SRU-K1-2026-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202504857
23 juni 2026

Vonnis in kort geding in de zaak van:

AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ BAITALI N.V.,
kantoorhoudende aan de Duisburglaan no. 29 te Paramaribo,
eiseres in het incident,
eiseres in conventie in de hoofdzaak, tevens gedaagde in reconventie in de hoofdzaak,
hierna te noemen: Baitali,
gemachtigde: mr. G.N. Best, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Openbare Werken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende aan Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde in het incident,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak, tevens eiseres in reconventie in de hoofdzaak,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 23 december 2025 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
– de conclusie van eis d.d. 08 januari 2026;
– de conclusie van antwoord en van eis in reconventie, met producties;
– de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties, tevens de eis in het incident;
– de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, tevens het antwoord in het incident;
– de conclusie van dupliek in reconventie;
– de gehouden comparitie van partijen en mondelinge uitlating van partijen na de gehouden comparitie d.d. 18 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie
2.1 Tussen de Republiek Suriname en de Inter-American Development Bank (hierna: IDB) is een leningsovereenkomst gesloten ter financiering van het project “Improving Transport Logistics and Competitiveness in Suriname.”. Hieronder valt ook het project “Construction of Van ’t Hogerhuysstraat and Slangenhoutstraat”.

2.2 Vanwege budgetbeperking (niet beschikken over middelen uit de begroting) zijn onder andere de Slangenhoutstraat en de Van ’t Hogerhuysstraat geïdentificeerd om uit de IDB-lening te worden gefinancierd.

2.3 In oktober 2024 heeft de Staat bekend gemaakt dat een openbare aanbesteding zal worden gehouden voor het aanleggen van nieuwe wegen aan de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat te Paramaribo en dat het zal worden gefinancierd uit een lening van de Inter-American Development Bank (hierna: IDB).

2.4 Baitali is een van de aannemers die zich heeft ingeschreven voor de aanbesteding.
Op 12 maart 2025 heeft de Staat Baitali schriftelijk bericht dat haar inschrijving is afgewezen en dat hij voornemens is het werk aan een andere inschrijver te gunnen. Daarbij heeft de Staat de redenen tot afwijzing van de inschrijving aan Baitali kenbaar gemaakt.

2.5 Baitali kan zich niet terugvinden in de afwijzing en heeft in dat licht op 07 april 2025 een kortgedingzaak (bekend onder CIVAR No. 202501387) aangespannen tegen de Staat, waarbij Baitali primair heeft gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance intrekt;
B. de Staat beveelt de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst terstond staakt en gestaakt houdt;
C. de Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance alsook de staking van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst terstond bekend maakt aan alle inschrijvers;
D. de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst opschort, totdat de Staat het werk aan hem heeft gegund dan wel een nieuw besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift, welk besluit dient te voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
E. de Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de opschorting van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;
F. bij wege van onmiddellijke voorziening, de Staat bij aanvullende oproepbeschikking verbiedt de aanbestedingsprocedure voort te zetten of het werk te gunnen of met betrekking tot dat werk een aannemingsovereenkomst aan te gaan dan wel de Staat beveelt iedere uitvoering van een aannemingsovereenkomst met betrekking tot dat werk staakt, totdat de kantonrechter vonnis zal hebben gewezen in de onderhavige kortgedingzaak;
G. de Staat veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000.000,- per dag, die hij aan Baitali zal verbeuren voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder A tot en met F gevorderde, waarbij zal gelden dat enige dwangsomveroordeling telkens afzonderlijk wordt opgelegd voor elke overtreding van enig ge- of verbod;
H. de Staat veroordeelt in de kosten van het geding.

2.6 Op 10 juli 2025 heeft de kantonrechter vonnis in de hiervoor vermelde kortgedingzaak gewezen. In het vonnis (hierna: het veroordelend vonnis) heeft de kantonrechter onder meer het volgende beslist:
“ 5.1 beveelt de Staat om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de Notification of Intention to Award, het besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance in te trekken;
5.2 beveelt de Staat om over te gaan tot herbeoordeling van de inschrijving van Baitali, met inachtneming van dit vonnis;
5.3 beveelt de Staat om de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst te staken en gestaakt te houden, totdat de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali heeft plaatsgevonden;
5.4 beveelt de Staat om, na de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance alsook de staking en het gestaakt houden van de uitvoering van de reeds aangegane aannemingsovereenkomst, zulks terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;
5.5 veroordeelt de Staat tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat in strijd handelt met hetgeen in 5.1 tot en met 5.4 van dit vonnis is beslist, tot een maximum van SRD 10.000.000,-.”

2.7 Baitali heeft het veroordelend vonnis op 17 juli 2025 per exploot van een deurwaarder doen betekenen aan de Staat.

2.8 Op 21 juli 2025 heeft de Staat hoger beroep aangetekend tegen het veroordelend vonnis. Op 25 juli 2025 heeft de Staat het hoger beroep ingetrokken.

2.9 Tussen Baitali en de Staat zijn hierna diverse correspondenties gevoerd.
Naar aanleiding van een schrijven van IDB gericht aan de Minister van Openbare Werken d.d. 01 augustus 2025, heeft Baitali hierover bij schrijven van 06 augustus 2025, voor zover relevant, het volgende aan de President van de Republiek Suriname (de Staat) medegedeeld:
“ In bewust schrijven wordt gesteld dat de financiering van bovengenoemd infrastructureel project zal vervallen indien de Staat uitvoering geeft aan het vonnis van de kantonrechter d.d. 10 juli 2025.
In dat vonnis is geoordeeld dat de genomen gunningsbeslissing onrechtmatig is en dat de aanbieding van AMB opnieuw moet worden beoordeeld.
De IDB lijkt met haar stellingname een fundamenteel beginsel van onze democratische rechtsstaat te ondermijnen: de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de plicht van de Staat om rechterlijke uitspraken te respecteren en uit te voeren.
Indien de IDB dit standpunt handhaaft, dreigt de indruk te ontstaan dat externe financiers zich boven onze nationale rechtsorde plaatsen – een ontwikkeling die haaks staat op de principes van samenwerking met wederzijds respect.

Het is voor ons onbegrijpelijk dat naleving van een bindende rechterlijke uitspraak zou worden gezien als “een afwijking” zijdens de Staat Suriname, die tot stopzetting van financiering zou leiden, zeker gezien het feit dat het project door exact dezelfde IDB eerder is stopgezet vanwege integriteitskwestie en opnieuw is aanbesteed.
Nu de Surinaamse rechter onregelmatigheden heeft geconstateerd, schermt de IDB ineens met intrekking van de financiering.

Wij vrezen dat het precedent wordt geschapen – waarbij een internationale financier eist dat de Staat haar rechtsverplichtingen negeert – verregaande gevolgen heeft. Niet alleen voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid, maar ook voor de legitimiteit van toekomstige projecten gefinancierd door multilaterale instellingen.
Als de IDB dit standpunt handhaaft, plaatst zij zich duidelijk in de praktijk boven de rechter én boven de Grondwet.

Wij doen daarom een dringend beroep op u:
om publiekelijk en ondubbelzinnig aan de IDB te bevestigen dat Suriname als rechtstaat gebonden is aan rechterlijke uitspraken;
om het signaal aan de IDB af te geven dat Suriname niet onderhandelt over zijn constitutionele plichten;
om als Hoofd van de Regering te waken over de scheiding der machten en zo het gezag van de rechtspraak te waarborgen.

Wij hebben er alle vertrouwen in dat u – zoals u in uw inaugurele reden heeft benadrukt – zult staan voor integer bestuur en het versterken van het vertrouwen van de samenleving in haar instituties.
Het bevestigen van de rechtsstatelijke orde – door het naleven van rechterlijke uitspraken – is niet alleen van belang voor het binnenlands vertrouwen, maar ook voor de internationale geloofwaardigheid van Suriname als betrouwbare partner.”

2.10 Bij schrijven van 06 augustus 2025 heeft Baitali, voor zover van belang, in het kader van het veroordelend vonnis, het volgende aan de Minister van Openbare Werken kenbaar gemaakt:
‘ […]
Wij verzoeken u dringend het volgende:
Het vonnis van 10 juli 2025 integraal uit te voeren;
De Notification of Award aan de geselecteerde inschrijver in te trekken, nu deze op grond van het vonnis van 10 juli 2025 en overeenkomstig het Surinaams recht als nietig moet worden beschouwd;
Het evaluatieproces te heropenen, onder begeleiding van een onafhankelijke en niet-partijdige Project Executing Unit (PEU), en met strikte inachtneming van de aanbestedingsregels;
De IDB formeel te informeren over de noodzaak tot eerbiediging van het vonnis en de geboden procedurele zorgvuldigheid.

Wij staan open voor overleg op korte termijn, bij voorkeur met deelname van juridische vertegenwoordiging van alle partijen, teneinde de beginselen van rechtvaardigheid en transparantie te herstellen.

Tot Slot
In het publieke debat is regelmatig gewezen op mogelijke schadeclaims als reden om rechterlijke uitspraken te negeren of controversiële gunningsbesluiten alsnog te effectueren. Wij houden er rekening mee dat in de overwegingen van het ministerie mogelijk ook een afweging wordt gemaakt tussen risico’s van mogelijke schadeclaims van andere aannemers en de gevolgen voor het uitvoeren van het vonnis. In dat verband wensen wij te benadrukken dat de aanspraken van Baitali zich bij het uitblijven van de uitvoering van het vonnis niet zullen beperken tot de reeds verbeurde dwangsommen.

Wij onderkennen dat dergelijke risico’s bestuurlijke druk kunnen veroorzaken. Maar in een rechtstaat geldt: eventuele schade behoort niet te worden afgewenteld op de samenleving, maar dient te worden verhaald op degenen die verantwoordelijk zijn voor procedurele onregelmatigheden of malversaties.

In deze specifieke casus betreft dat de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB), de Project Executing Unit (PEU) en het Ministerie van Openbare Werken. Angst voor schadeclaims mag geen vrijbrief zijn om het recht te buigen – integendeel, het echt moet worden gehandhaafd zodat gerechtigheid zijn werk kan doen. Alleen op die manier kunnen vertrouwen in instituties en eerbiediging van de rechtsstaat behouden blijven.”.

2.11 De Staat heeft bij schrijven van 14 november 2025 aan Baitali medegedeeld dat Openbare Werken (die valt onder de Staat) zal overgaan tot de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali. Tevens heeft de Staat aan Baitali medegedeeld dat voor de herbeoordeling een onafhankelijke ad hoc benoemde commissie (hierna: evaluatiecommissie) is ingesteld, die binnen 2 weken het advies aan Openbare Werken zal uitbrengen en dat afhankelijk van de uitkomst van de herbeoordeling nadere gesprekken en acties ondernomen zullen worden door de Staat.

2.12 Op 20 november 2025 heeft Baitali, voor zover relevant, de volgende reactie gegeven op het hiervoor vermeld schrijven van de Staat:
“ […]
Het vonnis staat er, wat ons betreft, aan in de weg dat de Staat slechts een deel daarvan uitvoert, terwijl andere delen van het vonnis onuitgevoerd blijven. Verder is van groot belang voor de uitvoering van het vonnis dat daarbij de juiste volgorde wordt aangehouden. Tot slot gaat het niet aan het vonnis uit te voeren op een wijze die in strijd is met de toepasselijke aanbestedingsregels van de financier van het project, de IDB, aangezien dat ertoe kan leiden dat de financiering wordt ingetrokken, met alle gevolgen van dien voor, onder andere, Aannemingsmaatschappij Baitali N.V. (“Baitali”).

Gelet op het feit dat het vonnis al op 17 juli 2025 aan de Staat is betekend, maken wij ons grote zorgen over het feit dat de Staat nu pas, ruim vier maanden later, zover is dat zij uitvoering wenst te geven aan het vonnis en wel op de wijze die, wat ons betreft, onverenigbaar is met het dictum van het vonnis.

Gelet op het voorgaande, doen wij een dringend beroep op u de door u aangekondigde uitvoering te heroverwegen, door:
het vonnis in de juiste volgorde uit te voeren, te beginnen bij de intrekking van de Notification of Intention to Award, het besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance;
de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali met inachtneming van het vonnis te plegen conform de toepasselijke aanbestedingsregels van de IDB; en
de intrekking van de Notafication of Intention to Award, het besluit op het bezwaarschrift van Baitali van de Letter of Acceptance terstond bekend te maken aan alle inschrijvers.”

2.13 De evaluatiecommissie heeft de herbeoordeling gedaan en heeft het evaluatierapport ter zake aan de Staat aangeboden. De evaluatiecommissie is na herbeoordeling tot de conclusie gekomen dat de inschrijving van Baitali niet in aanmerking komt voor verdere evaluatie of gunning.
De evaluatiecommissie heeft in het evaluatierapport, waarin een hele uiteenzetting is vervat hoe de evaluatiecommissie bij de herbeoordeling te werk is gegaan, onder andere de volgende samenvatting en eindconclusie vermeld:
“ 1. Aanneming-Maatschappij Baitali N.V. heeft de voorgeschreven BID-formatie uit Section IV correct gebruikt. De ingediende jaarverslagen voldoen echter niet aan de eisen van het aanbestedingsdocument (Bidding Document), dat expliciet vereist dat audited (gecontroleerde) financial statements worden overgelegd. In plaats daarvan zijn niet-geauditeerde financiële documenten met samenstellingsverklaringen ingediend, waarin bovendien geconsolideerde cijfergegevens worden gepresenteerd. Dit is in strijd met de wet op de Jaarrekening (S.B. 2017 no. 84), die een enkelvoudige jaarrekening voorschrijft.

2. Daarnaast is vastgesteld dat de naamvoering in de samenstellingsverklaringen – waarin wordt verwezen naar “Verenigde Bedrijven Aannemings-Maatschappij Baitali N.V.”, inclusief buitenlandse dochterondernemingen – niet overeenkomt met de gegevens in het KKF-uittreksel en het ingediende BID-document. Ook zijn inconsistenties geconstateerd in functie titels van dezelfde persoon. Aannemings-Maatschappij Baitali N.V. dient zorg te dragen voor actuele en consistente Kamer van Koophandel-documentatie. Verder moeten accountantsverklaringen geaudit (gecontroleerd) zijn, zodat ondubbelzinnig kan worden vastgesteld wie verantwoordelijk is voor de financiële informatie.

3. Door het ontbreken van gecontroleerde (audit) jaarrekeningen kunnen de financiële must meet requirements uit Section III – waaronder de vereiste cashflow capaciteit van USD 5.5 miljoen, de minimum average annual construction turnover van USD 12.9 miljoen, en de via FIN03.1 en FIN-3.2 aan te tonen financiële geschiktheid – niet worden gevalideerd.

4. Aannemings-Maatschappij Baitali N.V. heeft verklaard zonder voorbehoud akkoord te gaan met het Biding Document en de beoordelingsmethodiek volgens ITB 8 en ITB 35-40, en is daarmee gebonden aan de beoordeling op deze must requirements.

5. De Commissie concludeert dat Aannemings-Maatschappij Baitali N.V. niet voldoet aan de financiële must meet requirements zoals vereist door zowel het IDB-Biding Document als de nationale wetgeving.
De inschrijving komt daarom niet aanmerking voor verdere evaluatie of gunning.”

2.14 Bij schrijven van 02 januari 2026 heeft de Staat Baitali schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomst van de herbeoordeling en heeft daarbij een exemplaar van het uitgebreid evaluatierapport herbeoordeling aan Baitali doen toekomen ter kennisname.
Baitali kan zich niet terugvinden in het resultaat van de herbeoordeling en heeft hiertegen bezwaar aangetekend.

3. In het incident
De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
De vordering in het incident
3.1 In het incident vordert Baitali op de voet van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Nieuw (hierna: Rv Nieuw) dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in kort geding:
A) de Staat gebiedt om binnen 2 dagen na dagtekening van het vonnis op deze incidentele vordering aan Baitali een afschrift te verstrekken van het onderhandelingsrapport oftewel de negotiation minutes en alle overige documenten die op 7 maart 2025 aan de IDB zijn doorgestuurd voor goedkeuring, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000.000,- per overtreding en SRD 1.000.000,- per dag dat deze overtreding zal voortduren;
B) de Staat veroordeelt in de kosten van het incident, aan Baitali te voldoen binnen 2 dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn.

De grondslag van de vordering in het incident
3.2 Baitali legt, samengevat, het volgende aan het gevorderde in het incident ten grondslag. De Staat verwijst in zijn reconventionele eis uitdrukkelijk naar een rapport dat zou zijn opgesteld naar aanleiding van onderhandelingen die op 07 maart 2025 hebben plaatsgevonden met een inschrijver (Kuldipsingh) voorafgaand aan het uitsturen van de Notification of Intention Award. De Staat heeft hiermee niet in overeenstemming gehandeld met de toepasselijke aanbestedingsregels. Het contact of de afstemming tussen de Staat en Kuldipsingh heeft buiten het formele aanbestedingskader plaatsgevonden. Dit is in strijd met het transparantiebeginsel en is hierdoor van rechtswege nietig. Tegen deze achtergrond is het bevel tot intrekking van de Notification of Intention to Award door de kantonrechter gegeven. Door in strijd met het veroordelend vonnis de Notification of Intention to Award niet in te trekken en deze feitelijk in stand te laten, laat de Staat de onrechtmatige rechtspositie voortbestaan.

Het verweer in het incident
3.3 De Staat concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident. Hiertoe stelt hij dat de vordering te ruim is, disproportioneel, onvoldoende bepaald, ongefundeerd en in strijd met de noodzakelijke vereisten bij wet bepaald. Hij betwist dat aan de vereisten voor een vordering tot afgifte van bescheid is voldaan. De vordering is volgens de Staat te ruim en heeft het karakter van een “fishing expedition”.
De Staat voert voorts aan dat conform de vereisten van artikel 843a Rv Nieuw een belanghebbende een beroep mag doen op dit artikel, voor zover zulks betrekking heeft op een rechtsbetrekking met de belanghebbende of diens rechtsvoorganger. De documenten waar Baitali inzage in zou willen krijgen, hebben betrekking op Kuldipsingh en niet op Baitali. De Staat werpt op dat IDB eerst het evaluatierapport heeft goedgekeurd alvorens de onderhandelingen tussen de inschrijver en de Staat hebben plaatsgevonden. Onderhandelingen na evaluatie zijn wel toegestaan, daar de internationale voorschriften inzake aanbesteding van werken en diensten of leveringen die hebben gegolden bij deze aanbesteding ook zijn gehanteerd. Er is volgens de Staat geen sprake van schending van aanbestedingsregels.

3.4 Op de stellingen van partijen in het incident zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. In de hoofdzaak
De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
4.1 De vordering in conventie
Baitali vordert in conventie dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in kort geding:
A) de Staat veroordeelt om, in plaats van hetgeen in randnummer 5.5 van het veroordelend vonnis geoordeeld is, een dwangsom van SRD 1.000.000,- per dag aan haar te betalen, voor iedere dag dat hij niet voldoet aan hetgeen in 51 tot en met 5.4 van dat vonnis is beslist;
B) de Staat veroordeelt in de proceskosten.

De grondslag van de vordering in conventie
4.2 Baitali legt, samengevat, het volgende aan het gevorderde ten grondslag. Zij had in de zaak die heeft geleid tot het veroordelend vonnis (hiervoor vermeld in 2.6) gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000.000,- per dag, die de Staat aan Baitali zou verbeuren. De rechter is bij het veroordelend vonnis hiervan afgeweken en heeft in stede hiervan een dwangsom van SRD 5.000,- toegewezen tot een maximum van SRD 10.000.000,-.
De reeds opgelegde dwangsom schijnt geen afdoende prikkel te zijn voor de Staat om het veroordelend vonnis uit te voeren. Baitali heeft op grond van vaste rechtspraak het recht om verhoging van de dwangsom te vorderen.

4.3 Baitali stelt als spoedeisend belang het volgende. Indien de gunning aan een andere inschrijver of een aannemingsovereenkomst met de andere inschrijver wordt uitgevoerd, zonder dat volledig is voldaan aan het veroordelend vonnis, zullen het gunningsbesluit en de aannemingsovereenkomst, wegens strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nietig respectievelijk vernietigbaar zijn, hetgeen tot grote schade zijdens Baitali, de Staat en de andere inschrijver zal leiden.

Het verweer in conventie
4.4 De Staat concludeert tot niet – ontvankelijkheid van Baitali in het gevorderde en afwijzing van het door Baitali gevorderde.
Hiertoe stelt de Staat, samengevat, het volgende. Hij heeft uitvoering gegeven aan de kernveroordeling, te weten de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali. Ter uitvoering hiervan is bij ministeriële beschikking van 17 november 2025 een ad hoc onafhankelijke evaluatiecommissie ingesteld, hetgeen bij schrijven van 14 november 2025 aan Baitali is medegedeeld. Hiermee is elk gerechtvaardigd en redelijk belang van Baitali bij de verdere uitvoering van het veroordelend vonnis komen te vervallen, waardoor dan ook ieder spoedeisend belang ontbreekt.

De vordering in reconventie
4.5 De Staat vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in kort geding:
a) de onmiddellijke stopzetting c.q. schorsing van de verdere executie van het veroordelend vonnis gelast;
b) de dwangsommen gekoppeld aan het veroordelend vonnis te mitigeren naar nihil, met ingang van 2 januari 2026;
c) Baitali verbiedt om het veroordelend vonnis wederom te executeren, totdat hierover definitief anders mocht zijn beslist, zulks op straffe van een dwangsom van
SRD 5.000.000,- voor elke dag of keer dat Baitali in strijd mocht handelen met dit verbod;
d) Baitali verbiedt om op welke wijze dan ook direct of indirect, de voortzetting van het project zoals in de eis omschreven te verhinderen, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 5.000.000,- voor elke dag of keer dat Baitali in strijd mocht handelen met dit verbod;
e) Baitali veroordeelt tot vergoeding van de gemachtigde salaris van de advocaat van de Staat;
f) Baitali veroordeelt tot betaling van alle overige proceskosten en de executiekosten.

De grondslag van de vordering in reconventie
4.6 De Staat grondt de vorderingen in reconventie op misbruik van executierecht. Daartoe stelt hij dat Baitali geen in redelijkheid te respecteren belang meer heeft bij verdere executie van het veroordelend vonnis. Verdere executie zal leiden tot onevenredig nadeel tegen de Staat, het algemeen belang en het direct belang van derden.
Hiertoe stelt de Staat, onder meer het volgende:
– in een schrijven van augustus 2025 heeft de IDB ondubbelzinnig aangegeven dat intrekking van de gunningsdocumenten, onherroepelijk zal resulteren in het wegvallen van de financiering van het geheel project. Het volledig uitvoering geven aan het veroordelend vonnis zal tot gevolg hebben dat :
– middelen van de lening (groot USD 22.711.967,-) die bestemd zijn voor deze werken door de IDB geblokkeerd zullen worden;
– de Staat de betaling c.q. aanneemsom uit eigen middelen zal dienen te voldoen aan de alsdan (na eventuele herbeoordeling zoals de kantonrechter voorschrijft) gekozen aannemer;
– de aannemer aan wie de gunning is gegeven een claim van minimaal USD 10.000.000,- zal kunnen leggen op de Staat als het contract niet aan hem conform de aanbestedingsprocedure wordt gegund, omdat de aannemer de documenten die nodig zijn voor de uitvoering van het werkcontract, de daarbij behorende uitvoeringsgarantie en voorschotgarantie reeds heeft ingediend. De Staat beschikt niet over de hierboven genoemde geldmiddelen (vreemde valuta);
– het veroordelend vonnis een nog grotere invloed heeft op bilaterale partners van de Staat Suriname.;
– het project heeft betrekking op de strategische ontsluitingsroute tussen de districten Paramaribo, Commewijne en Wanica. Het behoud van de IDB-financiering is gelet op de urgentie van de aanleg van voormelde wegen van essentieel belang, omdat de Staat niet beschikt over voldoende financiële middelen om het project te financieren;
– er heeft al een gedeeltelijke uitvoering van het veroordelend vonnis, met name de herbeoordeling, plaatsgevonden. Deze feiten en omstandigheden maken de verdere executie van het veroordelend vonnis onaanvaardbaar en ontoelaatbaar;
– de kosten voor het begaanbaar houden van de Van ’t Hogerhuysstraat zijn voor de Staat hoger geworden. Deze kosten waren niet voorzien op de (Staats)begroting. Vanaf april 2025 heeft het on hold zetten van het project, de Staat al meer dan USD 73.000,- gekost aan herstelwerkzaamheden om voornamelijk de Van ’t Hogerhuysstraat berijdbaar te houden voor de samenleving. De Staat zal steeds herstelwerken (lapwerkzaamheden) moeten uitvoeren totdat het project duurzaam kan worden uitgevoerd. De kosten hiervoor blijven danig oplopen.

Het verweer van Baitali in reconventie
4.7 Baitali concludeert tot afwijzing van de vordering van de Staat. Hiertoe voert zij hetgeen zij in conventie aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat de Staat zonder grondige reden het veroordelend vonnis niet uitvoert. Zij werpt op dat de IDB ingevolge de Loan Contract (lees: leenovereenkomst) niet bevoegd is de financiering stop te zetten. D Staat is verplicht de IDB te dwingen tot naleving van deze leenovereenkomst.
Tevens voert Baitali aan dat dat er geen reden is tot het matigen van de dwangsommen conform artikel 611d Rv Nieuw. De Staat heeft niet redelijkerwijs al het mogelijke gedaan om aan het veroordelend vonnis te voldoen.

4.8 Op de stellingen van partijen in conventie en in reconventie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

5. De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak
Het toepasselijk recht
5.1 Op 01 mei 2025 is het nieuwe Burgerlijk Wetboek (hierna: NBW) in werking getreden. Op grond van artikel 2 van de overgangswet NBW (hierna: Overgangswet I) heeft het NBW vanaf de inwerkingtreding onmiddellijke werking, tenzij anders is bepaald.

5.2 Per 01 mei 2025 is ook het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv Nieuw) in werking getreden. Ingevolge artikel 11 van de Overgangswet aanpassingswetgeving NBW (hierna: Overgangswet II) worden gedingen die vóór de inwerkingtreding aanhangig zijn gemaakt, volledig afgedaan volgens de bepalingen van het oud Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij anders is bepaald. Nu onderhavige vordering na de inwerkingtreding van het Rv Nieuw is ingediend, zijn de procesrechtelijke voorschriften hiervan van toepassing op de beoordeling daarvan.

In het incident
5.3 De kantonrechter stelt voorop dat voor toewijsbaarheid van een vordering op grond van artikel 843a lid 1 Rv Nieuw (vordering tot inzage), er aan drie cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan, te weten:
1) de eiser moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift;
2) het moet gaan om bepaalde bescheiden;
3) de vordering moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker partij is.

5.4 Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet de vordering van Baitali aan geen van de hiervoor in 5.3 bij wet gestelde voorwaarden.
Hieruit volgt dat de Staat slaagt in het door hem in 3.3 van dit vonnis opgeworpen verweer. De vordering in het incident zal daarom worden geweigerd.

5.5 Baitali zal in het incident, als de in het ongelijk gestelde partij, jegens de Staat worden veroordeeld tot betaling van het liquidatietarief ad SRD 7.500,-. Deze veroordeling zal op de voet van artikel 55 Rv Nieuw uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

In de hoofdzaak
In conventie
5.6 De kantonrechter verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van de Staat, omdat uit de aard van de stellingen van Baitali wel het spoedeisend belang blijkt. Dat er een herbeoordeling van de inschrijving heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders.

5.7 Zoals de kantonrechter Baitali begrijpt, vordert zij verhoging van de reeds aan de Staat opgelegde dwangsom, omdat de kantonrechter een lagere dwangsom bij het veroordelend vonnis aan de Staat heeft opgelegd dan wat zij had gevorderd, hetgeen onvoldoende een prikkel geeft aan de Staat om te voldoen aan het veroordelend vonnis. In dat licht ziet de kantonrechter zich ambtshalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of een hogere dwangsom kan worden opgelegd aan een veroordeelde, indien de veroordeelde een lagere dwangsom is opgelegd dan oorspronkelijk was gevorderd. Deze vraag dient naar het oordeel van de kantonrechter ontkennend te worden beantwoord. Reden hiertoe is het volgende. Zoals uit de feiten blijkt, is het veroordelend vonnis op
25 juli 2025 in kracht van gewijsde gegaan, hetgeen betekent dat het veroordelend vonnis op vermelde datum onherroepelijk is geworden. In het veroordelend vonnis is een beslissing gegeven op de vordering van Baitali en is een dwangsom als onderdeel daarvan vastgesteld. Met dit veroordelend vonnis, waartegen Baitali geen hoger beroep heeft ingesteld en waartegen hoger beroep evenmin nog mogelijk is, is deze procedure dan ook beëindigd. Het is niet mogelijk om vervolgens in een nieuwe procedure bij de kantonrechter alsnog toewijzing te vragen van het gedeelte van de vordering dat is afgewezen, omdat dit in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat een inhoudelijke beoordeling van stellingen en verweren van partijen, nadat op de vordering is beslist, slechts door een bij wet aangewezen beroepsinstantie kan plaatsvinden.

5.8 Hetgeen hiervoor in 5.7 is overwogen, geeft de kantonrechter aanleiding het gevorderde in conventie te weigeren. Bovendien blijkt uit het feitenrelaas dat de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali wel heeft plaatsgevonden en dat Baitali hiervan schriftelijk in kennis is gesteld door de Staat. De voorlopige slotsom is dat de Staat reeds is aangevangen met het uitvoering geven aan het veroordelend vonnis en grotendeels al uitvoering hieraan heeft gegeven. Dat Baitali zich niet kan terugvinden in de uitkomst van de herbeoordeling van de evaluatiecommissie maakt dit niet anders.

5.9 De overige stellingen van partijen in conventie behoeven geen verdere bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst zullen leiden.

5.10 Baitali zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij jegens de Staat in het liquidatietarief ad SRD 5.000,- worden veroordeeld, welke veroordeling op de voet van artikel 55 Rv Nieuw uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

In reconventie
5.11 Het spoedeisend belang van de Staat blijkt uit de aard van de stellingen en het door hem gevorderde. De vordering in reconventie leent zich dus voor behandeling in kort geding.

5.12 De kantonrechter stelt vast dat het veroordelend vonnis op 25 juli 2025 in kracht van gewijsde is gegaan. De Staat vordert schorsing van de verdere executie van een vonnis dat reeds in kracht van gewijsde is gegaan. Er bestaat in dit geval slechts grond voor schorsing in geval van misbruik van (executie)recht overeenkomstig de in artikel 3:13 BW genoemde maatstaf. Slechts onder bijzondere omstandigheden wordt aangenomen dat hiervan sprake is. Misbruik van recht kan onder meer worden aangenomen indien de executant (in casu Baitali) geen redelijk te respecteren belang heeft bij de executie, mede gelet op de belangen aan de zijde van de veroordeelde die door de executie zullen worden geschaad, of als er daardoor aan de zijde van de veroordeelde een noodsituatie zou ontstaan.

5.13 Ter comparitie van partijen d.d. 18 juni 2026 heeft Baitali verklaard dat haar belang bij de verdere executie van het veroordelend vonnis daarin is gelegen dat zij reputatieschade lijdt als gevolg van de diskwalificatie. Zij heeft ook verklaard dat een IDB project voor haar aantrekkelijk is, omdat bij zo een project de aannemer bij declaratie 100% betaling krijgt aan het eind van de maand, hetgeen zeer belangrijk is voor de cashflow van het bedrijf. Bij projecten die uit middelen van de Staat worden gefinancierd, is dat niet het geval en wordt de aannemer laat uitbetaald. Zij voert aan dat partijen (Baitali en de Staat) op 29 april 2026 overleg hebben gehad voor het tekenen van een dadingsovereenkomst (in concept), waarbij de Staat aan een aantal voorwaarden dient te voldoen. Het tekenen van de dadingsovereenkomst zou volgens Baitali leiden tot intrekking van de onderhavige zaak en de zaak waarin de Staat is veroordeeld. De Staat heeft toezeggingen gedaan om aan de voorwaarden te voldoen, doch weigert hij de concept dadingsovereenkomst ter zake te tekenen.

5.14 Ter comparitie van partijen d.d. 18 juni 2026 heeft de Staat onder meer het volgende verklaard. Intrekking van de Letter of Award zou betekenen dat de IDB de financiering zou stopzetten met als gevolg dat het project niet op korte termijn uitgevoerd zal kunnen worden. De Staat zal opnieuw een aanbestedingsprocedure moeten opstarten en dat zal bijkans een jaar of twee jaren duren. Ook aan het opstarten van een nieuwe aanbestedingsprocedure zijn er kosten verbonden. Vanuit de samenleving is de druk zodanig hoog om het probleem aan de Van ’t Hogerhuysstraat structureel aan te pakken. Het gaat niet alleen om het asfalteren van de weg, maar ook om het ontwateringssysteem dat aangepakt moet worden. Als de gunning die aan Kuldipsingh is verleend wordt ingetrokken, zal de IDB de financiële middelen die voor dit project ter beschikking zijn gesteld worden terug getrokken. Het risico zit er ook in dat Kuldipsingh een schadeclaim tegen de Staat kan instellen. Zolang de werkzaamheden zoals opgenomen in het project van de IDB niet kunnen worden uitgevoerd, zal de Staat slechts lapwerkzaamheden kunnen uitvoeren. De weg is al vier keren gelapt, omdat het poreus wordt. Al deze omstandigheden betekenen een behoorlijk verlies voor de Staat. De lapwerkzaamheden zijn niet duurzaam en zijn de kosten voor het lappen thans ruim SRD 4 tot 5 miljoen Surinaamse Dollar. Daarnaast dient de Staat de veiligheid in acht te nemen. De files die nu ontstaan zorgen voor oponthoud en ook de economische ontwikkeling in die omgeving komt onder druk te staan. De Willem Campagnestraat is ook niet begaanbaar. Met de ontstane situatie vallen de kosten dan ook enorm hoog uit voor de Staat. De Staat beschikt momenteel ook niet over de financiële middelen om het project zelf te financieren. Ten aanzien van het niet tekenen van de concept dadingsovereenkomst heeft de Staat verklaard dat eerst de comptabele regels in het kader van de toezeggingen moeten worden nagegaan.

5.15 De kantonrechter komt op grond van hetgeen partijen ter comparitie hebben aangevoerd tot het voorlopig oordeel dat Baitali geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de verdere tenuitvoerlegging van het veroordelend vonnis. De enige schade die Baitali lijdt is, zoals zij zelf aangeeft reputatieschade en dat zij, zoals de kantonrechter het begrijpt, door niet aanmerking te komen voor de gunning zij de 100% betaling middels de IDB financiering zal mislopen. Dit, terwijl Baitali zelf heeft verklaard dat de Staat schriftelijke toezeggingen aan haar heeft gedaan om aan de door haar te stellen voorwaarden in het kader van het nog te tekenen dadingsovereenkomst te zullen voldoen. Hiertegenover staat dat het in stand blijven houden van de huidige situatie de Staat behoorlijk in de kosten jaagt, er dagelijks files ontstaan op de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat die onder het project vallen, de veiligheid op die wegen niet gegarandeerd is vanwege de slechte staat waarin ze verkeren en de hele economische ontwikkeling in die omgeving hierdoor in gevaar dreigt te komen. Dit alles in onderling samenhang beschouwd en gelezen brengt de kantonrechter tot de slotsom dat Baitali misbruik maakt van haar executierecht (het veroordelend vonnis). Daar dit grond oplevert tot schorsing van de verdere tenuitvoerlegging van het veroordelend vonnis, zal het gevorderde onder a worden toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld. Eveneens zal het gevorderde onder c en d worden toegewezen, inclusief de medegevorderde dwangsommen. De medegevorderde dwangsommen zullen worden gematigd tot het maximum zoals hierna in de beslissing vermeld.

5.16 Baitali voert evenwel ook nog als verweer dat de IDB niet bevoegd is de financiering stop te zetten, doch gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Reden hiertoe is dat Baitali geen enkele rechtsverhouding heeft met de IDB. De IDB heeft geen overeenkomst met Baitali gesloten, maar met de Staat (Suriname). Daarnaast is IDB geen procespartij in het geschil tussen Baitali en de Staat.

5.17 Het gevorderde onder b (terugbrengen van dwangsommen naar nihil) zal worden geweigerd. Reden hiertoe is het volgende.
Ingevolge artikel 611d 1 Rv Nieuw kan de rechter op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn, of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De Staat heeft reeds een deel van de dwangsommen verbeurd en heeft pas in november 2025 enige poging ondernomen om uitvoering te geven aan het veroordelend vonnis.

5.18 Baitali zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in een deel van het liquidatietarief ad SRD 2.500,- worden veroordeeld, zijnde het verschil van SRD 7.500,- minus het liquidatietarief van SRD 5.000,- dat in conventie is toegewezen.

5.19 De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking, omdat die tot geen ander uitkomst zullen leiden.

5.20 De veroordelingen zullen op de voet van artikel 55 Rv Nieuw uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

6. De beslissing in kort geding
De kantonrechter:
In het incident
6.1 weigert het gevorderde;

6.2 veroordeelt Baitali in de proceskosten die aan de zijde van de Staat zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 7.500,- (Zevenduizend Vijfhonderd Surinaamse Dollar);

6.3 verklaart de veroordeling in 6.2 uitvoerbaar bij voorraad;

In de hoofdzaak
In conventie
6.4 weigert de gevorderde voorzieningen;

6.5 veroordeelt Baitali in de proceskosten die aan de zijde van de Staat zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 5.000,- (Vijfduizend Surinaamse Dollar);

6.6 verklaart de veroordeling in 6.5 uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie
6.7 schorst met ingang van heden d.d. 23 juni 2026 de verdere executie van het vonnis dat op 10 juli 2025 in de kortgedingzaak bekend onder CIVAR No. 202501387 tussen partijen is gewezen, totdat in een door één der partijen ingestelde bodemprocedure over dit tussen hun bestaand geschil definitief zal zijn beslist;

6.8 verbiedt Baitali om met ingang van heden d.d. 23 juni 2026 het hiervoor vermeld vonnis verder te executeren, totdat in een door één der partijen ingestelde bodemprocedure over dit tussen hen bestaand geschil zal zijn beslist;

6.9 veroordeelt Baitali tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat zij het verbod vermeld in 6.8 van dit vonnis overtreedt, zulks tot een maximum van SRD 1.000.000,- (Eenmiljoen Surinaamse Dollar);

6.10 verbiedt Baitali om op welke wijze dan ook direct of indirect de voortzetting van het project, zoals in de eis omschreven te verhinderen;

6.11 veroordeelt Baitali tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat zij het verbod vermeld in 6.10 van dit vonnis overtreedt, zulks tot een maximum van SRD 1.000.000,- (Eenmiljoen Surinaamse Dollar);

6.12 veroordeelt Baitali tot betaling van het liquidatietarief ad SRD 2.500,- (Tweeduizend Vijfhonderd Surinaamse Dollar);

6.13 verklaart hetgeen in 6.9 tot en met 6.12 is beslist uitvoerbaar bij voorraad;

6.14 weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter in het eerste kanton, ter openbare terechtzitting op dinsdag 23 juni 2026 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2026-1

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR no. 202602008

05 juni 2026

 

Vonnis in kort geding in de zaak van:

KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.

gevestigd aan de Amsterdamseweg 55, Amstelveen, Nederland,

eiseres,

hierna te noemen: KLM,

gemachtigde: mr. A.W.R. Kanhai, advocaat,

 

tegen

 

GOW2 ENGERGY SURINAME N.V.,

gevestigd aan de Van het Hogerhuysstraat no. 19 te Paramaribo,

gedaagde,

hierna te noemen: Gow2,

gemachtigde: mr. G.N. Best, advocaat,

 

  1. Het verloop van het proces

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 25 mei 2026 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 29 mei 2026;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de mondelinge behandeling van de zaak, inclusief de comparitie van partijen
    d. 01 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
  • de conclusie tot uitlating zijdens KLM;
  • de conclusie tot uitlating zijdens Gow2, met productie.

1.2       De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

 De feiten

2.1       Gow2 is een Surinaams bedrijf dat in Suriname brandstof levert aan vliegtuigen van luchtvaartmaatschappij op onder andere de Johan Adolf Pengel Luchthaven (hierna luchthaven).

2.2       Airport Management LTD (hierna: AML) is op basis van de Wet Verzelfstandiging Johan Adolf Pengel Luchthaven (S.B. 1996 no. 18) belast met het beheer en de exploitatie van de luchthaven.

2.3       KLM is een luchtvaartmaatschappij dat vliegtuigen inzet om onder andere de lijndiensten op de vliegroute Amsterdam-Paramaribo te onderhouden. De vliegtuigen die KLM inzet voor deze lijndiensten dienen van brandstof te worden voorzien.

2.4       KLM en Gow2 hebben een ‘Aviation Fuel Supply Agreement” (hierna AFSA) gesloten. Op basis van de tussen partijen gesloten AFSA levert Gow2 brandstof aan de vliegtuigen van KLM op de luchthaven. Hiertegenover staat dat op KLM de plicht rust om te betalen voor de brandstof die aan haar wordt geleverd.

2.5       Op 15 mei 2019 hebben Gow2, Sol en AML een “agreement for concession” (hierna concessieovereenkomst) gesloten. Op basis van deze concessieovereenkomst maakt Gow2 gebruik van de infrastruktuur van AML om brandstof op de luchthaven aan haar afnemers te leveren. Hieruit voortvloeiend rust op GOW2 de plicht om een concessie vergoeding aan AML te voldoen. Deze aan AML verplicht te betalen concessievergoeding geeft GOW2 contractueel door aan haar afnemers, waaronder KLM.  Op KLM rust de plicht de concessievergoeding aan Gow2 te voldoen.

2.6       De concessievergoeding is diverse malen verhoogd. In het jaar 2015 was het verhoogd naar 3 amerikaanse dollarcent, vervolgens is het in het jaar 2018 verhoogd naar 10 amerikaanse dollarcent, nadien in het jaar 2021 naar 15 amerikaanse dollarcent en met ingang van januari 2025 is het verhoogd met 15 amerikaanse dollarcent per gallon geleverde/getankte brandstof.

Vanaf het jaar 2019 heeft KLM geprotesteerd tegen de verhoging van de concessievergoeding, omdat haar niet is kenbaar gemaakt wat de grondslag is voor het (steeds) verhogen hiervan. 

2.7       KLM heeft vanaf januari 2025 de betaling van het bedrag waarmee de concessievergoeding is verhoogd (15 amerikaanse dollarcent per gallon getankte brandstof) aan Gow2 opgeschort.  

2.8       Op 13 mei 2026 heeft KLM een schriftelijke aanmaning van Gow2 ontvangen om uiterlijk 22 mei 2026 de nog openstaande saldo aan concessievergoeding van USD 1.177.438,65 (over de periode januari 2025 tot en met 30 april 2026) aan haar te voldoen.

Gow2 heeft tevens in de schriftelijke aanmaning aan KLM kenbaar gemaakt dat zij de levering van de brandstof met ingang van 23 mei 2026 aan KLM zal stopzetten, onverminderd haar overige contractuele en wettelijke rechten.

2.9       KLM heeft door tussenkomst van haar gemachtigde per schrijven gereageerd op de schriftelijke aanmaning van Gow2, onder meer als volgt:

            “[…]

            Bij elke verhoging heeft mijn cliënt gevraagd naar de legitieme grondslag danwel wet- en regelgeving welke de verhoging van de concession fee rechtvaardigt, echter heeft zij nimmer een adequate reactie ontvangen van uw onderneming. Mijn cliënt heeft consistent geprotesteerd tegen de verhoging van de concession fee. Sedert het jaar 2019, heeft mijn cliënt regelmatig gevraagd naar de legitimering van de verhoging van de concession fee, zonder dat uw onderneming daaraan gevolg gaf.

             In uw hoger genoemde brief wordt mijn cliënt aangemaand om de door u in facturen geprojecteerde, openstaande verhoogde concession fee te vodleon en wordt medegedeeld dat de brief de laatste aanmaning is, zonder de grondslag van de concession fee is gemotiveerd aan de hand van in Suriname bestaande regelgeving, noch is de brandstof infrastuktuur op de JAP Luchthaven onderhouden en of verbeterd. Aan u is bekend dat bedoelde bestaande brandstof infrastruktuur reeds geruime tijd gevaarlijk is voor de uitvoering van een veilige luchtvaart.

             Ik deel u mede dat mijn cliënt geen gevolg zal geven aan uw aanmaning.

            Mijn cliënt schort haar betalingsverplichting van de verhoging van de concession fee op, totdat aan haar schriftelijk en gemotiveerd zal worden medegedeeld welke de grondslag is van de concession fee en de verhoging van de concession fee en welke regelgeving de concession fee dekt.

Tevens is de huidige brandstof infrastruktuur op de JAP Luchthaven gevaarlijk, hetgeen voornoemde opschorting tevens rechtvaardigt.  

 Tenslotte sommeer ik u om binnen een week na ontvangst van dit schrijven aan mijn cliënt, schriftelijk mee te delen, de grondslag en toepasselijke regelgeving betrekking hebbende op concession fee en de verhoging daarvan.”

2.10     De schriftelijke reactie heeft KLM per exploot van een deurwaarder d.d. 21 mei 2026 aan Gow2 doen betekenen.

2.11     Gow2 heeft de brandstoflevering aan KLM op de luchthaven stopgezet.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

            De vordering

3.1       KLM vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in kort geding:

  1. Gow2 veroordeelt om binnen 2 dagen na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis schriftelijk mee te delen, de regelgeving afkomstig van het bevoegd gezag, waarop de door Gow2 genoemde fuel concession fee en de verhoging daarvan is gefundeerd;
  2. Gow 2 veroordeelt tot het voldoen van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elke dag dat zij in strijd handelen met het gevorderde onder a;
  3. opschort de door Gow2 opgelegde verhoging van de fuel concession fee totdat door Gow2 zal worden aangetoond, de regelgeving waarop de verhoging is gefundeerd en of grondslag van de verhoging;
  4. Gow2 verbiedt om de brandstoflevering stop te zetten aan KLM, mits Gow2 de prijs voor de brandstof voldoet, op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elke keer dat zij in strijd zal handelen met het hiervoor gevorderde;
  5. Gow2 veroordeelt tot het voldoen van het gemachtigdensalaris ad USD 2.500,-;
  6. Gow2 veroordeelt in de proceskosten.     

De grondslag van de vordering

3.2       KLM legt, tegen de achtergrond van de onder 2 in dit vonnis vermelde feiten, aan de vordering ten grondslag dat met de stopzetting van de brandstoflevering vanaf 26 mei 2026 grote onzekerheid is ontstaan omtrent de voortgang van de vluchten Amsterdam-Paramaribo.

KLM voert voorts aan dat zij Gow2 betaalt voor de levering van de brandstof. Elke stopzetting van levering is in strijd met de tussen KLM en Gow2 bestaande overeenkomst. Het stopzetten van de brandstoflevering door Gow2 moet volgens KLM als wanprestatie worden aangemerkt. KLM heeft slechts de betaling van de verhoging van de concessievergoeding bij brief van 21 mei 2026 opgeschort.

Volgens KLM gaat Gow2 volkomen voorbij aan de tussen partijen bestaande overeenkomst van brandstoflevering tegen de bedongen prijs met alle gevolgen van dien voor de reizigers en luchtvracht.

            Het verweer

3.3       Gow2 werpt op dat de kantonrechter zich onbevoegd dient te verklaren om van deze vordering kennis te nemen. Hiertoe stelt Gow2, samengevat, het volgende. KLM diende op grond van de AFSA de weg te bewandelen naar de International Court of Arbitration van International Chamber of Commerce. Partijen zijn volgens Gow2 hiertoe contractueel gebonden.

3.4       Voorts concludeert Gow2 tot niet-ontvankelijk verklaring van KLM in diens vordering. In dat licht voert zij het volgende aan.

Het spoedeisend belang in deze ontbreekt. KLM heeft zelf de urgentie gecreëerd door jarenlang stil te zitten en vervolgens niet aan haar contractuele betalingsverplichting te voldoen.

KLM heeft de verkeerde partij betrokken in het proces. Het werkelijke geschil is met AML.

De zaak is complex voor kort geding, omdat zij een meerlagig contractueel raamwerk behelst dat moet worden beoordeeld naar Engels recht.

KLM voldoet niet aan de op haar rustende substantiërings- en waarheidsplicht ingevolge artikel 18c NRv, inhoudende dat op iedere partij de verplichting rust om alle feiten die van belang zijn voor de beslissing volledig en naar waarheid aan te voeren. Zo heeft KLM volgens Gow2:

– niet besproken wat de concessievergoeding is, waar die vandaan komt en op welke wettelijke en contractuele grondslag zij berust;

– verzwegen dat zij zelf ook in contact is geweest met AML over de concessievergoeding en dat haar werkelijke geschil met AML is, niet met Gow2;

– verzwegen dat Gow2 al op 7 december 2025 uitdrukkelijk heeft aangekondigd de leveringen te zullen staken als betaling uitbleef;

– haar eigen e-mail van 21 januari 2026 verzwegen, waarin zij er bij Gow2 op aandringt de concessievergoeding niet aan AML te betalen;

– het overeengekomen arbitragebeding en de toepasselijkheid van Engels recht verzwegen.

Voorts voert Gow 2 aan dat het verzoekschrift van KLM niet voldoet aan de in artikel 111NRv gestelde eisen. Het verzoekschrift omvat volgens het standpunt van Gow2 drie pagina’s en vijf producties, welke voor een geschil van deze complexiteit en omvang ronduit ontoereikend is.

3.5       Gow2 concludeert ook tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van KLM in de proceskosten en uitvoerbaar bij voorraad verklaring van deze veroordeling. Hiertoe stelt zij, samengevat, het volgende.

Zij heeft rechtmatig gehandeld door haar opschortingsrecht uit te oefenen.  Artikel 14.3 sub a van de Algemene Voorwaarden (die op grond van artikel van de AFSA integraal onderdeel zijn van de AFSA) bepaalt dat Gow2, ingeval KLM in materieel verzuim is ten aanzien van haar verplichtingen, KLM een schriftelijke mededeling van dat verzuim kan sturen. Indien KLM deze tekortkoming, voor zover herstelbaar, niet binnen 10 dagen hertstelt, heeft Gow2 het recht de overeenkomst te beëindigen. Gow2 heeft van dit opschortingsrecht gebruik gemaakt. Dat is geen wanprestatie. Van dit opschortingsrecht heeft zij gebruik gemaakt, nadat KLM het openstaand saldo heeft laten oplopen tot het bedrag van USD 1.177.438,65.

3.6       Gow2 beroept zich erop dat KLM op grond van artikel 11.1 van de Algemene Voorwaarden  is gehouden om de concessievergoedingen en andere kosten te betalen die door een nationale, lokale of luchthavenautoriteit worden opgelegd in verband  met de levering, verkoop, inspectie, opslag en gebruik van brandstof. Voorts dat artikel 12.2 van de Algemene Voorwaarden bepaalt dat geen enkele partij van haar betalingsverplichtingen wordt ontheven, anders dan door overmacht. KLM is verplicht aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.

3.7       Tot slot voert Gow2 aan dat de belangenafweging op alle punten in het voordeel van Gow2 uitvalt. Hiertoe stelt zij het volgende. Zij heeft een rechtstreeks en urgent belang bij handhaving van haar rechtsposities. Zij heeft een openstaande vordering bij KLM aan onbetaalde concessievergoedingen en tegelijkertijd is Gow2 deze vergoedingen onverminderd verschuldigd aan AML. Elke dag dat KLM niet betaalt en Gow2 toch moet leveren, zal de schuld van Gow2 aan AML per geleverde gallon nog verder doen oplopen, terwijl KLM uitdrukkelijk niet voornemens is de aan Gow2 verschuldigde concessievergoedingen te betalen.

Volgens Gow2 wordt zij door KLM als instrument gebruikt om druk uit te oefenen op AML om de concessievergoeding niet aan AML te betalen.

 3.8       Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

 De beoordeling

Het toepasselijk recht

4.1       Op 01 mei 2025 is het nieuwe Burgerlijk Wetboek (hierna: NBW) in werking getreden. Op grond van artikel 2 van de overgangswet NBW (hierna: Overgangswet I) heeft het NBW vanaf de inwerkingtreding onmiddellijke werking, tenzij anders is bepaald.

4.2       Per 01 mei 2025 is ook het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: NRv) in werking getreden. Ingevolge artikel 11 van de Overgangswet aanpassingswetgeving NBW (hierna: Overgangswet II) worden gedingen die vóór de inwerkingtreding aanhangig zijn gemaakt, volledig afgedaan volgens de bepalingen van het oud Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij anders is bepaald. Nu onderhavige vordering na de inwerkingtreding van het NRv is ingediend, zijn de procesrechtelijke voorschriften hiervan van toepassing op de beoordeling daarvan.

Onbevoegdheidsverweer en spoedeisend belang

4.3       Vaststaat dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat zij, ingeval van een geschil voortvloeiend uit de tussen hen gesloten overeenkomst (AFSA en de Algemene Voorwaarden die hiervan integraal onderdeel zijn), de arbitrageprocedure zullen volgen. In onderhavige zaak stelt KLM een spoedeisend belang te hebben en heeft zij, zoals de kantonrechter KLM begrijpt, om die reden de onderhavige vordering in kort geding ingediend. In het licht van het bovenstaande stelt de kantonrechter het volgende voorop. In artikel 1022 lid 1 NRv is het volgende neergelegd: “De rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarvoor een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, verklaart zich onbevoegd, indien een partij zich vóór alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is.”, en in lid 2 NRv: “Een overeenkomst tot arbitrage belet niet dat een partij bij de gewone rechter verzoekt om een maatregel tot bewaring van recht dan wel zich tot de kantonrechter in kort geding overeenkomstig artikel 226; deze besluit in dit geval met inachtneming van artikel 1051.

4.4       Aannemelijk is dat vanwege de stopzetting van de levering van brandstof door Gow2 aan KLM, passagiers die gebruik maken van de lijndiensten van KLM thans in onzekerheid verkeren of zij hun bestemming op de vliegroute Amsterdam-Paramaribo zullen bereiken dan wel op tijd zullen bereiken. Ook vliegschema’s van KLM komen hierdoor in gedrang. Deze feiten en omstandigheden maken het voor de kantonrechter aannemelijk dat KLM wel een spoedeisend belang heeft. Hiervan uitgaande en uitgaande van het bepaalde in artikel 1022 NRv, acht de kantonrechter zich bevoegd om indien wenselijk een ordemaatregel te treffen door de belangen van partijen tegen elkaar af te wegen.

Op grond hiervan wordt het door Gow2 opgeworpen onbevoegdheidsverweer verworpen.

 Niet-ontvankelijkheidsverweer

4.5       De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van Gow2 dat het verzoekschrift van KLM niet voldoet aan de in artikel 111 NRv gestelde eisen. Anders dan Gow2 stelt is de kantonrechter van oordeel dat de vordering van KLM en de grondslag daarvan duidelijk zijn weergegeven. Dat het verzoekschrift slechts 3 pagina’s telt, maakt dit niet anders. Een verzoekschrift of conclusie kan overigens veel pagina’s of geschrijf omvatten, maar dat brengt niet met zich mee dat al de vele zaken die daarin zijn vermeld relevant zijn voor de beoordeling van een zaak. 

4.6       Voor wat betreft het beroep van Gow2 op het niet in achtnemen door KLM van de substantiërings- en waarheidsplicht, is de kantonrechter van oordeel dat uitgaande van de vordering van KLM deze wel het nodige hiervoor heeft gesteld. Zou dat niet het geval zijn, dan zou dit leiden tot onnodige stagnatie bij de behandeling de zaak en dat is niet het geval geweest. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het verweer van Gow2 ter zake schending van de substantiërings- en waarheidsplicht.

4.7       De kantonrechter gaat ook voorbij aan het verweer van Gow2 dat KLM de verkeerde procespartij in het proces heeft betrokken, omdat KLM in het kader van de brandstoflevering niets van doen heeft met AML. Het is overigens Gow2 die de brandstoflevering heeft stopgezet en dat is waar KLM in het bijzonder tegen opkomt.

4.8       Op grond van hetgeen hiervoor in 4.5 tot en met 4.7 is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat Gow2 niet slaagt in het door haar opgeworpen niet-ontvankelijkheidsverweer. Daarom wordt het verworpen.

            Het gevorderde onder a, b en c

4.9       Gow2 heeft ter comparitie uiteengezet dat de concessievergoeding op basis van de Wet Verzelfstandiging Johan Adolf Pengel Luchthaven (hierna Wet Verzelfstandiging JAP) wordt vastgesteld. Deze wet heeft Gow2 ter onderbouwing van haar stelling ten processe overgelegd. Tevens heeft zij bij de behandeling van de zaak een correspondentie van 10 september 2025 tussen haar en AML overgelegd waarom de verhoging van concessievergoeding noodzakelijk is. In dat schrijven heeft AML onder meer het volgende hierover uiteengezet:

[…]

De aanpassing van de “fuel fee” (lees” concessievergoeding) is sinds de ondertekening van de overeenkomst gefaseerd uitgevoerd waarbij de laatste aanpassing gold voor de periode 1 januari 2022 – 31 december 2022 voor USD 0,15 per gallon.

 Conform de overeenkomst zou een verdere aanpassing van het tarief in 2023 moeten  ingaan nadat partijen hierover zouden hebben gecommuniceerd. De communicatie ten aanzien hiervan is vanwege verschillende omstandigheden uitgebleven en derhalve zijn partijen overeengekomen de aanpassing per 1 april 2025 door te voeren. De aanpassing van de “fee” is noodzakelijk onder andere vanwege een meer dan evenredige stijging van de operationele kosten na de COVID-jaren. De operationele kosten betroffen onder meer:

  • kosten voor de nutsvoorzieningen (water, elektra en communicatie);
  • personeelskosten;
  • kosten voor onderhoud van het terrein en gebouwen;
  • kosten voor de beveiliging (uitbreiding van manschappen en ook de elektronische beveiliging);

 De vervangingsinvesteringen die in de afgelopen twee jaren zijn gedaan, waren noodzakelijk om de continuïteit van de luchthavenactiviteiten te waarborgen. Dit heeft ook geleid tot een significante stijging van de kosten. Voor wat betreft het onderhoud en reparatie van de movement area (Runaway, taxiways en platform) zal deze binnen de komende twee jaren verder worden aangepakt met een kostenplaatje van
USD 10.000.000,-. Het gaat hier om de movement area elke essentieel is voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappijen. Verder zijn er ook vervangingsinvesteringen in voorbereiding voor wat betreft de upgrading van de baanverlichtings- en middenspanningsinstallatie.

De aanpassing van de fee is noodzakelijk om de dienstverlening op de Airport te kunnen blijven garanderen voor de passagiers, luchtvaartmaatschappijen alsook de toeleveringsbedrijven.

4.10     In reactie op het bovenstaande betoogt KLM dat uitgaande van de Wet Verzelfstandiging JAP de verhoging van de concessievergoeding niet door het Bevoegde Gezag is vastgesteld. Volgens het betoog van KLM dient blijkens de artikelsgewijze toelichting van de bovengenoemde wet, de vaststelling van de tarieven voortvloeiende uit bepaalde rechten in overleg met de Minister te geschieden. De verhoging van de concessievergoeding is, zoals de kantonrechter KLM begrijpt, niet vastgesteld door het Bevoegde Gezag en diende Gow2 dit aan te vechten. De kantonrechter gaat voorbij aan deze stelling, omdat AML die de verhoging van de concessievergoeding heeft vastgesteld geen procespartij is in deze kortgedingprocedure. Voorshands mag daarom worden aangenomen dat AML bevoegd is de (verhoging van de) concessievergoeding vast te stellen en dat deze uit hoofde van de Wet Verzelfstandiging JAP moet worden betaald. 

4.11     Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Gow2 met het overleggen de Wet Verzelfstandiging JAP en de correspondentie van 10 september 2023 tussen AML en Gow2 tijdens de behandeling van deze zaak, voldaan aan het gevorderde onder a en b zodat de grondslag voor wat betreft dit onderdeel is komen weg te vallen. Dit geeft de kantonrechter aanleiding het gevorderde onder a en b te weigeren. Op grond hiervan zal ook het gevorderde onder c worden geweigerd.

Stopzetting van de brandstoflevering

4.12     Gow2 heeft vanwege het feit dat KLM het verschil van de verhoging van de concessievergoeding van USD 0,15 vanaf januari 2025 tot en met 30 april 2026 niet heeft voldaan, de brandstoflevering aan KLM stopgezet. Zij beroept zich erop dat zij op grond van artikel 14.3 van de AFSA gebruik mag maken van haar opschortingsrecht.

Bij de mondelinge behandeling van de zaak hebben partijen zelf kenbaar gemaakt dat zij op grond van de AFSA geschillen die voortvloeien uit deze overeenkomst een arbitrageprocedure dienen te volgen. De kantonrechter zal niet ingaan op de inhoud van de AFSA en de geschilpunten die hierover tussen partijen bestaan, omdat de kantonrechter niet bevoegd is om hierover inhoudelijk te oordelen.

4.13     Waartoe de kantonrechter wel bevoegd is, is het afwegen van de belangen van partijen teneinde te kunnen oordelen of het treffen van een ordemaatregel in deze gewenst is.

Vaststaat dat KLM wel voldoet aan haar plicht tot betaling van de brandstof die aan haar wordt geleverd en betaling van het oude tarief van de concessievergoeding van USD 0,15. De stopzetting van de brandstoflevering heeft, zoals KLM dat zelf ter comparitie heeft verklaard, tot gevolg dat zij thans extra kosten dient te maken om de vluchten Amsterdam- Paramaribo voor dit moment veilig te kunnen stellen, zodat passagiers hiervan niet de dupe worden. Hiertegenover staat – naar het oordeel van de kantonrechter – dat Gow2 de inkomsten zal ontberen die zij verdient uit de hoeveelheid van door haar aan KLM geleverde brandstof, met alle mogelijke gevolgen van dien voor haar eigen bedrijfsvoering. Deze inkomsten die Gow2 verkrijgt uit de brandstoflevering aan KLM, liggen naar inschatting van de kantonrechter hoger dan het verschil van USD 0,15 per gallon geleverde brandstof.

Daar geen der partijen gebaat is bij het blijven handhaven van de huidige situatie,  enerzijds het blijven handhaven van de opschorting tot betaling van het verschil van USD 0,15 per gallon brandstof door KLM aan Gow2, en anderzijds het blijven handhaven van de opschorting tot brandstoflevering door Gow2 aan KLM, zal de kantonrechter met gebruikmaking van de aan haar toekomende bevoegdheid bij wege van ordemaatregel Gow2 veroordelen tot hervatting van de brandstoflevering aan KLM, en KLM tot betaling van de overeengekomen branstofprijs en de concessievergoeding van USD 0,30 per gallon geleverde brandstof zoals hierna in de beslissing vermeld. Bij deze belangenafweging neemt de kantonrechter ook in overweging dat KLM sedert het jaar 2019 heeft geprotesteerd tegen de verhoging van de concessievergoeding die Gow2 aan haar oplegt, doch heeft zij nagelaten stappen hiertegen in te zetten dan wel gebruik te maken van arbitrage om dit aan te vechten. Voorts neemt de kantonrechter in overweging dat partijen zelf ter comparitie hebben kenbaar gemaakt dat zij de overeenkomst niet wensen te beëindigen.

Het blijven handhaven van de opschorting van de verplichtingen door beide partijen, zal naar het oordeel van de kantonrechter lijden tot onherstelbaar nadeel voor beiden.

Dwangsom

4.14     Gelet op het feit dat Gow2, vanwege het niet voldoen van het verschil van de verhoging van de concessievergoeding over de periode januari 2025 tot en met 30 april 2026 door KLM, de brandstoflevering heeft stopgezet, ziet de kantonrechter aanleiding om op grond van artikel 611a NRv Gow2 te veroordelen tot betaling van een dwangsom van
SRD 100.000,- voor iedere dag dat zij nalaat aan de veroordeling te voldoen.

Het medegevorderde gemachtigdensalaris onder e

4.15     Het medegevorderde gemachtigdensalaris zal worden geweigerd, omdat het enige grondslag ontbeert

Proceskosten

4.16     KLM is deels in het ongelijk gesteld. De kantonrechter zal om die reden de proceskosten tussen partijen compenseren, met dien verstande dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

 De beslissing

 De kantonrechter in kort geding:

5.1       veroordeelt Gow2 om binnen 1×24 uur na de uitspraak van dit vonnis de brandstoflevering aan KLM te hervatten, waartegenover staat dat met ingang van heden KLM bij elke brandstoflevering voldoet aan de betaling van de hoeveelheid aan haar geleverde brandstof en concessievergoeding van USD 0.30 per gallon aan Gow2, totdat in een door partijen nog in te stellen arbitrageprocedure over dit tussen hen bestaand geschil over de concessievergoeding definitief zal zijn beslist;

5.2       veroordeelt Gow2 tot betaling van een dwangsom van SRD 100.000,- (Honderdduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat zij niet voldoet aan de veroordeling van dit vonnis, tot een maximum van SRD 3.000.000,- (Drie miljoen Surinaamse Dollar);

5.3       verklaart hetgeen hiervoor in 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad;

5.4       compenseert de proceskosten tussen partijen, met dien verstande dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

5.5       weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, ter openbare terechtzitting te Paramaribo op vrijdag 05 juni 2026 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

 

 

 

SRU-HvJ-2004-22

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14127

[Appellant], wonende te Nederland, 1102 AA Amsterdam-Zuidoost [straatnaam 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.Struiken,  advokaat,                               appellant,

t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende  [naam project en nummer], in het [district], voor wie als gemachtigde optrad, Mr.E.Naarendorp  en die thans vervangen wordt door Mr.J.Kraag, advokaat,

geintimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 23 februari 1993 en 10 mei 1994 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 25 mei 1994, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellant], wonende te Nederland,1102 AA Amsterdam-Zuidoost [straatnaam 1], gedaagde;
  2. dat eiseres op 28 mei 1987 blijkens bijgaande in fotokopie overgelegde voorlopige koop en verkoopakte, waarvan wordt verzocht de inhoud als te zijn letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken, van gedaagde heeft gekocht, gelijk gedaagde aan eiseres heeft verkocht: A.“het perceelland groot 457,7 m² o/krt. van [naam] d.d. 3 maart 1965 met ABCD no.99 ca.; B. het perceelland groot 457,5 m². o/krt van [naam] d.d. 3 maart 1965 met ABCD no.100 ca., welke beide perceelland deel uitmaken van [perceelnummers]”, en wel voor een bedrag van Sf.75.000,– (VIJF EN ZEVENTIGDUIZEND GULDEN);
  1. dat eiseres voormeld bedrag van Sf.75.000,– reeds geheel heeft voldaan, zoals ook blijkt uit bijgaande stortingsbewijzen d.d. 10 juni 1987 en 24 november 1989, hierbij in fotokopie worden overgelegd;
  2. dat gedaagde evenwel weigert althans weigerachtig blijkt mede te werken aan de voormelde levering, ondanks diverse minnelijke aanmaningen daartoe;
  3. dat door de voorschreven gedraging de gedaagde zich jegens eiseres schuldig heeft gemaakt aan wanprestatie, alsgevolg waarvan de eiseres schade lijdt;
  4. dat eiseres op grond van vorengenoemde feiten en omstandigheden gerechtigd is te vorderen nakoming van de bedoelde koopovereenkomst;
  1. dat eiseres ter verzekering harer voormelde vordering na daartoe verkregen verlof van de Kantonrechter bij proces-verbaal van de deuwaarder Tj.Jhagroe, d.d 8 december 1989, conservatoir beslag heeft doen leggen op de in dat proces-verbaal omschreven onroerende goederen;
  2. dat voormeld beslag bij exploit van genoemde deurwaarder d.d. 11 december 1989, aan gedaagde is betekend;
  3. dat het gelegd conservatoir beslag behoort te worden vanwaarde verklaard;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld om binnen twee weken na het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de Rechter in goede justitie vast te stellen termijn aan de juridische levering van voorschreven percelenland mede te werken en te dien einde de daartoe vereiste akten te doen verlijden door een door de Rechter aan te wijzen notaris, met bepaling dat gedaagde voor iedere dag dat hij hiermede ingebreke blijft een dwangsom van sf.500,– aan eiseres zal verbeuren;

Voorts vanwaarde zal worden verklaard het gelegd beslag;

Alles met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding daaronder begrepen die van het voormeld gelegd beslag en betekening, Kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van een produktie welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering hebben bestreden en daarbij hebben geconcludeerd:

dat eiseres haar vordering niet zal worden ontvangen althans deze haar zal worden aangehouden totdat in de procedure A.R.5236/90 uiteindelijk door de Kantonrechter is beslist;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis  van  23 februari 1993 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast:

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres bij mondelinge conclusie na niet gehouden comparitie van partijen heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen bij mondelinge conclusie tot uitlating produktie heeft gepersisteerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 10 mei 1994 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, mede te werken aan de juridische levering van de percelenland en te dien einde daartoe de vereiste akten te doen verlijden door Mr.Manichand, notaris te Paramaribo;

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld om ten titel van dwangsom aan eiseres te betalen de som van f.500,– voor iedere dag dat hij ingebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen;

Voorts van waarde  heeft verklaard het door de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname Tj.Jhagroe, d.d. 8 december 1989 no.308 gelegde conservatoir beslag;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten daaronder begrepen die van het voormelde beslag aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 10 mei 1994;

Overwegende, dat bij exploot van deurwaarder Debipersad Hieralal van 2 maart 2001 aan geintimeerde aanzegging van het ingesteld hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna  het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 2 augustus 2002, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, [appellant], verder te noemen [appellant], bij  op 10 mei 1994 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis (A.R.No.89/5256) op vordering van [geïntimeerde] veroordeeld is binnen twee weken na betekening van dit vonnis, mede te werken aan de juridische levering van de percelenland en te dien einde daartoe de vereiste akten te doen verlijden door Mr.Manichand, notaris te Paramaribo;

Overwegende, dat de inhoud van een zich in het procesdossier bevindend door Mr.H.E.Struiken, Advokaat, ondertekend aan de Griffier van het Eerste Kanton gericht schrijven, daterend van 25 mei 1994, alsvolgt luidt: Hierbij teken ik namens mijn cliënt [appellant] hoger beroep aan tegen het vonnis gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 22 februari 1994 inzake [appellant] ca [geintimeerde] A.R.Nr.5256/89;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, op 22 februari 1994 tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde door de Kantonrechter in het Eerste Kanton  niet gewezen en uitgesproken is een vonnis als in eerder gemeld schrijven aangegeven;

Overwegende, dat nu in ieder geval door [appellant] geen appel aangetekend is tegen het op 10 mei 1994 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis in de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer 89/5256 en daartegen ook geen grief kan zijn ontwikkeld, zal het Hof beslissen als in het dictum te melden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verstaat dat tegen het vonnis de dato 10 mei 1994 gewezen en uitgesproken in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 89/5256 tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant], als gedaagde, geen appel is aangetekend;

Aldus gewezen  door:  Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 20 februari 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

               

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.H.E.Struiken en Mr.J.Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.                                   

                                                                                                                                                                        

SRU-HvJ-2005-19

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME           

GENERALE ROL NO. 14122

[Appellant sub B],  wonende aan [straatnaam 1] [plaats], voor wie als gemachtigde optreden, Mr.R.S.Baldew en Mr.F.F.P.Troon, advokaten, 

appellant in Kort Geding,                                                                                                                                                          

t   e  g  e  n 

  1. [Geïntimeerde sub 1], wonende aan [straatnaam 2] te [plaats]
  2. [Geïntimeerde sub 2], wonende aan [straatnaam 3] te [plaats]
  3. [Geintimideerde sub 3], wonende aan [straatnaam 4] te [plaats],

door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.M.I.Vos, advokaat, 

geintimeerden in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van  18 oktober 1999 en 2 mei 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 9 mei 2000, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

 

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde sub 1] en anderen als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

  1. Eisers wensen bij deze de navolgende vordering in kort geding in te stellen tegen: 

A. [Naam 1], wonende aan de [straatnaam 5] te [plaats],
B. [Appellant sub B], wonende aan [straatnaam 1] te [plaats],
C. [Naam 2], wonende aan [straatnaam 6] te [plaats]
D. [Naam 3], wonende aan de [straatnaam 7] te [plaats],
E. [Naam 4], wonende aan de [straatnaam 8] te [plaats],
F. De StAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, ten deze domicilie hebbende te zijnen Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat no.3)
gedaagden;

2. Eisers hebben elk een onderneming waarin zij beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten uitoefenen, met name het verlenen van rechtsbijstand aan natuurlijke- en rechtspersonen, zowel in – als buiten rechte, zulks in hun hoedanigheid van advokaat bij het Hof van Justitie en overeenkomstig het Advokatenbesluit.

3. Het sub 2 gestelde houdt onder meer in, dat eisers hun beroep en bedrijf slechts effectief kunnen uitoefenen en dus inkomsten ter voorziening in hun maatschappelijke behoeften kunnen genereren, indien de gerechtelijke procedures die zij voor en ten behoeve van degenen aan wie zij voormelde rechtsbijstand verlenen, voeren en/of moeten voeren door de gerechtelijke autoriteiten, in het bijzonder de President en de leden van het Hof van Justitie op rechtens  deugdelijke en effectieve wijze worden vervolgd en afgewikkeld, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de inrichting en Samenstelling van de Rechterlijke Macht. Eisers hebben dan ook een rechtens beschermd en te beschermen belang bij een deugdelijke uitoefening van de rechtspraak in Suriname.

4. Gedaagde sub A tot en met E zijn in januari 1999 door de President van de Republiek Suriname benoemd tot lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie van Suriname.

5. Indien gedaagde sub A tot en met E op rechtens juiste wijze zouden zijn benoemd, dan zijn zij echter slechts leden-plaatsvervangers, werkzaam bij het Hof van Justitie. Gedaagden sub A tot en met E zijn  mitsdien geen lid  van het Hof van Justitie. Ingevolge artikel 26 lid 4 van de Wet op de Inrichting en Samenstelling van de  Rechterlijke Macht kunnen leden-plaatsvervangers als voormeld, alleen maar als Kantonrechter optreden of deel uitmaken van een kamer van het Hof van Justitie, indien zij in het  algemeen door de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie tot dat doeleinde zijn aangewezen of in bijzondere gevallen bevoegdelijk door de President van het Hof van Justitie zijn aangewezen daartoe, bij belet of ontstentenis van een lid van het Hof die voor de betrekking van Kantonrechter is aangewezen of is aangewezen als lid van een kamer als voormeld.

6. Eisers hebben informatie  ontvangen, welke bij verificatie juist blijkt te zijn, dat op een bijeenkomst van het lid van het Hof van Justitie, de heer Mr.A.C.Veldema met gedaagden sub A tot en met E op 19 augustus  1999 gedaagden sub A tot en met E zijn aangewezen om de betrekking van Kantonrechter waar te nemen. Een dergelijke aanwijzing kan echter ingevolge artikel 26 van de Wet op de Inrichting en Samenstelling van de Rechterlijke Macht slechts door de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie van Suriname geschieden. Voormelde  bijeenkomst was echter geen Algemene Vergadering van het Hof van Justitie, aangezien die slechts gevormd wordt door de President, de Vice-president en de leden van het Hof van Justitie.

7. Indien dan ook gedaagden sub A tot en met E anders dan als leden-plaatsvervangers van het Hof van Justitie en, voorzover zij dat rechtens zouden zijn – quod non – krachtens besluit van de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie, welk besluit niet bestaat, deelnemen aan de rechtspleging bij de Kantongerechten of het Hof van Justitie van Suriname, hetzij als Kantonrechter, hetzij als lid van een kamer van het Hof van Justitie, dan heeft zulks tot gevolg dat alle door  hen verrichte processuele handelingen, inclusief het wijzen of mede-wijzen van vonnissen in burgerlijk zaken, ambtenarenzaken en strafzaken, rechtens nietig en van onwaarde zullen zijn. Zulks zal weer tot gevolg hebben, dat eisers ernstig belemmerd zullen worden in een richtige en deugdelijke uitoefening van hun beroep, door dat toch door hen verleende rechtsbijstand in rechte geen resultaat zal hebben of hebben gehad, hetgeen wederom derving van inkomsten met zich brengt.

8. Eisers hebben evenwel vernomen, dat gedaagden sub A tot en met E het voornemen hebben wel deel te nemen aan de rechtspleging als sub 7 vermeld, zonder rechtens lid-plaatsvervanger te zijn en voorzover zij dat rechtens wel zouden zijn, anders dan krachtens besluit van de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie, hetzij op grond van het verhandelde uit hoofde van de sub 6 vermelde bijeenkomst, hetzij uit andere hoofde, hetgeen op grond van het sub 7 gestelde in strijd zou zijn met de zorgvuldigheid die hen in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van eisers betaamt.

9. Gedaagde sub F heeft kenbaar gemaakt voormelde voorgenomen handelingen van gedaagden sub A tot en met E te zullen ondersteunen door onder meer op de Griffie van het Hof van Justitie en de Griffie der Kantongerechten werkzaam personeel, als landsdienaren te dwingen aan de voorgenomen handelingen van gedaagden sub A tot en met E mede te werken, zodat ook harerzijds onrecht dreigt.

10. Eisers hebben dan ook recht en belang tegen voormeld dringend en ernstig onrecht op te komen. Het belang van eisers vordert terzake een onverwijlde voorziening bij voorraad, aangezien voormeld onrecht zich dreigt te manifesteren met ingang van het nieuwe zittingsjaar van het Hof van Justitie en de Kantongerechten per 1 oktober 1999.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden hebben gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut:

I. Gedaagde sub A tot en met E, elk afzonderlijk, zullen worden bevolen zich te onthouden van deelneming als rechter aan de rechtspleging door het Hof van Justitie en te fungeren als Kantonrechter, anders dan krachtens besluit van de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie of een bevoegdelijk door de President van het Hof van Justitie  gegeven aanwijzing.

II. Gedaagde sub F zal worden bevolen de sub I bedoelde bevelen te gehengen en te gedogen.

III. Gedaagde sub A en/of gedaagde sub B en/of gedaagde sub C en/of gedaagde sub D en/of gedaagde sub E (elk afzonderlijk), zal (zullen) worden veroordeeld om voor elke dag of elke keer dat zij het sub I vermelde bevel niet nakomen aan eisers (elk afzonderlijk) ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf.10.000.000,– (TIENMILJOEN GULDEN).

IV.Gedaagde sub F zal worden veroordeeld om voor elke dag of keer dat zij het sub II vermelde bevel niet nakomt, aan eisers ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf.10.000.000,– (TIENMILJOEN GULDEN), Kosten  rechtens;

Overwegende, dat de gedaagden in de hoofdzaak sub A tot en met E een akte van wraking hebben ingediend;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 18 oktober 1999 op de daarin opgenomen gronden:

In het incident:

De voorgestelde wraking heeft afgewezen;                       

In de hoofdzaak:

Partijen de gelegenheid heeft geboden in de onderhavige zaak te pleiten;

Iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen in de hoofdzaak schriftelijk bij de Griffier hebben afgeconcludeerd, waarvan is opgemaakt een proces-verbaal waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd; 

Overwegende, dat de gedaagden sub C en D op de ter terechtzitting van 30 maart 2000 bij schriftelijke conclusie van antwoord hebben verklaard dat zij om hun moverende  redenen geen verweer zullen voeren en zich te refereren aan het oordeel van de Rechter;

Overwegende, dat ten dage voor beraad onttrekking zijdens mr.J. Kraag bepaald, diens gemachtigde bij monde van mr.H.P. Boldewijn heeft medegedeeld, dat hij zich als gemachtigde van gedaagden sub B en F aan de zaak onttrekt;                                                                                                                         

Overwegende, dat wijlen Mr.E.J.Bruma, advokaat bij het Hof van Justitie in zijn brief van 13 april 2000, zich als gemachtigde van gedaagde sub C en D heeft onttrokken;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierbij bij vonnis van 2 mei 2000 op de daarin opgenomen gronden:

gedaagden sub A tot en met E, elk afzonderlijk heeft bevolen zich te onthouden van deelneming als rechter  aan de rechtspleging door het Hof van Justitie en te  fungeren als Kantonrechter anders dan  krachtens besluit  van de Algemene Vergadering van het Hof van Justitie of een    bevoegdelijk door de President van het Hof van Justitie gegeven aanwijzing;

gedaagde sub F heeft bevolen de sub I bedoelde bevelen te gehengen en te gedogen;

gedaagde sub A en gedaagde sub B en gedaagde sub C en gedaagde sub D en gedaagde sub E elk afzonderlijk heeft veroordeeld om voor elke dag dat zij het sub I vermelde bevel niet nakomen aan eisers elk afzonderlijk  ten titel van dwangsom te betalen   het bedrag van Sf.10.000.000,– per dag;

gedaagde sub F heeft veroordeeld om voor elke dag dat hij het sub II    vermelde bevel  niet nakomt, aan eisers ten titel van dwangsom te betalen   het bedrag van Sf.10.000.000,– per dag;

dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut heeft verklaard;

gedaagden heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan eisers zijde gevallen;

het meer of anders  gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [naam 1], [Appellant sub B],[naam 4] en De Staat Suriname in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in Kort ding van 2 mei 2000;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 1 februari 2001 aan geintimeerden aanzegging van het ingesteld hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 18 mei 2001 advokaat Mr.F.F.J.Troon heeft verklaard:” [naam 1], [naam 4] en De Staat Suriname trekken het appel in”;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota, antwoord pleidooi  en repliek pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat wijlen Mr. E. J. Bruma, advocaat, op 9 mei 2004 ter griffie van het kantongerecht een schriftelijke verklaring heeft ingediend volgens welke hij namens [naam 1], [Appellant sub B],[naam 4] en de Staat Suriname in appèl komt van het vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 2 mei 2000, bekend onder A.R. no. 994282;

Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat de appellanten [naam 1],[naam 4] en de Staat Suriname het door hen ingestelde hoger beroep hebben ingetrokken;

Overwegende, dat uit de gedingstukken is op te maken dat [naam 1], [appellant sub B], [naam 2], [naam 3] en [naam 4] in voormelde zaak de met de behandeling van die zaak belaste Kantonrechter hebben gewraakt en dat bedoelde Kantonrechter de wraking bij vonnis van 18 oktober 1999  heeft afgewezen;

Overwegende, dat [Appellant sub B] in het incident een drietal grieven en in de hoofdzaak een viertal grieven heeft opgeworpen;

Overwegende, dat de in het incident opgeworpen grieven kennelijk betrekking hebben op het in de wrakingszaak gewezen vonnis; dat echter ingevolge artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de beslissingen in zaken van wraking niet aan enig hoger beroep onderworpen zijn, zodat het Hof verder aan bedoelde grieven voorbij kan gaan;

Overwegende, dat de grieven in de hoofdzaak als volgt luiden:

I. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 5e rechtsoverweging aangenomen dat het wederom aan de orde stellen van de ten onrechte als ongegrond afgewezen wraking in flagrante strijd met een goede procesorde zou zijn en dat hij derhalve bespreking van het terzake door hen aangevoerde in het midden zal laten.

II. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in kort geding aangenomen dat deze zaak zich leent voor behandeling in kort geding.

III. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in kort geding in de 10e rechtsoverweging aangenomen dat het in deze zaak om een eenvoudige (onderstreping door appellanten) toepassing van de Grondwet en niet c.q. beslist niet om een diepgaand en verregaand onderzoek naar de vraag of de Grondwet goed is toegepast.

IV. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in kort geding gesteld dat de Nationale Assemblee de benoeming van de heer A.C. Veldema tot President van het Hof van Justitie niet kon bekrachtigen en dat bespreking van dat gestelde dan ook als volkomen irrelevant in het midden kan worden gelaten. 

Overwegende, dat appellant sub B ter toelichting op grief I, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, heeft gesteld dat aangezien de Kantonrechter zich bevoegd achtte de hoofdzaak te behandelen hij, appellant, genoodzaakt was in de hoofdzaak wederom de voorgestelde wraking ter sprake te brengen indachtig het gezegde ”beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald”, zodoende Mr. J.R. von Niesewand alsnog de mogelijkheid biedende zich onbevoegd te verklaren;

Overwegende, dat geintimeerden, voor zoveel hier van belang, hebben aangevoerd dat het duidelijk is dat als de rechter in een geding een rechtsvraag omtrent zijn bevoegdheid heeft beslist, het na die beslissing opnieuw aan de orde stellen van die rechtsvraag slechts tot vertraging van de procedure leidt, vooral wanneer zoals in casu de bedoeling daarbij is de rechtsgang van het geding te frustreren en zulks dan ook op grond van de eisen van een goede procesorde niet kan worden getolereerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter de wraking reeds definitief had afgehandeld en het wederom aan de orde stellen van die wraking daarom geen redelijk belang diende;

Overwegende, dat de Kantonrechter zich, naar ’s Hofs voorlopig oordeel, dan ook op het standpunt kon stellen dat de houding van appellant sub B in strijd was met een goede procesorde; 

Overwegende, dat daarbij in het midden kan blijven of er wel of niet sprake is van flagrante strijd, omdat reeds strijd met een goede procesorde zonder meer, hetwelk de Kantonrechter, zoals boven is overwogen, aanwezig kon achten, het verder onbesproken laten van het aangevoerde rechtvaardigde;  

Overwegende, dat grief I mitsdien niet opgaat;

Overwegende, dat grief II en grief III zich voor gezamenlijke bespreking lenen:

Overwegende, dat appellant sub B zich blijkens de toelichting op deze grieven    bezwaard acht door het feit dat de Kantonrechter in het beroepen vonnis de vraag heeft beantwoord of de President van de Republiek Suriname bij de benoeming van de heer A.C. Veldema tot President van het Hof in strijd met de grondwet heeft gehandeld;

Overwegende, dat appellant sub B blijkens de toelichting op de grieven, kort samengevat, van oordeel is dat, voordat kan worden beslist of de Grondwet goed is toegepast, de vraag moet worden beantwoord hoe, in casu, artikel 141 juncto artikel 133 van de Grondwet moet worden geïnterpreteerd; voorts, dat het niet aan de Kantonrechter in kort geding is om dit onderzoek te doen; dat, aangezien het gaat om een zaak van grote importantie en een diepgaand onderzoek noodzakelijk is, de Kantonrechter toen-eisers naar de bodemrechter had moeten verwijzen;

Overwegende, dat geintimeerden in eerste aanleg, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, hebben aangevoerd dat de feiten vaststaan en de vraag of mr. Veldema overeenkomstig artikel 141 van de Grondwet benoemd is dan ook een zuivere rechtsvraag is, die feitelijk in het geheel niet ingewikkeld is en waarover de rechter zich moet (onderstreping door geintimeerden) uitspreken in een rechtsgeding, ook indien het geen eenvoudige rechtsvraag zou zijn, zoals gedaagden beweren, hetgeen die vraag echter wel is;

Overwegende, dat geintimeerden in hoger beroep hebben verwezen naar artikel 14 van de Wet Algemene Bepalingen van Wetgeving, welke wettelijke bepaling – naar zij stellen – de rechter en dus ook de rechter in kort geding dwingt rechtsvragen te beantwoorden en dus ook aan te geven welke uitleg aan een rechtsregel moet worden gegeven;

Overwegende, dat het Hof voorshands van oordeel is dat, waar niet gesteld of gebleken is dat, in verband met de vraag die door de Kantonrechter is beantwoord, feitelijke onduidelijkheden bestonden, niets hem, Kantonrechter, belette om, zoals hij in casu heeft gedaan, bij de beantwoording van de vraag of de gevraagde voorziening kon worden toegewezen, zijn voorlopig oordeel over die vraag te geven;

Overwegende derhalve, dat ook grief II faalt;

Overwegende, dat toen-gedaagden in eerste aanleg als argument voor het van kracht zijn van de resolutie, waarbij Mr. A.C.Veldema tot President van het Hof van Justitie was benoemd, en voor de rechtmatigheid van die benoeming hebben aangevoerd dat die benoeming inmiddels door de Nationale Assemblee bij motie was bekrachtigd respektievelijk dat de benoeming van Mr.Veldema door de Nationale Assemblee in een vergadering was goedgekeurd; 

Overwegende, dat de Kantonrechter voormelde stellingen kennelijk aldus heeft opgevat en ook kon opvatten dat beweerd werd dat een eventueel gebrek in de vorenbedoelde benoeming door een besluit van de Nationale Assemblee was geheeld;

Overwegende, dat ook toen-eisers bedoelde stellingen aldus hebben opgevat, gelet op hun, hier zakelijk weergegeven, verweer dat de Nationale Assemblee niets van doen had met de benoeming van leden van de Rechterlijke Macht;

Overwegende, dat uit de toelichting op grief IV is op te maken dat toen-gedaagden hebben beoogd te stellen dat de Nationale Assemblee bij een op 5 november 1998 goedgekeurde motie (slechts) tot uitdrukking heeft gebracht dat naar zijn oordeel de procedure, die de regering had gevolgd bij de benoeming van Mr. A.C. Veldema, in overeenstemming is met de vigerende Grondwet van de Republiek Suriname;

Overwegende, dat appellant sub B heeft aangevoerd dat voormeld oordeel van de Nationale Assemblee voor de Kantonrechter in kort geding reden moest zijn om te beseffen dat deze grondwettelijke aangelegenheid niet in kort geding kan worden beslist;

Overwegende, dat de Kantonrechter, anders dan appellant sub B meent, de “grondwettelijke aangelegenheid” niet heeft beslist, maar bij de beantwoording van de vraag of de gevraagde voorziening kon worden toegewezen, daarover zijn voorlopig oordeel heeft gegeven, hetgeen hem, zoals reeds is overwogen, vrijstond;

Overwegende, dat vorenbedoelde motie, waarin de Nationale Assemblee zijn oordeel heeft uitgesproken over een handeling van de regering, geen rechtsbron is en de Kantonrechter derhalve daaraan niet was gebonden;

Overwegende, dat grief IV de appellant sub B evenmin kan baten;

Overwegende, dat nu er geen aanleiding is om ambtshalve anders te beslissen,  het beroepen vonnis, onder aanvulling van gronden, zal worden bevestigd, met veroordeling van de appellant sub B in de op dit hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen proceskosten. 

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Bevestigt onder aanvulling van gronden het vonnis van de Kantonrechter, gewezen en uitgesproken op 2 mei 2000, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant sub B in de proceskosten in  hoger beroep aan de zijde   van de geintimeerden gevallen en begroot op SRD.350,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekend salaris   van SRD.350,–;

Bepalende  het Hof het salaris  van de advokaat van appellant sub B eveneens op SRD.350,–;

 

Aldus gewezen  door: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden 

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 maart 2005, door de Fungerend-President, Mr.K.Pultoo, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat  Mr.H.E.Struiken namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.J.Troon en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.C.J.Bleau namens hun gemachtigde, advokaat  Mr.M.I.Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

                                                                            

SRU-HvJ-2001-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 13732.

[Appellant], wonende in het [district] aan de [straatnaam] voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
appellant in conventie
en in reconventie,

t e g e n

[Geïntimeerde], in zijn hoedanigheid van vader uitoefenende de ouderlijke macht over de minderjarige [kind], geboren in Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,
geïntimeerde q.q. in conventie
en in reconventie,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectievelijk van 16 mei 1997 en 4 december 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat partij [appellant] in de enquête drie getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van partij [appellant] hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden enquête heeft genomen – onder overlegging van een produktie – wordende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde vervolgens een eveneens hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden enquête en uitlating produktie heeft genomen;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 21 mei 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In conventie en in reconventie;
1. Het Hof neemt hier over en volhardt bij hetgeen in laatstvermeld tussenvonnis is overwogen en beslist.
In conventie voorts:
2. In s’ Hofs tussenvonnis van 4 december 1998 is aan [appellant] opgedragen te bewijzen dat hij de koopovereenkomst met [naam] is aangegaan onder beding dat laatstgenoemde de koopsom binnen zes maanden diende te betalen en dat, indien [naam] drie maanden achterstallig zou zijn, de koopovereenkomst van rechtswege ontbonden zou zijn.
3. [Appellant] heeft drie getuigen, te weten [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] doen horen, terwijl geen tegengetuigen zijn voorgebracht.
4. Met betrekking tot hetgeen [appellant] en [naam] zijn overeengekomen heeft geen van de getuigen iets verklaard. Uit hun verklaringen blijkt wel dat zij elk het erfpachtsrecht op een perceel van [appellant] hebben gekocht en dat daarbij telkens is overeengekomen dat de koopsom binnen zes maanden (na de koop) moest zijn voldaan. Geen van de getuigen heeft er echter gewag van gemaakt dat hij met [appellant] iets heeft afgesproken over de gevolgen van drie maanden achterstalligheid. Verder hebben de getuigen, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

[getuige 1]:
“Tussen [appellant] en ik was verder afgesproken dat indien de koopsom niet binnen deze termijn werd betaald, het perceel weer van de eigenaar zou zijn”
[getuige 2]:
“ Indien dit laatste (i.e. betaling van de koopsom binnen zes maanden: toevoeging door het Hof) niet het geval zou zijn, zou de koop niet doorgaan. Afgesproken was dat als ik de koopsom niet binnen 6 maanden had betaald [appellant] het perceel zou intrekken”.
[getuige 3]:
“Met [appellant] was afgesproken dat de koopsom binnen 6 maanden moest zijn betaald en dat [appellant] anders het perceel zou intrekken”.
Uit het voorgaande blijkt niet dat [appellant] en de getuigen het van rechtswege ontbonden zijn van de tussen hen gesloten koopovereenkomst zijn overeengekomen, maar eerder dat er sprake is van een annuleringsbeding (i.e. de bevoegdheid om de overeenkomst als ontbonden te beschouwen; in de woorden van de getuigen: “om het perceel in te trekken”).
5. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant] niet heeft waargemaakt dat tussen hem en de getuigen een beding is gemaakt als hierboven onder 2 bedoeld en des te minder dat tussen hem en [naam] een dergelijk beding is totstandgekomen. Hij is dus niet geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs.
6. [Appellant] heeft ontkend dat de akte van cessie gedateerd “maart 1988”, aan hem is betekend. Dit verweer wordt verworpen, aangezien het Hof door het in fotokopie overgelegd exploit van deurwaarder G.O.Niekoop dd.9 maart 1988, waartegen [appellant] geen bewijs heeft aangeboden, bewezen acht dat genoemde akte van cessie in persoon aan [appellant] is betekend.
7. [Appellant] heeft ook nog aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de persoon van [kind] de Nederlandse nationaliteit bezit, permanent verblijf houdt in Nederland en dat blijkens het Decreet Landhervorming slechts toestemming tot het overdragen van erfpachtsrecht zal worden verleend indien de begunstigde de Surinaamse nationaliteit bezit. Hiertegen is aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat genoemde [kind] “thans” de Nederlandse nationaliteit heeft, maar ten tijde van de cessie, alsmede bij de indiening van het inleidend rekest (op 10 mei 1990) en ook toen de toestemming van de Minister van NHE dd. 4 mei 1989 werd gegeven, de Surinaamse nationaliteit bezat; dat de wijziging in nationaliteit generlei invloed uitoefent op de uit de cessie voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen.
8. Partijen hebben kennelijk het oog op het Decreet uitgifte Domeingrond, waarvan art 2 sub a, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, bepaalt dat het recht om domeingrond te krijgen slechts toekomt aan Surinamers die in Suriname wonen. Zij, partijen, zien echter hierbij over het hoofd dat het in casu niet betreft de uitgifte van grond door de Staat, maar de overdracht van een in 1966 (zie bij het inleidend rekest overgelegde hypothecair uittreksel) gevestigd erfpachtsrecht, waarop van toepassing is art.6 van het Decreet rechtstoestand vóór 1 juli 1982 juncto artikel 28 van het Decreet uitgifte Domeingrond. Laatstvermeld artikel bepaalt weliswaar dat overdracht van het recht uitsluitend met toestemming van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie kan geschieden en dat aan die toestemming voorwaarden kunnen worden verbonden, maar bedoeld artikel bepaald geenszins dat toestemming voor overdracht van het erfpachtsrecht slechts wordt verleend indien de begunstigde de Surinaamse nationaliteit bezit. De onder 7 weergegeven stelling van [appellant] gaat dus niet op.
9. Op grond van hetgaan hierboven en in de aan dit vonnis voorafgaande tussenvonnissen is overwogen, dient het vonnis van de Kantonrechter, waarvan beroep, onder verbetering van gronden te worden bevestigd.
10. [Appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

In reconventie voorts:
11. Uit de overgelegde, en in zoverre niet betwiste, stukken blijkt het volgende:
a. ten verzoeke van [geïntimeerde] is bij exploiten nummers 304 en 311 van deurwaarder Sh.kandhai, beide dd.4 mei 1990, conservatoir beslag gelegd op een perceelland groot 1.8637 ha, bekend als [perceelnummer 2], “met uitzondering van de overgedragen delen” respectievelijk op enkele in het exploit genoemde roerende goederen.
b. bovenvermeld perceelland is verdeeld in 14 delen, waaronder het perceelland groot 1.070,73 m², bekend als [perceelnummer1]
12. [appellant] heeft gevorderd dat voormelde beslagen zullen worden opgeheven, omdat door de Kantonrechter uitsluitend verlof is verleend tot het leggen van beslag op het perceelland bekend als [perceelnummer 1] en niet op het perceelland bekend als [perceelnummer 2] voorts, omdat hij niet in enige contractuele relatie tot [geïntimeerde] stond.
13. [kind] heeft niet betwist en derhalve staat vast dat de Kantonrechter verlof heeft verleend tot het leggen van beslag op [perceelnummer 1]. [kind] heeft zich weliswaar erop beroepen dat beslag is gelegd op [perceelnummer2] “met uitzondering van de overgedragen delen”, maar, naar hij zelf stelt, was, van de 14 kavels, kavel 9 nog niet overgedragen en werd kavel 14 door [appellant] zelve bewoond. Hieruit volgt dus dat [perceelnummer 2] “met uitzondering van de overgedragen delen” niet samenvalt met [perceelnummer 1], zodat geen beslag is gelegd op het perceel waarvoor verlof van de Kantonrechter was bekomen.
14. Volgens de betreffende exploiten zijn de beslagen gelegd ter verzekering van een vordering groot Sf.55.000,–. Aangezien het beslagrekest ontbreekt is niet duidelijk welke vordering wordt bedoeld. [kind] heeft in conventie de vanwaardeverklaring van deze beslagen gevorderd en het wordt er dan ook voor gehouden dat de beslagen zijn gelegd ter verzekering van de, kennelijk op Sf.55.000,– begrootte subsidiaire vordering. Deze vordering blijft echter, nu de primaire vordering wordt toegewezen, buiten bespreking.
15. De vordering van partij [appellant] dient op grond van al het voorgaande te worden toegewezen. [kind] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
In conventie:
Bevestigt onder verbetering van gronden het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en op 25 mei 1993 uitgesproken vonnis.
Veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;
In reconventie:
Vernietigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en op 25 mei 1993 uitgesproken vonnis.

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Heft op de bij exploiten nummers 304 en 311 van deurwaarder Sh.Kandhai, beide dd. 4 mei 1990, gelegde conservatoire beslagen.
Veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van partij [appellant] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.26.789,50,–;
met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f.2.500,–;
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op f.2.500,–;
In conventie en in reconventie

Aldus gewezen door: Mr.E.S.OMBRE, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 7 december 2001, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.BRIJOBHOKUN, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.U.F.Truideman namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.J.Nibte namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2004-21

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO 14174

[Appellante], wonende aan [straatnaam 1] Leiden in Nederland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.R.Kambel, advokaat, 

appellante in Kort Geding,

                                 

 t   e  g  e  n 

 

  1. [Geintimeerde sub A], wonende aan [straatnaam 2] in het distrikt Wanica
  2. [Geintimeerde sub B], wonende aan [straatnaam 3] te Rotterdam, Nederland,
  3. [Geintimeerde sub C ], wonende aan [straatnaam 4] te Delft in Nederland, door wie tot hun aller gemachtigde optreedt, Mr.S.Mangroelal, advokaat,

geintimeerden in Kort Geding,

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton,  van 09 januari 2003  tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de G riffier van het Eerste Kanton van 14 juli 2003, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geintimeerde sub A] en anderen als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

  1. Eiseressen wensen de navolgende vordering in te stellen tegen: [appellante], wonende aan [straatnaam 1] te Leiden in Nederland, voor wie krachtens onderhandse akte van lastgeving de dato 22 april 1996 als gemachtigde optreedt, Mr. Emro Rene Kambel, advocaat, wonende aan de Anton Dragtenweg 228 te Paramaribo, gedaagde;
  1. Eiseressen zijn allen erfgenaam van wijlen [erflater], overleden op 17 december 1976, terwijl gedaagde met voornoemde erflater gehuwd geweest is, welk huwelijk bij vonnis van de Kantonrechter d.d. 4 januari 1966 middels echtscheiding werd ontbonden verklaard. De inschrijving had plaats op 26 mei 1966. Hierbij wordt ten bewijs overgelegd de verklaring van erfrecht de dato 12 januari 1977 alsmede het inschrijvingsbewijs van het echtscheidingsvonnis, met verzoek aan de rechter de inhoud daarvan alsook die der nader over te leggen produkties als hierbij letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen (zie prod.no.1 en 2);
  1. Partijen zijn allen medegerechtigd in het na te noemen onroerend goed: Het resterend deel, groot ongeveer 63 aren van het perceelland, op de kaart van de landmeter J.C. de La Parra de dato 15 januari 1964 aangeduid met de letters ABCD en met [perceelnummer], deel uitmakende van de plantage Boxel in het [distrikt 2], thans [distrikt 1], welk resterend deel gelegen is tussen Surinamerivier en de weg van Paramaribo naar Domburg (zie prod.no.3);
  1. Gedaagde heeft blijkens het hier voren overgelegd hypothecair uittreksel CONSERVATOIR MARITAAL BESLAG doen leggen op het litigieus onroerend goed, bij exploit van deurwaarder Idrismohamed Joemmanbaks, welk beslag is ingeschreven in de registers van het hypotheekkantoor op 18 april 1968 in register D 22 onder nummer 2166;
  2. Gemeld beslag is door gedaagde gelegd conform de aan de echtgenoot bij wet gegeven mogelijkheden en rust na bijkans (VIERENDERTIG) jaren nog steeds op het onderwerpelijk perceelland. Door het overlijden van de genoemde erflater heeft bedoeld beslag geen enkele zin. Immers biedt zij hierdoor geen bescherming aan de ene echtgenoot voor handelingen van de ander, die de wetgever heeft beoogd.
  1. Gedaagde is niet voornemens uit eigen hoofde het gelegd beslag op te heffen, terwijl eiseressen eveneens door gedaagde worden tegengewerkt in hun streven om tot scheiding te geraken om zodoende de kwestie volledig af te wikkelen. Getuige hiervan het feit dat reeds de erflater vanaf de echtscheding heeft getracht te scheiden en te delen en na diens overlijden tot op heden is het eiseressen niet gelukt gedaagde te bewegen tot afwikkeling van de boedel. Ten bewijs van pogingen moge mede dienen de zwarighedenprocedure door eiseressen aangespannen en bekend onder A.R.no.97-5295 waarin tot op heden geen uitspraak kan worden bekomen, mede vanwege de door gedaagde opgeworpen obstakels, zoals verhoor op niet relevante vraagpunten. Thans is het dossier op de griffie in ongerede geraakt en moeten eiseressen een schaduwdossier aanleggen.
  1. Om voorschreven redenen hebben eiseressen tot op heden niet in rechte de opheffing van het gelegd  beslag gevorderd, doch ziet het er niet uit dat op korte termijn de zaak zal zijn opgelost. Bovendien is het op het perceel gebouwd woonhuis op 2 maart 1996 door brand verwoest en zijn zij, eiseressen bezig met de wederopbouw hiervan. Hoewel de woning thans in vergevorderd stadium van afbouw bevindt, zijn er financien nodig voor de volledige afbouw en kan geen financiering, ook niet op het aandeel van eiseressen, worden genomen vanwege het ten rekeste omschreven beslag. Artikel 703 tweede lid Rv. stelt als essentiële vereiste voor het leggen van conservatoir maritaal beslag de gegronde vrees voor verduistering. Gedaagde is mede-gerechtigd en kunnen eiseressen niet tot vervreemding overgaan buiten medeweten van gedaagde. Met andere woorden ontbreekt de belangrijkste voorwaarde voor het onderhavig beslag, weshalve dient zij opgeheven te worden. Eiseressen hebben thans ook recht en belang om voren omschreven redenen, om in Kort Geding de opheffing van het gelegd beslag te vorderen.

De rechter wordt eerbiedig verzocht de behandeling van de onderhavige zaak in Kort Geding te rechtvaardigen.

Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd;

dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren de opheffing zal worden gelast van het ten verzoeke van gedaagde gelegd CONSERVATOIR MARITAAL BESLAG bij exploit van deurwaarder Idrismohamed Joemmanbaks, welk beslag is ingeschreven ten hypotheekkantore alhier op 18 april 1968 in register D 22 onder nummer 2166, Kostens rechtens.   

Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder – overlegging van produkties welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat gedaagde het verzoek van eiseressen bij Kort Geding tot opheffing van het gelegd conservatoir maritaal beslag dd. 18 april 1968 niet zal worden ontvangen althans zal worden afgewezen als zijnde ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 9 januari 2003 op de daarin opgenomen gronden:

De opheffing heeft gelast van het ten verzoeke van gedaagde gelegd CONSERVATOIR MARITAAL BESLAG bij exploit van deurwaarder Idrismohamed Joemmanbaks op “het resterend deel, groot ongeveer drie en zestig aren van het perceelland, op de kaart van de landmeter J.L. de la Parra de dato vijftien januari 1900 vier en zestig aangeduid met de letters ABCD en met [perceelnummer], deel uitmakende van de plantage Boxel in het [distrikt 2], thans [distrikt 1], welk resterend deel gelegen is tussen Surinamerivier en de weg van Paramaribo naar Domburg”, welk beslag overgeschreven is op 18 april 1968 in register D 22 onder nummer 2166 ten Hypoyheekkantore;

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseressen gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. 57041,50 (zeven en vijftig duizend een en veertig 50/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in  Kort Geding van 9 januari 2003;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.Kappel van 08 april 2004 aan geintimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van  appellante bij pleitnota en repliek pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellante blijkens het desbetreffende proces-verbaal van de Griffier van het Kantongerecht in het Eerste Kanton op 14 juli 2003 in hoger

beroep is gekomen van het op 9 januari 2003 gewezen vonnis bij welke uitspraak zij blijkens verklaring van de Griffier vertegenwoordigd was, zodat zij gerekend vanaf de dag der uitspraak 203 dagen nadien in beroep is gekomen, terwijl de wet slechts een termijn van dertig dagen toestaat;

Overwegende, dat appellante derhalve niet ontvankelijk is in het gestelde beroep en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 9 januari 2003 gewezen;

Veroordeelt haar in de kosten aan de zijde van geintimeerden op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD 150.

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150.

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op SRD 150.

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 3 december 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.E.R.Kambel en Mr.S.Mangroelal, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. 

                                                                                       

 

                                                                                    

 

SRU-HvJ-2004-20

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE R0L NO. 14168.

a. [Appellant sub A ], wonende te [plaats 1] aan [straatnaam 1] en
b. [Appellant sub B], weduwe van [naam 1], wonende te [plaats 1] aan [straatnaam 2],
door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld Mr.T.GANGARAM PANDAY, advokaat,
appellanten,

t e g e n

[Geintimeerde sub A], echtgenote van [naam 2], wonende aan [straatnaam 3],
B. [Geintimeerde sub B], echtgenote van [naam 3], wonende aan [straatnaam 4] te [plaats 2], door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld Mr.M.R.CARRILHO, advokaat,
geintimeerden,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;
Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 juli 1972 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 6 februari 1995, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat a. [geintimeerde sub A] en b. [geintimeerde sub B] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:
1. dat eiseressen de navolgende vordering wensen in te stellen tegen:
a. [Appellant sub A], wonende te Paramaribo aan [straatnaam 1];
b. [Appellant sub B], weduwe van [naam 1], wonende te Paramaribo aan [straatnaam 2],
gedaagden;
2. dat blijkens hierbij overgelegd copie geboorteakte d.d. 17 augustus 1993, [NAAM 2], gedaagde sub a bij akte verleden voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo d.d. 9 mei 1967 heeft erkend als zijn natuurlijk kind;
3. dat [NAAM 2] niet de vader in den bloede van gedaagde sub a is en eiseressen daarom de erkenning bedoeld in sub 2 wensen te betwisten;
4. dat eiseres sub A er recht en belang bij heeft bedoelde erkenning te betwisten, nu zij op 19 oktober 1980 in het ressort Sur/DH met [NAAM 2] in het huwelijk is getreden en bij voor overlijden van [NAAM 2], als zijn enige erfgename zal optreden, hetgeen thans door de erkenning van gedaagde sub a niet het geval is, waardoor eiseres sub A ernstig benadeeld zal worden, vooral omdat eiseres sub a en haar echtgenoot geen kinderen hebben en daardoor gedwongen worden financiële voorzieningen te treffen voor hun oude dag;
5. dat eiseres sub B een zuster van [NAAM 2] is en uit deze hoofde belang bij heeft dat haar familienaam niet wordt gedragen door iemand die in geen enkele rechtsbetrekking, althans in den bloede tot haar staat;
6. Daarnaast zal, in geval van gelijktijdige of vooroverlijden van eiseres sub A, na het overlijden van haar broer [NAAM 2], eiseres sub B erfgename worden van haar broer. Indien de erkenning van gedaagde sub a in stand zou blijven, dan zal hij (mede-) aanspraak maken op de nalatenschap van voornoemde [NAAM 2];
7. dat gedaagde sub b haar toestemming tot vermelde erkenning heeft verleend, wetende dat [NAAM 2] niet de vader in den bloede is van gedaagde sub a;
8. dat eiseressen gegrond verklaring van de betwisting van de erkenning van gedaagde sub A in rechte wensen te vorderen;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat de betwisting van de erkenning van [APPELLANT SUB A] door [NAAM 2], als zijn natuurlijk kind bij akte verleden voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Paramaribo op 9 mei 1967 gegrond zal worden verklaard.
Voorts dat gedaagde sub b deze beslissing zal geheugen en gedogen;
Overwegende, dat gedaagde sub B mondeling voor antwoord heeft gezegd;
”Ik was gehuwd; [naam 2] is niet de vader van [Appellant sub A];
Overwegende, dat de gedaagde sub A mondeling voor antwoord heeft gezegd:
”Ik erken dat [naam 2] niet mijn vader is”;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 19 juli 1994 op de daarin opgenomen gronden:
Gegrond heeft verklaard de betwisting van de erkenning van [Appellant sub A ], gedaan bij akte d.d. 9 mei 1967 verleden voor de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo door [naam 2];
De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal a.[Appellant sub A] en b. [Appellant sub B] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 19 juli 1994;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 12 april 2003 aan geintimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald, geen pleitnota is overgelegd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in deze zaak aanvankelijk had bepaald op 2 april 2004, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat nu appellanten, ofschoon zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, geen grieven tegen het beroepen vonnis hebben ontwikkeld en dat vonnis het Hof overigens juist voorkomt, dient het te worden bevestigd;
Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis op 19 juli 1994 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen, waarvan beroep;
Veroordeelt appellanten in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op SRD nihil;

 

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend-President, Mr.K.PULTOO, Lid en Mr.I.H.M.H.RASOELBAKS, Lid-plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 APRIL 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

 

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advokaat Mr.T.Gangaram Panday en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.C.Halfhuid namens hun gemachtigde, advokaat Mr.M.R.Carrilho, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

 

SRU-HvJ-2004-19

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14154

[Appellant], wonende te [plaats] aan [straatnaam], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
appellant,

t e g e n

DE SURINAME ALUMINIUM COMPANY (SURALCO), rechtspersoon, naar het recht van de Staat Delaware, U.S.A., gevestigd en kantoorhoudende te Wilmington in de Verenigde Staten van Amerika, mede kantoorhoudende te Paramaribo, aan de van ’t Hogerhuysstraat no.13, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
geintimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde beschikking van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton van 14 mei 1999 tussen partijen gegeven;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 mei 1999, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat DE SURINAME ALUMINIUM COMPANY (SURALCO) als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat de verzoekster de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen:[appellant], wonende [plaats] aan [adres], verweerder;
2. dat de verzoekster bij schrijven d.d. 20 november 1997 bij de Minister van Arbeid vergunning tot ontslag heeft gevraagd voor de gedaagde, terzake diefstal c.q verduistering van veiligheidsschoenen en laarzen toebehorende aan de verzoekster;
3. dat de Minister van Arbeid bij zijn beschikking d.d. 18 december 1997 no.099/97 om voor de verzoekster onbegrijpelijke reden de vergunning tot ontslag heeft geweigerd, met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
4. dat de verzoekster daarna bij schrijven d.d. 5 januari 1998 de werknemer [APPELLANT] heeft ontslagen wegens dringende reden en wel onwettig verzuim, welk ontslag de verzoekster overeenkomstig het Ontslagdecreet heeft aangemeld bij het Hoofd van de Arbeidsinspektie;
5. dat de Minister van Arbeid bij zijn beschikking d.d. 16 januari 1998 A.I. no.019 bezwaar heeft aangetekend tegen het ontslag wegens dringende reden, met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
6.dat van de verzoekster niet kan worden gevergd de dienstbetrekking met de werknemer [APPELLANT] langer te laten voortduren daar de verzoekster in beide zaken de ontoelaatbare handelingen van de heer [APPELLANT] heeft aangetoond;
7. dat uit de aangehaalde feiten duidelijk is komen vast te staan dat de gedaagde zich aan een ernstig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt n.l. diefstal c.q. verduistering van veiligheidsschoenen en laarzen, zoals moge blijken uit de overgelegde stukken voorzien van de cijfers 1 t/m 4 en de valse bonnen, terwijl de verzoekster terzake de diefstal ook aangifte heeft gedaan bij de politie en de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, met het verzoek de inhoud van deze stukken als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
8. dat de verzoekster op geen enkele wijze toestemming had gegeven aan de gedaagde om zich deze veiligheidsschoenen en laarzen toe te eigenen, terwijl de verzoekster door deze handeling van de gedaagde ernstige schade lijdt, daar diefstal c.q. verduistering op heterdaad een gewichtige reden vormt voor ontslag;
9. dat de verzoekster ook het onwettig verzuim van de gedaagde heeft aangetoond, daar deze zonder enig bericht van het werk is weggebleven en nalatig is gebleven de bedongen arbeid te verrichten, niettegenstaande het feit dat de verzoekster hem bij schrijven d.d. 22 december 1997 heeft bericht om zich aan te melden bij de afdeling personeelszaken voor nadere informatie en dat bij gebreke hiervan zal worden overgegaan tot beeindiging van het dienstverband en heeft de heer [APPELLANT] geen gevolg gegeven aan dit schrijven, zodat het onwettig verzuim nog steeds voortduurt en het een reden is voor gewichtige reden voor ontslag, met het verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
10. dat de door de gedaagde gepleegde handelingen als vervat in de punten 7, 8 en 9 gewichtige reden voor ontslag opleveren en wel conform artikel 1615 x BW, daar van de verzoekster niet kan worden gevergd de dienstbetrekking met een dergelijke onbetrouwbare werknemer langer te laten voortduren;
11. dat het de verzoekster niet is gelukt de zaak minnelijk met de gedaagde op te lossen;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de dienstbetrekking met de gedaagde conform artikel 1615 x BW wegens gewichtige reden zal worden beëindigd en wel met ingang van 1 maart 1998 of op een ander door de Kantonrechter aangegeven tijdstip. Kosten rechtens.
Overwegende, dat ten dage voor het verhoor in Raadkamer bepaald, verzoekster vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.Truideman ter Raadkamer is verschenen en voor eis overeenkomstig het vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd, terwijl Mr.A.R.Baarh zich heeft gesteld als gemachtigde van verweerder;
Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een verweerschrift heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat ten dage voor het verhoor van partijen in Raadkamer en het houden van pleidooi, partijen in persoon zijn verschenen, tevens bijgestaan door hun gemachtigden, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte proces-verbaal staat gerelateerd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat partijen over en weer produkties hebben overgelegd en schriftelijke conclusies hebben genomen, waarvan de inhoud hier eveneens als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter-Plaatsvervanger hierna bij beschikking van 14 mei 1999 op de daarin opgenomen gronden:
De arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden heeft verklaard, zulks met ingang van 1 juli 1999;
De kosten van het geding tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormelde eindbeschikking van 14 mei 1999;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Lilapersad Gangaram Panday van 30 oktober 2002 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat ten dage voor het nemen van een pleitnota peremptoir bepaald de gemachtigde van appellant, advokaat Mr.A.R.Baarh, heeft gepersisteerd bij zijn stellingen en recht op stukken heeft gevraagd, waarna het Hof beschikking in de zaak aanvankelijk had bepaald op 5 maart 2004;
Overwegende, dat het Hof hierna beschikking heeft gegeven op heden;
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof in het onderhavige geval opmerkt, dat de vraag of hoger beroep van een rechterlijke beslissing openstaat, bij uitsluiting aan de wetgever is voorbehouden;
Overwegende, dat nu in de onderhavige rechtsgang de mogelijkheid niet opengelaten is om tegen de beschikking van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton de dato 14 mei 1999 volgens de regelen van de wet beroep in te stellen bij het Hof van Justitie, dient appellant in het ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te worden verklaard;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellant niet ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Warnemend-President, Mr.K.Pultoo, Lid, en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Paatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 april 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.T.Gangaram Panday namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2004-18

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.                               

GENERALE ROL NO.14142.

[appellant], wonende [plaats 1] aan de [straatnaam 1], ten deze woonplaats kiezende aan de Watermolenstraat no.36 boven, voor wie als gemachtigde optreden, Mr.J.Kraag en Mr.H.P.Boldewijn, advocaten,

appellant,

t e g e n

 

De Gezamenlijke Erfgenamen van  [erflater], t.w.:

[Geïntimeerde sub A], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[Geïntimeerde sub B], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[Geïntimeerde sub C], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[Geïntimeerde sub D], wonende te [ressort] aan de [adres 1] in het [distrikt 1];

[Geïntimeerde sub E], wonende [plaats 1] aan de [adres 2]; allen wettige kinderen geboren staande zijn huwelijk met [naam 1], overleden op 2 november 1975, achterlatende tot haar enige en algehele erfgenamen volgens de wet haar echtgenoot  en zijn wettige kinderen, door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.K.Bhoendie, advocaat

geïntimeerden,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respektievelijk van 12 mei 1998 en 26 juni 2001 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 5 juli 2001, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

I. Dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de erfgenamen van [erflater], t.w.:

[geïntimeerde sub A], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[geïntimeerde sub B], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[geïntimeerde sub C], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[geïntimeerde sub D], wonende te [ressort] aan de [adres 1] in het [distrikt 1];

[geïntimeerde sub E], wonende te [plaats] aan de [adres 2]; allen wettige kinderen geboren staande zijn huwelijk met [naam 1], overleden op 2 november 1975, achterlatende tot haar enige en algehele erfgenamen volgens de wet haar echtgenoot en zijn wettige kinderen;

II. Dat [naam 2], kind van wijlen [erflater] te Paramaribo op 22 maart 1985 ongehuwd en kinderloos is overleden, achterlatende tot zijn enige en algehele erfgenamen volgens de wet zijn vader, [erflater] en zijn vijf wettige broers en zusters;

III. Dat [erflater] op 8 augustus 1990 te Paramaribo is overleden, nalatende tot enige erfgenamen bij versterf vijf wettige, op dat moment nog in leven zijnde kinderen;

IV. Dat eiser op of omstreeks  26 augustus 1986 van wijlen [erflater] heeft gekocht, gelijk deze aan eiser heeft verkocht het eigendomsrecht, althans het erfpachtsrecht op het perceelland groot 750 vierkante meters, gelegen in het [distrikt 2], deel uitmakende van de [plaats 2], bekend als [nummer] en nader aangeduid op de ten Domeinkantoor zich bevindende kaart van de Landmeter S.O.Esajas d.d. 19 april 1976, met alle opstallen zich hierop bevindende, zulks voor een koopsom van Sf. 15.000,- op welke koopsom eiser aan wijlen [erflater] in mindering had voldaan een bedrag van Sf. 10.000, (TIENDUIZEND GULDEN) terwijl het saldobedrag van Sf.5.000,- zou worden voldaan bij levering, hetgeen blijkens het vonnis van het Hof van Justitie dd. 17 mei 1996 tevens als rechtens vaststaand is aangenomen;

V. Dat de heer [erflater], nu wijlen, in gebreke is gebleven het onderhavige perceelland te doen leveren aan eiser, zoals was overeengekomen, daar hij ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst niet enig eigenaar was van het onderhavige perceelland, maar voor 7/12 deel gerechtigd was geweest in het onroerend goed, hetgeen echter niet wegneemt dat er een rechtsgeldige overeenkomst was gesloten tussen eiser en wijlen [erflater]. Het een en ander wordt tevens onderschreven door het Hof van Justitie middels haar vonnis dd. 17 mei 1996, ik verzoek U de inhoud van dit vonnis, waarvan een kopie is bijgevoegd, te beschouwen als ware deze hier letterlijk aangehaald en geinsereerd;

VI. Dat gedaagden reeds in hun hoedanigheid van enige wettige erfgenamen van wijlen [erflater] bij woorde van voormeld vonnis van het Hof van Justitie zijn veroordeeld tot het betalen van Sf. 35.000,- zijnde een schadevergoeding wegens wanprestatie uit hoofde van de koopovereenkomst met eiser vermeerderd met de wettelijke rente;

VII. Dat wijlen [erflater] niet alleen op grond van de overeenkomst, echter tevens uit hoofde van de wet, gehouden is de als gevolg van zijn onrechtmatig handelen aan de zijde eiser ontstane additionele vermogensschade te vergoeden. [erflater] was zich er immers van bewust, althans had zich ervan bewust moeten zijn, dat hij ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst niet over het onverdeeld eigendom van het onderhavig perceelland beschikte. Dit brengt met zich mee dat wijlen [erflater] op grond van de zorgvuldigheid welke in het maatschappelijk verkeer betaamt reeds in de pre-contractuele fase een informatieplicht had tegenover eiser met dien verstande dat hij eiser tijdig (lees: voor het mondeling overeenkomen van de koop) had behoren te informeren ten aanzien van de eigendom van het onderhavige perceelland.

VIII. Dat wijlen [erflater] door zich aldus te gedragen zich willens en wetens onthouden heeft van de op hem rustende informatieplicht jegens eiser en zodoende een in het maatschappelijk verkeer geldende buitencontractuele norm heeft geschonden, weshalve hij gehouden is de schade ontstaan als gevolg hiervan te vergoeden. Immers het in 1986 door eiser betaalde voorschot op de koopprijs van het onderhavige perceelland was Sf.10.000,-(TIENDUIZEND GULDEN). De inflatie sindsdien in aanmerking nemende komt dat heden ten dage op een bedrag van Sf. 2470.000,-(TWEEMILJOEN VIERHONDERD EN ZEVENTIGDUIZEND GULDEN). In 1986 was de wisselkoers Sf:Nf 0,81 op 1. Thans is de wisselkoers bij benadering (Sf:Nf) 200:1. Daarnaast dient tevens rekening te worden gehouden met de huidige waarde van het perceelland in verband met de winstderving welke eiser geleden heeft doordat de marktwaarde van dergelijke percelen aanzienlijk is gestegen. De huidige waarde van het onderhavige perceelland is blijkens het taxatierapport van het bouwkundig bureau S.F.Sidoel   Sf. 6.050.000,- (ZESMILJOEN VIJFTIGDUIZEND GULDEN).

IX. Dat eiser reeds in 1986 toen bleek dat wijlen [erflater] niet tot levering van het onderhavige perceelland kon overgaan het door hem destijds betaalde voorschot van Sf.10.000,- (TIENDUIZEND GULDEN) terstond heeft teruggevorderd. Aangezien er niet geleverd is en het voorschot ook niet terstond is terugbetaald, kan met recht worden gesteld dat eiser niet alleen de huidige waarde van het destijds betaalde voorschot maar ook een volledige schadevergoeding toekomt, welke op grond van de huidige waarde van het perceelland en alle relevante omstandigheden dient te worden vastgesteld. Als relevante omstandigheden dienen onder andere te worden aangemerkt, de inflatie over de jaren en de huidige marktwaarde van het perceelland.

X. Dat gedaagden als enige wettige erfgenamen van wijlen [erflater] zijn rechtsopvolgers onder Algemene Titel, weshalve zij op grond van het voorgaande in rechte kunnen worden aangesproken voor de door eiser geleden schade.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat gedaagden zullen worden veroordeeld om op grond van het voorgaande eiser schadeloos te stellen, welke schadeloosstelling eiser gaarne wenst te doen vaststellen bij staat en te vereffenen volgens de wet met uitvoerbaar verklaring bij voorraad; Kostens rechtens.

Overwegende, dat de Gezamenlijke Erfgenamen van [erflater] als gedaagden partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zal worden ontzegd, alszijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens.

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 12 mei 1998 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat bij de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen, partijen in persoon en de gemachtigde van eiser zijn verschenen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd waarna hij deze voor gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie zijdens partijen bepaald, de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 26 juni 2001 op de daarin opgenomen gronden;

Eisers vordering heeft ontzegd;

Hem heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot  op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 26 juni 2001;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.Kappel van 6 mei 2002 aan geïntimeerden aanzegging van het

ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende,  dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota en antwoord pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 4 juni 2004, doch nader heeft bepaald op heden;

OVERWEGENDE, TEN AANZIEN VAN HET RECHT: 

  1. Appellant is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en op 26 juni 2001 uitgesproken vonnis.  Hij kan dan ook in dat hoger beroep worden ontvangen.
  2. Appellant heeft de volgende grieven opgeworpen:

Grief 1

De Kantonrechter heeft in het vonnis in prima ten onrechte overwogen dat het enkele feit dat wijlen [erflater] ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst betreffende het litigieus onroerend goed slechts voor 7/12 deel daartoe gerechtigd was en zo hij daarvan bewust was eiser niet hieromtrent heeft geinformeerd geen onrechtmatig handelen met zich meebrengt, daargelaten de vraag van de gestelde schade en het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schade;

De Kantonrechter heeft voorts in het vonnis in prima ten onrechte overwogen dat op iedere koper van een onroerend goed een zelfstandige rechtsplicht rust om nader onderzoek te plegen naar de positie en rechten van de verkoper alsmede dat de nalatigheid hierin in principe voor zijn eigen rekening komt;

Tevens heeft de Kantonrechter in het vonnis in prima ten onrechte overwogen dat er in casu geen feiten en omstandigheden zijn gesteld welke in de precontractuele fase een informatieplicht aan de zijde van wijlen [erflater] zouden doen ontstaan;

Grief 2

Ten onrechte heeft de Kantonrechter in het vonnis in prima overwogen dat appellant, in prima eiser, zou hebben doen overkomen alsof enkel de geldontwaarding van de Surinaamse munt geintimeerden, gedaagden in prima, schadeplichtig zou maken;

Ook ten aanzien van de door appellant gestelde onrechtmatige daad aan de zijde van wijlen [erflater] heeft de Kantonrechter in prima ten onrechte overwogen dat appellant onvoldoende feiten of omstandigheden zou hebben aangevoerd om een en ander aan te tonen, terwijl geintimeerden reeds zijn veroordeeld tot betaling van schade aan appellant geleden uit hoofde van wanprestatie bij vonnis van uw Hof d.d. 17 mei 1996, G.R.No.13519;

Grief 3

Terecht overweegt de Kantonrechter in het vonnis in prima tot slot dat dan de vraag rijst of geintimeerden in hun hoedanigheid van wijlen [erflater] aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een eventueel onrechtmatig handelen van de erflater. Echter komt de Kantonrechter daarna ten onrechte tot de conclusie dat deze vraag in casu niet aan de orde zou zijn;

3.1 Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de eerste rechtsoverweging van het beroepen vonnis onder 1 tot en met 4 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten wordt uitgegaan. Die feiten komen op het volgende neer. Appellant heeft op of omstreeks 26 augustus 1986 van wijlen [erflater] gekocht het erfpachtsrecht op het perceelland, gelegen in het [distrikt 2], deeluitmakende van de [plaats 2] en bekend als [nummer], met alle opstallen, voor een som van Sf.15.000. Hiervan heeft appellant als voorschot betaald Sf. 10.000. Het saldo zou worden voldaan bij de levering. Ten tijde van de verkoop was genoemde [erflater] voor 7/12e deel onverdeeld gerechtigd in voormeld onroerend goed.

Meergenoemde [erflater] was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [naam 1]. [naam 1] is op 2 november 1975 en [erflater] op 8 augustus 1990 overleden. Laatstgenoemde heeft tot zijn enige erfgenamen bij versterf achtergelaten zijn alstoen nog in leven zijnde vijf wettige kinderen. Bij vonnis van 17 mei 1996, GR no.13519, heeft het Hof van Justitie geintimeerden veroordeeld om, terzake van (door [erflater] gepleegde) wanprestatie, aan appellant te betalen Sf.35.275 met de rente ad 6% per jaar vanaf juni 1987 tot de voldoening.

3.2. op grond van de, in zoverre niet betwiste, stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde grosse van laatstvermeld Hofvonnis staat verder het volgende vast. Het hof heeft de verkoopovereenkomst ontbonden verklaard. Het bedrag van Sf. 35.275, tot betaling waarvan de geintimeerden zijn veroordeeld, bestaat uit het betaalde voorschot ad Sf. 10.000; het verschil tussen de waarde van het onroerend goed en de overeengekomen koopprijs ( in casu Sf. 40.000 minus Sf. 15.000 =) Sf.. 25.000; het bedrag van Sf. 275, dat wijlen [erflater] had betaald aan achterstallige canon ( te weten Sf.150) en aan de notaris (te weten Sf.125). Geintimeerden hebben na het Hofvonnis van 17 mei 1996 het aan appellant toegewezen bedrag aan diens toenmalige raadsman Mr.H.Lim A Po aangeboden, maar deze heeft geweigerd het in ontvangst te namen. Op 22 mei 1997 is namens geintimeerde aan Mr.Kraag betaald het bedrag van 

Sf.35.275; voorts Sf. 23.105,07 wegens (wettelijke) rente, alsmede Sf.350 zijnde proceskosten en Sf. 350 wegens honorarium pleidooi. Bij het voorgaande wordt aangetekend dat hetgeen het Hof heeft toegewezen conform datgene is dat door  appellant als eiser in eerste aanleg is gevorderd.

  1. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het Hof te leggen.

5.1 Appellant heeft, als eiser in eerste aanleg, twee feitencomplexen aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Het eerste feitencomplex (zie met name alinea VII en VIII van het inleidend rekest, zoals aangevuld met alinea 7 van de conclusie van repliek) komt erop neer dat [erflater] hem, appellant, opzettelijk onjuist heeft geinformeerd door, terwijl hij, [erflater], ervan bewust was, althans ervan bewust behoorde te zijn, dat hij niet de onverdeelde eigendom van het erfpachtsrecht bezat, hem appellant mede te delen gerechtigd te zijn dit erfpachtsrecht te verkopen. In de stellingen van appellant ligt verder besloten dat hij, indien hij van de juiste stand van zaken op de hoogte was geweest, de koopovereenkomst niet zou zijn aangegaan. Het tweede feitencomplex houdt in (zie met name alinea IX van het inleidend rekest en alinea 3 van de conclusie van repliek) dat, toen in 1986 bleek dat [erflater] het erfpachtsrecht niet kon leveren, hij, appellant, terstond het voorschor van Sf. 10.000 heeft teruggevorderd, aan welke vordering [erflater] geen gevolg heeft gegeven.

5.2 Volgens appellant heeft, [erflater], door zich als te gedragen als bij de weergave van het eerste feitencomplex is omschreven, een in het maatschappelijk verkeer geldende buitencontractuele norm geschonden, waardoor hij gehouden is de als gevolg hiervan ontstane schade te vergoeden.

Als element waaruit zijn schade bestaat noemt appellant de geldontwaarding (inflatie). Naar hij stelt komt het door hem betaalde voorschot op de koopsom, de inflatie in aanmerking nemende, “heden ten dage” (het inleidend rekest is gedateerd 9 juni 1997) op Sf. 2.470.000. Naar appellant verder stelt dient ook rekening te worden gehouden met de huidige waarde van het perceelland in verband met de winstderving, welke hij, appellant, heeft geleden doordat de marktwaarde van dergelijke percelen aanzienlijk is gestegen. De huidige waarde  van het perceelland is – aldus appellant – blijkens het taxatierapport van het bouwkundig bureau S.F.Sidoel Sf. 6.050.00.

5.3 Met betrekking tot het tweede feitencomplex heeft appellant, als eiser in eerste aanleg, gesteld dat, aangezien er niet geleverd is en het voorschot ook niet terstond is terugbetaald, met recht kan worden gesteld dat hij appellant, niet alleen de huidige waarde van het destijds betaalde voorschot maar ook een volledige schadevergoeding toekomt, welke op grond van de huidige waarde van het perceelland en alle relevante omstandigheden dient te worden vastgesteld. Als relevante omstandigheden dienen – aldus nog steeds appellant – onder andere te worden aangemerkt de inflatie over de jaren en de huidige marktwaarde van het perceelland.

6.1.1 Het opzettelijk aan een wederpartij mededelen van onjuiste informatie, waardoor deze ertoe wordt gebracht een overeenkomst aan te gaan, welke hij bij beter weten niet zou zijn aangegaan, levert jegens die wederpartij een onrechtmatige daad op. Aangenomen dat [erflater] zich overeenkomstig het eerste feitencomplex heeft gedragen, dan heeft hij jegens appellant een onrechtmatige daad gepleegd. Appellant zou dan moeten worden gebracht in de situatie waarin hij zou verkeren indien de onjuiste informatie achterwege was gebleven en appellant de koopovereenkomst niet had gesloten. Dit uitgangspunt brengt, voor wat het voorschot op de koopsom betreft, mee, dat dit  voorschot zou moeten worden teruggeven. Dit is, zoals uit de hierboven onder 3.2 vermelde feiten blijkt, al geschied, en het bedrag van het voorschot kan niet opnieuw worden gevorderd, ook al geschiedt dit op een andere grondslag. Aangezien het hier betreft een in Suriname te betalen, in Surinaamse guldens, uitgedrukte schuld kon het worden voldaan door betaling van het nominale bedrag en is er voor vergoeding van de waardedaling tussen het moment van de betaling van het voorschot door [erflater] in 1986 en de terugbetaling daarvan in 1997 geen plaats.

6.1.2 Ook indien van de hierboven onder 6.1.1 vermelde aanname wordt uitgegaan en tevens wordt aangenomen dat [erflater] aan appellant het verschil tussen de koopsom en de waarde van het onroerend goed, dit laatste zoals door het Hof vastgesteld, diende te betalen, dan geldt ook hier dat zulks al is gebeurd, zij het op een andere grondslag en, dat betaling van dat verschil niet opnieuw kan worden gevorderd. Om de onder 6.1.3 vermelde redenen is er evenmin plaats voor vergoeding van de waardedaling van de Surinaamse munt.

6.2 Uit de beschrijving van het tweede feitencomplex blijkt dat het gaat om vertraging in de uitvoering van een beweerde verbintenis tot betaling van een geldsom, te weten het betaalde voorschot. De schadevergoeding bestaat dan in de wettelijke rente. Ook in dit geval is er om de onder 6.1.3 vermelde redenen geen plaats voor vergoeding van waardedaling van de Surinaamse munt.

Overigens dient in het onderhavig geval die waardedaling niet, zoals appellant doet, te worden gemeten aan de hand van de ontwikkeling van de koers van de Surinaamse gulden ten opzichte van een buitenlands betaalmiddel, in casu de Nederlandse gulden, maar aan de hand van de ontwikkeling van het prijspeil in Suriname.

7.1. Appellant heeft bij in eerste aanleg genomen conclusie na comparitie, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, gesteld dat de in het Hofvonnis vermelde bedragen, enerzijds, heden ten dage alsmede ook ten dage van het vonnis, in flagrante tegenstelling staan c.q. stonden tot de werkelijkheid en de prijzen welke reeds jaren voor onroerend goed dienen te worden betaald. Anderzijds zijn voormelde bedragen slechts een weergave van de cijfermatige schade op basis van de koopovereenkomst “zoals gelden” onder dezelfde omstandigheden als toen de koopovereenkomst werd aangegaan. Bij de vaststelling is duidelijk geen rekening gehouden met de werkelijke economische-maatschappelijke situatie en is dus tot op heden geen sprake geweest van vergoeding op basis van de reële door eiser geleden schade, waardoor – aldus nog steeds appellant – een dergelijke reële schadevergoeding alsnog dient te geschieden.

7.2. Uit bovenaangehaalde stellingen van appellant volgt dat de strekking van de vordering is het verkrijgen  van vergoeding van de opgetreden geldontwaarding. De door hem genoemde waardevermindering van het voorschot en van de “marktwaarde” van het onroerend goed zijn dus bedoeld als een uitputtende opsomming van de elementen waaruit zijn schade bestaat. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 6.2 is overwogen volgt dat de feiten, die appellant aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, toewijzing van die vordering niet rechtvaardigen. Het vonnis waarvan beroep dient dan ook, zij het onder aanvulling en verbetering van gronden, te worden bevestigd.

7.3. Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt, onder aanvulling en verbetering van rechtsgronden, het hierboven onder 1 vermelde vonnis.

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op SRD.150.

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD.150.

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op SRD.150.

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 6 augustus 2004 in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh      w.g.E.S.Ombre

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat  Mr.D.Kraag namens zijn gemachtigden, advokaten Mr.J.Kraag en Mr.H.P.Boldewijn en geintimeerden vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advokaat Mr.K.Bhoendie, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2005-18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14144

 

[Appellant], wonende aan de [straatnaam], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Dr.Sophie Redmonstraat 93 boven, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.M.S.Ishaak, advokaat, 

appellant in Kort Geding,     

 t   e  g  e  n 

  1. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP INTERNATIONAL AANNEMINGS- EN CONSTRUCTIE MAATSCHAPPIJ N.V. afgekort “ICOMIJ N.V.”,        rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Van Engelbuiten no.40 te Paramaribo;
  2. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP KWATTA GENERAL CONTRACTORS, afgekort K.G.C. N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Chatterstraat no.5 te Paramaribo, beiden VERZOEKERS,  voor wie tot hun  gemachtigde optreedt, Mr.H.O.J.Lowe, advokaat,

    geintimeerden in Kort Geding,

 

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton,  van 30 augustus 2001  tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 10 september 2001, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat International Aannemings en Constructie Maatschappij N.V. en Kwatta General Contractors N.V. als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

  1. dat eisers  de navolgende vordering in KORT GEDING wensen in te stellen tegen: [appellant], wonende aan [straatnaam] te [plaats], GEDAAGDE;
  2. dat gedaagde blijkens de hierbij in foto-copie overgelegde exploiten dd. 20 juni 2001 nummers AA-0233 en AA- 0234 en van 25 juni 2001 de nummers AA-0245 en AA-0246 van de Gerechtsdeurwaarder Rene Kappel, conservatoir beslag heeft doen leggen op alle roerende goederen van eisers als vermeld op de hierbij zojuist genoemde exploiten, welke roerende goederen  aan eisers toebehoren, met verzoek aan U, Edelachtbare, de overgelegde producties, alsook die der nader over te leggen producties als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen (zie prod. No. 1, 2, 3 en 4); 
  3. dat het gestelde in het 2e sustenu van gedaagde’s inleidend rekest, opgenomen in het Algemeen Register (AR) onder nummer 01-2425 (zie prod.No.5) in strijd is met de waarheid. In het tweede sustenu van het inleidend rekest staat namelijk dat gedaagde (toen eisers) tevens aandeelhouder is op naam van 10 van de 20 door de N.V. uitgegeven aandelen, terwijl mevrouw [naam] eigenaresse is van de overige 10 aandelen. Deze bewering is volkomen in strijd met de waarheid. Kort na de oprichting der N.V. in 1998 zijn zowel de aandelen van gedaagde als de aandelen van mevrouw [naam] overgedragen aan de Stichting Admacon. De brieven waarin de verklaring van betrokkenen is opgenomen en onder berusting waren van gedaagde zijn in het ongerede geraakt. Toen zulks bleek heeft mevrouw [naam]een andere verklaring afgegeven waarin staat dat zij haar 10 aandelen heeft overgedragen aan de Stichting Admacon. Gedaagde die beide verklaringen onder zijn berusting had weigert echter in tegenstelling tot mevrouw [naam]  een nieuwe verklaring af te geven. Het een en ander kan evenwel met getuigen worden gestaafd. Er is dus  wel wijziging gekomen in de aandelen verhouding. Immers ZOWEL GEDAAGDE ALS MEVROUW [naam] HEBBEN HUN AANDELEN AAN DE STICHTING ADMACON OVERGEDRAGEN. Indien de 10 aandelen van gedaagde, zijnde 50%, niet zouden zijn overgedragen dan is het logisch dat de overige aandeelhouders nimmer voor de N.V. Icomij zouden hebben gewerkt. (Zie prod. No.6);

4.dat de standpunten en zienswijzen van partijen omtrent het gestelde onder het 4e tot en met het 13e sustenu van gedaagde’s inleidend rekest U, Edelachtbare volkomen bekend zijn en het danook geen enkele nut heeft thans hier wederom in herhaling te treden omtrent het daar gestelde, maar dat juist teneinde tot een oplossing van het geschil te geraken de diensten van een Accountantskantoor zijn ingeroepen, welke kantoor gehouden is rapport aan U uit te brengen omtrent haar bevindingen en voorts de basis zal zijn bij Uw oordeel ten aanzien van het geschil dat partijen verdeeld houdt;

  1. dat het gelegde beslag als hoogst onfatsoenlijk, absurd, in strijd met de rede en minachting voor het rechterlijk gezag moet worden geacht wanneer vaststaat dat partijen bindende afspraken tegenover U, Edelachtbare, hebben gemaakt en bovendien U, Edelachtbare, op alle gehouden zittingen na 20 juni 2001, een beroep op gedaagde hebt gedaan en gedaagde zelfs ernstig heb geadviseerd het gelegde beslag op te heffen en voorts hebt verklaard abusievelijk bevel tot bedoeld beslag te hebben gegeven en gedaagde volhardt in handhaving van het gelegde beslag dan is er iets ernstig aan de hand, doch moet in ieder geval worden vastgesteld dat hier sprake is van misbruik van recht zijdens gedaagde;
  2. dat Fair Play in casu ver te zoeken is en het gelegde beslag danook als een laakbare handeling moet worden bestempeld laat onverkort de zienswijze van eisers  dat het voortbestaan van het beslag een ernstige inbreuk zal zijn op alle inspanningen die U, Edelachtbare zich tot heden getroost heeft om de onderhavige zaak ingevolge Uw zienswijze op te lossen, een zienswijze waaraan partijen zich geconfronteerd hebben;

7.dat voor het gelegde beslag alle activiteiten van eisers zijn lamgelegd, terwijl de broodwinning van circa 35 arbeiders, inclusief onder-aannemers, in gevaar dreigt te komen met alle konsekwenties van dien voor zich zelf en hun gezinsleden;

8.dat gedaagde het gelegde beslag als omschreven in het 14e sustenu van het inleidend rekest zal moeten opheffen, althans zal dit beslag opgeheven moeten worden, daar zij niet anders kan worden gekwalificeerd dan als te zijn VEXATOIR;

9.dat op grond van het voren aangehaalde aan eisers ’vordering een spoedeisend belang ten grondslag ligt, die de behandeling daarvan in KORT GEDING rechtvaardigt.  

Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd;

dat bij vonnis in  Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren, niettegenstaande verzet of hoger beroep

  • de ontheffing zal worden gelast van het door gedaagde gelegd conservatoir beslag door de gerechtsdeurwaarder Rene Kappel op 20 juni 2001 exploiten nummers AA-0233 en AA-0234 en van 25 juni 2001 exploiten nummers AA-0245 en AA-0246 op de roerende goederen van eisers als omschreven in het 2e sustenu van dit verzoekschrift waarbij verwezen wordt naar de producties 1, 2, 3 en 4.
  • Gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen ter terechtzitting van 29 augustus 2001 de zaak mondeling hebben bepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis (in Kort Geding) van 30 augustus 2001 op de daarin opgenomen gronden;

De opheffing heeft bevolen van de conservatoir beslagen gelegd door de deurwaarder bij het Hof van Justitie R.Kappel, op respectievelijk 20 juni 2001 bij exploiten nummers AA-0233 en AA-0234 en van 25 juni 2001 bij exploiten nummers AA-0245 en AA-0246 op de in die exploiten omschreven roerende goederen;

het vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren heeft verklaard;

gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces aan eisers hun zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.42.530,75 (TWEE EN VEERTIGDUIZEND VIJFHONDERD DERTIG EN 75/100 GULDEN);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 30 augustus 2001;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Rawan Sontono van 6 juli 2002 aan geintimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie van partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord pleidooi en uitlating produkties bepaald, advokaat Mr.Lowe geen bescheiden heeft overgelegd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 17 oktober 2003, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep is gekomen van het vonnis dat door de Kantonrechter in het Eerste Kanton  tussen partijen is gewezen en op 30 augustus 2001 uitgesproken;

Overwegende, dat appellant de volgende grieven heeft aangevoerd:

1.Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 4e overweging ten aanzien van het recht overwogen dat gedaagde (thans appellant) zich weliswaar verzet heeft tegen toewijzing van eiseres (thans geintimeerde) haar vordering, doch nu summierlijk de onnodigheid van de vrees voor verduistering van de beslagen goederen ter gelegenheid van het gehouden pleidooi gebleken is, wij zullen beslissen als in het dictum te melden;

gedaagden zullen wij als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces laten dragen;

2.Ten onrechte heeft de Kantonrechter rechtdoende in kort geding bevolen de opheffing van de conservatoire beslagen gelegd door de deurwaarder bij het Hof van Justitie R.Kappel op respektievelijk 20 juni 2001 bij exploiten nummers AA-0233 en AA-0234 en van  25 juni 2001 bij exploitennummer AA-0245 en AA-0246 op de in die exploiten omschreven roerende goederen; ten onrechte heeft de Kantonrechter gedaagde verwezen in de kosten van dit proces aan eiseres haar zijnde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot Sf. 42.530,75;

Overwegende, dat het duidelijk is dat de door appellant gewraakte rechtsoverweging van de Kantonrechter een verschrijving bevat;

Overwegende, dat uit de toelichting op de grieven, waarbij appellant in verband met vorenbedoelde rechtsoverweging, spreekt van “overweging van onnodig beslag” en verwijst naar artikel 596 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is op te maken dat appellant heeft begrepen dat het in de gewraakte rechtsoverweging gaat om de onnodigheid van het beslag;

Overwegende, dat appellant redelijkerwijs kan hebben begrepen dat het in de gewraakte rechtsoverweging verder gaat om de ongegrondheid van de (beweerde) vrees voor verduistering;

Overwegende, dat appellant in de toelichting op de grief, voor zoveel hier van belang heeft aangevoerd dat de iure en de facto (echter) overtuigend is gesteld en gebleken dat het beslag van node is en alleszins gerechtvaardigd en binnen de doelstelling van het conservatoir beslag is;

Overwegende, dat in voormelde stelling geen stellige betwisting is te zien van de constatering van de Kantonrechter dat ter gelegenheid van het gehouden pleidooi (onderstreping Hof) summier was gebleken van de onnodigheid van het beslag en van de ongegrondheid van de (beweerde) vrees voor verduistering;

Overwegende, dat appellant ook nog heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de Kantonrechter geheel is voorbijgegaan aan het door hem als gedaagde gevoerd verweer, van welk verweer zijn vordering bekend onder AR 012425 onderdeel uitmaakt;

Overwegende, dat uit de gedingstukken het volgende blijkt:

  • de beslagen, waarvan de Kantonrechter in het beroepen vonnis de opheffing heeft bevolen, zijn gelegd ter verzekering van de vordering, welke het onderwerp van het geding, bekend onder AR 012425, uitmaakt;
  • appellant heeft aan vorenbedoelde vordering, kort samengevat, het volgende ten grondslag heeft gelegd:
  • appellant is mede-oprichter van de geintimeerde sub A, verder (ook) aangeduid als Icomij, en is tevens aandeelhouder voor 10 van de 20 bij de oprichting geplaatste aandelen; [naam] is aandeelhouder voor de overige 10 bij de oprichting geplaatste aandelen;
  • appellant was en is nog steeds tevens commissaris en procuratiehouder van Icomij;
  • -Icomij heeft zich aan ernstige onregelmatigheden schuldig gemaakt en hij, appellant, lijdt door het onrechtmatig handelen van Icomij ernstige schade;
  • een veelheid van goederen, die de eigendom zijn van Icomij, zijn thans ten name gesteld van geintimeerde sub B, verder (ook) aangeduid als KGC; met ingang van 3 februari 2001 heeft Icomij aan haar toekomende vordering aan KGC gecedeerd; deze cessie is bij exploit van 5 februari 2001 van de Staat Suriname bekend;
  • de cessie en de overdracht van de roerende goederen door Icomij aan KGC zijn paulianeus; hij, appellant is door deze handelingen benadeeld, vermits daardoor de mogelijkheid van verhaal van zijn vordering op Icomij kleiner is geworden dan het geval zou zijn geweest indien de betreffende handelingen achterwege zouden zijn gebleven;
  • de benadeling door de onrechtmatige handelingen van geintimeerden kan worden begroot op NF. 2.000.000;
  • appellant heeft zijn vordering terzake van de schade als gevolg van de paulianeuze handelingen, met inbegrip van rente en kosten, begroot op 
  1. 2.200.000 en heeft verlof gevraagd aan en bekomen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton om ter verzekering van deze vordering de hierboven bedoelde beslagen te leggen;

Overwegende, dat geintimeerden weliswaar hebben aangevoerd dat appellant en [naam] kort na de oprichting van Icomij hun aandelen aan de Stichting Admacon hebben overgedragen, maar zij, geintimeerden, hebben tegen de betwisting door de appellant de beweerde overdracht van zijn aandelen niet aannemelijk gemaakt, zodat verder aan de bewering van geintimeerden voorbij wordt gegaan;

Overwegende, dat appellant als onrechtmatige handelingen van Icomij, als gevolg waarvan hij schade zou hebben geleden, heeft genoemd, kort gezegd, het ten onrechte doen van opgave aan de Kamer van Koophandel dat hij was uitgetreden als commissaris en ontslagen was als procuratiehouder en het uitgeven van 80 aandelen zonder dat hij als commissaris de ingevolge artikel 7 van de statuten vereiste machtiging had verleend;

Overwegende evenwel, dat appellant niet heeft aangegeven welke schade uit deze handelingen voor hem is ontstaan noch op welk bedrag deze schade moet worden gesteld;

Overwegende, dat uit de gedingstukken is op te maken dat appellant zich op het standpunt stelt dat hij, ter vergoeding van de schade veroorzaakt door de beweerde paulianeuze handelingen, in casu aanspraak maakt op een bedrag gelijk aan de waarde van de roerende goederen, die Icomij beweerdelijk aan KGC heeft overgedragen;

Overwegende evenwel, dat, nu appellant zijn vordering tot vergoeding van die schade baseert op onrechtmatige daad, voorhands ervan wordt uitgegaan dat hij (slechts) de schade vergoed kan krijgen die hij heeft geleden door het feit dat hij de vervreemde goederen niet meer als executie-object in het vermogen van zijn schuldenaar (in casu Icomij) aantrof, het beloop van welke schade niet noodzakelijkerwijs gelijk is aan de waarde van de weg gemaakte goederen;

Overwegende voorts, dat het, gelet op de hierboven weergegeven grondslag van appellant’s vordering, ervoor moet worden gehouden dat, indien uit het beweerde onrechtmatig handelen van Icomij voor hem schade is voortgevloeid, die schade in Surinaamse dollars (voorheen guldens) luidt, zijnde geen feiten gesteld die leiden tot de conclusie dat voor appellant een vordering in Nederlandse guldens is ontstaan;

Overwegende, dat de constatering van de Kantonrechter dat summierlijk was gebleken van de onnodigheid van beslag en van de ongegrondheid van de (beweerde) vrees voor verduistering voldoende was om de opheffing van de beslagen te gelasten en de Kantonrechter derhalve niet behoefde in te gaan op hetgeen hij, appellant, met betrekking tot zijn vordering, bekend onder AR 012425, als onderdeel van zijn verweer had gesteld;

Overwegende bovendien, dat, indien de Kantonrechter wel op die vordering was ingegaan, hij, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, naar het voorlopig oordeel van het Hof tot de conclusie zou zijn gekomen dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van die vordering was gebleken, waardoor het verwijt dat de Kantonrechter niet is ingegaan op hetgeen appellant met betrekking tot zijn vordering, bekend onder AR 012425, als onderdeel van zijn verweer had gesteld, hem niet kan baten;

Overwegende, dat het Hof op grond van het vorenoverwogene tot de conclusie komt dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd, met veroordeling van de appellant in de proceskosten als de in het ongelijk gestelde partij; 

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING: 

Bevestigt  het vonnis waarvan beroep;

         Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op SRD 75,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris SRD.75,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op SRD.75,–;

 

Aldus gewezen door: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo, en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden`en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 20 mei 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.