Project Prodigy “Asset valuation and monetization options”.

Het onderwerp is het waarderen van de activa van de republiek Suriname.

Bij de ondertekening heeft de CBvS, EURO 1.250.000,- betaald aan Clairfield.

Op 19.09.2019 is EURO 182.885,- aan Clairfield betaald voor een deeloplevering.

Non-refundable vergoeding overeengekomen van EURO 2.500.000,-.

p.51: Project Prodigy 5:

“Valuation of Suriname Embassies and sale and lease back structuring.”

Het onderwerp is het waarderen van de ambassades van de Republiek Suriname en het opzetten van een verkoop en lease structuur.”

p.51.1: Bij de ondertekening op 02.10.2019, heeft de CBvS, EURO 196.000,- betaald aan Clairfield.

  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 31 juli 2020 van Pierkhan, Zamier, ambtenaar van politie, betreffende het verhoor van de getuige van Trikt, Robert-Gray (ex-governor CBvS) – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (map I, p. 129- 137):

p. 133: Op grond van artikel 21 van de Bankwet had hij reeds SRD 670 miljoen getrokken bij de CBvS. Naar aanleiding van het gegeven dat hij op grond van artikel 21 van de Bankwet geen geld meer kon trekken, heeft hij het geld van de panden getrokken. 

  1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 25 augustus 2020 van Arichero, J. ambtenaar van politie, betreffende het verhoor van de getuige, [persoon 4] (directielid CBvS) – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier III, p. 88-97):

p. 96: Het was de modus operandi van Hoefdraad om elke eind van de maand aan middelen te komen om het begrotingstekort van de staat te financieren.

De Staat kon geen beroep meer doen op artikel 21 van de Bankwet na de lening van SRD 648.800.000,- van de Staat in de maand maart 2019 als voorschot op grond van artikel 21 van de Bankwet. Er moest eerst worden afgelost. 

  1. De verklaring van de getuige Van Trikt, Robert- Gray, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 9 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (zwarte map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 107-117):

In dit kader is Kromosoeto bij mij op kantoor geweest en heb ik hem uitgelegd dat mijn bedoeling was het aflossen van de langlopende lening van de Staat bij de CBvS. Dit zou kunnen door middel van de assets die verrekend konden worden.  Naar aanleiding hiervan heeft Kromosoeto een email naar mij persoon en Hoefdraad gestuurd waarin hij zijn ideeen gaf. De minister gaf aan dat Kromosoeto ook enige betekenis hierin zou kunnen hebben.

p.110: Nadat ik de email van Kromosoeto ontving, heb ik die direct naar Hausil geforward. In dat kader is er een conceptbrief van Hausil uitgegaan naar de minister en mijn persoon. Uiteindelijk bleek dat het bedrag van de 1e tranche panden is overgemaakt naar de rekening van het ministerie van Financien en dat Hoefdraad zich niet heeft gehouden aan de afspraak om die gelden te gebruiken ter verrekening van de langlopende schuld. Om de hiervoor vermelde reden moest weer worden gekeken naar een manier om de langlopende schuld weg te maken. Er zijn toen weer sessies gevoerd en kwam het voorstel van Grassalco en Rosebel naar voren.

p.112: De bedoeling van de email van Kromosoeto (Ds. I, 20.07.2021, p. 24-30). Kromosoeto is als adviseur opgetreden in het zoeken naar assets van de Staat ten behoeve van de bank voor het verrekenen van de langlopende schuld. Op basis van dit email bericht is de brief van de minister opgemaakt die werd ontvangen in juni 2019 ten aanzien van de 1e tranche panden.

p. 113: de tegenwaarde in SRD van EURO 45 miljoen ter beschikking gesteld op de rekening van het ministerie van Financiën. Deze zelfde principe is toegepast bij de overmaking van de tegenwaarde in SRD van de EURO 60 miljoen voor de 2e tranche panden. De minister heeft de gelden niet ter beschikking gesteld voor schuldverrekening maar heeft deze volledig gebruikt ten behoeve van overheidsuitgaven.

  1. De verklaring van de getuige Hausil, Faranaaz, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 15 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 139-146):

Ik weet dat alle assets van de overheid gewaardeerd zouden worden.

Ik ben ervan op de hoogte dat Kromosoeto de overheidspanden in een e-mail naar Van Trikt en Hoefdraad had opgenomen, alsook de taxatie daarvan.

  1. De verklaring van de getuige Kromosoetoe, Gilmardo, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 16 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (map GVO-verhoren en EXTRACT TLL p. 147-156):

p. 154: Op verzoek van Hoefdraad heb ik een presentatie m.b.t. de assets van de Staat gemaakt. Hoefdraad heeft mij gevraagd om taxaties te laten doen van de assets van de Staat. Hoefdraad had wel aangegeven dat hij zocht naar financiering en dat het mogelijk als onderpand kon worden gebruikt. Hieruit zijn voortgekomen de taxatierapporten t.a.v. de onroerende goederen.

  1. Het op ambtseed Procesverbaal van Arichero, J, ambtenaar van politie betreffende een nader verhoor van [persoon 4] d.d 22 juli 2020, (dossier I pg. 167-179):

De Overheid heeft geld ontvangen van de panden en dat is een bedrag van  srd 869.055.000. 

  1. Het op ambtseed opgemaakt procesverbaal d.d 25 augustus 2020 van Thakoer, R, ambtenaar van politie, betreffende een 2e nader verhoor van [persoon 5] – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier II en aanvullend dossier III pg. 76-87):

Bij de eerste tranche panden is er SRD 377,955,000.00 door de C.B.v.S bijgeschreven op de rekening van het Ministerie van Financien. Bij de 2e tranche is er een bedrag van SRD 491,100,000.00 door de C.B.v.S bijgeschreven op de rekening van het Ministerie van Financiën.

  1. Het op ambtseed opgemaakt procesverbaal d.d. d.d 25 augustus 2020 van Arichero, J. ambtenaar van politie, betreffende een verhoor van de getuige [persoon 4] – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier II en aanvullend dossier III pg. 88-97):

De C.B.v.S mag volgens de Bankwet geen onroerende goederen kopen of bezitten, die niet nodig zijn voor de uitoefening van haar bedrijf. Hoefdraad heeft als tegenwaarde 105 miloen euro ontvangen. Hoefdraad heeft voor een 2e maal onder het mom van schuldverrekening geld los gekregen van de C.B.v.S.

  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d.25 augustus 2020 van Thakoer, R, ambtenaar van politie, betreffende een 2e nader verhoor van [persoon 5] (medewerker CBvS)- voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier II en aanvullend dossier III pg. 76-87):

p.80: de C.B.v.S. mag volgens de Bankwet geen onroerende goederen kopen of bezitten die niet nodig zijn voor de uitoefening van haar bedrijf. De schuldverrekening heeft niet plaatsgevonden omdat de “opbrengst” anders zijn aangewend.

p.81: Als het geld bedoeld was voor schuldverrekening had de C.B.v.S. niet hoeven uit te keren aan het Ministerie van Financiën maar gedeeltelijke schuldverrekening kunnen plegen.

p.82: Hoefdraad heeft duidelijk de gelegenheid gehad van de heer van Trikt om na 26 juni 2019 voor de tweede maal onder het mom van schuldverrekening geld los te krijgen bij de C.B.v.S.

  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van Pierkhan, Z, ambtenaar van politie d.d.16 september 2020, betreffende het verhoor van, Adhin, Ashwin, (gewezen VP) voorzover inhoudende- verkort en zakelijk weergegeven- (3e aanvullend dossier pg. 138-150):

p.138: Een minister kan pas overgaan tot het uitvoeren van een voorstel dat is aangeboden aan de RvM als dit is goedgekeurd door de RvM en daaromtrent een missive is uitgekomen. Hoefdraad moest wachten op een missive. Hij had geen toestemming van mij noch van de president Bouterse om de panden te verkopen. De C.B.v.S. mocht de overmaking van Euro 45 miljoen niet plegen

p.141: ik ben verrast dat de overmaking van SRD 377.955.000,- vóór de missive van 15 oktober 2019 heeft plaatsgevonden.

  1. Het schrijven van de Minister van Financien Hoefdraad aan de President van de CBvS Van Trikt, Robert-Gray betreffende het ter beschikking stellen van de eerste en tweede tranche panden. (dossier I pg. 87-91):

Eerste schrijven d.d 26 juni 2019 van de 1e tranche panden afkomstig van het Min van Financien, waarbij hij 8 panden ter beschikking stelt voor een bedrag van euro 45.000.000.

Tweede schrijven van Hoefdraad mbt de tweede tranche d.d 26 juni 2019 waarbij Hoefdraad 9 panden ter beschikking stelt voor een bedrag van euro 60.000.000,-

  1. Het veiliggestelde emailbericht afkomstig van Kromosoeto verstuurd naar Hoefdraad, waarbij Kromosoeto voorstellen doet m.b.t. de verkoop van panden, d.d. 25 april 2019. (Ds. I, 20.07.2021, p. 28-28a/ 15e vervolgdossier d.d. 08.01.2021, p. 10-11/ map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 139-146) – verkort en zakelijk weergegeven inhoudende-:

Op 25.04.2019 email van Kromosoeto naar Hoefdraad en v Trikt.

Op 26.04.2019 de reactie van V Trikt aan Kromosoeto: CBvS kan dat dragen. Just look at the (assets) valuation;

De reactie van Hoefdraad: Laten we doortrekken dat alles overheat. Will help the budget.

  1. Het veiliggestelde emailbericht afkomstig van Hausil, F. d.d. 22 juni 2019 gericht naar Hoefdraad en Van Trikt R., m.b.t. eigendomsoverdracht van onroerende goederen aan de CBvS (Ds. I, 20.07.2021, pg. 7)
  1. Het betalingsoverzicht voor de panden op 28 juni 2019, 20 september 2019 en 24 september 2019, totaal SRD 869,055,000.00. (dossier 1 pg. 121-123)

Betaling op 28 juni 2019: ref no. 300-00000372756  overboeking van Centrale Bank op rekening van min van financien onderhanden investering SRD 377.955.000,00

Betaling op 20 september 2019: ref.no. 300-00000379708 overboeking van Centrale Bank op rekening van min van financien inzake panden inzake panden:
SRD 271.100.000,00

Betaling op 24 september 2019: ref.no. 302-00000379898 overboeking van Centrale Bank op rekening van min van financien inzake panden inzake panden:
SRD 271.100.000,00 

  1. Missive van 15 november 2019 no.1242 /RVM regarderende de toestemming tot verkoop van de eerste tranche panden d.d. 15 november 2019, (Ds. I, pg 92–93)
  1. Missive van 11 april 2020 no. 358 /RVM (aanvullend Ds.III, p.21 – 24) inhoudende dat, het voorstel van de minister van financien Hoefdraad,  waarbij de overdracht van de panden komt te vervallen en de financiering van de panden wordt overgenomen in de geconsolideerde lening conform artikel 8 van de wet uitzonderingstoestand covid-19 tussen de Staat en de CBvS.
  1. De verklaring van de getuige Van Trikt, Robert- Gray, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 9 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (zwarte map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 107-117):

Hoefdraad zich niet heeft gehouden aan de afspraak om die gelden van de panden te gebruiken ter verrekening van de langlopende schuld. Redenen waarom weer moest worden gekeken naar een manier om de schuld bij de bank weg te maken. Er zijn toen weer sessies gevoerd en kwam het voorstel van Grassalco en Rosebel naar voren.

p.116: De missive gedateerd 11 oktober 2019, geeft aan dat de royalty’s moesten worden overgedragen aan de CBvS voor de duur van 15 jaren en blijkt niet dat de royalty’s ter beschikking zouden worden gesteld voor financiering van overheidsuitgaven maar wel voor verrekening van de langlopende schuld. p. 117: De gelden zijn gestort t.b.v. het ministerie van Financien door de CBvS zonder dat daartegenover een prestatie is geweest vanuit het ministerie.

  1. De verklaring van de getuige Hausil, Faranaaz, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 15 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 139-146):

Ik ben ervan op de hoogte dat de royalty’s zijn gewaardeerd in het project Lagarde I. Deze waardering heeft ertoe geleid dat door de CBvS een bedrag is uitgekeerd aan de Staat. Ik heb gewerkt aan een conceptovereenkomst tot overdracht van de royalty’s aan de Staat in het kader van schuldverrekening van de langlopende schuld.

  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van Thakoer, R, ambtenaar van politie, betreffende een 2e nader verhoor van [persoon 5] (medewerker CBvS) d.d. 25 augustus 2020- verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier II en aanvullend dossier III pg. 76-87):

p.83: Het heeft aan van Trikt en Hoefdraad gelegen dat er geen aflossing van de langlopende lening van de Staat heeft plaatsgevonden. Uit de overeenkomst van 01 november 2019 is ontvangen SRD 2,3 miljard. 

  1. De overeenkomst van 1 november 2019 tussen de Republiek Suriname en de Centrale Bank van Suriname inhoudende dat;

(Art. 1) de Staat per dezelfde datum voor de duur van 15 jaren en wel tot 1 november 2034, de royalties die zij verkrijgt van Grassalco N.V. voortvloeiende uit de Delfstoffenovereenkomst d.d. 7 april 1994 afgedraagt aan de Bank ter aflossing van de Staatsschuld.

(art.2) De verwachte inkomsten over de genoemde periode
bedraagt vierhonderdzevenentwintig miljoen negenhonderdenzesduizend US dollars (US 427,906,000.00) terwijl, de contante waarde van de royalties is geraamd op driehonderd miljoen US dollar (US 300,000,000.00). 

  1. De verklaring van de getuige Van Trikt, Robert- Gray, afgelegd bij de Rechter Commissaris tijdens het G.V.O d.d. 9 september 2020 voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven (zwarte map GVO-verhoren en EXTRACT TLL, p. 107-123):

Uiteindelijk bleek dat het bedrag van de panden is overgemaakt naar de rekening van het ministerie van Financiën en dat Hoefdraad zich niet heeft gehouden aan de afspraak om die gelden te gebruiken ter verrekening van de langlopende schuld. 

  1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 25 augustus 2020 van Arichero, J. ambtenaar van politie, betreffende het verhoor van de getuige, [persoon 4] (directielid CBvS) – voorzover inhoudende verkort en zakelijk weergegeven- (aanvullend dossier III, p. 88-97):

p. 94: Er heeft geen aflossing van de langlopende lening van de Staat plaatsgevonden omdat de minister van Financiën dat geld nodig had voor financiering van het begrotingstekort van de overheid. Uit de overeenkomst van 01 november 2019 is ongeveer SRD 2,3 miljard ontvangen. Van Trikt en Hoefdraad zouden conform de overeenkomst moeten handelen. Echter, hebben zij zich niet aan de overeenkomst gehouden.

   33. Prod.I tabeloverzicht(B) (overmaking Grand total 2019 en 2020 aangegevende;

Totale royalty afdracht door CBvS aan MinFin bedraagt SRD 2.216.729.120,00,-

Bewijs overweging

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Het hof overweegt aangaande de gevoerde verweren het volgende.

T.a.v. schending art. 13 ACW

Naar de mening van de verdediging is er  geen sprake van schending van art.13 van de ACW, omdat het delictsbestandsdeel “wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de art. 16 en 21 van de Bankwet, vanwege het ontbreken van de “wet Bestuursrecht.

Het Hof merkt op dat door de jurisprudentie reeds is uitgemaakt dat “wettelijk voorschrift” betekent wetten (voorschriften, voorwaarden en procedures) gegeven door machten met wetgevende bevoegdheid. Inderdaad kent Suriname geen wet Bestuursrecht (geen verzameling op een plaats als in bijvoorbeeld, het strafrecht) maar, dit betekent niet dat er geen wettelijke voorschriften bestaan die gelden binnen de publieke sector in Suriname.

In art. 13 lid 1a van de ACW is in elk geval bepaald dat het de publieke functionaris in de uitoefening van zijn functie verboden is om handelingen te verrichten, te adviseren, en besluiten te nemen. Dit zijn verboden en geboden die betrekking hebben op wettelijke voorschriften die in verschillende wettelijke regelingen zijn vastgelegd. De ACW is  een raamwet en derhalve is er geen uitputtende opsomming van de wettelijke voorschriften daarin opgenomen. In de MvT op art. 13 lid 1 ACW is verduidelijkt dat de Strafbaarheid van de publieke functionaris o.a. bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht met zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. In casu gaat het in elk geval om verdachte en zijn medeverdachte van Trikt die elk op hun eigen werkgebied bevoegdheid hebben om te handelen, besluiten te nemen en adviezen te geven. Hun werkgebieden zijn nota bene aan elkaar verwant. Uit de delictsomschrijving zal steeds vast komen te staan welke voorschriften zijn overtreden. In casu, is er sprake van handelingen en gedragingen uit de Bankwet welker overtreding genoegzaam zijn komen vast te staan. Het verweer dat de ACW niet van toepassing kan zijn vanwege het ontbreken van de “wet Bestuursrecht” houdt derhalve geen stand.

T.a.v. kwalitatieve delicten

Naar de verdediging aanvoert, zijn de betrokken artikelen 16, 18 en 21 van de Bankwet  kwalitatieve delicten welker overtreding alleen door een persoon in de hoedanigheid van president van de Bank vervuld kunnen worden, tengevolge waarvan er ten aanzien van verdachte geen sprake kan zijn van overtreding van artikel 13 ACW.

Met de verdediging is het Hof het eens dat de betreffende verbodsnorm uitsluitend gericht is tot de President van de Bank. Evenwel, bestaat de mogelijkheid tot vervolging van andere betrokkenen die tezamen en in vereniging met de pleger hebben gehandeld. In deze zaak wordt verdachte vervolgd als medepleger. Uit de aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat het niet nodig was dat verdachte zelf de kwaliteit van President van de Bank bezat. Verdachte en de President van de Bank hadden elkaar nodig om deze strafbare feiten te plegen. Nu, verdachte tezamen en in vereniging heeft gehandeld met de President van de Bank, is aan de vereisten voor medeplegen voldaan.

T.a.v. ambtsverduistering

De verdediging  beroept zich erop dat er geen sprake is van overtreding van art. 423 Sr (ambtsverduistering). Aangevoerd is dat niet bewezen is dat verdachte zich de gelden wederrrechtelijk heeft toegeeigend en te eigen bate heeft aangewend.

Het Hof overweegt, dat het begrip verduisteren in de zin van art. 423 Sr een ruimer bereik heeft dan in art. 381 Sr. Het betekent niet dat de dader zich het voorwerp wederrechtelijk toe-eigent, maar dat de dader het goed wederrechtelijk onttrekt aan waar het voor bestemd is.

In casu, waren de gelden bestemd voor schuldverrekening en aflossing door de Staat maar heeft dit niet plaatsgevonden en is er een andere bestemming gegeven aan de gelden.

T.a.v. deelneming aan een criminele organisatie

De verdediging is de mening toegedaan dat verdachte vrijgesproken dient te worden van deelname criminele organisatie.

Het Hof overweegt, dat onder een criminele organisatie in de zin van art. 188 Sr. wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor duurzaamheid of bestendigheid is het tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing. Voor structuur is een hiërarchie geen vereiste. Om van deelnemen in de zin van bovengenoemd wetsartikel te spreken, dient men te behoren tot het samenwerkingsverband en een aandeel te hebben in of ondersteuning te bieden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie. Het hebben van een aandeel in en het ondersteuning geven aan die gedragingen veronderstellen opzet.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er een feitelijke samenwerkingsverband bestaat tussen  verdachte en zijn mededaders die het oogmerk hebben tot het overtreden van het misdrijf van artikel 21 leden 2 en 4 van de Bankwet (overschrijding leningplafond). Naar het oordeel van het Hof leidt hetgeen hiervoor is weergegeven in onderlinge samenhang bezien, tot de onontkoombare conclusie dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van art. 188 Sr.

Het Hof concludeert dat de opgeworpen verweren ongegrond zijn en worden derhalve verworpen. 

Bewijsmotivering

Gelezen de dagvaarding hebben de onder II tot en met VI verweten gedragingen gerelateerd aan feit I (deelname aan criminele organisatie) verkort en zakelijk weergegeven- betrekking op:

  1. Het in strijd met art. 18 lid 1 van de Bankwet verstrekken van blanco kredieten of voorschotten door de Centrale Bank van Suriname (hierna de Bank)  aan het Ministerie van Financiën (hierna Financiën).
  2. Het handelen in strijd met art. 18 lid 3 van de Bankwet door het doen aanschaffen van onroerende goederen door de Bank zonder dat deze daarbij een redelijk belang had.
  3. Het handelen in strijd met art. 16 lid 1 en 3 van de Bankwet (het deelnemen aan quasi fiscale activiteiten) waarbij aan de Bank opzettelijk financieel nadeel is toegebracht teneinde voorzichzelf of anderen enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen.
  4. Het verduisteren c.q. ten eigen bate aanwenden van gelden toebehorende aan de Bank.

Het Hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen de navolgende feitelijke gang van zaken af.

Clairfield en Benelux overeenkomsten

In het jaar 2018, reeds voordat van Trikt aantrad als president van de Bank, heeft verdachte het opzetten van een databank met hem besproken, waarbij de assets van de Staat gewaardeerd zouden worden. Nadat van Trikt President van de Bank werd is dit onderwerp weer naar voren gehaald en heeft van Trikt met verdachte een gesprek gehad. Hieruit volgden enkele ideeën over het project om de assets te waarderen en het opzetten van een fonds. De bedoeling was om het schulden plafond van de Staat omlaag te brengen.

Van Trikt heeft de ideeën voorgelegd aan de heer Buysse van Clairfield, dit bedrijf heeft als core business evaluatie van assets.  Verdachte heeft bij zijn politieverhoor de kennismaking met Buyse beaamd en verklaard, dat hij wist dat Buyse was aangetrokken als adviseur.

Uit de samenwerking met Clairfield zijn er vijf projecten tot stand gekomen waarvan drie betrekking hadden op de Staat te weten Project Lagarde 1, Project Prodigy en Prodigy 5. Deze projecten konden slechts met toestemming van de regering worden gesloten. Verdachte heeft aangegeven dat hij wist van het Lagarde I project en waardebepaling van de royalties van Rosebel Goldmines. Uit de voice apps blijkt de bevestiging door verdachte en de afstemming tussen hem en van Trikt. In de voice apps heeft verdachte ook aangegeven dat deze projecten door de Bank konden worden uitgevoerd.

Het idee was dat Financiën  coördineerde en werd verdachte’s adviseur, [persoon 1], door hem aangewezen als coordinator en vocal point. [persoon 1] heeft in dit kader verslag gedaan aan verdachte.

Hausil was op de hoogte dat alle assets van de overheid gewaardeerd zouden worden. Het directoraat van Hausil heeft conceptbrieven opgesteld voor de verdachte met betrekking tot de “valuation of Assets”. Deze concept brieven ten behoeve van de verschillende overheidsinstituten voor het verkrijgen van informatie, zijn door van Trikt naar verdachte verzonden. Middels “voice notes” heeft verdachte aan van Trikt aanwijzingen gegeven om deze brief aan te passen. Naar de mening van verdachte was de aanpassing nodig, omdat de namen Clairfield & Orion zomaar ruis zouden geven.

Alsvoren aangegeven, heeft de Bank vijf overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux waarvan,  3  projecten  t.w. Prodigy, Lagarde I en Prodigy 5, rechtstreeks betrekking hadden op de Staat.  

Deze overeenkomsten zijn gesloten op respectievelijk 16 mei 2019, 2 oktober 2019 en 16 oktober 2019 en houden in:

  • Project Lagarde I: “Valuation of fairness opinion of RGM Royalty Suriname”

Het onderwerp van deze overeenkomst is een opinie over de mate waarin de royalty die Rosebel betaalt aan de Republiek Suriname rechtvaardig is. Het uiteindelijk doel is om de waarde van de royaltyrechten gedurende 10 jaren door de CBvS als zekerheid te laten dienen, teneinde de schuld die de Republiek Suriname heeft af te lossen.

  • Project Prodigy: “Asset valuation and monetization options”

Het onderwerp is het waarderen van de activa van de Republiek Suriname.

  • Project Prodigy 5: “Valuation of Suriname Embassies and sale and lease back structuring”

Het onderwerp is het waarderen van de ambassades van de Republiek Suriname en het opzetten van een verkoop en lease structuur.

Met betrekking tot deze overeenkomsten heeft de Bank op 2, 16 en 19 oktober 2019 reeds een miljoen zevenhonderd en zesenveertig duizend Euro (Euro 1.746.000.-) aan Clairfield Benelux betaald. Door het dragen van de kosten ten behoeve van de Staat heeft de medeverdachte van Trikt in strijd gehandeld met het verbod van de Bank om deel te nemen aan quasi fiscale activiteiten, dit zijn activiteiten die door de begroting van de Staat gedragen moeten worden. Nu, uit alles is komen vast te staan dat verdachte bekend was met de genoemde overeenkomsten die in het belang van de Staat waren, is hij hieraan mede verantwoordelijk.

Bereiken wettelijk leenplafond door de Staat

Ingevolge art. 21 leden 1 en 2 Bankwet is de Bank, indien nodig verplicht aan de Staat tegen een wettelijk gesteld maximum, voorschotten te verstrekken. Het was de modus operandi van verdachte om als minister van Financiën steeds aan het eind van de maand naar middelen te zoeken om het begrotingstekort van de Staat te financieren. In maart  2019 kon de Staat, na de lening en voorschot van zeshonderdachtenveertig miljoen en achthonderdduizend Surinaamse Dollars (SRD 648.800.000,-) geen voorschotten meer op nemen bij de Bank, omdat het wettelijk leenplafond bereikt was.

Verkoop panden

Teneinde weer geld te kunnen opnemen bij de Bank moest de Staat eerst aflossingen plegen. Omdat verdachte weer geld nodig had werd naar verklaring van van Trikt gezocht naar mogelijkheden voor schuldverrekening tussen de Staat en de Bank.

Voorgesteld werd de schuldverrekening te doen door de assets van de Staat te  verrekenen. Op aangeven van verdachte trad Kromosoeto op als adviseur bij het zoeken naar assets van de Staat ten behoeve van de Bank voor het verrekenen van de schuld. Op verzoek van verdachte heeft Kromosoeto een presentatie m.b.t. de assets van de Staat gemaakt en de taxaties daarvan. Hieruit zijn voortgekomen de taxatierapporten ten aanzien van de 17 panden.

Op 25 april 2019 heeft Kromosoetoe via email aan verdachte voorstellen gedaan met betrekking tot de verkoop van de panden. Op 26 april 2019 heeft van Trikt in reactie gemaild naar verdachte en Kromosoeto en aangegeven dat de Bank dit kan dragen. De reactie van verdachte op dit  emailbericht was” laten we doortrekken dat alles overheat. Will help the budget” .

Vervolgens heeft van Trikt de email van Kromosoeto doorgestuurd naar Hausil. Hausil was op de hoogte van het feit dat Kromosoeto de overheidspanden in een e-mail naar Van Trikt en verdachte had opgenomen, alsook de taxatie daarvan. In dat kader heeft het directoraat van Hausil een conceptbrief betreffende de “valuation of Assets” gestuurd naar verdachte en van Trikt.

Verdachte heeft vervolgens gebruikmakend van de aangepaste conceptbrief van Hausil, schriftelijk aan van Trikt de 1ste tranche van 8 panden aangeboden aan de Bank voor vijfenveertigmiljoen Euro (Euro 45.000.000,-) en de 2e tranche van 9 panden voor een bedrag van zestigmiljoen Euro (Euro 60.000.000,-).  De tegenwaarde van de totale koopsom van eenhonderdenvijfmiljoen Euro (Euro 105.000.000,-) zijnde achthonderd negenenzestig miljoen vijfenvijftigduizend Surinaamse Dollar (SRD 869.055.000.00,-) is op respectievelijk 28 juni 2019, 20 september 2019 en 24 september 2019  door de Bank overgemaakt naar de rekening van Financiën.

Reeds voordat het Raadsvoorstel tot verkoop van de panden op 15 oktober 2019 was goedgekeurd door de Raad van Ministers (RvM) en daaromtrent een missive was uitgekomen is verdachte overgegaan tot verkoop van de panden en heeft de Bank de volledige betaling aan Financiën gedaan.

Dient nog te worden opgemerkt dat de panden nimmer zijn overgedragen aan de Bank. Naar het voorstel van verdachte is deze overdracht bij missive van 11 april 2020 no. 358 /RVM  komen te vervallen. De financiering van de panden werd overgenomen in de geconsolideerde lening conform artikel 8 van de wet uitzonderingstoestand covid-19 tussen de Staat en de Bank.

Schuldverrekening

Eerder genoemd bedrag was aanvankelijk bestemd voor de schuldverrekening met de Bank.

Verdachte heeft zich niet gehouden aan deze afspraak. Redenen waarom er weer uitgekeken moest worden naar een manier om de schuld bij de Bank weg te maken. Er zijn toen weer sessies gevoerd en kwam het voorstel met betrekking tot de royalties van Iam Gold en Rosebel Gold Mines N.V. aan Grassalco naar voren.

Royalties

Bij overeenkomst van 1 november 2019 tussen de Staat en de Bank,  heeft de Staat per dezelfde datum voor de duur van 15 jaren en wel tot 1 november 2034, de royalties die zij verkrijgt van Grassalco N.V. voortvloeiende uit de Delfstoffenovereenkomst d.d. 7 april 1994 afgedragen aan de Bank ter aflossing van de Staatsschuld. In het project Lagarde I zijn deze royalties gewaardeerd en deze informatie is gebruikt om de overeenkomst met de Bank aan te gaan. De verwachte inkomsten over de genoemde periode
bedraagt vierhonderdzevenentwintig miljoen negenhonderden zesduizend US dollars (US 427,906,000.00) terwijl, de contante waarde van de royalties is geraamd op driehonderd miljoen US dollar (US 300,000,000.00). Uit de verklaringen van van Trikt is gebleken dat verdachte de overeenkomst niet is nagekomen en heeft er geen aflossing plaatsgevonden. Ingendeel heeft van Trikt in strijd met de overeenkomst, de gelden  uit deze overeenkomst, ongeveer 2,3 miljard Surinaamse Dollar, aan Financiën afgedragen.

Naar het oordeel van het Hof leidt hetgeen hiervoor is weergegeven in onderlinge samenhang bezien tot het oordeel dat, verdachte en zijn mededaders herhaaldelijk over een lange periode gebruik hebben gemaakt van schijnconstructies om gelden bij de Bank op te nemen ondanks het wettelijk leenplafond van  de Staat bereikt was. De verstrekking van gelden door de Bank is steeds gedaan onder het mom van schuldverrekening. In tegendeel bestond, er gezien de betekenis van het begrip schuldverrekening, geen verplichting voor de Bank om de gelden aan het ministerie van Financiën uit te betalen. In de wetenschap dat de Staat geen geld had, heeft verdachte tevens de Bank de kosten laten dragen voor uitgaven die uitsluitend ten laste van de staatsbegroting mochten komen.

Bij dit alles heeft verdachte in de hoedanigheid van Minister van Financiën gelden ontvangen van de Bank en deze niet de bestemming van de afgesproken verrekening en aflossing gegeven. Dit komt neer op ambtsverduistering. Nu, het hier gaat om verdachte als minister van Financiën en zijn mededaders die hoge functies bekleden binnen het bancair wezen, staat het vast dat het gaat om functionarissen die geacht mogen worden te weten wat hun bevoegdheid is. Uit de modus operandi kan niet anders geconcludeerd worden dat zowel verdachte als zijn mededaders bewust de wettelijke voorschriften hebben overtreden.

Strafrechtelijk Financieel Onderzoek

Bij de gepleegde handelingen is steeds de Bank benadeeld en is het de Staat die voordeel heeft gehad. Niet duidelijk is hoe de besteding van de totaal aan ontvangen gelden is geweest. Derhalve is het noodzakelijk dat een strafrechtelijk financieel onderzoek wordt ingesteld. Het Hof zal daartoe machtiging verlenen.

De strafbaarheid van de feiten:

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

     Feit 1:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht. 

     Feit 2 en 3 en 5:

Medeplegen van opzettelijke overtreding van artikel 13 lid 1 onder a van de Anti Corruptiewet, meermalen gepleegd;

Voorzien en strafbaar gesteld bij artikel  van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4 en 6: 

Medeplegen van een met de openbare dienst belast persoon opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren, meermalen gepleegd;

Voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel 

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De ernst van de feiten is gelegen in de wijze waarop verdachte en zijn medeverdachten zijn omgegaan met het monetair beleid van de Republiek Suriname. In plaats van het zoeken naar structurele oplossingen teneinde de staatschuld bij de moederbank af te lossen, zijn er modellen bedacht en uitgewerkt om het aflossen te omzeilen en toch aan gelden te komen om het begrotingstekort te dekken. Verdachte als minister van Financiën heeft dit niet in zijn eentje kunnen doen en had daar partners voor nodig, waaronder de President van de Centrale Bank terwijl laatsgenoemde de bewaking van de monetaire situatie in het land als hoogste prioriteit diende te hebben. De woorden van verdachte in een bericht aan van Trikt “doorgaan dat het overheat. Will help the budget” spreken voorzich.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het Hof in het bijzonder gelet op het feit dat het gaat om een persoon die, zowel internationaal als nationaal bekend is binnen de financiële wereld. In Suriname heeft de verdachte enkele jaren leiding gegeven aan de CBvS en is daarna benoemd in de functie van minister van Financiën. Verdachte is dus iemand die qua opleiding en ervaring goed bekend is met het financieel reilen en zeilen binnen de overheid. Beschouwen wij de ten laste gelegde feiten die hierboven bewezen zijn verklaard, dan is het duidelijk dat deze verdachte bewust heeft gehandeld in strijd met geldende regels en voorschriften terwijl van hem anders mocht worden verwacht. Het klemt des te meer nu verdachte de gewezen President van de Bank is en wist wat zijn mededader als toenmalige President van de Bank mocht doen en wat hij hoorde na te laten. Verdachte weet als geen ander dat deze handelingen van hoge functionarissen van de Centrale Bank van Suriname, de moederbank van de Republiek Suriname, het land in grote financiële problemen zou brengen en tevens internationaal te schande zou zetten, nog daar gelaten de desastreuze gevolgen voor het volk van Suriname.

Naar het oordeel van het Hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het Hof acht de gemaakte keuzes met betrekking tot strafsoort en strafmaat het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het Hof heeft gelet op de artikelen 9, 11, 40 en 127 van het Wetboek van Strafrecht  en artikel 17 van de Anti Corruptiewet zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

DE BESLISSING

Het Hof van Justitie in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder I, II, III, IVA, V en VIA ten laste gelegde feiten, zoals vermeld hierboven heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde  strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot:

  • een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 (TWAALF) JAREN. 
  • het betalen van een GELDBOETE van SRD 500.000, – (vijfhonderd duizend Surinaamse dollars) en bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door een hechtenis van 12 (twaalf) maanden.

Wijst toe de vordering van de Procureur- generaal strekkende tot het instellen van een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek en verleent daartoe machtiging.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte.

 Aldus gewezen door:

M.C. Mettendaf, Fungerend – President,

D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. M.K. Dayala, Lid – plaatsvervanger,

bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers van vrijdag 17 december 2021 te Paramaribo.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh                                                                                                                                          w.g. M.C. Mettendaf

                                                                                                                                                                                                                            w.g. D.G.W. Karamat Ali

                                                                                                                                                                                                                            w.g. M.K. Dayala

                             Voor eensluidend afschrift,

                             De Griffier van het Hof van Justitie,

                             Namens deze,

                             (mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)

SRU-K1-2021-20

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3668
09 december 2021
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME in deze het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende aan Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde sub A, hierna te noemen: ‘de Staat’,
gevolmachtigde: mr. I. Markiet, jurist op het ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat,

B. [gedaagde sub B], pro sé q.q. in hoedanigheid van Voorzitter van de Examencommissie Kaderopleiding 2019-2020,
kantoorhoudende aan de Duisburglaan 43-45 te Paramaribo,
gedaagde sub B, hierna te noemen: ‘[gedaagde sub B]’,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 08 november 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 11 november 2021;
• het verleend verstek tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen [gedaagde sub B];
• de verschijning van [gedaagde sub B] op de gehouden comparitie d.d. 15 november 2021 waarbij het tegen hem verleend verstek is gezuiverd;
• de gehouden comparities van partijen d.d. 11 november en 15 november 2021 en de daarvan opgemaakte processen-verbaal;
• de conclusie van antwoord met producties zijdens de Staat;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens [eiser].

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] is brigadier van Politie en cursist van de Kaderopleiding 2019-2020.

2.2 Voor het vak Strafrecht werd op 20 september 2020 een take-home tentamen gegeven aan de cursisten met de instructie dat samenwerking niet was toegestaan. [eiser] heeft het take-home tentamen afgelegd en ingeleverd.

2.3 Bij schrijven d.d. 17 november 2020 heeft de docent Strafrecht, [persoon 1], aan [gedaagde sub B] te kennen gegeven dat [eiser], tegen de gegeven instructies, vermoedelijk heeft samengewerkt met een andere cursist, zijnde [persoon 2].

2.4 Naar aanleiding van voormeld schrijven heeft [gedaagde sub B] bij schrijven d.d. 19 november 2020 [eiser] verweer aangezegd.

2.5 [eiser] heeft zich verweerd en heeft vanaf 19 november 2020 tot en met 17 maart 2021 deelgenomen aan de overige tentamen, welke hij heeft behaald.

2.6 Bij schrijven d.d. 22 april 2021 heeft [gedaagde sub B] aan [eiser] medegedeeld dat besloten is dat het resultaat van hem ten aanzien van het examen Strafrecht conform artikel 17 lid 4 van het Onderwijs- en Examenreglement (OER), ongeldig wordt verklaard door de examencommissie en dat hij alsnog wordt uitgesloten van deelname aan de overige examens.

2.7 Tegen voormeld schrijven is [eiser], bij schrijven van 21 juni 2021, in beroep gegaan bij de Korpschef.

2.8 Bij exploot van deurwaarder M.K. Jaggi d.d. 18 oktober 2021 no. 400 heeft [eiser] de Korpschef aangemaand om het daarheen te leiden dat het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 wordt herroepen c.q. nietig wordt verklaard en dat [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijst zal ontvangen en de daaraan verbonden bevordering zal verwerven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 1 (één) week na deze uitspraak, althans door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen c.q. nietig te verklaren en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen;
b. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 2 (twee) weken na deze uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, [eiser] te bevorderen in de rang van Majoor van Politie c.q. de rang verbonden aan de geslaagden van de Kaderopleiding 2019-2020 met dezelfde ingangsdatum als de mede cursisten en met behoud van de rangorde op de ranglijst;
c. bij niet toekennen van bovengenoemde vorderingen, een zodanige voorziening te geven dat de schendingen van het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden weggenomen;
d. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen, bij wege van dwangsom, het bedrag ad SRD 50.000,= voor elke dag of keer dat zij in strijd handelen met het gevorderde onder sub a en b.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de beslissing, zoals geformuleerd in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021, een late en onterechte beslissing is. Het besluit is onrechtmatig en in strijd met het systeem van sanctioneren, waarbij straffen nimmer met terugwerkende kracht kunnen worden opgelegd, aldus [eiser].

3.3 Zowel de Staat als [gedaagde sub B] voeren verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. [eiser] wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Tijdens de gehouden comparities hebben de Staat en [gedaagde sub B] onder meer betwist dat het besluit onrechtmatig is. Volgens hen hebben [eiser] en [persoon 2], tegen de instructies in, samengewerkt hetgeen de reden is van het besluit.
Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat de examenwerken van [eiser] en [persoon 2] overgelegd. Volgens de Staat vertonen de examenwerken, conform de constatering van de docent Strafrecht, op onderstaande 3 punten sterke gelijkenissen:
• opzet en vorm (format) zijn het hetzelfde,
• antwoorden vertonen woordelijk veel overeenkomsten en
• materieel zijn de foute/goede antwoorden nagenoeg conform.

4.3 In reactie hierop heeft [eiser] aangevoerd dat de Staat de volgende antwoorden heeft gehighlight waaruit – volgens de Staat – zou moeten blijken dat hij en [persoon 2] hebben samengewerkt: antwoord 3, 9, 10, 12, 14 en 19.
Volgens [eiser] levert het feit dat zowel hij en [persoon 2] vraag 3 fout hebben, geen enkel bewijs van fraude op. Het is een multiple choice vraag en kunnen meerdere cursisten dit fout hebben. Ten aanzien van vraag 9 en 10 voert [eiser] aan dat er wel degelijk significante verschillen zijn in de redactie van de antwoorden. Ten aanzien van vraag 12 voert [eiser] aan dat het bekend is dat in een antwoord een deel van de vraag wordt herhaald. De overeenkomsten in het eerste deel van het antwoord is dan ook daaraan te wijten. Ten aanzien van vraag 14 voert [eiser] aan dat het antwoord rechtstreeks uit het Wetboek van Strafrecht komt en is toch niet te verwachten dat hij zulks gaat parafraseren? Ten aanzien van vraag 19 voert [eiser] aan dat de redactie van het antwoord grote verschillen vertoont.

4.4 Geconstateerd wordt dat de exemplaren van de examenwerken die de Staat heeft overgelegd niet volledig zijn.
Bij het examenwerk van [eiser] zijn de vragen 8, 13 en 20 niet volledig. De antwoorden op de vragen 14 en 15 ontbreken.
Bij het examenwerk van [persoon 2] zijn de antwoorden op de vragen 8 en 14 niet volledig. De antwoorden op de vragen 9, 15, 16 en 17 ontbreken.
Gelet op het voorgaande mede in acht nemende hetgeen de kantonrechter aan de Staat heeft voorgehouden ter comparitie d.d. 15 november 2021 met name dat de Staat had nagelaten een conclusie van antwoord te nemen, doch alsnog in de gelegenheid is gesteld de producties over te leggen middels een conclusie van antwoord, hetgeen hij heeft gedaan doch onvolledige exemplaren heeft overgelegd, zal de kantonrechter aan de hand van de antwoorden op de overige vragen (1,2,3,4,5,6,7,10,11,12, 18,19 en 20) beoordelen of aannemelijk is dat [eiser] al dan niet heeft samengewerkt met [persoon 2].

4.5 Gelet op de bewoordingen van de antwoorden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] en [persoon 2] hebben samengewerkt. Dat de vorm en opzet hetzelfde zijn en dat zij beiden vraag 3 fout hebben, maakt het niet anders.

4.6 Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing welke vervat is in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 herroepen c.q. nietig verklaard dient te worden, daargelaten het onweersproken feit dat [eiser] alsmede de overige cursisten nimmer een OER hebben ontvangen. De gevorderde voorziening onder punt 3.1 sub a is derhalve toewijsbaar.

4.7 De gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b is constitutief van aard. Nu de aard van het kort geding zich verzet tegen dergelijke beslissingen, omdat in kort geding slechts beslissingen van condemnatoire aard worden gegeven, zal [eiser] op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening.

4.8 De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor, zodat zulks zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is beslist.

4.9 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.10 De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname een bedrag van SRD 7.500,- aan [eiser] dienen te betalen, zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].
De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:
• het vastrecht ad SRD 50,=,
• de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 700,=,
en zijn in totaal dus begroot op SRD 750,=.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding
5.1 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] om binnen 1 (één) maand na betekening van deze uitspraak, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen.

5.2 Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in de door hem gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b van dit vonnis.

5.3 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat zij weigeren om aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.4 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van het bedrag van SRD 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar) aan [eiser], zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].

5.5 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 750,- (zevenhonderd en vijftig Surinaamse dollar).

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai ter openbare terechtzitting op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-19

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3667
09 december 2021
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

A. DE STAAT SURINAME in deze het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende aan Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde sub A, hierna te noemen: ‘de Staat’,
gevolmachtigde: mr. I. Markiet, jurist op het ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat,

B. [Gedaagde Sub B], pro sé q.q. in hoedanigheid van Voorzitter van de Examencommissie Kaderopleiding 2019-2020,
kantoorhoudende aan de Duisburglaan 43-45 te Paramaribo,
gedaagde sub B, hierna te noemen: ‘[gedaagde sub B]’,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 08 november 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 11 november 2021;
• het verleend verstek tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen [gedaagde sub B];
• de verschijning van [gedaagde sub B] op de gehouden comparitie d.d. 15 november 2021 waarbij het tegen hem verleend verstek is gezuiverd;
• de gehouden comparities van partijen d.d. 11 november en 15 november 2021 en de daarvan opgemaakte processen-verbaal;
• de conclusie van antwoord met producties zijdens de Staat;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens [eiser].

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] is brigadier van Politie en cursist van de Kaderopleiding 2019-2020.

2.2 Voor het vak Strafrecht werd op 20 september 2020 een take-home tentamen gegeven aan de cursisten met de instructie dat samenwerking niet was toegestaan. [eiser] heeft het take-home tentamen afgelegd en ingeleverd.

2.3 Bij schrijven d.d. 17 november 2020 heeft de docent Strafrecht, [persoon 1], aan [gedaagde sub B] te kennen gegeven dat [eiser], tegen de gegeven instructies, vermoedelijk heeft samengewerkt met een andere cursist, zijnde [persoon 2].

2.4 Naar aanleiding van voormeld schrijven heeft [gedaagde sub B] bij schrijven d.d. 19 november 2020 [eiser] verweer aangezegd.

2.5 [eiser] heeft zich verweerd en heeft vanaf 19 november 2020 tot en met 17 maart 2021 deelgenomen aan de overige tentamen, welke hij heeft behaald.

2.6 Bij schrijven d.d. 22 april 2021 heeft [gedaagde sub B] aan [eiser] medegedeeld dat besloten is dat het resultaat van hem ten aanzien van het examen Strafrecht conform artikel 17 lid 4 van het Onderwijs- en Examenreglement (OER), ongeldig wordt verklaard door de examencommissie en dat hij alsnog wordt uitgesloten van deelname aan de overige examens.

2.7 Tegen voormeld schrijven is [eiser], bij schrijven van 05 mei 2021, in beroep gegaan bij de Korpschef, op welk schrijven [eiser] nimmer enige reactie heeft ontvangen van de Korpschef.

2.8 Bij exploot van deurwaarder M.K. Jaggi d.d. 18 oktober 2021 no. 401 heeft [eiser] de Korpschef aangemaand om het daarheen te leiden dat het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 wordt herroepen c.q. nietig wordt verklaard en dat [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijst zal ontvangen en de daaraan verbonden bevordering zal verwerven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 1 (één) week na deze uitspraak, althans door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen c.q. nietig te verklaren en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen;
b. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 2 (twee) weken na deze uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, [eiser] te bevorderen in de rang van Majoor van Politie c.q. de rang verbonden aan de geslaagden van de Kaderopleiding 2019-2020 met dezelfde ingangsdatum als de mede cursisten en met behoud van de rangorde op de ranglijst;
c. bij niet toekennen van bovengenoemde vorderingen, een zodanige voorziening te geven dat de schendingen van het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden weggenomen;
d. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen, bij wege van dwangsom, het bedrag ad SRD 50.000,= voor elke dag of keer dat zij in strijd handelen met het gevorderde onder sub a en b.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de beslissing, zoals geformuleerd in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021, een late en onterechte beslissing is. Het besluit is onrechtmatig en in strijd met het systeem van sanctioneren, waarbij straffen nimmer met terugwerkende kracht kunnen worden opgelegd, aldus [eiser].

3.3 Zowel de Staat als [gedaagde sub B] voeren (uiteindelijk) verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. [eiser] wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Tijdens de gehouden comparities hebben de Staat en [gedaagde sub B] onder meer betwist dat het besluit onrechtmatig is. Volgens hen hebben [eiser] en [persoon 2], tegen de instructies in, samengewerkt hetgeen de reden is van het besluit.
Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat de examenwerken van [eiser] en [persoon 2] overgelegd. Volgens de Staat vertonen de examenwerken, conform de constatering van de docent Strafrecht, op onderstaande 3 punten sterke gelijkenissen:
• opzet en vorm (format) zijn het hetzelfde,
• antwoorden vertonen woordelijk veel overeenkomsten en
• materieel zijn de foute/goede antwoorden nagenoeg conform.

4.3 In reactie hierop heeft [eiser] aangevoerd dat de Staat de volgende antwoorden heeft gehighlight waaruit – volgens de Staat – zou moeten blijken dat hij en [persoon 2] hebben samengewerkt: antwoord 3, 9, 10, 12, 14 en 19.
Volgens [eiser] levert heft feit dat zowel hij en [persoon 2] vraag 3 fout hebben, geen enkel bewijs van fraude op. Het is een multiple choice vraag en kunnen meerdere cursisten dit fout hebben. Ten aanzien van vraag 9 en 10 voert [eiser] aan dat er wel degelijk significante verschillen zijn in de redactie van de antwoorden. Ten aanzien van vraag 12 voert [eiser] aan dat het bekend is dat in een antwoord een deel van de vraag wordt herhaald.
De overeenkomsten in het eerste deel van het antwoord is dan ook daaraan te wijten. Ten aanzien van vraag 14 voert [eiser] aan dat het antwoord rechtstreeks uit het Wetboek van Strafrecht komt en is toch niet te verwachten dat hij zulks gaat parafraseren? Ten aanzien van vraag 19 voert [eiser] aan dat de redactie van het antwoord grote verschillen vertoont.

4.4 Geconstateerd wordt dat de exemplaren van de examenwerken die de Staat heeft overgelegd niet volledig zijn. Bij het examenwerk van [eiser] zijn de antwoorden op de vragen 8 en 14 niet volledig. De antwoorden op de vragen 9, 15, 16 en 17 ontbreken.
Bij het examenwerk van [persoon 2] zijn de vragen 8, 13 en 20 niet volledig. De antwoorden op de vragen 14 en 15 ontbreken.
Gelet op het voorgaande mede in acht nemende hetgeen de kantonrechter aan de Staat heeft voorgehouden ter comparitie d.d. 15 november 2021 met name dat de Staat had nagelaten een conclusie van antwoord te nemen, doch alsnog in de gelegenheid is gesteld de producties over te leggen middels een conclusie, hetgeen hij heeft gedaan doch onvolledige exemplaren heeft overgelegd, zal de kantonrechter aan de hand van de antwoorden op de overige vragen (1,2,3,4,5,6,7,10,11,12, 18,19 en 20) beoordelen of aannemelijk is dat [eiser] al dan niet heeft samengewerkt met [persoon 2].

4.5 Gelet op de bewoordingen van de antwoorden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] en [persoon 2] hebben samengewerkt. Dat de vorm en opzet hetzelfde zijn en dat zij beiden vraag 3 fout hebben, maakt het niet anders.

4.6 Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing welke vervat is in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 herroepen c.q. nietig verklaard dient te worden, daargelaten het onweersproken feit dat [eiser] alsmede de overige cursisten nimmer een OER hebben ontvangen. De gevorderde voorziening onder punt 3.1 sub a is derhalve toewijsbaar.

4.7 De gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b is constitutief van aard. Nu de aard van het kort geding zich verzet tegen dergelijke beslissingen, omdat in kort geding slechts beslissingen van condemnatoire aard worden gegeven, zal [eiser] op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening.

4.8 De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor, zodat zulks zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is beslist.

4.9 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.10 De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname een bedrag van SRD 7.500,- aan [eiser] te betalen, zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].
De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:
• het vastrecht ad SRD 50,=,
• de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 800,=,
en zijn in totaal dus begroot op SRD 850,=.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding
5.1 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] om binnen 1 (één) maand na betekening van deze uitspraak, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen.

5.2 Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in de door hem gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b van dit vonnis.

5.3 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat zij weigeren om aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.4 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van het bedrag van SRD 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar) aan [eiser], zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].

5.5 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 850,- (achthonderd en vijftig Surinaamse dollar).

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai ter openbare terechtzitting op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2021-18

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1704
09 december 2021

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] in [district],
eiser,
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,
gevolmachtigde: mr. J.M. Foort, jurist verbonden aan het Buro Landsadvocaten.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 19 mei 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis;
• de conclusie van antwoord, met producties;
• de conclusie van repliek en uitlating producties;
• de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiser heeft in de periode van 30 juni 2015 tot en met 29 juni 2020 gefunctioneerd als lid van De Nationale Assemblée.

2.2 Per schrijven d.d. 10 september 2020 heeft eiser de minister van Grondbeleid en Bosbeheer gevraagd om zijn aanstelling in de functie van beleidsadviseur in voltijdse dienst van de Staat conform artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée (S.B. 1988 no. 59, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74) te formaliseren, op welk schrijven de Staat niet heeft gereageerd. Per brief van 18 februari 2021 heeft eiser zijn verzoek bij de Minister van Grondbeleid en Bosbeheer herhaald en heeft de Staat op dit schrijven wederom niet gereageerd.

2.3 Op 15 april 2021 heeft de gemachtigde van eiser in een rappèlschrijven de Minister van Binnenlandse Zaken het volgende aangegeven:
“Reden, waarom ik u namens cliënt nader met het verzoek tot spoedige formalisering van zijn aanstelling in de functie van Beleidsadviseur in voltijdse dienst onder toekenning van de daaraan inherente bezoldiging en emolumenten binnen twee weken na ontvangst van dit schrijven.”
Op dit schrijven heeft eiser geen reactie ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis in kortgeding uitvoerbaar bij voorraad:
a. gedaagde te gelasten om de rechtspositie van hem als beleidsadviseur in voltijdse dienst van de Staat te formalisereren, onder toekenning van de daaraan inherente bezoldiging en emolumenten conform artikel artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée (S.B. 1998 no. 59, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74);
b. als sequeel daarvan gedaagde te veroordelen tot de uitbetaling van, de kantonrechter begrijpt, het loon, terugwerkend tot het moment van de maand volgende met ingang van de maand volgende op zijn verzoek om benoemd te worden tot beleidsadviseur in voltijdse dienst van de Staat, onder verbeurte van een direct opeisbare dwangsom ten bedrage van
SRD 10.000,- per dag voor elke dag dat gedaagde weigert, althans in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
c. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering het volgende ten grondslag.
Uit bekomen informatie zijn eerder gewezen assembléeleden op grond van de vigerende regeling bij resolutie van de President van de Republiek Suriname alszodanig in vaste dienst aangesteld en wel met ingang van de maand volgende op hun verzoek. Zich beroepend op het bepaalde in de vigerende regeling en het gelijkheidsbeginsel, namelijk dat alle gewezen assembléeleden op gelijke wijze behoren te worden bejegend na beëindiging van hun lidmaatschap, stelt eiser dat hij de jure de status van beleidsadviseur in voltijdse dienst van de Staat heeft, met aanspraak op de daaraan inherente bezoldiging en emolumenten. Ondanks diverse pogingen van verzoeker is gedaagde niet ertoe overgegaan om zijn rechtspositie te formaliseren. Met stelligheid kan worden aangegeven dat gedaagde in deze geen, althans niet voldoende, rekening houdt met de belangen van hem en maakt zich schuldig aan een handelen in strijd met het recht, de wet en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van rechtszekerheid, het beginsel van zorgvuldigheid en het gelijkheidsbeginsel. Gedaagde handelt onrechtmatig jegens hem en is gehouden om de hierdoor ontstane schade te vergoeden, aldus eiser.

3.3 Gedaagde voert verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is in voldoende mate aannemelijk geworden, waardoor eiser ontvangen wordt in kortgeding.

4.2 Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of eiser op de wettelijk voorgeschreven wijze aan gedaagde de wens te kennen heeft gegeven om in voltijdse dienst treden bij de overheid in de functie van tenminste Beleidsadviseur.

4.3 In artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée S.B. 1988 no. 59, gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74 en verbeterd bij S.B. 2017 no. 82 is het volgende bepaald:
“4. Een gewezen lid dat een zittingsperiode of langer lid is geweest, de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, wordt door de overheid op zijn of haar verzoek in dienst genomen dan wel benoemd in de functie van tenminste Beleidsadviseur in voltijdse dienst.”
De kantonrechter constateert dat in voormeld artikel niet is vermeld op welke wijze een gewezen lid de wens om in dienst genomen te worden, kenbaar moet maken; moet dat schriftelijk of mondeling? Aan welke functionaris de wens kenbaar moet worden gemaakt is evenmin aangegeven. De reden waarom zulks niet is opgenomen in dit artikel is de kantonrechter niet duidelijk.

In de memorie van toelichting, met name pagina 10, van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée S.B. 1988 no. 59, gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74 is het volgende opgenomen:
“(…)
Voor de leden die een zittingsperiode of langer hebben gediend, de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt en dus niet in aanmerking komen voor pensioen bestaat de mogelijkheid te wens te kennen te geven in voltijdse dienst te treden bij de overheid in de functie van tenminste Beleidsadviseur 1ste (eerste) klasse periodiek 18 (achttien). De kennisgeving hiertoe zal worden gedaan aan de Minister van Binnenlandse Zaken met afschrift aan De Nationale Assemblee.”
Hieruit volgt dat de wetgever ervoor heeft gekozen om de procedure in de memorie van toelichting op te nemen. Duidelijk is dat een gewezen lid de kennisgeving dient te doen aan de Minister van Binnenlandse Zaken met toezending van een afschrift daarvan aan De Nationale Assemblee.

4.4 Zoals onder 2.2 van dit vonnis is aangegeven, heeft eiser zijn verzoeken steeds gericht aan de Minister van Grondbeleid en Bosbeheer, wat – als gekeken wordt naar de memorie van toelichting op artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée S.B. 1988 no. 59, gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74 en verbeterd bij S.B. 2017 no. 82 – niet de juiste procedure is. Met gedaagde is de kantonrechter het eens dat eiser als gewezen lid van de wetgevende macht wist dan wel behoorde te weten wat de te volgen procedure is. Derhalve kunnen deze brieven niet gelden als kennisgeving als bedoeld in voormeld artikel.

4.5 De kantonrechter is van oordeel dat alhoewel eiser bij schrijven d.d. 15 april 2021, zoals onder 2.3 van dit vonnis geciteerd, niet expliciet aan de Minister van Binnenlandse Zaken de wens kenbaar maakt om in voltijdse dienst te treden bij de overheid, zoals bedoeld in artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée S.B. 1988 no. 59 gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74 en verbeterd bij S.B. 2017 no. 82, zulks uit de brief wel kan worden begrepen. Dit, omdat eiser de Minister van Binnenlandse Zaken verzoekt tot spoedige formalisering van zijn aanstelling in de functie van Beleidsadviseur in voltijdse dienst. Ingevolge artikel 1 van de Personeelswet is aanstelling een beschikking van het bevoegde gezag, waardoor een persoon, anders dan met toepassing van het burgerlijk recht, in dienst van het Land wordt genomen, of waarbij een tijdelijk dienstverband in een vast dienstverband wordt omge¬zet. Hieruit blijkt dus impliciet het verzoek van eiser. Derhalve is de kantonrechter niet eens met gedaagde dat eiser wettelijke procedure niet heeft opgevolgd en zal de dagtekening van het schrijven, namelijk 15 april 2021, gelden als datum waarbij eiser de kennisgeving heeft gedaan. Hieruit volgt dat het gevorderde onder A wordt toegewezen, in die zin dat aan deze veroordeling ook een termijn zal worden gekoppeld. Het gevorderde onder B wordt niet toegewezen nu eiser deze onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, nu gebleken is dat gedaagde ondanks herhaalde schrijven, nimmer heeft gereageerd op deze schrijven van eiser, wat overigens een goed functionerende overheid niet betaamt. Ook de proceshouding van gedaagde, waarbij hij steeds blijft volharden in zijn onjuiste standpunt, geeft de kantonrechter aanleiding om een dwangsom te koppelen aan de veroordeling. Aanleiding wordt gezien om de dwangsom te maximeren tot een bedrag zoals in de beslissing te vermelden.

4.6 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals in het dictum te vermelden.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding
5.1 Gelast gedaagde om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de rechtspositie van eiser te formaliseren als Beleidsadviseur in voltijdse dient van de Staat Suriname onder toekenning van de daaraan inherente bezoldiging en emolumenten, conform artikel artikel 7 lid 4 van de Wet financiële voorzieningen leden en gewezen leden van De Nationale Assemblée S.B. 1988 no. 59, gewijzigd bij S.B. 2015 no. 74 en verbeterd bij S.B. 2017 no. 82.

5.2 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor elke dag dat hij weigert, althans in gebreke blijft te voldoen aan het veroordeelde onder 5.1 van dit vonnis en wel tot een maximum bedrag van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.3 Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 650,- (zeshonderd en vijftig Surinaamse dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai ter openbare terechtzitting op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-17

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1445
18 november 2021
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiseres],
wonende aan de [adres] in [district], ten deze domicilie kiezende aan de [adres] ten kantore van Balradj Advocatuur & Mediation NV,
eiseres,
gemachtigde: mr. V.S. Balradj, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name:
1. HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE,
2. HET OPENBAAR MINISTERIE,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagden,
gevolmachtigde: mr. D. Bhagwandien, waarnemend Substituut Officier van Justitie,

1. Het verloop van het proces
Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 27 april 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met productie;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 06 mei 2021;
• de conclusie van antwoord, met producties;
• de conclusie van repliek, met producties;
• de conclusie van dupliek, met productie;
• de conclusie tot uitlating productie zijdens eiseres.

1.2. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 01 april 2021 is eiseres aangehouden en inverzekering gesteld terzake verduistering en oplichting.

2.2 Op 07 april 2021 is eiseres na een gesprek met de Officier van Justitie, mr. Tjin Lip Shie, in vrijheid gesteld.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
a. gedaagden zal bevelen om binnen 3 (drie) werkdagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, op hun kosten, de navolgende advertentie goed leesbaar op de voorpagina te doen plaatsen van Dagblad Suriname, Times of Suriname, de Ware Tijd en duidelijk op de websites van voornoemde mediabedrijven, alsook eenmaal door de kantonrechter te bepalen mediabedrijf in Nederland, met de tekst:
‘De Staat Suriname, in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie en het Openbaar Ministerie, verklaren hierbij dat de inverzekeringstelling van [eiseres] van zeven dagen waarmede zij in verband gebracht werd met misdrijven van oplichting en verduistering onrechtmatig was en een ernstige inbreuk vormt op haat eer en goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit. Hetgeen geschiedde kan niet meer teruggenomen worden, de gepleegde daad heeft [eiseres] leed aangedaan. De Staat Suriname houdt [eiseres] aan als vrouw van goede eer en biedt aan haar welgemeende verontschuldigingen aan. Het spijt ons.’;
b. zal verklaren dat de gepleegde daad lasterlijk en beledigend is;
c. het onder sub a gevorderde onder straffe van een dwangsom van SRD 20.000,=, voor elk uur dat gedaagden niet aan de veroordeling onder sub a voldoen;
d. gedaagden zal veroordelen tot betaling van de door eiseres geleden en nog te lijden schade van USD 5.000,=, dan wel in een ander door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag aan materieel en immaterieel leed.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is geschied in de zin van artikel 1386 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zo is de inverzekerstelling voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die is uitgegeven. Voorts dat de onrechtmatige inverzekerstelling als smadelijke en lasterlijke handelingen beschouwd moeten worden waardoor gedaagden ingevolge artikel 1393 jo 1394 en 1401 BW gehouden zijn de door eiseres geleden schade te vergoeden en over te gaan tot rectificatie.

3.3 Gedaagden voeren verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. Eiseres wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 De vraag die centraal staat en beantwoord dient te worden is of de inverzekerstelling van eiseres onrechtmatig is in zin van artikel 1386 BW. Indien voormelde vraag bevestigend beantwoord wordt, dan is het de vraag of gedaagde als gevolg daarvan gehouden de door eiseres gestelde schade, te vergoeden.

4.3 Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij inverzekering is gesteld voor een ander doel dan waarvoor de inverzekeringstelling is uitgegeven en dat haar inverzekerstelling derhalve onrechtmatig is in de zin van artikel 1386 BW. Hiertoe stelt zij dat:
• er reeds in februari 2021 aangifte van verduistering en oplichting is gedaan tegen haar;
• zij echter pas op 01 april 2021 om 15.00u is opgeroepen door de politie en in verzekering is gesteld;
• zij een bekende journalist is en daardoor bereikbaar was, althans niet onvindbaar was;
• de agent die haar van Richelieu naar Geyersvlijt vervoerde, getracht heeft haar om te kopen in die zin dat als eiseres hem zou betalen, zij meteen in vrijheid zou worden gesteld;
• de betreffende agent aan haar heeft gezegd dat indien zij hem en de overige agenten betaalt, hij het dossier van eiseres zal laten verdwijnen en zij vrij de gevangenis uit kan lopen;
• 02 april tot en met 05 april nationale vrije dagen waren en haar gemachtigde in die periode
geen artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kon indienen;
• haar gemachtigde op 07 april door de officier van Justitie, mr. Tjin Liep Shie werd gebeld, met de mededeling dat eiseres in vrijheid wordt gesteld en dat eiseres verkeerd heeft gehandeld. Zij liet weten dat er een onderzoek gepleegd was en liet zich uit over het resultaat daarvan.

4.4 Gedaagde voert aan dat de inverzekeringstelling van eiseres geen onrechtmatige daad is in de zin van artikel 1386 BW. Hiertoe voert gedaagde aan dat door de benadeelden aangifte is gedaan jegens eiseres terzake oplichting. Naar aanleiding van de beschikbare feiten en omstandigheden werd eiseres als verdachte aangemerkt en vervolgens aangehouden. Na overleg met een lid van het Openbaar Ministerie (OM) is eiseres in verzekering gesteld. De inverzekeringstelling is geheel conform de politie c.q. het OM toekomende bevoegdheid geschied zoals vastgelegd in artikel 48 Sv.

4.5 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de inverzekeringstelling van eiseres niet onrechtmatig in de zin van artikel 1386 BW. Hiertoe overweegt de kantonrechter het volgende. Vooropgesteld wordt dat een inverzekerstelling onrechtmatig is als er geen redelijk vermoeden van schuld aanwezig is dat de verdachte het aan hem verweten strafbare feit heeft schuldig gemaakt. In onderhavige casu is, gelet op de processen-verbaal van aangiften alsmede de processen-verbaal van confrontatie van de benadeelden met eiseres, voldoende aannemelijk dat eiseres de benadeelden heeft opgelicht. Eiseres heeft bovendien toegegeven dat zij de gelden van de benadeelden in ontvangst heeft genomen en hen heeft voorgehouden dat zij percelen voor hun zou regelen. Eiseres heeft zulks niet bewerkstelligd en heeft verder geen nadere feiten en omstandigheden gesteld daaromtrent; ook in dit proces niet. Zij erkent gelden te hebben ontvangen en zwijgt in alle talen dat zij de gesprekken van de benadeelden op een gegeven moment niet beantwoordde. Dat zij journalist is en het bekend is waar zij te vinden is, is onvoldoende, daar dit geen feit van algemeen bekendheid is.
Voorts wordt overwogen dat de procedure van aangifte als volgt is. De politie zal na de aangifte eerst ertoe overgaan om bewijs te verzamelen, vervolgens de aangevers wederom horen en de onderliggende documenten bekijken. Indien de politie van mening is dat zij aan de hand van het voorgaande, een sterke case heeft, wordt de verdachte opgeroepen, verhoord en na afstemming met een lid van het OM in verzekering gesteld. Dat eiseres niet meteen na de aangifte in verzekering is gesteld, is aldus gebruikelijk.

4.6 Nu de inverzekeringstelling van eiseres niet onrechtmatig is, is gedaagde niet gehouden de – door eiseres vermeende schade voortvloeiende uit de inverzekeringstelling – te vergoeden. De gevraagde voorzieningen zullen, als ongegrond, worden geweigerd.

4.7 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.8 Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden tot op de dag van de uitspraak begroot op nihil.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 18 november 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-16

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1632
09 december 2021

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

RAMADHIN AMAR, in persoon en in de hoedanigheid van Minister van het Ministerie van Volksgezondheid,
wonende aan de [adres] te [district],
eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: ‘Ramadhin’,
gemachtigde: mr. M. Babulall, advocaat,

tegen

SAMSON, GUILLERMO,
wonende aan de [adres] te [district],
gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: ‘Samson’,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 14 mei 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 27 mei 2021;
• de conclusie van antwoord in conventie en de eis in reconventie, met producties;
• de conclusies van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met productie;
• de conclusies van dupliek in conventie en repliek in reconventie;
• de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Samson heeft op 25 april 2021 in een live uitzending van een radio programma op het radiostation Radio Tamara – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – de volgende uitlating gedaan aan het adres van Ramadhin:
“(…) hij moet aan de directeur komen. Ik daag hem uit. Laat hij het doen. Want deze narcist, vanaf hij is gekomen, alleen maar chaos gecreëerd. (…).”

2.2 Op 09 mei 2021 heeft Samson in een live uitzending van een radio programma op het radiostation Radio Tamara – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – de volgende uitlating gedaan aan het adres van Ramadhin:
“(…) een draad zit los in zijn hoofd… etnische tendensen van deze man… als een kleine jongen met een pamper en een luier… (hij is een) liegbek… hij is te jong, loopt in de luiers… (…).”

2.3 Ramadhin heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 06 mei 2021 en betekend door de deurwaarder op 07 mei 2021, Samson aangemaand om een rectificatie op het radiostation Radio Tamara alsook de dagbladen: Dagblad Suriname, Starnieuws en De Ware Tijd te plaatsen ter zuivering van Ramadhin zijn eer en goede naam alsook zijn verontschuldigingen aan te bieden.

2.4 Samson heeft niet voldaan aan de aanmaning.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie
3.1 Ramadhin vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Samson zal veroordelen:
a. om, binnen 1×24 uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, op zijn kosten de navolgende verontschuldiging te doen plaatsen in de dagbladen: De Ware Tijd, Times of Suriname, Dagblad Suriname en op de website van Starnieuws en te doen omroepen met eigen stem via Radio Tamara:
‘dat het handelen, althans de uitlating gedaan door mij persoon, Guillermo Samson, op 25 april 2021 en 09 mei 2021 in een live uitzending, althans interview op het station Radio Tamara, gericht aan het adres van de heer Amar Ramadhin beledigend en lasterlijk zijn geweest. Dat door de uitlating van mij, de heer Amar Ramadhin zowel in persoon als in de hoedanigheid van de minister van Volksgezondheid is geschaad in zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit. Bij deze trek ik de gedane ongerechtvaardigde, onjuiste uitlating volledig in. De heer Amar Ramadhin is geen narcist. Derhalve biedt ik mijn welgemeende, behoorlijke, oprechte en gepaste verontschuldiging bij deze uitdrukkelijk aan de heer Amar Ramadhin. Ik zal mijn verontschuldigingen ook per schrijven richten aan de heer Amar Ramadhin, minister van Volksgezondheid op het adres Henck Arronstraat # 64. Met deze verklaring beoog ik de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit van de heer Amar Ramadhin volledig te hebben hersteld.’;
b. om binnen 1×24 uur na betekening van het vonnis, alle uitlatingen zoals opgesomd alsmede eventueel andere door hem gedane uitlatingen via het internet of enig openbaar medium met vergelijkbare strekking te verwijderen, te doen verwijderen en verwijderd te houden;
c. om zich op enige wijze via internet of via enig ander openbaar medium over Ramadhin uit te laten op een vergelijkbare wijze zoals in het lichaam van het verzoekschrift omschreven;
d. om, indien mocht blijken dat elders opnieuw via internet of een openbaar medium, vergelijkbare uitlatingen die Ramadhin betreffen, worden verspreid, op eerste verzoek van Ramadhin zich in te zetten om binnen 12 uur na het eerste verzoek, het medium kenbaar te maken dat de uitingen verwijderd dienen te worden, alles op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,= per dag voor elke dag dat Samson nalatig blijft gehoor te geven aan de onder sub a tot en met d gevorderde;
e. om bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Ramadhin te betalen het bedrag van SRD 30.000,=, zijnde de advocaatkosten;
f. in de proceskosten.

3.2 Ramadhin legt aan zijn vordering ten grondslag dat de uitlating van Samson beledigend is, zodat Samson op grond van artikel 1386 jo 1393 BW gehouden is om zijn verontschuldigingen aan te bieden. Volgens Ramadhin is Samson voorts gehouden om de kosten voor rechtsbijstand aan hem te vergoeden, nu hij door toedoen van Samsom voormelde kosten heeft moeten maken om een vordering in te stellen tegen Samson.

In reconventie
3.3 Samson vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Ramadhin zal veroordelen:
a. om aan Samson te voldoen de som van USD 2.160,=, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 24 juni 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
b. in de proceskosten.

3.4 Samson legt aan zijn vordering ten grondslag dat er geen grondslag aanwezig is om hem in rechte te betrekken. Derhalve handelt Ramadhin onrechtmatig jegens hem. Volgens Samson heeft hij spoed rechtsbijstand moeten inroepen omdat hij niet deskundig is om zelfstandig in zo een korte tijd het proces zelf te voeren. Hierdoor heeft hij kosten moeten maken en is Ramadhin gehouden voormelde kosten bij wege van schadevergoeding te voldoen, aldus Samson.

In conventie en in reconventie
3.5 Zowel de Ramadhin als Samson hebben, respectievelijk in conventie en reconventie, verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter voor zover van belang, hierna terugkomt.

4. De beoordeling
In conventie
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. Ramadhin wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Samson voert als formeel verweer aan dat hij de uitlating heeft gedaan tijdens een programma via het radio station Tamara. Volgens hem is de uitzender van het programma verantwoordelijk voor de inhoud van het programma. Bovendien is er ook een aanmaning gestuurd naar het radio station Tamara. Derhalve bevreemd het hem dat het radio station Tamara niet in rechte is betrokken. Volgens Samson heeft Ramadhin niet de keus om Samson alleen in rechte betrekken, terwijl hij de uitzender van het programma en de verantwoordelijke bij uitstek in casu het radio station Tamara, buiten beschouwing laat, zodat Ramadhin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

4.3 Met Ramadhin is de kantonrechter het eens dat Samson als enige partij betrokken is omdat hij degene is die de uitlating heeft gedaan en derhalve als enige aansprakelijk is. Het formeel verweer van Samson faalt derhalve, zodat Ramadhin ontvankelijk is in zijn vordering.

4.4 Uit de stellingen van Ramadhin kan worden afgeleid dat hij zich beledigd heeft gevoeld door de uitlatingen die Samson aan zijn adres heeft gedaan op 25 april 2021 en 09 mei 2021 in een live uitzending van een radio programma op het radio station Tamara.
In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat de burgerrechtelijke rechtsvordering ter zake belediging wordt ingesteld op grond van de artikelen 1393 jo 1397 BW. Blijkens het bepaalde in artikel 1397 BW kan de burgerlijke rechtsvordering ter zake belediging niet worden toegewezen, indien niet blijkt van het oogmerk om te beledigen. Dat oogmerk wordt niet aanwezig geacht voor zover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.

4.5 Samson heeft aangevoerd dat hij de uitlating heeft gedaan op basis van de gedragingen van Ramadhin, met name dat Ramadhin zijn falend covid-19 beleid blijft voortzetten aangezien dit beleid hem de ruimte geeft steeds in de schijnwerpers te staan. Voorts dat de uitlating is gedaan basis van de gedragingen van Ramadhin om steeds in het brandpunt van de belangstelling te willen staan.

4.6 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaat het verweer van Samson niet op. Hiertoe overweegt de kantonrechter het volgende. De door Samson gedane uitlating draagt het karakter van een verwijt aan het adres van Ramadhin, zonder dat deze middels enig officieel bescheid is onderbouwd. Bovendien is ten eerste niet gebleken dat het thans gevoerd covid-19 beleid een falend beleid is en ten tweede behoort Ramadhin in hoedanigheid van de minister van Volksgezondheid tot één van de aangewezen personen die de samenleving dient te informeren over het een en ander betreffende het gevoerd, althans te voeren beleid met betrekking tot de covid-19 pandemie. Niet valt in te zien waarom Ramadhin in de schijnwerpers wil staan, althans in het brandpunt van de belangstelling wil zijn, terwijl hij in zijn hoedanigheid van minister van Volksgezondheid niet anders kan dán in de schijnwerpers te zijn vanwege (onder meer) het feit dat er steeds nieuwe ontwikkelingen zijn rondom de covid-19 pandemie in Suriname alsook wereldwijd.

4.7 Met het doen van deze uitlatingen tijdens een live uitzending van een radio programma dat voor elke derde toegankelijk is via YouTube en als beledigend dient te worden aangemerkt, hebben deze uitlatingen een openbaar karakter gekregen. Gesteld noch gebleken is dat deze uitlatingen zijn gedaan in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging, hetgeen tot de slotsom leidt dat Samson hiermee enkel en alleen tot doel heeft gehad om Ramadhin in zijn eer en goede naam aan te tasten. Hiermee heeft Samson aldus onrechtmatig gehandeld jegens Ramadhin. Nu het voorgaande grond oplevert tot rectificatie van de uitlating, zal de gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub a van dit vonnis worden toegewezen.

4.8 Ten aanzien van het gevorderde onder punt 3.1 sub b van dit vonnis is de kantonrechter van oordeel dat Ramadhin heeft nagelaten te stellen of Samson andere uitlatingen van vergelijkbare strekking heeft gedaan via een ander openbaar medium. Om die reden zal de gevraagde voorziening op dit punt, als onvoldoende gesteld, worden geweigerd. Wat wel zal worden toegewezen is dat Samson binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de uitlatingen gedaan op op 25 april 2021 en 09 mei 2021 in een live uitzending van een radio programma op het radio station Tamara, welke op, in ieder geval YouTube te beluisteren zijn, doet verwijderen en verwijderd houdt.

4.9 Nu in voldoende mate aannemelijk is geworden dat Samson tijndens twee live uitzendingen beledigende uitlatingen heeft gedaan naar het adres van Ramadhin, zal het gevorderde onder punt 3.1 sub c dat het neerkomt op een verbod om de goede naam en eer van Ramadhin te schaden, worden toegewezen.

4.10 De gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub d is gebaseerd op toekomstige verwachtingen, zodat er geen grondslag is voor toewijzing hiervan.

4.11 De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor, zodat zulks zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is beslist.

4.12 De advocaatkosten worden aangemerkt als buitengerechtelijke kosten. Overwogen wordt dat deze, nu die niet op de wet en evenmin op een tussen partijen bestaande overeenkomst is gestoeld, niet toewijsbaar zijn.

4.13 De kantonrechter acht de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.14 Samson zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak:
• het vastrecht ad SRD 50,=
• de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 411,= en zijn in totaal dus begroot op SRD 465,=.

In reconventie
4.15 Gelet op hetgeen in conventie is overwogen en beslist, is de gevraagde voorziening in reconventie niet toewijsbaar.

4.16 Samson zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ramadhin worden tot op de dag van de uitspraak begroot op nihil.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding

In conventie
5.1 Veroordeelt Samson om binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis op zijn kosten de onderstaande rectificatie en verontschuldiging te doen opnemen en plaatsen in de dagbladen: De Ware Tijd, Times of Suriname, Dagblad Suriname en op de website van Starnieuws en te doen omroepen met eigen stem via Radio Tamara:
“dat het handelen, althans de uitlating gedaan door mij persoon, Guillermo Samson, op 25 april 2021 en 09 mei 2021 in een live uitzending, althans interview op het station Radio Tamara, gericht aan het adres van de heer Amar Ramadhin beledigend en lasterlijk zijn geweest. Dat door de uitlating van mij, de heer Amar Ramadhin zowel in persoon als in de hoedanigheid van de minister van Volksgezondheid is geschaad in zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit. Bij deze trek ik de gedane ongerechtvaardigde, onjuiste uitlating volledig in. De heer Amar Ramadhin is geen narcist. Derhalve bied ik mijn welgemeende, behoorlijke, oprechte en gepaste verontschuldiging bij deze uitdrukkelijk aan de heer Amar Ramadhin. Ik zal mijn verontschuldigingen ook per schrijven richten aan de heer Amar Ramadhin, minister van Volksgezondheid op het adres Henck Arronstraat # 64. Met deze verklaring beoog ik de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit van de heer Amar Ramadhin volledig te hebben hersteld.”

5.2 Veroordeelt Samson om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis alle uitingen zoals opgesomd onder 2.1 en 2.2 van dit vonnis via het internet of enig ander openbaar medium te verwijderen, te doen verwijderen en verwijderd te houden.

5.3 Verbiedt Samson om zich op enige wijze via het internet of via enig ander openbaar medium over Ramadhin uit te laten, althans zich uit te laten op een vergelijkbare wijze zoals opgesomd onder 2.1 en 2.2 van dit vonnis.

5.4 Veroordeelt Samson tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,- (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat hij weigert om aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 200.000,- (tweehonderdduizend Surinaamse dollar).

5.5 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.
5.6 Veroordeelt Samson in de proceskosten aan de zijde van Ramadhin gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 465,= (vierhonderd en vijfenzestig Surinaamse dollar).

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

In reconventie
5.8 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.9 Veroordeelt Samson in de proceskosten aan de zijde van Ramadhin gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2021-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3397

30 november 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van: 

  1. VAN DIJK-SILOS, JENNIFER V.,
  2. MEYE, STEVE,
  3. BHAGWANDIN, PATRICK ANANDKUMAR,

allen wonend te Paramaribo,

eisers,

gemachtigden: mr. F.A.Bhagwandin-Telting en mr. N.U. van Dijk, beiden advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID,meer in het bijzonder DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, de heer drs. AmarRamadhin, in persoon en q.q. in de hoedanigheid van Minister van Volksgezondheid,in rechte vertegenwoordigd  wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname,

kantoorhoudend te Paramaribo,

gedaagde,

gemachtigden voor de Staat:mr. A.I. Ramlakhan en mr. C. Lachman, beiden advocaat.

  1. Het procesverloop

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 14oktober2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis die is genomen op de zitting van 28oktober 2021;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2       De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1       Op vrijdag 20 augustus 2021 hebben eisers aan de Vice-President van de Republiek Suriname de petitie “Apartheid en Discriminatie in Suriname” aangeboden.

2.2       Volgens het Besluit Taakomschrijving Departementen 1991, voor het laatst gewijzigd bij S.B.2002, no. 16, zijn de bijzondere taken van het ministerie van Volksgezondheid onder meer de volksgezondheid in de ruimste zin en het toezicht op de behartiging van de volksgezondheid in het bijzonder, met inbegrip van de gezondheidsvoorlichting en –opvoeding en het waarborgen van de kwaliteit, beschikbaarheid en bereikbaarheid van de gezondheidszorg over het gehele land.

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1       Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis gedaagde veroordeelt:

I. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis rectificatie te doen op dezelfde wijze en via dezelfde media als de uitspraken door gedaagde zijn gedaan op 23 augustus 2021 te weten via dagbladdewest.com, TrishulBroadcasting Network (TBN) en Covid-19 Journaal. 

RECTIFICATIE 

“De door mij, drs. A. Ramadhin, Minister van Volksgezondheid, in interviews gedane uitspraken op 23 augustus 2021 ten aanzien van de aanbieders van de petitie “Apartheid en Discriminatie in Suriname”, te weten

VAN DIJK-SILOS, JENNIFER V.,

MEYE, STEVE en

BHAGWANDIN, PATRICK ANANDKUMAR

zijn onnodig grievend, lasterlijk en beledigend en door de kantonrechter in Kort Geding onrechtmatig geoordeeld jegens voornoemde personen. Ik, drs. A. Ramadhin, Minister van Volksgezondheid doe een beroep op alle media en anderen die hiervan kennis dragen onmiddellijk op te houden om genoemde interviews verder te delen, distribueren en of uit te zenden dan wel te publiceren”; 

althans dat de kantonrechter gedaagde beveelt een zodanige verklaring openbaar te maken in de eerder genoemde media met de strekking tot verbetering van de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van eisers als persoon en als respectievelijk juridisch consultant en geestelijke in de Republiek van Suriname en op de manier die de kantonrechter juist en geraden oordeelt;

II.  zich in de toekomst te onthouden van elke gedraging en of handeling die de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van eisers aantasten;

III. aan eisers elk afzonderlijk een dwangsom van SRD 100.000, – te betalen voor iedere keer of dag dat gedaagde in strijd mocht handelen met de veroordelingen onder I en II;

IV. om bij wege van voorschot de reeds geleden en nog te lijden schade te voldoen,vooralsnog begroot op de tegenwaarde in Surinaamse Dollar van USD 1,500. -;

V. in de proceskosten.

3.2       Aan hun vordering leggen eisers, kort gezegd, ten grondslag dat gedaagde via media zodanige uitspraken over hen heeft gedaan, dat sprake is van belediging, laster, smaad en aantasting van hun recht op een goede naam en eer. Gedaagde heeft eisers beledigd door hen ‘misleiders’ en ‘antivaxxers’ te noemen. In het openbaar heeft gedaagde niet ware uitlatingen over eisers gedaan met de bedoeling hen in een kwaad daglicht te plaatsen. Door zich suggestief over eisers uit te spreken heeft gedaagde onrechtmatig jegens hen gehandeld. Dat gedaagde een gebeuren, waarvoor eiser sub 2 reeds zijn verontschuldiging heeft aangeboden, in herinnering brengt, schaadt de reputatie van eiser sub 2. Gedaagde heeft als gezaghebbende beleidsmaker invloed op het vormen van oordelen over personen en onderwerpen door de samenleving. Eisers lijden naast financiële schade ook imago- en emotionele schade. Op een aanmaning tot rectificatie heeft gedaagde niet gereageerd.

3.3       Gedaagde voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, wordt teruggekomen.

  1. De beoordeling

4.1       Gelet op de aard van de vorderingen, hebben eisers een voldoende spoedeisend belang om in hun vorderingen in het kort gedingte worden ontvangen.

4.2       Als meest verstrekkend verweer voert gedaagde aan dat eisers hem niet in gebreke hebben gesteld en concludeert tot niet ontvankelijkheid van eisers in hun vordering. Hiertegenover stellen eisers een van hen afkomstig schrijven met als onderwerp ‘aanmaning en ingebrekestelling’ van 13 september 2021 betekend op dezelfde dag. Gedaagde voert daartegenaan dat de ingebrekestelling slechts is gericht tot de minister van Volksgezondheid, terwijl in deze zaak de Staat Suriname als gedaagde is opgeroepen.

4.3       Voldoende aannemelijk is dat de aanmanings- en ingebrekestellingsbrief waarnaar eisers verwijzen, volgens het overgelegde deurwaardersexploot No. 21-392, productie 6 bij verzoekschrift, is betekend aan ‘De Minister van Volksgezondheid, drs. AmarRamadin’. Dit leidt tot de vaststelling dat niet de Staat in gebreke is gesteld, maar de minister van Volksgezondheid, drs. AmarRamadin.

4.4       Vast staat voorts dat eisers op 20 oktober 2021 de Staat Suriname zoals hiervoor in de kop van dit vonnis als gedaagde partij is geduid, hebben opgeroepen bij deurwaardersexploot No. 21-454, om op donderdag 28 oktober 2021 ter zitting te verschijnen.

4.5       De wijze van duiding van de gedaagde partij in het verzoekschrift en in het exploot No. 21-454 leidt ertoe dat de specifiek genoemde minister en de persoon Amar Ramadin niet als afzonderlijke procespartijen in dit geding zijn gedaagd en om die reden geen status van procespartij kunnen hebben. Immers, het betreft in deze respectievelijk een bestuursorgaan en een natuurlijke persoon die in rechte niet door de Procureur-Generaal vertegenwoordigd worden. De duiding is onjuist. Dit klemt te meer nu eisers in randnummer 6 van hun verzoekschrift juist stellen dat zij [citaat]: zijn geconfronteerd met uitspraken gedaan door gedaagde, de Minister van Volksgezondheid, die gekwalificeerd kunnen worden als belediging, laster, smaad en aantasting van hun recht op eer en goede naam (…) Gedaagde heeft eisers in de in het 6esustenu genoemde media beledigd, gekrenkt, door hen misleiders en antivaxxers te noemen (…)” [einde citaat]. Ook in hun stellingen na randnummer 6 geven eisers er geen blijk van dat zij een ander voor ogen hebben gehad dan de minister van Volksgezondheid. Eisers verwijzen in randnummer 14 – ter onderbouwing van de ingebrekestelling van gedaagde – naar productie 6, het exploot van betekening aan de minister van Volksgezondheid.Voor zover eisers als uitgangspunt wilden hanteren dat het bestuursorgaan als procespartij mag optreden is zulks niet onjuist, zie ook Hoever-Venoaks en Damen, 2003, hoofdstuk 2. Evenwel is in de onderhavige zaak geen sprake van een bestuursorgaan dat is gedaagd als procespartij. Voorts maakt het bij repliek overgelegd oproepexploot No. 21-461 van maandag 25 oktober 2021, waarin staat dat “Amar Ramadhin” is opgeroepen om op donderdag 28 oktober 2021 op de terechtzitting te verschijnen, de duiding evenminjuist, nu eisers daaromtrent niet de daartoe vereiste proceshandelingen hebben verricht, nog voor zij ter zitting van eis concludeerden in de onderhavige zaak. Het zou in strijd met de goede procesorde zijn om zonder dat sprake is geweest van die voorafgaande proceshandelingen ter zitting, AmarRamadhin als procespartij aan te merken. Bij de gegeven omstandigheden kan de oproep aan Amar Ramadhin om ter terechtzitting te verschijnen slechts begrepen worden als een oproep aan hem als derde. Nu eisers hierover slechts hebben gesteld dat AmarRamadhin bij de eerste behandeling van de zaak ter terechtzitting aanwezig was, kan zulks hen in het licht van voorgaande overwegingen niet baten. De kantonrechter weegt in dit verband mee dat blijkens de conclusie van antwoord en het gevoerd verweer, de gemachtigden zich op het standpunt hebben gesteld dat zij zich voor de enkele gedaagde, de Staat,hebben gesteld, wat zij bij conclusie van dupliek uitdrukkelijk hebben herhaald.

4.6       Eisers zijn niet ontvankelijk voor zover zij hun vorderingen tegen de minister van Volksgezondheid en de persoon AmarRamadin gericht hebben.Suriname, de Staat Suriname, is rechtspersoon en kan in een rechtsgeding als eiser of gedaagde betrokken zijn blijkens art 95 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv, en wordt in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, art 146 lid 2 Gw. Voor zover eisers tegen de Staat Suriname (het ministerie van Volksgezondheid) gevorderd hebben, worden zij in hun vordering ontvangen.

4.7       De achtergrond van het geschil is gelegen in het spanningsveld dat ontstaat tussen sociale en klassieke grondrechten, specifiek dewijze waarop inhoud wordt gegeven aan het algemeen belang in het kader van de Covid-19 pandemie. In de onderhavige zaak heeft dit geleid tot openbare reacties die eisers als kwetsend en beledigend hebben ervaren. De gewraakte uitlatingen zijn overgelegd door middel van een usb sticken quotes (respectievelijk producties 2en 5 bij verzoekschrift).

4.8       Gedaagde weerspreekt dat de uitspraken op de usb stick beledigend zijn. De uitspraken zijn informatief en bedoeld als waarschuwingin verband met de toename van besmettingen met het Corinavirus, in het algemeen belang.De kantonrechter zal volgens de regel bepaald in HR 10 maart 2017, NJ 2017, 147 de beoordeling van productie 2 beperken tot de quotes zoals weergegeven in productie 5 bij verzoekschrift en wel de citaten bij minuut 8:06 en 11:23. De toegepaste regel luidt dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (…). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept.

            In de quote van minuut 8:06 hebben eisers onderstreept [citaat]: “Vanwege de beschikbaarheid van vaccins zouden we veel meer mensen kunnen vaccineren, als de anti vax beweging minder fel was gegaan (…) Ik wil alleen hiermee aangeven het is goed dat mensen hun mening geven het is goed dat we de petitie indienen maar de petitie zie je duidelijk dat het gericht is tegen een ministerie of een minister wat ik natuurlijk ook jammer vind (…) het is een gezondheidscrisis dus het is de minister van volksgezondheid die oplossingen moet aandragen samen met de regering ondersteund door de regering maar mijn vraag is naar de mensen toe wilt u verontrust blijven, of wilt u ook onderdeel zijn van die oplossing of wilt u het probleem groter maken?” [einde citaat] en in de quote van minuut 11:23 [citaat]: “We kunnen ook zeggen misschien is het goed dat die groep verontruste burgers een keer besluiten om apart te gaan wonen geïsoleerd van de wereld, want waarschijnlijk lijkt dat de bedoeling geweest te zijn.” [einde citaat].

Eisers hebben voor het overige geen andere concrete passages geselecteerd uit het vastgelegde materiaal op de usb stick die hebben te gelden als feitelijke onderbouwing van hun stelling dat sprake is van belediging, laster, smaad en aantasting van hun recht op eer en goede naam.           

4.9       Voorts beperkt de kantonrechter de beoordeling van uitlatingen gedaan in het Covid-19 Journaal van 23 augustus 2021 tot de benadrukte delen:

            [citaat]:

            “Laten we goed kijken naar mensen die petities indienen.”

            “Minstens één van de indieners van de petitie die leugens heeft verkondigd, misleidende informatie heeft gegeven aan de samenleving waar een jongeman zou zijn neergevallen in een supermarkt als gevolg van een covidprikje om dan daarna terug te komen, toen die grond warm (…) begon te worden, om daarna terug te komen dat het een (…) vergissing was.”

            “(…) hoeveel vertrouwen moet ik dan hebben in zo iemand; dus laten we goed kijken naar de mensen die petities indienen.” 

            “Vandaag is de full approval van Pfizer gegeven zal er dan een argument gezocht worden door die verontruste burgers, laten we eerlijk kijken naar de zaak en laten we goed kijken naar de zaak ik wil graag weten van deze groep die zich zo zorgen maakt over de situatie wat is uw antwoord op deze petitie.” 

            “Met welk gevoel gaan deze verontruste burgers slapen als ze elke dag en de hele dag mensen zitten te demotiveren om te vaccineren om dan te weten dat diezelfde personen die zich niet laten vaccineren het gros van het deel vormt van welke opgenomen wordt in het ziekenhuis met een COVID infectie. Laten we goed kijken naar onze inborst en laten we goed kijken naar deze situatie.” 

            Ik zeg het nogmaals, ik vraag alleen aan de verontruste burgers wat is uw oplossing en met welk gevoel gaat u slapen met welke voldoening gaat u slapen als u op een dag mensen hebt gemotiveerd om niet te vaccineren en om daarna te weten dat 97% van de mensen die wordt opgenomen niet gevaccineerd waren. Is dat uw doel? Wilt u dat hebben voor de samenleving? Kunt u dat gevoel opbrengen die verantwoordelijkheid opbrengen om verantwoordelijk te zijn voor een vierde golf in Suriname.”

            [einde citaat].

4.10     Gedaagde voert – kort gezegd – aan dat de minister vrij zijn mening uit in een poging de samenleving bewust te maken van de juiste keuze door zich te laten vaccineren. Daarin gaat geen intentie tot beledigen schuil. De minister is open over zijn dagelijkse ervaringen omwille van het bewustmaken van de samenleving. Daarin weegt mee dat hijzelf medicus is. De mening van de minister is dat het aanbieden van de petitie een demotiverende uitwerking heeft op mensen om zich te laten vaccineren. Hij kiest voor het stellen van de retorisch de vraagKunt u dat gevoel opbrengen die verantwoordelijkheid opbrengen om verantwoordelijk te zijn voor een vierde golf in Suriname, wanneer hij de petitie bespreekt, maar die keuze is niet beledigend. Gedaagde ziet niet in waarom verwijzing naar verkeerde informatie die verstrekt is, beledigend is.

4.11     Uit de overgelegde producties waarin uitspraken van de minister zijn aangehaald die hiervoor zijn geciteerd, blijkt niet van het gebruik van het woord ‘wappies’ om eisers te duiden, zodat zulks niet aannemelijk is gemaakt. Voorts blijkt uit de productie 4 bij verzoekschrift dat het woord ‘viruswappie’ niet staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie, zodat niet aannemelijk wordt dat de duiding van scheldwoord door kennelijk nl.wiktionary.org, juist is. Nu het woord ‘antivaxxers’ een begrip uit de actuele pandemie is, komt het de kantonrechter voor dat de connotatie daarvan nog in ontwikkeling is wat een oordeel in deze prematuur maakt.

4.12     De kantonrechter overweegt ten overvloede, dat de gewraakte uitlatingen door de minister van Volksgezondheid hooguit sarcastisch van toon zijn. Gedaagde noemt dit de politieke reactie. Hiertegenover staan verwijten van eisers, waar niet van uitgesloten mag worden dat deze associaties kunnen oproepen met gebeurtenissen in de wereld die hebben geleid tot misdrijven tegen de menselijkheid.Door deze verwijten is naar het oordeel van de kantonrechter de discussie te zwaar aangezet. Sarcasme benadert bij verre na niet verwijten in een context van discriminatie,dwang en apartheid.Het komt de kantonrechter dan ook voor dat in het algemeen belang het nodig is dat partijen binnen korte tijd met elkaar in gesprek raken en de discussie aangaan over de tegenbeweging, dat is het aanbieden van de petitie versus de verantwoordelijkheid voor en bewaking van het algemeen belang, dat is noodzakelijke behandeling in het belang van de openbare orde.

4.13     Nu de gewraakte uitlatingen alle gedaan zijn door de minister van Volksgezondheid en eisers in hun vorderingen tegen de minister niet ontvankelijk zijn, en voorts uit het voorgaande niet aannemelijk is geworden dat sprake is van belediging, laster, smaad en aantasting van recht op eer en goede naam, zullende vorderingen tegen gedaagde worden afgewezen.

4.14     Aan een beoordeling van de overige stellingen en weren van partijen wordt op grond van het voorgaande niet toegekomen, nu zulks niet tot een ander oordeel kan leiden.

4.15     Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

            De beslissing

            De kantonrechter in kort geding 

5.1       Verklaart eisers niet ontvankelijk in hun vorderingen tegen de minister van Volksgezondheid en Amar Ramadhin.                                                                                                           

5.2       Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.3       Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op dinsdag 30 november 2021 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

 

 

 

SRU-K1-2021-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1719

28 oktober 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

A. REDAN, CLAUDIA,

B. ACADEMISCH ZIEKENHUIS,

te Paramaribo,

eisers in conventie,verweerders in reconventie,

hierna ‘Redan’ en ‘AZ’ genoemd,

gemachtigde: mr. S.N.Essed, advocaat,

 

tegen

 

HELLINGS, RAOUL,

te Paramaribo,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna ‘Hellings’ genoemd,

gemachtigde: mr. D.P.A. Landvreugd, advocaat.

  

  1. Het procesverloop

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 21 mei 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling genomen is op 8 juli 2021;
  • de conclusie van antwoord in conventie met producties en van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2       De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1       Op 17 mei 2021 publiceert het nieuwsmedium Starnieuws het bericht met als titel “AZP-directeur alarmeert: Op de drempel van code zwart”. Daarin staat onder meer:

            [citaat]:

            “De ziekenhuizen staan aan de vooravond van code zwart, als er geen verandering komt in de situatie. De aanmeldingen en opnames van geïnfecteerden met het Covid-virus nemen vanaf vrijdag enorm toe. “De situatie is zeer ernstig en triest. Bij onze checkpoint is er een continue stroom van mensen die of in thuis isolatie Covid-positief zijn en verslechteren of mensen die klachten ontwikkelen en zich aanmelden”, zegt algemeen directeur van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo (AZP), Claudia Redan, in gesprek met Starnieuws. (…) De situatie is zeer zorgwekkend, benadrukt Redan, die ook voorzitter is van de Nationale Ziekenhuisraad. ”

            [einde citaat].

 2.2       Op 19 mei 2021 post Hellings op zijn Facebook pagina de volgende tekst:

            [citaat]:

            “Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani…”

            [einde citaat].

 2.3       Een reactie op de hiervoor geciteerde Facebook-post van Hellings luidt:

[citaat]:

“Bedoelde je die mevrouw Red-dan!!!”

            [einde citaat].

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1       Redan en AZ vorderen in conventie – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis Hellings veroordeelt:

  • om binnen 1×24 uur, de kantonrechter leest, na de uitspraak, zijn publicatie op zijn facebook account van 19 mei 2021 met als titels “Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kog – de kantonrechter leest verbeterd kong aksi mi dong dong sani” te verwijderen;
  • om binnen 1×24 uur, de kantonrechter leest, na de uitspraak, over te gaan tot rectificatie van de publicatie door op zijn facebook account, in de dagbladen De Ware Tijd, Times of Suriname, op Starnieuws en op het radiostation Radio 10 het volgende bericht te plaatsen dan wel wordt voorgelezen: “Ik heb op 19 mei 2021 op mijn facebook account het volgende gepost: “Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani”. Dit berust echter niet op de waarheid en door het desondanks te publiceren heb ik onrechtmatig gehandeld. Door mijn handelen hebben zowel mevrouw Claudia Redan als het AZ schade geleden, waarvoor ik mijn welgemeende verontschuldigingen aanbied.”
  • tot het betalen van een dwangsom van SRD 5.000, – per dag dat hij niet aan het vonnis voldoet.

Ook is veroordeling van Hellingsin de proceskosten gevorderd.

3.2       Redan en AZ leggen aan hun vordering – zakelijk weergegeven – ten grondslag dat Hellings onwaarheden heeft gepubliceerd. Door zijn publicatie “Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani.” op zijn Facebook pagina van 19 mei 2021, heeft Hellings de eer en goede naam van Redan geschonden. Redan, directeur van AZ en voorzitter van de Nationale Ziekenhuis Raad, heeft op 17 mei 2021 via een nieuwsmedium alarm geslagen over de ernstige situatie in de ziekenhuizen als gevolg van de pandemie. Hellings heeft met zijn bericht veroorzaakt dat de samenleving de ernst van de Covid-19 pandemie minder serieus kan opvatten. Hellings is voorzitter van de Politiebond en heeft een relatief grote kring waarbinnen hij invloed heeft.Daartoe behoort zijn Facebook pagina die wordt gevolgd door 1.235 personen die toegang hebben tot de publicatie. AZ heeft er, gelet op haar zorgtaak in de Covid-19 pandemie, belang bij dat de samenleving uitspraken van Redan die zij namens het ziekenhuis doet, serieus neemt.

3.3       Hellings voert verweer en concludeert tot niet ontvankelijkheid van Redan en AZ

3.4       In reconventie vordert Hellings, kort gezegd, dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis Redan en AZ veroordeelt om als voorschot het bedrag van SRD 21.600, – aan advocaatkosten, omzetbelasting, executiekosten en na-kosten te betalen. Hij legt daaraan ten grondslag dat hij ongegrond in rechte is betrokken, waardoor hij onnodig in de kosten is gejaagd.Redan en AZ concluderen tot weigering van het gevorderde.

  1. De beoordeling

            In conventie

4.1       Gelet op de aard van de vorderingen, hebbenRedan en AZ een voldoende spoedeisend belang om in hun vorderingen in het kort geding te worden ontvangen.

4.2       Hellings voert als meest verstrekkend verweer dat AZ niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat zij geen belang heeft bij het door Redan gevorderde. AZ stelt hiertegenover dat Redan in haar hoedanigheid van algemeen directeur haar zowel in als buiten rechte vertegenwoordigt. Schade aan de reputatie van Redan kan volgens het ziekenhuis tot schade aan de reputatie van AZ leiden. Dit gevolg, zo voert AZ aan, is ongewenst nu Redan degene is die leiding geeft aan de organisatie van het AZ waarvan ook de medische zorg aan Covid-19 patiënten deel uitmaakt.

4.2.1    Het verweer van Hellings gaat niet op, reeds omdat recent nog, en wel uit de Wet Staatsbegroting 2020, S.B. 2021 no. 6, Afdeling 13, Titel IV blijkt dat het Academisch Ziekenhuis Paramaribo nog steeds een van de Parastatalen is. Hierdoor is niet uit te sluiten dat de Staat door middel van onder anderen AZ invulling geeft aan het bevorderen van de algemene gezondheidszorg, artikel 36 lid 2 GW. Aan de verwevenheid van die zorgtaak met de uitvoering van de Wet Uitzonderingstoestand Covid-19 kan in het onderhavige geschil dan ook niet voorbij worden gegaan.AZ is wel ontvankelijkheid in haar vordering en de kantonrechter komt thans toe aan de beoordeling.

4.3       Hellings voert verder aan dat de grondslag van de vordering niet duidelijk is, omdat hem meerdere handelingen worden verweten: oprui, stemmingmakerij en schending van goede naam en eer. Hij concludeert op die grond tot niet ontvankelijkheid van zowel Redan als AZ. Hellings beroept zich erop dat hij het recht heeft om vrij zijn mening te uiten. Hij blijft erbij dat hij noch de naam van Redan noch van AZ heeft genoemd. Hij weerspreekt de verweten handelingen – samengevat -als volgt. Redan is niet de enige ziekenhuis directeur die over de alarmerende situatie, de kantonrechter begrijpt,met betrekking tot de Covid-19 pandemie, heeft gesproken. Ook is Redan in Suriname noch internationaal de enige vrouwelijke ziekenhuis directeur. Hellings sluit tevens niet uit dat de schoen Redan kennelijk wel past.Hij noemt de reacties op zijn post hilarisch,en stelt dat sommigen Redan zelfs een riem onder het hart steken, zonder negatieve uitlatingenof ondertoon over de Covid-19 pandemie of over Redan. Volgens Hellings heeft Redan er moeite mee dat hijheeft gepost dat zij een wintiprei zou hebben bezocht tijdens de Covid-19 pandemie. Hij vindt dat zijn verwijzing naar het bezoeken van een wintiprei voor Redan geen grond oplevert voor schending van haar goede naam en eer.

4.4       Redan en AZ gaan uit van het recht op eerbiediging van de goede naam en eer zoals bepaald in de artikelen 19 GW, 13 AVRM en 19 BUPO, specifiek lid 3. Hellings beroept zich op het recht van vrije meningsuiting. Vraag is welke van deze wederzijdse belangen zwaarder wegen in het voorliggend geval. De kantonrechter vindt voor die beoordeling aansluiting bij in onderling verband te beschouwen omstandigheden zoals door de Hoge Raad der Nederlanden genoemd in zijn arrest van 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221. Onder meer is relevant (i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, (ii) de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, (iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie, (iv) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, (v) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.

4.4.1    Het algemeen belang is gegeven met het wettelijk kader dat in de voorliggende omstandigheden van toepassing is en wel als volgt.

4.4.2    Bij Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand, S.B. 2020 no. 151, gewijzigd bij S.B. 2021 no. 20 en verlengd bij S.B. 2021 no. 105 (hierna de Wet) is in artikel 6 bepaald dat de Regering bij Presidentieel besluit maatregelen kan nemen en voorzieningen treffen in verband met de afkondiging van een uitzonderingstoestand. Maatregelen kunnen onder meer betrekking hebben op de beperking van persoonlijke rechten en vrijheden.

In artikel 6 lid 1 sub A (6) van voornoemde Wet is als maatregel die betrekking heeft op de beperking van de persoonlijke rechten en vrijheden genoemd: “het instellen van verboden tot samenkomsten van personen of het onbeschermd begeven in het openbaar of in publieke of private ruimten, alsmede het verplichten van personen tot het houden van fysieke afstanden.”

De Memorie van Toelichting van de Wet sluit niet uit dat de Minister belast met justitiële zaken voor de handhaving van met name het opleggen van een bestuurlijke boete, eveneens ambtenaren van politie vanwege het aanwezig deskundig kader en de infrastructuur zal aanwijzen voor de handhaving van de bestuurlijke sanctie.

De politie heeft in het algemeen tot taak te zorgen voor de handhaving van de openbare orde, het voorkomen van inbreuken daarop en de bescherming van personen en goederen, artikel 5 lid 1 sub a van het Politiehandvest, G.B. 1971 no. 70. Volgens artikel 20 van het Politiehandvest verleent de politie in de gevallen en in de mate waarin zulks redelijkerwijs van haar kan worden gevergd en zij daartoe het meest aangewezen orgaan is, aan alle overheidsorganen de hulp en bijstand welke deze voor de vervulling van hun wettelijke taak behoeven.

4.4.3    Redan en AZ stellen dat de inhoud van de Facebook post een grove onwaarheid is. Zij weerspreken dat de post niet grievend zou kunnen zijn omdat geen namen zouden zijn genoemd. Juist blijkt uit de omstandigheden die in de post van 19 mei 2021 zijn geschetst en de reacties daarop dat Redan wordt bedoeld. De kantonrechter volgt Redan en AZ in hun stelling dat het expliciet noemen van namen voor die conclusie niet nodig is. Dat Redan is bedoeld volgt alleen al uit het feit dat Redan de vrouwelijke ziekenhuisdirecteur is die in de media recent, en wel op 17 mei 2021, dringend aandacht heeft gevraagd voor de code zwart situatie in verband met de Covid-19 pandemie.

4.4.4    Redan en AZ stellen verder, en zulks naar het oordeel van de kantonrechter niet onjuist, dat uitspraken van Hellings door zijn openbare functie van voorzitter van de politiebond een relatief grote invloed hebben. Hellings zou moeten begrijpen wat het negatieve effect is van gepubliceerde onwaarheden over personen in het algemeen en in specifieke functies. Van Hellings mocht volgens Redan en AZ dit begrip worden verwacht.

4.4.5    Voor de uitspraak van Hellings is thans geen steun te vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Dit klemt te meer nu de eigenlijke boodschap die Hellings overbrengt is dat de directeur van het AZ, ondanks de ernstige omstandigheden van de Covid-19 pandemie die zij de samenleving voorhoudt, zelf de maatregelen niet in acht neemt. Daar komt bij dat het op grond van de hiervoor aangehaalde wettelijke bepalingen niet uitgesloten is dat betrokkenheid van Hellings zelf als ambtenaar van politie bij handhavingstaken in het kader van de Covid-19 pandemie nodig kan zijn.Hellings stelt weliswaar Gedaagde steltssssssssslechts  ww dat op zijn Facebook post hilarisch is gereageerd en ondersteuning is geuit, maar dat maakt niet goed en doet niet af aan het vergroot bereik door het delen van de post via Facebook. Bovendien blijven deze uitlatingen langer bij het publiek voortbestaan.

4.4.6    De kantonrechter overweegt dat het in de Surinaamse samenleving een feit van algemene bekendheid is dat de wintiprei in haar uiterlijke verschijningsvorm – kort gezegd – een ritueel feest is met daarbij behorende muziek en dans.[1] In de onderhavige Covid-19 omstandigheden is niet uit te sluiten dat deelname daaraan niet zonder risico’s is. Immers, overschrijding van aangebrachte beperkende grenzen door een samenscholingsverbod, artikel 6 lid 1 sub A (6) van de Wet, kan al gauw zijn bereikt. De post van Hellingsis dan ook onweersprekelijk suggestief door een mogelijk strafbare handeling die daarin besloten ligt, wat vooralsnog voldoende blijk geeft van een ernstige en ingrijpende aantijging tegen Redan. Een post als door Hellings gedaan kan onder de thans aannemelijk geworden omstandigheden geen rechtvaardiging vinden, omdat juist hij als ambtenaar van politie de strekking daarvan had moeten kunnen overzien. Het voorgaande klemt temeer nu Hellings het nodige feitenmateriaal voor zijn uitlatingen niet heeft aangedragen, zodat een feitensubstraat ontbreekt.

4.5       Het antwoord op de vraag of het recht van Redan en AZ op bescherming van de goede naam en eer zwaarder weegt dan het recht van Hellings gedaagde om zijn mening vrij te uiten via zijn account, zal dan ook bevestigend zijn.

4.6       Het voorgaande brengt met zich dat de vordering tot verwijdering van de gewraakte post en het plaatsen van een nieuwe post met voorgeschreven tekst op de Facebook pagina van Hellings zal worden toegewezen.De kantonrechter volgt Hellings in zijn onderbouwd verweer dat excuses spontaan behoren te worden aangeboden. In deze kunnen aan Hellings geen interne gevoelens worden opgelegd. De veroordeling zal daarom worden toegewezen zonder de gevorderde excuses en wel als volgt:

            “Ik heb op 19 mei 2021 op mijn Facebook account het volgende gepost:

“Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani…”

            Dit berust echter niet op waarheid en door het bericht desondanks te publiceren heb ik onrechtmatig gehandeld. Door mijn handelen hebben zowel mevrouw Claudia Redan als het Academisch Ziekenhuis schade geleden.”

4.7       Voor plaatsing van het bericht in de dagbladen De Ware Tijd, Times of Suriname en op het radiostation Radio 10 ziet de kantonrechter geen aanleiding. Hellings zal worden veroordeeld tot plaatsing van de voorgeschreven tekst op de nieuwspagina van Starnieuws.

4.8       De gevorderde dwangsom zal als na te melden worden toegewezen.

4.9       Hellings zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld bestaande uit de kosten voor vastrecht ad SRD 50, – en oproeping ad SRD 786, -.

            In reconventie

4.10     Het oordeel in conventie doet de grondslag aan de vordering in reconventieontvallen. Thans is niet aannemelijk dat Hellings ten onrechte en nodeloos, ongegrond in rechte is aangesproken.

4.11     In conventie is aannemelijk geworden dat het recht van Redan en AZ op bescherming van de goede naam en eer zwaarder weegt dan het recht van Hellings om zijn mening vrij te uiten. Hellings zal daarom in conventie – kort gezegd – worden veroordeeld tot verwijdering van de gewraakte post en plaatsing van een rectificatie.

4.12     De vordering in reconventie zal op grond van voorgaande als ongegrond worden afgewezen met veroordeling van Hellings in de proceskosten. 

  1. De beslissing

            De kantonrechter in kort geding 

            In conventie

5.1       Veroordeelt Hellings om binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis zijn publicatie op zijn Facebook account van 19 mei 2021 met als titel:           

            “Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani…” 

te verwijderen.

5.2       Veroordeelt Hellings om binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis de publicatie hiervoor onder 5.1geciteerd te rectificeren door op zijn eigen Facebook account te plaatsen en op het medium Starnieuws te doen plaatsen het volgende bericht:

            “Ik heb op 19 mei 2021 op mijn Facebook account het volgende gepost:

“Een directeur van een ziekenhuis pierde haar mond over code zwart nadat ze in het weekend mooi haar winti pley had gehouden!! Un no kong aksi mi dong dong sani…”

            Dit berust echter niet op waarheid en door het bericht desondanks te publiceren heb ik onrechtmatig gehandeld. Door mijn handelen hebben zowel mevrouw Claudia Redan als het Academisch Ziekenhuis schade geleden.”

5.3       Veroordeelt Hellings een eenmalige dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse Dollar) aan Redan en AZ te betalen indien hij niet aan de veroordelingen hiervoor onder 5.1 en 5.2 voldoet.

5.4       Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.5       Veroordeelt Hellings in de proceskosten aan de zijde van Redan en AZ tot aan deze uitspraak begroot op SRD 836, – (achthonderdzesendertig Surinaamse Dollar).

5.6       Weigert het meer of anders gevorderde. 

            In reconventie

5.7       Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.8       Veroordeelt Hellings in de proceskosten aan de zijde van Redan en AZ tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 28 oktober 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

[1] Zie ook Wortubuku fu Sranantongo, SIL International, 5e editie, 2007.

 

SRU-K1-2021-13

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 17-1362

24 juni 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[eiseres],

wonend te Paramaribo,

eiseres,

gemachtigden: mr. L.E. Palmburg, mr. J. Pinas en I.D. Kanhai BSc., advocaten,

tegen

A.[gedaagde sub A],

gevestigd te Paramaribo,

B. [gedaagde sub B],

wonend te Paramaribo,

gedaagden,

gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat.

  1. Het procesverloop

 1.1    Dit blijkt uit de navolgende processtukken en -handelingen:

  • het op 24 maart 2017 op de Griffie der Kantongerechten ingediend inleidend verzoekschrift, met producties;
  • de op 27 april 2017mondeling genomen conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord en uitlating producties met producties;
  • de conclusie van replieken uitlating producties met een productie;
  • de conclusie van dupliek en uitlating productie met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie met producties zijdens eiseres;
  • de conclusie tot uitlating producties met producties zijdens gedaagde;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens eiseres.

  1.2    De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

 2. De feiten

2.1     [de stichting] heeft als doel onder meer het begeleiden van bedrijfstrainingen en workshops. De activiteiten van de stichting zijn aangevangen op 13 maart 2001. Gedaagde sub B is    secretaris /penningmeester van de stichting, e.e.a. zoals blijkt uit een uittreksel uit het Handelsregister van 19 mei 2017.

2.2     [gedaagde sub A] heeft als doel onder meer het organiseren en begeleiden van gecertificeerde opleidingen op bachelor- en masterniveau.De nv i.o. is per 6 mei 2011 omgezet in een naamloze vennootschap. Gedaagde sub B is directeur van de nv,e.e.a. zoals blijkt uit een uittreksel uit het Handelsregister van 09 december 2016.

2.3      Eiseres heeft zich bij [gedaagde sub A], ingeschreven voor de opleiding Bachelor Toegepaste Psychologie van januari 2015 t/mdecember 2018. Zijheeft een bedrag van € 7.680, – voor de eerste twee collegejaren betaald.

2.4      In een brochure (z.j.) van [gedaagde sub A] staat over de opleiding ‘Hbo Bachelor Toegepaste Psychologie’ op pagina 1 in rood omrand kader: “De inhoud van de opleiding is internationaal geaccrediteerd!!!”. Op pagina 5 staat onder het kopje ‘Diploma’ onder meer:”De bachelor van [gedaagde sub A] is internationaal geaccrediteerd.”

2.5      Uit een schrijven van 1 december 2015 met in het brievenhoofd de vermelding [gedaagde sub A], blijkt dat gedaagde sub B in de hoedanigheid van ‘directeur [gedaagde sub A]’ aanwezig is geweest bij een evaluatiegesprek met eerstejaars studenten van de Bachelor opleiding Toegepaste Psychologie.

2.6       Onder de kop ‘Accreditatie’ van voormeld schrijven staat:

 “Vraag gesteld uit de groep over de accreditatie van de opleiding. Hier is uitleg aan gegeven dat de opleiding Bachelor Toegepaste Psychologie reeds via onze business-partner[instantie 1] eenNVAO accreditatie heeft (EU). Dit maakt dat ‘[instantie 2]’een verkorte procedure van de NOVA inSU krijgt. Momenteel zit [instantie 2] midden in het accreditatieproces.”

2.7       Over de accreditatie staat in een schriftelijk verslag van 14 januari 2016 met in het brievenhoofd de vermelding [gedaagde sub A] onder het kopje ‘Nieuw examen en huishoudelijk reglement’ over de start van de eerste les, college jaar 2, module case Psychologie op 12 januari 2016 het volgende:

[instantie 2] geeft aan dat het instituut in het accreditatieproces van NOVA zit en de bachelor-opleiding Toegepaste Psychologie eerst wordt geaccrediteerd. En aangezien dit onafhankelijk instituut hoge eisen stelt, zal het Instituut vanaf dit collegejaar strikt het examen en huishoudelijk reglement toepassen. Verder worden de leveringsvoorwaarden ook toegepast.”Gedaagde sub B is in de hoedanigheid van ‘directeur [gedaagde sub A]’ bijde start aanwezig.  

2.8       Eiseres heeft via e-mailbericht van 13 december 2016 aan de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie te Den Haag, Nederland, het volgende voorgelegd:

“Ik ben reeds 2 jaar als student Bachelor Toegepaste Psychologie verbonden aan [gedaagde sub A]  in Suriname. Bij de inschrijving werd ons meegedeeld dat de opleiding NVAO geaccrediteerd is.Echter hebben wij het bewijs daarvan nimmer gehad en tot nu toe kan het niet bevestigd worden.”

Op 16 december 2016 bericht [persoon], Communicatie, Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie via e-mail:

“Nee, deze opleiding is voor [instantie 2] etc in Suriname niet door ons geaccrediteerd.

Maar, [instantie 2] werkt samen met [instantie 1] en wij hebben de bacheloropleiding Toegepaste Psychologie wel voor [instantie 1]geaccrediteerd.”(…)

Dit betekent dat [instantie 1] voor de opleiding verantwoordelijk blijft en u na succesvolle afronding van de studie ook een diploma van [instantie 1] ontvangt/moet ontvangen.”

In vervolg op voorgaand bericht staat vermeld:

“Mijn internationale collega attendeerde mij erop dat [instantie 1]  in 2014 heeft aangegeven dat zij niet met [instantie 2] samenwerken en deze informatie dus foutief op hun website staat.

Ik verzoek u dan ook mijn eerdere informatie als niet verzonden te beschouwen.

De samenwerking blijkt niet rechtsgeldig en de diploma’s van [instantie 2]  voor Toegepaste Psychologie zijn in dat geval ook geen rechtsgeldige bachelordiploma’s.De NVAO heeft immers geen Toegepaste Psychologie opleiding voor [instantie 2] geaccrediteerd. (…)”.

2.9      Bij betekend schrijven van 16 december 2016 van haar advocaat heeft eiseres aan gedaagde sub A aandacht gevraagd voor onder meer het volgende.

“(…) In de brochure wordt (…) aangegeven dat de inhoud van deze HBO Bachelor Opleiding internationaal is geaccrediteerd. (…)Het is u bekend dat in ons land de Nova belast is met het accrediteren van hogere beroepsopleidingen. (…) Zo hebben cliënten de vrijheid genomen om bij Nova en het Ministerie van Onderwijs te informeren naar de status van de opleiding die zij volgen. De Nova gaf als informatie dat vanuit uw onderwijsinstelling slechts informatie is aangevraagd maar dat het proces om te komen tot de accreditatie van uw onderwijsinstelling niet is ingezet. Ook het Ministerie van Onderwijs (afdeling BOS) is niet bekend met enig accreditatieverzoek vanuit uw onderwijsinstelling.

Ik wens te benadrukken dat op 14 januari 2016 bij de start van het 2e collegejaar aan de studenten, waaronder cliënten, is voorgehouden dat uw instituut in het accreditatieproces van de Nova zit en dat de Bachelor Opleiding Toegepaste Psychologie als eerste wordt geaccrediteerd. (…)

Voor elk van hun geldt namelijk dat zij na afronding van deze bacheloropleiding een vervolg Masteropleiding in Suriname of in het buitenland willen volgen en dat kan alleen als de opleiding die zij nu volgen aan alle vereisten voldoet qua erkenning en accreditering. (…)”

2.10 [instantie 1] te Hilversum, Nederland,schrijft op 22 februari 2018 aan [gedaagde sub A] onder meer:“(…) Op grond van de raamovereenkomst van 6 september 2010 heeft [instantie 1] lesmateriaal voor de voor de Nederlandse markt door [instantie 1] ontwikkelde bacheloropleiding Toegepaste Psychologie (de “Opleiding”) aan [gedaagde sub A] geleverd. (…)Uit zowel de Historie als het Actuele Afschrift volgt dat de Opleiding bij besluit van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) 30 augustus 2011 accreditatie heeft verkregen tot 29 augustus 2017. (…)”.

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1       Eiseres vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  • de overeenkomsten van 10 november 2014 en 09 september 2015 (althans alle overeenkomsten voor zover de deelbetalingen ook als overeenkomst worden beschouwd) die zij met gedaagden, althans gedaagde sub A,is aangegaan en waarbij zij zich heeft ingeschreven op de HBO Bacheloropleiding Toegepaste Psychologie voor het 1e en 2e collegejaar opschort c.q. schorst;
  • gedaagden veroordeelt, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen de som van Euro 7.670, -bij wege van voorschot,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
  • gedaagden veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2    Eiseres legt daaraan ten grondslag dat zij over de HBO Bachelor Opleiding Toegepaste Psychologieen de accreditatie daarvan informatie heeft gehaald van de website van [de stichting],en uit de door hen uitgegeven brochure. Ook hebben gedaagden eiseres verzekerd dat de opleiding internationaal geaccrediteerd is en wordt afgesloten met een rechtsgeldig diploma. Op grond van de verkregen informatie en de verzekering door gedaagden heeft eiseres zich in november 2014 voor de opleiding ingeschreven bij [gedaagde sub A]. Zij heeft aan collegegeld voor het eerste jaar een bedrag van € 4.380, -betaald. Evenwel is de opleiding een jaar later aangevangen. Eiseres en andere studenten hebben meerdere malen gedaagde sub B verzocht om duidelijkheid over het accreditatietraject van de opleiding. Gedaagde sub B heeft studenten op 1 december 2015 geïnformeerd dat [gedaagde sub A] via de business partner [instantie 1] in Nederland, een NVAO accreditatie heeft en dat [instantie 2] in Suriname een verkorte procedure van het Nationaal Orgaan voor Accreditatie, NOVA, krijgt. Eiseres heeft op grond van deze informatie het bedrag van € 3.300, – voor het tweede collegejaar betaald. Op 12 januari 2016, in het openingscollege van het tweede jaar, heeft gedaagde sub B studenten, onder wie eiseres, voorgehouden dat het instituut in het accreditatieproces van NOVA zit. Ook heeft gedaagde sub B hen geïnformeerd dat de Bachelor Opleiding Toegepaste Psychologie als eerste geaccrediteerd zal worden. Omdat gedaagde sub B halverwege het jaar 2016 nog geen concrete mededelingen over het accreditatieproces had gedaan, is eiseres op onderzoek uitgegaan. Eiseres heeft de rechtsgeldigheid noch accreditatie van diploma’safgegeven door [instantie 2],bevestigd gekregen. Evenmin is haar gebleken dat gedaagden een accreditatieverzoek bij het Nationaal Orgaan voor Accreditatie, NOVA,hebben neergelegd. Gedaagden weigeren informatie over het accreditatietraject aan eiseres te verschaffen. Ook zijn zij het geven van rechtsgeldig onderwijs waartoe zij zich jegens eiseres verplicht hebben niet nagekomen. Eiseres heeft daarom gedaagden in gebreke gesteld. Gedaagden, specifiek gedaagde sub B, hebben eiseres steeds ten onrechte de verzekering gegeven dat het proces bij NOVA reeds was opgestart. Door de misleidende handelingen hebben gedaagden in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

3.3    Gedaagden voeren verweer als volgt. Allereerst is tot niet ontvankelijkheid van eiseres in haar vordering tegen gedaagde sub B geconcludeerd, omdat laatstgenoemde niet qualitate qua in het proces is betrokken. Voorts is aangevoerd dat [de stichting] een geheel ander opleidingsinstituut dan [gedaagde sub A] is. De oorzaak van de latere aanvang van de opleiding is daarin gelegen dat door het accreditatieproces van [instantie 1] in Nederland het lesmateriaal voor de opleiding in 2014 later werd ontvangen. Aan eiseres en andere studenten is een brochure verstrekt waarop de tekst “NVAO geaccrediteerde opleiding” staat. Op een nader tijdstip is dit gewijzigd en is in de brochure de tekst “de inhoud van de opleiding is internationaal geaccrediteerd” aangebracht.Deze wijzigingen zijn de studenten nog voor de aanvang van de studie voorgehouden. Gedaagde sub A heeft aldus aan haar mededelingsplicht voldaan. In de precontractuele fase en niet nu, twee jaren nadat de verbintenis reeds in uitvoering is, rustte op eiseres een onderzoekplicht. Aan eiseres is een volledig pakket aan studiemateriaal waaronder een tablet afgegeven en zij heeft de daarbij horende colleges op gedegen niveau in een goed geoutilleerde school kunnen volgen. Ook al zou de samenwerking met het Instituut op een later moment zijn stopgezet, wil zulks nog niet zeggen dat de opleiding anders is dan de studenten is voorgehouden. Van wanprestatie kan dan ook geen sprake zijn eneiseres kan niet te goeder trouw teruggave van de collegegelden vorderen. De samenwerking met [instantie 1] houdt in dat de bij NVAO geaccrediteerde opleidingen van het Instituut aan gedaagde sub A ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de door gedaagde sub A te verzorgen bachelor opleidingen. Eiseres is hiervan op de hoogte en weet ook dat gedaagde sub A een separaat accreditatieproces is begonnen bij NOVA. Eiseres en overige studenten weten ook dat de Bachelor Opleiding Toegepaste Psychologie een geheel nieuwe door gedaagde sub A verzorgde opleiding is. Gedaagde sub A voert aan dat de NOVA accreditatie geen enkele garantie biedt dat studenten die na afronding van de opleiding bij gedaagde sub A aansluiting zoeken bij enig instituut – een Nederlandse universiteit of de Adekus – zullen worden geaccommodeerd. Standpunt is dat de desbetreffende universiteiten hun eigen procedures kennen en hun eigen procedures en criteria hanteren om studenten toe te laten tot master opleidingen.

  1. De beoordeling

4.1      De spoedeisendheid van het gevorderde is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk. Eiseres zal daarom in kort geding ontvangen worden.      

4.2       In dit geding wordt van het volgende uitgegaan. [instantie 1] heeft voor de Nederlandse markt de bachelor opleiding Toegepaste Psychologie (hierna opleiding TP) ontwikkeld. De opleiding TP heeft accreditatie verkregen op 30 augustus 2011 bij besluit van de NVAO voor een periode eindigend op 29 augustus 2017. [instantie 1] heeft lesmateriaal van genoemde opleiding aan gedaagde sub A geleverd op grond van een raamovereenkomst van 6 september 2010. Het lesmateriaal, nodig voor de opleiding TP die gedaagde sub A in 2014 reeds bekendgemaakt had, werd op een later tijdstip geleverd, wat volgens gedaagden verband hield met het accreditatieproces van [instantie 1] in Nederland. De opleiding TP door gedaagden aangeboden, is in januari 2015 van start gegaan.

4.3       Gedaagden hebben het schrijven van 1 december 2015 niet weersproken, zodat de inhoud daarvan tussen partijen vast staat. Uitleg aan studenten over de accreditatie van de opleiding TP luidt volgens aangehaald schrijven – kort gezegd – dat reeds via de business partner [instantie 1], die door NVAO geaccrediteerd is, de opleiding TP van gedaagde sub A accreditatie heeft. Eiseres heeft hiertegenover gesteld dat het ‘Verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de Accreditatie van Opleidingen binnen het Vlaamse en Nederlandse Hoger Onderwijs’, slechts op deze twee landen van toepassing is. De opleiding TP zal daarom volgens eiseres door het NOVA geaccrediteerd moeten worden.

4.4      De kantonrechter overweegt dat enkel het gebruik van lesmateriaal van een geaccrediteerde opleiding niet kan leiden tot rechtsgeldige accreditatie van eenniet geaccrediteerde opleiding waarvoor het lesmateriaal wordt of is gebruikt. Zulks vloeit reeds voort uit de wet. Blijkens de Wet NOVA, artikel 1 sub g is volgens de daar gegeven definitie een opleiding een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden; een opleiding kan één of meer afstudeerrichtingen bevatten; een onderwijseenheid is een geheel van activiteiten van de student dat deel uitmaakt van een opleiding, waaraan een examen verbonden is. Uit deze wettelijke definitie vloeit voort dat lesmateriaal onderdeel is van een meeromvattend onderwijstraject. De opsomming die gedaagde geeft – hiervoor onder 3.3 aangehaald – maakt zulks niet anders, nu daaruit niet van aansluiting blijkt bij de in de brochures van gedaagde sub A vermelde programma’s. Voorts is naar het oordeel van de kantonrechter de stelling van eiseres niet onjuist dat accreditatie van de opleiding TP door NOVA nodig is. Immers, niet alleen ontleent gedaagde sub A geen rechtstreekse rechten aan het verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden, zijstelt in het onderhavig geval een geheel nieuwe door haar verzorgde opleiding aan te bieden. In dit verband zij – voor zover van belang en wellicht ten overvloede – verwezen naar artikel 18 van de Wet NOVA over de toets van nieuwe opleidingen jo. artikel 12 leden 3 en 4.

4.5       De bachelor opleidingen Bedrijfskunde en Informatie Technologie van gedaagde sub A heeft NOVA erkend in het jaar 2010. Ex artikel 15 lid 6 van de Wet Nova vervalt een accreditatie zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het accreditatiebesluit. In dit geding is gesteld noch gebleken dat voor deze opleidingen een nieuw accreditatiebesluit in werking is getreden met ingang van de dag waarop voornoemd besluit is vervallen in 2016. Ook is het overzicht van NOVA van geaccrediteerde opleidingen per 1 januari 2018 onweersproken gebleven, zodat tussen partijen vaststaat, dat in het jaar 2018 geen door NOVA geaccrediteerde opleidingen van gedaagde sub A in het Centraal Register ex artikel 24 Wet Nova geregistreerd staan. Het karakter van de beperkte duur van een accreditatie, i.c. zes jaar, maakt dat eiseres zich na verloop van de termijn niet langer kan beroepen op de verkregen accreditatie voor (op)nieuw aan te bieden opleidingen, e.e.a. overeenkomstig de Wet NOVA, artikel 15.

4.6       Voorop staat dat contractspartijen elkaar moeten kunnen vertrouwen. Het bewust achterwege laten van een mededeling waarvan men weet dat die voor de wederpartij van belang is, vormt in het algemeen opzettelijke misleiding. Eiseres stelt dat gedaagden door misleidend handelen in strijd hebben gehandeld met het zorgvuldigheidscriterium. Gedaagden voeren hiertegen aan dat op eiseres een onderzoekplicht rustte in de precontractuele fase en niet na twee jaar. De kantonrechter overweegt dat ook als gedaagden aanvoeren dat een mogelijke dwaling van eiseres is gelegen in een uitsluitend toekomstige omstandigheid, die redenering niet opgaat. Immers de dwaling heeft dan betrekking op het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geldende juridische kader (Van Velde-Roozen, NJ 2008, 286). Regel is dat wie wil contracteren een onderzoekplicht heeft. Echter, aan de mededelingen van gedaagden behoefde eiseres in beginsel niet te twijfelen. Eiseres mocht uitgaan van de professionaliteit van de school, die ter zake deskundig was. Evenwel blijkt dat gedaagden,in dit geding het standpunt innemend dat [de stichting] een geheel ander opleidingsinstituutis, bij de evaluatiebijeenkomst op 1 december 2015belangrijke mededelingen over de accreditatie van de opleiding TP hebben gedaan bij monde van gedaagde sub B in haar hoedanigheid van directeur van deze stichting. Nota bene is daarbij steeds ‘[instantie 2]’ genoemd als de organisatie die het accreditatietraject bij NOVA doorloopt voor de opleiding TP. Dit laatste staat haaks op de stelling van gedaagden in het onderhavig geding dat gedaagde sub A het instituut is dat een geheel nieuwe door haar verzorgde opleiding TP aanbiedt. De kantonrechter oordeelt dat als in het onderhavig geval achteraf blijkt dat eiseres op onjuiste mededelingen van gedaagden is afgegaan, zij dan verschoonbaar dwaalt (Booy-Wisman, NJ 1966, LJN AC4621).Gedaagden waren zich bewust van de niet in gang gezette accreditatieprocedure bij NOVA voor de opleiding TP door ‘[instantie 2]’ en gedaagde sub A. Om die reden reeds waren gedaagdengehouden ten opzichte van eiseres zorgvuldig te contracteren. Immers, eiseres kon niet geacht worden van de werkelijke stand van zaken, door gedaagden kennelijk geduid als ‘vennootschappelijke zaken’, op de hoogte te zijn. Zo wist eiseres niet dat op de evaluatie van 1 december 2015 ‘[instantie 2]’ weliswaar werd genoemd als het instituut in het accreditatietraject, maar dat in 2014 vertragingen waren opgetreden in de levering van lesmateriaal aan gedaagde sub A als de aanbieder van de geaccrediteerde opleiding TP.

4.7       Conclusie uit het voorgaande is dat vooralsnog aannemelijk is dat gedaagden noch in 2015 noch in 2016 een geaccrediteerde opleiding TP aan eiseres hebben geleverd. Ook hebben gedaagden eiseres onvolledig dan wel onjuist geïnformeerd over de accreditatie van de opleiding TP. Eiseres heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gesteld dat zij de overeenkomst voor de opleiding TP met gedaagden is aangegaan om de accreditatie van die opleiding. Zonder accreditatie van de opleiding TP zou eiseres niet of niet onder dezelfde voorwaarden de opleidingsovereenkomst met gedaagden zijn aangegaan. Gedaagden hebben onzorgvuldig gehandeld jegens eiseres.

4.8       De voorgaande feiten en omstandigheden maken aannemelijk dat de bodemrechter de vernietiging van de opleidingsovereenkomst zal uitspreken. De kantonrechter zal daarom het gevorderde toewijzen.

4.9       Gedaagden menen dat eiseres in haar vordering tegen gedaagde sub B niet ontvankelijk is. Geoordeeld wordt dat eiseres in haar vordering tegen gedaagde sub B wel ontvankelijk is nu uit het niet weersproken uittreksel uit het Handelsregister blijkt dat zij enig bestuurder – directeur – is van [gedaagde sub A] en gesteld noch gebleken is dat het handelen van gedaagde sub A effectief te bestrijden is zonder ook gedaagde sub B aan te spreken.

4.10     Slotsom is dat het gevorderde zal worden toegewezen. Aan een bespreking van overige stellingen en weren wordt niet toegekomen.

4.11     Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten verwezen worden.

  1. De beslissing

            De kantonrechter in kort geding

5.1       Schorst de overeenkomsten van 10 november 2014 en 09 september 2015, althans alle overeenkomsten voor zover de deelbetalingen ook als overeenkomst worden beschouwd tussen gedaagden, althans gedaagde sub A en eiseres waarbij eiseres zich heeft ingeschreven voor de HBO Bachelor Opleiding Toegepaste Psychologie voor het eerste en het tweede collegejaar.

5.2       Veroordeelt gedaagden, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, bij wege van voorschot aan eiseres te betalen de som van € 7.670,- (zevenduizend zeshonderdenzeventig Euro) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 27 maart 2017 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.3       Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4       Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op SRD 500, – (vijfhonderd Surinaamse Dollar).

5.5       Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en uitgesproken op donderdag 24 juni 2021 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de griffier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU–2021-1

DE KRIJGSRAAD

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Parketnummer     : SPG.No.3975/07

Vonnisnummer    : 4

Datum uitspraak  : 30 augustus 2021

Verzet

Raadsman             : I.D. Kanhai, Bsc., advocaat,                                                                                                                

VONNIS

van de Krijgsraad, zitting houdende te Paramaribo, in de verzet strafzaak van de auditeur-militair tegen:

 BOUTERSE, DESIRÉ DELANO,

geboren op [datum] in [district],

voorheen van beroep militair in de rang van Luitenant-Kolonel, thans politicus,

wonende aan de [adres] te [district],

defaillant,

  1. Ontvankelijkheid rechtsmiddel van verzet

 Op 29 november 2019 heeft de Krijgsraad in de onderhavige strafzaak tegen de voornoemde defaillant vonnis bij verstek gewezen en uitgesproken. Het bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis heeft plaatsgevonden op basis van al hetgeen tijdens het onderzoek op de diverse data gehouden terechtzittingen en gerechtelijke plaatsopnemingen in de onderhavige strafzaak tegen de defaillant (toen de niet – verschenen verdachte), en wel gedurende 30 november 2007 tot en met 29 november 2019, heeft plaatsgevonden.

Op 2 december 2019 heeft de defaillant door tussenkomst van zijn raadsman het rechtsmiddel van verzet tegen het verstekvonnis aangewend.

De Krijgsraad is van oordeel dat de defaillant binnen de in artikel 364 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde termijn het rechtsmiddel van verzet heeft aangewend, zodat hij daarin ontvankelijk is.

  1. Het onderzoek van de verzet strafzaak ter terechtzitting

 Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van al de procesverrichtingen die op de terechtzittingen van respectievelijk d.d. 22 januari 2020, 30 oktober 2020, 30 november 2020, 29 januari 2021, 26 februari 2021, 31 maart 2021, 30 april 2021 en 30 juli 2021 hebben plaatsgevonden en van welke terechtzittingen de processen-verbaal zijn opgemaakt.

De Krijgsraad heeft op basis van al de procesverrichtingen die ter terechtzitting hebben plaatsgevonden het volgende vastgesteld:

– de defaillant is in de gelegenheid gesteld om de reden van het aanwenden van het verzet aan te geven, welke hij middels een statement op 30 november 2020 heeft gedaan;

– de defaillant is conform het bepaalde in artikel 269 Sv in de gelegenheid gesteld preliminaire verweren op te werpen, welke preliminaire verweren de Krijgsraad in haar beslissing op 31 maart 2021 heeft verworpen;

– vervolgens heeft de Krijgsraad zowel de defaillant, als de vervolging in de gelegenheid gesteld de namen van getuigen die zij in de onderhavige verzet strafzaak wensen te doen horen op te geven, bij welke gelegenheid de defaillant en de auditeur-militair aan de Krijgsraad hebben kenbaar gemaakt geen behoefte te hebben om getuigen te doen horen;

– de defaillant heeft, aleer de Krijgsraad zou overgaan tot zijn verhoor, op de terechtzitting van 30 april 2021 uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat hij gebruik wenst te maken van zijn zwijgrecht. Bij die gelegenheid hij heeft kenbaar gemaakt dat hij persisteert bij:

a) zijn verhoor en nader verhoor, die hij bij de Rechter-commissaris tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek respectievelijk d.d. 28 juni 2001 en 30 november 2004 heeft afgelegd, van welk verhoor en nader verhoor de processen-verbaal zich in het strafdossier dossier bevinden;

b) zijn op schrift gestelde statement, welke hij op de terechtzitting van 30 oktober 2020 heeft voorgelezen en overgelegd;

– hierna zijn de auditeur-militair en de raadsman van de defaillant in de gelegenheid gesteld om respectievelijk het requisitoir, pleidooi, repliek en dupliek te voeren, en is de defaillant na afloop van deze proceshandelingen in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren. Op daartoe uitdrukkelijk gestelde vraag van de Krijgsraad of hij indien er naar aanleiding van het laatste woord vragen gesteld zullen worden, bereid is die te beantwoorden, heeft defaillant wederom uitdrukkelijk kenbaar gemaakt gebruik te maken van zijn zwijgrecht.

De Krijgsraad gaat thans over tot het wijzen van vonnis in de onderhavige verzetstrafzaak tegen de defaillant.

  1. De tenlastelegging
    Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding bij de Krijgsraad, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De defaillant is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

  1. Het vonnis waarvan verzet

De Krijgsraad volhardt bij de inhoud van de eerder door haar gegeven en uitgesproken beslissing d.d. 31 maart 2021 op de door de defaillant opgeworpen preliminaire verweren betreffende nietigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van de Krijgsraad en de niet-ontvankelijkheid van de auditeur-militair. Van deze beslissing is als bijlage II aan dit vonnis gehecht, een door de griffier gewaarmerkte fotokopie, van welke beslissing de inhoud moet worden geacht hier in dit vonnis te zijn overgenomen.

De Krijgsraad heeft kennis genomen van de statement van de defaillant, de vordering van de auditeur-militair bij requisitoir en repliek, van hetgeen de raadsman van de defaillant naar voren heeft gebracht bij pleidooi en dupliek, en van het laatste woord van de defaillant.

De auditeur-militair heeft gepersisteerd bij al hetgeen in de verstekprocedure in het requisitoir en het repliek is gesteld, overwogen en gevorderd op basis van de door de auditeur-militair aangedragen bewijsmiddelen en -overwegingen. De auditeur-militair heeft geconcludeerd dat de defaillant en diens raadsman geen nieuwe gezichtspunten naar voren hebben gebracht die de vervolging nopen tot andere overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring, en gevorderd dat de Krijgsraad het bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 29 november 2019 bekrachtigt.

De raadsman van de defaillant heeft evenals de auditeur-militair gepersisteerd bij al hetgeen in het pleidooi en het dupliek in de verstekprocedure is aangevoerd, waarbij het verzoek is gedaan om alles als herhaald te willen aanmerken op grond waarvan hij vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging voor de defaillant vordert.

Aan dit vonnis is als bijlage III gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van het op 29 november 2019 door de Krijgsraad bij verstek gewezen en in het openbaar uitgesproken vonnis tegen de defaillant. De Krijgsraad is in het verstekvonnis – en zoals dat uit de inhoud ervan blijkt – breedvoerig ingegaan op de juridische standpunten van de auditeur-militair en de raadsman van de defaillant met betrekking tot de bewijsmiddelen c.q. de bewijswaardering. De Krijgsraad heeft op basis van de door haar gebezigde bewijsmiddelen in de verstekprocedure het aan de defaillant ten laste gelegde feit, te weten medeplegen van moord, wettig en overtuigend bewezen verklaard en heeft aan de defaillant een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren opgelegd.

De auditeur-militair en de raadsman van de defaillant hebben in de onderhavige verzetprocedure, vanwege het blijven volharden in de standpunten die zij in de verstekprocedure hadden aangevoerd, de Krijgsraad geen nieuwe inzichten verschaft over de bewijsmiddelen die zijn gebezigd in het verstekvonnis.

Voor wat betreft de door de defaillant in zijn statement van 30 november 2020 en zijn laatste woord op 30 juli 2021 gehuldigde juridische standpunten over de door de Krijgsraad gebezigde bewijsmiddelen in het door haar gewezen en uitgesproken verstekvonnis, benadrukt de Krijgsraad dat zij niet in de gelegenheid is geweest om deze ter terechtzitting te toetsen dan wel aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dit, vanwege het uitdrukkelijk beroep van de defaillant op het gebruik maken van het aan hem toekomende zwijgrecht.

De Krijgsraad wenst te benadrukken dat de defaillant de bevoegdheid toekomt om het rechtsmiddel van verzet aan te wenden, doch heeft hij naar het oordeel van de Krijgsraad met het zich daarna beroepen op zijn zwijgrecht, oneigenlijk gebruik van dit rechtsmiddel gemaakt. Dit, omdat de defaillant met het aanwenden van dit rechtsmiddel de indruk heeft doen wekken dat hij – in het kader van de waarheidsvinding – alle feiltelijke en juridisch relevante zaken die hij vanwege zijn niet verschijning in de verstek procedure heeft kunnen aandragen, bij de behandeling van de strafzaak in verzet procedure aan de orde zou stellen.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de Krijgsraad geen andere keus dan deze strafzaak zonder nader onderzoek af te doen op grond van de processtukken die zich in het strafdossier bevinden.

Nu de Krijgsraad in het door haar op 29 november 2019 gewezen en uitgesproken verstekvonnis reeds breedvoerig en ampel is ingegaan op al de juridische standpunten van de auditeur-militair en de raadsman van de defaillant en bij de inhoud van het verstekvonnis blijft volharden, zal de Krijgsraad het bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis, waarvan thans verzet, bekrachtigen.

  1. Beslissing in verzet

 De Krijgsraad:

Bekrachtigt het op 29 november 2019 door de Krijgsraad bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis in de strafzaak van de auditeur-militair tegen de defaillant Bouterse, Desiré Delano.

 

Dit vonnis is gewezen door

drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, president,

S.M.M. Chu, lid,

R.G. Chatterpal, lid,

en ter openbare terechtzitting uitgesproken op 30 augustus 2021 te Paramaribo door de president van de Krijgsraad, mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Oosterwolde.

w.g. N. Oosterwolde                                                                                                             w.g.C.C.L.A.Valstein-Montnor

                                                                                                                                                      w.g.S.M.M.Chu

                                                                                                                                                      w.g.R.G.Chatterpal

           

                                                                                                           Voor afschrift

                                                                                              De Griffier van de Krijgsraad

 

                                                                                                          Mr.N. Oosterwolde