SRU–2021-1

DE KRIJGSRAAD

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Parketnummer     : SPG.No.3975/07

Vonnisnummer    : 4

Datum uitspraak  : 30 augustus 2021

Verzet

Raadsman             : I.D. Kanhai, Bsc., advocaat,                                                                                                                

VONNIS

van de Krijgsraad, zitting houdende te Paramaribo, in de verzet strafzaak van de auditeur-militair tegen:

 BOUTERSE, DESIRÉ DELANO,

geboren op [datum] in [district],

voorheen van beroep militair in de rang van Luitenant-Kolonel, thans politicus,

wonende aan de [adres] te [district],

defaillant,

  1. Ontvankelijkheid rechtsmiddel van verzet

 Op 29 november 2019 heeft de Krijgsraad in de onderhavige strafzaak tegen de voornoemde defaillant vonnis bij verstek gewezen en uitgesproken. Het bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis heeft plaatsgevonden op basis van al hetgeen tijdens het onderzoek op de diverse data gehouden terechtzittingen en gerechtelijke plaatsopnemingen in de onderhavige strafzaak tegen de defaillant (toen de niet – verschenen verdachte), en wel gedurende 30 november 2007 tot en met 29 november 2019, heeft plaatsgevonden.

Op 2 december 2019 heeft de defaillant door tussenkomst van zijn raadsman het rechtsmiddel van verzet tegen het verstekvonnis aangewend.

De Krijgsraad is van oordeel dat de defaillant binnen de in artikel 364 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde termijn het rechtsmiddel van verzet heeft aangewend, zodat hij daarin ontvankelijk is.

  1. Het onderzoek van de verzet strafzaak ter terechtzitting

 Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van al de procesverrichtingen die op de terechtzittingen van respectievelijk d.d. 22 januari 2020, 30 oktober 2020, 30 november 2020, 29 januari 2021, 26 februari 2021, 31 maart 2021, 30 april 2021 en 30 juli 2021 hebben plaatsgevonden en van welke terechtzittingen de processen-verbaal zijn opgemaakt.

De Krijgsraad heeft op basis van al de procesverrichtingen die ter terechtzitting hebben plaatsgevonden het volgende vastgesteld:

– de defaillant is in de gelegenheid gesteld om de reden van het aanwenden van het verzet aan te geven, welke hij middels een statement op 30 november 2020 heeft gedaan;

– de defaillant is conform het bepaalde in artikel 269 Sv in de gelegenheid gesteld preliminaire verweren op te werpen, welke preliminaire verweren de Krijgsraad in haar beslissing op 31 maart 2021 heeft verworpen;

– vervolgens heeft de Krijgsraad zowel de defaillant, als de vervolging in de gelegenheid gesteld de namen van getuigen die zij in de onderhavige verzet strafzaak wensen te doen horen op te geven, bij welke gelegenheid de defaillant en de auditeur-militair aan de Krijgsraad hebben kenbaar gemaakt geen behoefte te hebben om getuigen te doen horen;

– de defaillant heeft, aleer de Krijgsraad zou overgaan tot zijn verhoor, op de terechtzitting van 30 april 2021 uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat hij gebruik wenst te maken van zijn zwijgrecht. Bij die gelegenheid hij heeft kenbaar gemaakt dat hij persisteert bij:

a) zijn verhoor en nader verhoor, die hij bij de Rechter-commissaris tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek respectievelijk d.d. 28 juni 2001 en 30 november 2004 heeft afgelegd, van welk verhoor en nader verhoor de processen-verbaal zich in het strafdossier dossier bevinden;

b) zijn op schrift gestelde statement, welke hij op de terechtzitting van 30 oktober 2020 heeft voorgelezen en overgelegd;

– hierna zijn de auditeur-militair en de raadsman van de defaillant in de gelegenheid gesteld om respectievelijk het requisitoir, pleidooi, repliek en dupliek te voeren, en is de defaillant na afloop van deze proceshandelingen in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren. Op daartoe uitdrukkelijk gestelde vraag van de Krijgsraad of hij indien er naar aanleiding van het laatste woord vragen gesteld zullen worden, bereid is die te beantwoorden, heeft defaillant wederom uitdrukkelijk kenbaar gemaakt gebruik te maken van zijn zwijgrecht.

De Krijgsraad gaat thans over tot het wijzen van vonnis in de onderhavige verzetstrafzaak tegen de defaillant.

  1. De tenlastelegging
    Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding bij de Krijgsraad, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De defaillant is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

  1. Het vonnis waarvan verzet

De Krijgsraad volhardt bij de inhoud van de eerder door haar gegeven en uitgesproken beslissing d.d. 31 maart 2021 op de door de defaillant opgeworpen preliminaire verweren betreffende nietigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van de Krijgsraad en de niet-ontvankelijkheid van de auditeur-militair. Van deze beslissing is als bijlage II aan dit vonnis gehecht, een door de griffier gewaarmerkte fotokopie, van welke beslissing de inhoud moet worden geacht hier in dit vonnis te zijn overgenomen.

De Krijgsraad heeft kennis genomen van de statement van de defaillant, de vordering van de auditeur-militair bij requisitoir en repliek, van hetgeen de raadsman van de defaillant naar voren heeft gebracht bij pleidooi en dupliek, en van het laatste woord van de defaillant.

De auditeur-militair heeft gepersisteerd bij al hetgeen in de verstekprocedure in het requisitoir en het repliek is gesteld, overwogen en gevorderd op basis van de door de auditeur-militair aangedragen bewijsmiddelen en -overwegingen. De auditeur-militair heeft geconcludeerd dat de defaillant en diens raadsman geen nieuwe gezichtspunten naar voren hebben gebracht die de vervolging nopen tot andere overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring, en gevorderd dat de Krijgsraad het bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 29 november 2019 bekrachtigt.

De raadsman van de defaillant heeft evenals de auditeur-militair gepersisteerd bij al hetgeen in het pleidooi en het dupliek in de verstekprocedure is aangevoerd, waarbij het verzoek is gedaan om alles als herhaald te willen aanmerken op grond waarvan hij vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging voor de defaillant vordert.

Aan dit vonnis is als bijlage III gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van het op 29 november 2019 door de Krijgsraad bij verstek gewezen en in het openbaar uitgesproken vonnis tegen de defaillant. De Krijgsraad is in het verstekvonnis – en zoals dat uit de inhoud ervan blijkt – breedvoerig ingegaan op de juridische standpunten van de auditeur-militair en de raadsman van de defaillant met betrekking tot de bewijsmiddelen c.q. de bewijswaardering. De Krijgsraad heeft op basis van de door haar gebezigde bewijsmiddelen in de verstekprocedure het aan de defaillant ten laste gelegde feit, te weten medeplegen van moord, wettig en overtuigend bewezen verklaard en heeft aan de defaillant een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren opgelegd.

De auditeur-militair en de raadsman van de defaillant hebben in de onderhavige verzetprocedure, vanwege het blijven volharden in de standpunten die zij in de verstekprocedure hadden aangevoerd, de Krijgsraad geen nieuwe inzichten verschaft over de bewijsmiddelen die zijn gebezigd in het verstekvonnis.

Voor wat betreft de door de defaillant in zijn statement van 30 november 2020 en zijn laatste woord op 30 juli 2021 gehuldigde juridische standpunten over de door de Krijgsraad gebezigde bewijsmiddelen in het door haar gewezen en uitgesproken verstekvonnis, benadrukt de Krijgsraad dat zij niet in de gelegenheid is geweest om deze ter terechtzitting te toetsen dan wel aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dit, vanwege het uitdrukkelijk beroep van de defaillant op het gebruik maken van het aan hem toekomende zwijgrecht.

De Krijgsraad wenst te benadrukken dat de defaillant de bevoegdheid toekomt om het rechtsmiddel van verzet aan te wenden, doch heeft hij naar het oordeel van de Krijgsraad met het zich daarna beroepen op zijn zwijgrecht, oneigenlijk gebruik van dit rechtsmiddel gemaakt. Dit, omdat de defaillant met het aanwenden van dit rechtsmiddel de indruk heeft doen wekken dat hij – in het kader van de waarheidsvinding – alle feiltelijke en juridisch relevante zaken die hij vanwege zijn niet verschijning in de verstek procedure heeft kunnen aandragen, bij de behandeling van de strafzaak in verzet procedure aan de orde zou stellen.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de Krijgsraad geen andere keus dan deze strafzaak zonder nader onderzoek af te doen op grond van de processtukken die zich in het strafdossier bevinden.

Nu de Krijgsraad in het door haar op 29 november 2019 gewezen en uitgesproken verstekvonnis reeds breedvoerig en ampel is ingegaan op al de juridische standpunten van de auditeur-militair en de raadsman van de defaillant en bij de inhoud van het verstekvonnis blijft volharden, zal de Krijgsraad het bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis, waarvan thans verzet, bekrachtigen.

  1. Beslissing in verzet

 De Krijgsraad:

Bekrachtigt het op 29 november 2019 door de Krijgsraad bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis in de strafzaak van de auditeur-militair tegen de defaillant Bouterse, Desiré Delano.

 

Dit vonnis is gewezen door

drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, president,

S.M.M. Chu, lid,

R.G. Chatterpal, lid,

en ter openbare terechtzitting uitgesproken op 30 augustus 2021 te Paramaribo door de president van de Krijgsraad, mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Oosterwolde.

w.g. N. Oosterwolde                                                                                                             w.g.C.C.L.A.Valstein-Montnor

                                                                                                                                                      w.g.S.M.M.Chu

                                                                                                                                                      w.g.R.G.Chatterpal

           

                                                                                                           Voor afschrift

                                                                                              De Griffier van de Krijgsraad

 

                                                                                                          Mr.N. Oosterwolde

 

SRU-K1-2021-12

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1987

19 juli 2021

 Vonnis in kort geding in de hoofdzaak van:

 A. DE STICHTING REGIONAAL ZIEKENHUIS WANICA,

gevestigd aan de Vredenburg Serie B in het district Wanica,

eiseresin conventie, tevens gedaagde in reconventie,

hierna te noemen: RZW,

gemachtigde:mr.A.C.A. Karg, advocaat,

B. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID,

gevestigd en kantoorhoudende aan de HenckArronstraat no. 64 te Paramaribo,

eiser,

hierna te noemen: de Staat,

gemachtigde: mr. C.B. Lachman, advocaat

 

tegen

 

[gedaagde],

wonende aan de [adres] in [ district] ,

gedaagde in conventie, tevens gedaagde in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigden: mr. A.E. Debipersad en mr. T. Jhakry, beiden advocaat.

 

Dit vonnis bouwt voort op het in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen en uitgesproken tussenvonnis d.d. 17 juli 2021.

  1. Het verdere verloop van het proces

            In conventie en reconventie

1.1       Dit blijktuit de volgende processtukken en –handelingen:

  • de conclusie tot uitlating producties in conventie en antwoord in reconventie d.d. 18 juli 2021.

1.2       De uitspraak van het vonnisis bepaald op heden. 

  1. De verdere beoordeling in conventie en reconventie

2.1       Algemeen

2.1.1    De kantonrechter blijft volharden bij de inhoud van het tussen partijen gewezen en uitgesproken tussenvonnis d.d. 17 juli 2021.

2.1.2    De kantonrechter stelt het volgende voorop. Op grond van het vonnis dat op 22 april 2020 in de zaak bekend onder A.R. No. 20-1182 tussen [gedaagde] en RZW is gewezen, welk vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, komt [gedaagde] de bevoegdheid toe tot tenuitvoerlegging van het vonnis, waaronder mede begrepen het leggen van executoriaal beslag op gelden en/of goederen van RZW tot de hoogte van het bedrag waartoe RZW is veroordeeld. Mocht [gedaagde] geen in redelijkheid te respecteren belang hebben bij het gebruik maken van de aan hem toekomende executiebevoegdheid en desondanks hiervan gebruik maken, dan wel misbruik mocht maken van zijn executiebevoegdheid, dan kan dit volgens vaste jurisprudentie grond opleveren tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis en eventueel opheffing van het gelegd executoriaal beslag dat krachtens dit vonnis is geschied.
Van misbruik van executiebevoegdheid kan slechts sprake zijn indien de te executeren titel (het vonnis) klaarblijkelijk berust op een feitelijke misslag, of indien tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde (in casu RZW) een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.           

2.1.3    Als uitgangspunt dient dat [gedaagde]hetgeen hij krachtens het vonnis van RZW  te vorderen heeft, mag verhalen op alle gelden en goederen van RZW, tenzij de wet anders bepaalt. Blijkens het bepaalde in artikel 312a Rv mag beslag niet worden gelegd op goederen bestemd voor de openbare dienst. In dat licht heeft de Staat – naar de kantonrechter de stellingen van RZW en de Staat begrijpt – de onderhavige vordering tezamen met RZW ingesteld, omdat zij zich op het standpunt stellen dat de gelden van RZW onder de bankinstelling en roerende goederen waarop [gedaagde] executoriaal beslag heeft doen leggen bestemd zijn voor de openbare dienst. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en mede op grond van het feit dat de Staat geen partij is geweest in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 20-1182, zal de kantonrechter zich bij de beoordeling van het debat tussen de Staat en [gedaagde] – voor zover dat nodig is – slechts beperken tot de beantwoording van de vraag of de in executoriaal beslag genomen gelden onder de bankinstelling en goederen kunnen worden aangemerkt als gelden en goederen bestemd voor de openbare dienst.

2.2       In conventie

Formeel verweer tot niet ontvankelijk verklaring van de Staat

2.2.1    [gedaagde] voert als formeel verweer dat de Staat niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de onderhavige zaak, omdat de Staat geen procespartij in het oorspronkelijke kort geding is geweest. Voorts voert hij aan dat de Staat heeft verzuimd het bewijs aan te dragen dat door de ten uitvoerlegging van het vonnis de belangen van de Staat zullen worden geschaad. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] dit formeel verweer onvoldoende onderbouwd, omdat uit de stellingen van RZW en de Staat valt af te leiden dat de Staat zich erop beroept dat de door [gedaagde] in executoriaal beslag genomen gelden onder de bankinstelling en goederen voor de openbare dienst bestemd zijn. De Staat kan in dit geval, naar analogie van artikel 347a Rv, opheffing van het executoriale beslag vorderen om redenen van openbaar belang. Mitsdien verwerpt de kantonrechter het door [gedaagde] opgeworpen formeel verweer. 

Spoedeisend belang

2.2.2    Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, hetgeen de kantonrechter aanleiding geeft RZW en de Staat in het kort geding te ontvangen.

Beroep op klaarblijkelijk feitelijke en juridische misslag

2.2.3    Naar de kantonrechter RZW begrijpt, berust het vonnis klaarblijkelijk op een feitelijke en juridische misslag. RZW heeft echter, zoals [gedaagde] terecht opwerpt, nagelaten te stellen welke overwegingen in het vonnis klaarblijkelijk op een feitelijke en juridische misslag berusten. Voor zover RZW mocht beogen te stellen dat de feitelijke en juridische misslag daarin bestaan dat de arbeidsovereenkomst d.d. 19 februari 2020 waar [gedaagde] zich in de zaak bekend onder A.R. 20-1182 op heeft beroepen – tot staving van de vermeend bestaande arbeidsrelatie tussen hem en RZW – vervalst is, is de kantonrechter van oordeel dat dit als een grief in hoger beroep aan de orde dient te worden gesteld. Dit, omdat blijkens de inhoud van de overwegingen van het vonnis, van welk vonnis [gedaagde] een fotokopie ten processe heeft overgelegd,de behandelende kantonrechter in die zaak uitvoerig is ingegaan op de standpunten van partijen hierover. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan deze stelling van RZW. 

Het ontbreken van een in redelijkheid niet te respecteren belang

2.2.4    RZW stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] in redelijkheid een niet te respecteren belang heeft bij de tenuitvoerlegging van het vonnis, omdat zij bereid is deelbetalingen te plegen maar ook omdat [gedaagde] dubbele inkomsten geniet.

[gedaagde] voert in reactie hierop aan, dat dit niet afdoet aan zijn claim. De kantonrechter kan [gedaagde] volgen in zijn verweer, omdat hij blijkens het vonnis een vordering op RZW heeft en hij bevoegd is het vonnis te executeren indien RZW niet aan het vonnis voldoet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft RZW geen concrete betalingsschema aan [gedaagde] voorgesteld. Indien het RZW ernst was om deelbetalingen te plegen, mocht op zijn minst van haar worden verwacht dat zij een concrete betalingsschema had aangeboden en overgelegd. Dit temeer daar uit het verweer van [gedaagde]kan worden afgeleid dat hij er geen vertrouwen in heeft dat RZW aan het vonnis zal voldoen.

Conclusie

2.2.5    Op grond van hetgeen hiervoor onder 2.2.3 en 2.2.4 is overwogen, komt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat van misbruik van executierecht geen sprake is, zodat er geen grond is tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Dit geeft aanleiding om zowel het primair gevorderde onder III als het subsidiair gevorderde onder III te weigeren.

De gelegde executoriale beslagen

2.2.6    Uit hetgeen hiervoor onder 2.1.2 en 2.2.5 is overwogen volgt, dat [gedaagde] bevoegd is om executoriaal beslag te doen leggen op de gelden van RZW onder de bankinstelling en de roerende goederen van RZW. Thans dient te worden beoordeeld of er gronden zijn tot opheffing van de gelegde executoriale beslagen.

Beroep op nietigheid van het gelegd executoriaal derdenbeslag

2.2.7    RZW beroept zich erop dat het gelegd executoriaal derdenbeslag nietig is, omdat het niet binnen de bij wet vastgestelde termijn aan haar is betekend. In reactie hierop werpt [gedaagde] op dat ingevolge artikel 599 lid 3 juncto artikel 596 lid 1 Rv het beslag dient te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering of het onnodige van het beslag mocht blijken, indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag is gelegd.

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat [gedaagde] uit van een verkeerd toetsingskader, omdat dat toetsingskader betrekking heeft op conservatoire beslagen en niet op executoriale beslagen. Als toetsingskader voor opheffing van executoriale beslagen geldt hetzelfde toetsingskader als bij een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis, namelijk misbruik van executiebevoegdheid. Tevens dient ook als toetsingskader bij executoriaal derdenbeslag de wettelijke formaliteiten die de executant in acht dient te nemen bij en na het leggen van het beslag. RZW beroept zich op één der wettelijke formaliteiten waarmee [gedaagde] volgens haar betoog in strijd heeft gehandeld, te weten artikel 344 lid 3 Rv, die onder meer als volgt luidt: “Binnen acht dagen na deze betekening moet het beslag, op straffe van nietigheid, ook aan de geëxecuteerde worden betekend.’

Hiertegen heeft [gedaagde] niets relevants ingebracht. Evenmin heeft hij zich enige moeite getroost het beslagexploot, waaruit kan worden afgeleid dat het exploot van het gelegd executoriaal derdenbeslag aan RZW is betekend, ten processe over te leggen. Nu [gedaagde] zulks heeft nagelaten, zal de kantonrechter het ervoor moeten aannemen dat het exploot van het gelegde beslag niet is betekend aan RZW, dan wel niet binnen de in artikel 344 lid 3 Rv vastgestelde termijn aan RZW is betekend. De voorlopige slotsom is, dat RWZ slaagt in het beroep op nietigheid van het gelegde beslag, hetgeengrond oplevert tot opheffing van het gelegd executoriaal derdenbeslag. Hieruit volgt dat het primair gevorderde onder I als gegrond zal worden toegewezen. 

Het executoriale beslag op de roerende goederen

2.2.8    Zoals reeds hiervoor onder 2.2.6 is overwogen geldt als toetsingskader voor opheffing van executoriale beslagen hetzelfde toetsingskader als bij vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van vonnissen, namelijk misbruik van executierecht. Nu reeds inhoudelijk hierover is geoordeeld onder 2.2.4 in dit vonnis en de voorlopige slotsom is dat van misbruik van executiebevoegdheid geen sprake is, blijft nog overeind de beantwoording van de vraag of de in beslag genomen roerende goederen kunnen worden aangemerkt als te zijn goederen die bestemd zijn voor de openbare dienst.

De kwalificatie van de in executoriaal beslag genomen goederen

2.2.9    RZW en de Staat stellen zich op het standpunt dat de goederen waarop[gedaagde]het executoriale beslag heeft doen leggen niet vatbaar zijnvoor beslag, omdat de goederen – naar de kantonrechter RZW en de Staat begrijpt – bestemd zijn voor de openbare dienst. Ter onderbouwing van hun standpunt, stellen RZW en de Staat onder meer het hierna volgende. De Staat is in de ruimste zin des woordbelast met het toezicht op de behartiging van de volksgezondheid en heeft tot taak het waarborgen van de kwaliteit, beschikbaarheid en bereikbaarheid van de gezondheidszorg over het gehele land. RZW is door de Staat opgericht en zijn de activiteiten van RZW onderdeel van de openbare dienst. Met name betreffen de activiteitenvan RZW het beheer en de exploitatie van een algemeen ziekenhuis, de samenwerking met andere ziekenhuizen en in het bijzonder de rechtstreeks door de Staat aan RZW opgedragen taak van frontline zorg en opvang, behandeling en verzorging van patiënten met het COVID-19 virus en de varianten daarvan. Daar RZW een werkarm van de Staat is, heeft de Staat belang in de onderhavige zaak.

[gedaagde] daarentegen stelt zich op het standpunt dat de inbeslag genomen goederen niet bestemd zijn voor de openbare dienst. In dat licht voert hij het hierna volgende aan. De bedoelde roerende goederen staan niet geregistreerd ten name van de Staat en kunnen dus niet bestemd zijn voor de openbare dienst. Het feit dat RZW door de Staat is opgericht en onder toezicht van een door de Staat benoemde Raad van Bestuur staat, maakt nog niet dat de feitelijk door RZW uitgeoefende werkzaamheden rechtstreeks het openbaar belang dienen.

2.2.10  De kantonrechter stelt voorop dat het bij goederen voor de openbare dienst  moet gaan om goederen, zonder welke de openbare dienst niet goed kan functioneren. Voor de beantwoording van de vraag of goederen al dan niet bestemd zijn voor openbare dienst is echter niet bepalend of de goederen toebehoren aan een overheidsinstantie, zijnde de Staat. Dit, omdat ook niet-publiekrechtelijke rechtspersonen een overheidstaak kunnen uitoefenen en hun goederen kunnen aanwenden voor het uitvoeren van de aan hun opgedragen overheidstaak.[gedaagde] heeft niet weersproken dat RZW als ziekenhuisinstelling door de Staat is aangewezenom patiënten met het COVID-19 virus en de varianten daarvan op te vangen, te begeleiden en verzorgen, zodat de kantonrechter de stelling van RZW en de Staat ter zakevoor waar zal moeten aannemen. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat RZW, voor zover deze als een niet-publiekrechterlijkerechtsorgaan dient te worden aangemerkt, welbelast is met overheidstaken. 

2.2.11  Thans is aan de orde de beantwoording van de vraag voor welke specifieke overheidstaken de in executoriaal beslag genomen goederen worden aangewend. De kantonrechter stelt vast dat RZW en de Staat niets hierover hebben gesteld, zodat niet aannemelijk is dat de in executoriaal beslag genomen roerende goederen bestemd zijn voor de openbare dienst. Op grond hiervan en mede op grond van hetgeen hiervoor onder 2.2.5 is overwogen, is er geen grond tot opheffing van de in executoriaal beslag genomen roerende goederen. Hieruit volgt dat zowel het primair gevorderde onder II als het subsidiair gevorderde onder II als ongegrond zal worden geweigerd.  

Overige stellingen en weren

2.2.12 De overige stellingen en weren van partijen die in de onderhavige zaak niet relevant worden geacht, behoeven geen bespreking. Dit, omdat die tot geen andere uitkomst zullen leiden.

Proceskosten

2.2.13 Daar RZW en de Staat voor een miniem deel in het ongelijk zullen worden gesteld, zullen de proceskosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tussen partijen worden gecompenseerd, met dien verstande dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. 

2.3       In reconventie

            De kantonrechter stelt vast en zoals RZW terecht opwerpt, dat [gedaagde] heeft nagelaten te stellen wat het spoedeisend belang in reconventie is. Mitsdien zal hij niet worden ontvangen in het kort geding en de door hem gevorderde voorziening worden geweigerd. Ook in dit geval zal de kantonrechter de proceskosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tussen partijen compenseren. 

  1. De beslissing in conventie en reconventie

De kantonrechter in kort geding:  

3.1       In conventie

3.1.1    Heft op het door deurwaarder S.S. Saheblal bij exploot d.d. 24 juni 2021, no. 108A-21, gelegd executoriaal derdenbeslag onder de Finabank N.V. op alle gelden, geldswaarden en/of goederen die zij als derde-gearresteerde verschuldigd mocht zijn of worden aan of onder haar berusting mocht hebben of verkrijgen van RZW.           

3.1.2    Verklaart hetgeen hiervoor onder 3.1.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

3.1.3    Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

3.1.4    Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

3.2       In reconventie

3.2.1    Weigert de gevorderde voorziening.

3.2.2    Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op maandag 19 juli 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

 

 

SRU-K1-2021-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1987

17 juli 2021

 Vonnis in kort geding in het incident van:

STICHTING STAATSZIEKENFONDS,

gevestigd en kantoorhoudende aan de F. Derbystraat no. 107-111 te Paramaribo,

eiseres in het incident,

hierna te noemen: SZF,

gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

 

 in de zaak van:

 A. DE STICHTING REGIONAAL ZIEKENHUIS WANICA,

gevestigd aan de Vredenburg Serie B in het district Wanica,

Eiseresin de hoofdzaak, tevens gedaagde in het incident,

hierna te noemen: RZW,

gemachtigde:mr. A.C.A. Karg, advocaat

B. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID,

gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 64 te Paramaribo,

eiser in de hoofdzaak, tevens gedaagde in het incident,

hierna te noemen: de Staat,

gemachtigde: mr. C.B. Lachman, advocaat

 

tegen

 

[gedaagde],

wonende aan de [adres] in [district],

gedaagde in de hoofdzaak, tevens gedaagde in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigden: mr. A.E. Debipersad en mr. T. Jhakry, beiden advocaat.

  1. Het verloop van het proces

            In de hoofdzaak in conventie en reconventie en in het incident

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 06 juli 2021op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d.09 juli 2021;
  • de incidentele eis tot voeging d.d. 12 juli 2021 tot voeging van SZF in de hoofdzaak;
  • de conclusie van antwoord in conventie in de hoofdzaak, tevens eis in reconventie in de hoofdzaak d.d. 15 juli 2021;
  •  de conclusie van antwoord in het incident aan de zijde van RZW en de Staat d.d. 15 juli 2021;
  • de conclusie van antwoord in het incident aan de zijde van [gedaagde]
    d.d. 15 juli 2021.

1.2       De uitspraak van het vonnis in het incident is bepaald op heden.

  1. De feiten voor zover van belang voor het incident en de hoofdzaak in conventie en reconventie

2.1       Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 22 april 2021, in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 20-1182, hierna aangeduid als het vonnis, is RZW veroordeeld tot betaling van loon ad SRD 30.000,- per maand aan [gedaagde] over de periode 19 november 2019 tot en met oktober 2020.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De procespartijen in de hiervoor vermelde zaak zijn geweest,[gedaagde] als de eisende partij en RZW als de gedaagde partij.

2.2       Op 19 mei 2021 heeft [gedaagde] het vonnis aan RZW doen betekenen.
RZW heeft hoger beroep aangewend tegen het vonnis.       

2.3       Blijkens exploot van:
a) de deurwaarder bij het Hof van Justitie, S.S. Saheblal, d.d. 24 juni 2021, no. 108A-21, heeft [gedaagde] op vermelde datum executoriaal derdenbeslag doen leggen op alle gelden, geldswaarden en/of goederen onder de Finabank N.V. ten laste van RZW;

b) de deurwaarder bij het Hof van Justitie, P.S. Olensky, d.d. 28 juni 2021, no. 502-21, heeft [gedaagde] executoriaal beslag doen leggen op de hierna volgende roerende goederen:

1)een wit gelakte pick up van het merk Hunday kentekenno. [nummer];

2) Hunday 15 personen bus, kentekenno. [nummer], witgelakt;

3) een Mitsubishi Rosa 30 personen, kentekenno. [nummer];

4) een Kia Rio personenauto roodgelakt, kentekenno.[nummer];

5) een rechthoekige houten vergaderburo (bruin).

2.4       De executoriale verkoop van de hiervoor onder 2.3 vermelde in executoriaal beslag genomen roerende goederen zal op 21 juli 2021 om 11.00 uur des voormiddag plaatsvinden.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in de hoofdzaak

            In conventie en reconventie

3.1       In conventie vordert RZWdat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

Primair:

           I) gelast de opheffing van het gelegd executoriaal derdenbeslag;

          II) gelast de opheffinghet gelegd executoriaal beslag op de roerende goederen;

Subsidiair:

           I) gelast de schorsing, dan wel opschorting van het gelegd executoriaal derden beslag;

          II) gelast de schorsing, dan wel opschorting het gelegd executoriaal beslag op de roerende goederen;

Zowel primair als subsidiair:

         III) [gedaagde] verbiedt handelingen gericht op de executie, dan wel uitwinning van de executoriale beslagen, althans het vonnis van de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton  d.d. 22 april 2021 met A.R. No. 20-1182;

         IV) [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2       In conventie leggen RZW en de Staat verkort en zakelijk weergegeven, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan het gevorderde ten grondslag:

– het vonnis berust op een klaarblijkelijke feitelijke en juridische misslag;

– een redelijk te respecteren belang tot ten uitvoerlegging van het vonnis aan de zijde van [gedaagde] ontbreekt, omdat RZW bereid is deelbetalingen aan [gedaagde] te plegen, [gedaagde] dubbele inkomsten geniet vanwege zijn dienstbetrekking met SZF en hij inkomsten geniet uit werkzaamheden als arts;

– de inbeslag genomen goederen bestemd zijn voor de openbare dienst, zodat  dit beslag in strijd is met het verbod gesteld in artikel 312a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);

– het gelegd executoriaal derdenbeslag is nietig, omdat [gedaagde] het beslag in strijd met het bepaalde in artikel 344 Rv niet tijdig aan RZW heeft doen betekenen.

3.3       In conventie heeft [gedaagde] verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug. 

3.4       In reconventie vordert [gedaagde] dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, RZW veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van US$ 4.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 9 juli 2021 tot en met de dag der algehele voldoening daarvan.

3.5       In reconventie legt [gedaagde] aan het gevorderde ten grondslag dat RZW misbruik maakt van procesrecht, en wel in die zin dat RZW ervoor heeft gekozen om [gedaagde] op te zadelen met een rechtsproces, terwijl zij haar vordering in coventie baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op de stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben. 

  1. De vordering en de grondslag in het incident

            In het incident vordert SZF dat de kantonrechter in kort geding haar toestaat om zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van RZW.

SZF ondersteunt RZW in diens stelling dat het vonnis zowel juridisch als feitelijk onjuist is en stelt daartoe het hierna volgende:

– tussen haar en [gedaagde] heeft vanaf 05 februari 2018 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaan;

– SZF heeft [gedaagde] met ingang van 19 november 2019 aan RZW uitgeleend;

– ondanks [gedaagde] aan RZW was uitgeleend, heeft hij gedurende november 2019 tot en met oktober 2020 normaal salaris van SZF ontvangen. Dit is de periode waarover hij betaling van salaris van RZW heeft gevorderd en waartoe RZW tot betaling van het salaris bij vonnis is veroordeeld;

– indien [gedaagde] daadwerkelijk aanspraak maakt op door RZW te betalen loon, dan maakt SZF aanspraak op restitutie van het totaal door haar aan [gedaagde] betaalde bedrag van SRD 333.514,-; SZF is in het verlengde hiervan door subrogatie gerechtigd dit bedrag van RZW te vorderen en heeft er voldoende belang bij zich te voegen aan de zijde van RZW.

  1. De beoordeling in het incident tot voeging

5.1       RZW en de Staat referen zich ten aanzien van het incident, aan het oordeel van de kantonrechter. [gedaagde] daarentegen heeft bezwaar tegen het incident tot voeging. Het bezwaar van [gedaagde] bestaat daarin, dat toewijzing hiervan tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zal leiden en het de executie onnodig gecompliceerd zal maken, hetgeen in strijd is met de goede procesorde. Voorts voert [gedaagde] aan dat SZF niet gesteld heeft welke nadelige gevolgen de voortzetting van de aangekondigde executie en handhaving van de gelegde beslagen voor haar te weeg zullen brengen, zodat het incidenteel verzoek tot voeging niet toewijsbaar is.

5.2       De kantonrechter is het hierna volgende van oordeel. Ingevolge artikel 214 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een ieder die belang heeft bij een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, bevoegd te vorderen zich daarin te mogen voegen of tussen te komen.

Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij, die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert (in dit verband wordt verwezen naar HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787)

5.3       De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van SZF dat zij het aan [gedaagde] uitbetaalde salaris over de periode waartoe RZW tot betaling is veroordeeld, onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald en dit bedrag dus van RZW heeft te vorderen. Deze stelling van SZF is niet te volgen, omdat een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling als een zelfstandige vordering jegens [gedaagde] dient te worden aangemerkt en niet als subrogatie. Bovendien geschiedt subrogatie (inde plaatsstelling in de rechten van de schuldeiser ten behoeve van een derde persoon, die deze betaalt) blijkens het bepaalde in artikel 1421 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek bij overeenkomst of uit kracht van de wet.

Voorts valt geenszins uit de door SZF gestelde feiten en omstandigheden af te leiden welke rechtstreekse nadelige gevolgen een toewijzing of afwijzing van de vordering van RZW in de onderhavige zaak, dan wel welke nadelige gevolgen de voortzetting van de aangekondigde executie en handhaving van de gelegde beslagen voor haar (SZF) te weeg zullen brengen. Om die reden zal de vordering in het incident tot voeging worden afgewezen. In dat licht neemt de kantonrechter ook in overweging dat de zaak tussen RZW en [gedaagde] zich reeds in de executoriale fase bevindt en het toestaan van de voeging in dit stadium tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zal leiden, hetgeen zoals [gedaagde] terecht aanvoert, in strijd met de beginselen van een goede procesorde wordt geacht. Dit, temeer daar de veiling van de in executoriaal beslag genomen roerende goederen van RZW op 21 juli 2021 zal plaatsvinden. 

In de hoofdzaak

5.4       Nu de vordering in het incident tot voeging niet zal worden toegestaan, zal vanwege het bijzonder spoedeisend karakter in de hoofdzaak het concluderen stoppen bij conclusie tot uitlating over de producties die in conventie zijn overgelegd en antwoord in reconventie. Mitsdien zal RZW in de gelegenheid worden gesteld om op zondag 18 juli 2021 om 09.00 uur per mailte concluderen voor uitlating productie in conventie en antwoord in reconventie, zonder uitstel. Ditzelfde geldt ook voor de Staat die op zondag 18 juli 2021 om 09.00 uur per mail dient te concluderen voor uitlating producties in conventie, zonder uitstel.

5.5       Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden. 

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:  

In het incident

6.1       Staat niet toe de incidentele vordering tot voeging.

In de hoofdzaak in conventie en reconventie

6.2       Stelt RZW in de gelegenheid om op zondag 18 juli 2021 uiterlijk 09.00 uur per mail te concluderen voor uitlating producties in conventie en antwoord in reconventie, zonder uitstel.

6.3       Stelt de Staat in de gelegenheid om op zondag 18 juli 2021 uiterlijk 09.00 uur per mail te concluderen voor uitlating producties, zonder uitstel.

6.4       Bepaalt dat eindvonnis in de hoofdzaak zal worden gewezen op maandag 19 juli 2021 om 10.00 uur.

6.5       Houdt iedere verdere beslissing in conventie en reconventie aan.

 

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op zaterdag 17 juli 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-10

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-2119

17 juli 2021 

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[Bedrijf],

gevestigd aan de [adres] te [district],

eiseres,

gemachtigde:mr. C. Rambharos, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE meer in het bijzonder HET OPENBAAR  MINISTERIE, rechtspersoon,

in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,

gevolmachtigde: mr. S. Ramdayal, Waarnemend Substituut Officier van Justitie,

B.STICHTING VOOR BOSBEHEER EN BOSTOEZICHT,

gevestigd en kantoorhoudende aan de Ds. Martin Luther Kingweg no. 283 te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigden: mr. F.S.F. Narsing-Abdul en dhr. W. Nannan.

  1. Het verloop van het proces

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op15 juli 2021op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 16 juli 2021;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende hetgeen partijen over weer tijdens het mondeling pleiten d.d. 16 juli 2021 hebben aangevoerd, met daaraan gehecht de producties die partijen tijdens het mondeling pleiten hebben overgelegd

1.2       De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden om 08.30 uur. 

  1. De feiten

2.1       In april 2021 heeft gedaagde sub A 968 blokken rondhout van eiseres, die klaar waren voor de export, in justitieel beslag genomen. Dit, vanwege verdenking van het overtreden van de Wet Economische Delicten. Met name bestaat het vermoeden bij gedaagde sub A dat niet de juiste procedure zou zijn gevolgd bij de export van de blokken rondhout.

2.2       Het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak is nog gaande en bevindt zich nog in de voorbereidende fase. In opdracht van gedaagde sub A, zal gedaagde sub B binnenkort overgaan tot de openbare verkoop van de in beslag genomen blokken rondhout. Belangstellenden zijn in de gelegenheid gesteld gedurende 13 juli 2021 tot en met 16 juli 2021 de blokken rondhout te bezichtigen op de landing/houtopslagplaats van eiseres en een bod te doen op het door gedaagde sub B opgegeven emailadres. De marktwaarde van de blokken rondhout is vastgesteld op SRD. 4.758.236,09.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1       Eiseres vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

  1. a) gedaagden veroordeelt om binnen 1×24 uur, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn de verkoop van de 968 stuks in beslag genomen blokken rondhout als vermeld in de bekendmaking d.d. 13 juli 2021 onder nummer SBB/SBN 822/21 door gedaagde sub B stop te zetten, totdat in de strafzaak waarop het justitieel beslag op deze blokken rondhout betrekking heeft is beslist door de kantonrechter;
  2. b) gedaagden veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD 500.000,-, voor iedere dag waarop zij in gebreke blijven om aan dit vonnis te voldoen. 

3.2       Eiseres legt aan het gevorderde ten grondslag, dat gedaagden een onrechtmatige daad jegens haar plegen. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, dat gedaagden in strijd met het bepaalde in artikel 103 lid 3 sub a tot en met c van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dan wel zonder in het bezit te zijn van een daartoe verkregen machtiging van de rechter overgaan tot het vervreemden van de bedoelde blokken rondhout.

            Eiseres zal onherstelbare schade lijden, indien de openbare verkoop voortgang zal vinden, omdat niet voor de gehele partij in beslag genomen rondhout het vermoeden bestaat dat niet de juiste procedure zou zijn gevolgd. 

3.3       Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug. 

  1. De beoordeling

4.1       Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, hetgeen de kantonrechter aanleiding geeft om eiseres in het kort geding te ontvangen.

4.2       De kantonrechter begrijpt uit het betoog van eiseres dat zij geen verdachte is in de strafzaak van de in justitieel beslaggenomen blokken rondhout en dat zij de eigenares van deze blokken rondhout is. Gedaagden daarentegen stellen zich op het standpunt dat de blokken rondhout de eigendom van de Staat zijn. Daartoe betogen zij dat bij de inbeslagname is gebleken dat bij een deel van de blokken rondhout hergebruikte labels zijn gebruikt en bij een ander deel er geen labels waren, waardoor de afkomst van deze blokken rondhout niet kan worden vastgesteld. Doordat de afkomst hiervan niet kan worden vastgesteld en houtblokken vallen onder natuurlijke hulpbronnen, is de Staat nog steeds  eigenaar van deze houtblokken. In reactie hierop blijft eiseres erin volharden dat zij deze blokken rondhout bij een derde heeft gekocht en zij daardoor eigenares hiervan is geworden. De kantonrechter stelt in het licht van het bovenstaande voorop, dat niet in geschil is of de in justitieel  beslaggenomen blokken rondhout al dan niet onrechtmatig is geschied. De beoordeling hiervan in kort geding is overigens niet mogelijk, omdat er hiervoor een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is bij de strafrechtrechter, te weten de beklagschrift-procedure die in artikel 460 Sv is neergelegd. Nu niet in geschil is of de inbeslagname van de blokken rondhout al dan niet onrechtmatig is, en gesteld noch gebleken is dat eiseres gebruik heeft gemaakt van de  beklagschrift-procedure om het gelegd justitieel beslag op de blokken rondhout  te doen opheffen en de teruggave van de blokken rondhout te vorderen, mag op voorhand worden aangenomen dat de blokken rondhout een illegale status hebben en de Staat, zoals gedaagden terecht opwerpen, nog als eigenaar van deze houtblokken dient te worden aangemerkt.           

4.3       Thans ligt ter beoordeling de vraag of het Openbaar Ministerie, zijnde gedaagde sub A, een machtiging van de strafrechter nodig heeft om tot het doen vervreemden van de in justitieel beslag genomen blokken rondhout over te gaan, dan wel bevoegd is de opdracht daartoe aan gedaagde sub B te geven.

            Gedaagden stellen zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie, zijnde gedaagde sub A, geen machtiging van de (straf)rechter nodig heeft om tot de openbare verkoop van de in beslag genomen blokken rondhout over te gaan. Zij beroepen zich – verkort en zakelijk weergegeven – erop dat houtblokken van reeds gevelde bomen die niet goed worden opgeslagen aan bederf onderhevig zijn en de kwaliteit van de houtblokken snel achteruitgaat wanneer deze in de openlucht (in wind en weer). Dit geval doet zich voor bij deze in justitieel beslag genomen blokken rondhout. Zij beroepen zich in dat licht op de Memorie van Toelichting op artikel 103 Sv dat de mogelijkheid tot vervreemden bedoeld is voor goederen die niet langer voor opslag geschikt zijn en dat men daarbij moet denken aan voorwerpen die bij langdurig opslag zouden bederven of aanmerkelijk in waarde zouden verminderen of dat er voor de opslag kosten gemaakt zullen worden, die in waarde meer zijn dan de voorwerpen zelf of dat er geen ruimte is tot opslag.

            In reactie hierop betoogt eiseres dat hout niet aan bederf onderhevig is en juist de kwaliteit van het hout juist verbetert door het langdurig blijven liggen. Verder beroept zij zich erop dat, naar de kantonrechter eiseres haar betoog begrijpt, de gronden waar gedaagden zich op beroepen vallen onder de in artikel 103 lid 3 SV gegeven limitatieve opsomming en in dit geval een machtiging van de strafrechter vereist is om over te gaan tot het vervreemden van de blokken rondhout.

4.4       Uitgaande van de hiervoor door partijen gegeven standpunten, zal voor de kantonrechter als toetsingskader dienen het bepaalde in artikel 103 Sv, die voor zover voor de beslissing van belang, onder meer als volgt luidt:

1. De inbeslaggenomen voorwerpen worden niet vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd, tenzij na verkregen machtiging.

  1. Indien de voorwerpen niet geschikt zijn voor opslag kan de in lid 1 van dit artikel bedoelde machtiging door het Openbaar Ministerie aan de bewaarder dan wel aan de ambtenaar die de voorwerpen in afwachting van hun vervoer naar de bewaarder onder zich heeft, worden verleend.
  2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde machtiging kan op vordering van het Openbaar Ministerie door de rechter voor wie de zaak wordt vervolgd of anders het laatst werd vervolgd aan de bewaarder worden verleend ten aanzien van voorwerpen:
  3. a) waarvan de kosten van de bewaring niet in een redelijke verhouding staan tot hun waarde;
  4. b) waarvan aan de bewaring of het onderhoud hoge kosten zijn verbonden of aan de bewaring geen of geen geschikte ruimte beschikbaar is;
  5. c) die vervangbaar zijn en waarvan de tegenwaarde op eenvoudige wijze kan worden bepaald.
  6. Degene aan wie de machtiging is verleend, draagt zorg voor de bepaling van de waarde die het voorwerp op dat moment bij verkoop redelijkerwijs zou hebben opgebracht.”

Tevens dient als toetsingskader de Memorie van Toelichting op dit artikel (pag 7 S.B. 2008, no. 20), waarin onder meer het volgende is vermeld:

Voorwerpen die niet vallen onder de categorieën “niet vatbaar voor opslag (artikel 103 lid 2)” of “niet vatbaar voor opslag gedurende langere tijd (artikel 103 lid 3)” kunnen gedurende de periode voordat over die voorwerpen een definitieve beslissing is genomen bijvoorbeeld niet vervreemd worden, ook al is het om het beslag daarop voort te zetten. Het gevolg hiervan is dat de “schuren” van de bewaarder vollopen, terwijl de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen met de tijd steeds afneemt waarbij deze voorwerpen aan het eind van het proces niet veel waard zijn. Dit zal in het nadeel zijn voor de overheid, die eventueel na verbeurdverklaring eigenaar wordt van de voorwerpen, en de verdachte die mogelijk wederom de beschikking krijgt over de voorwerpen. Daarnaast kunnen de kosten voor opslag en bewaring voor justitie enorm oplopen. 

Met de wijziging van artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering wordt dan ook getracht om het aantal voorwerpen en de kosten voor het in bewaring houden van de voorwerpen drastisch te beperken. De wijziging van artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering voorziet namelijk in meer mogelijkheden om een voorwerp hangende het beslag uit de voorraadschuren van justitie op te ruimen, al is het maar door het voorwerp in geld om te zetten en het beslag daarop voort te zetten.

4.5       Blijkens het bepaalde in artikel 103 lid 2 Sv en de toelichting op artikel 103 Sv heeft het Openbaar Ministerie, zijnde gedaagde sub A, voorafgaand aan een beslissing van een strafrechter met betrekking tot justitieel inbeslaggenomen goederen – geen machtiging van de (straf)rechter nodig om tot het vervreemden van de goederen over te gaan die aan bederf onderhevig zijn. Zoals de kantonrechter gedaagden begrijpt vallen de blokken rondhout onder deze categorie van goederen, omdat zij vanwege het in weer en wind zijn langzaam verrotten en worden opgevreten door termieten en houtboorders. Vanwege dit verrottingsproces heeft, naar de kantonrechter het begrijpt, gedaagde sub A geen machtiging nodig voor het doen vervreemden van deze houtblokken. De kantonrechter kan gedaagden volgen in hun betoog dat houtblokken aan bederf c.q verrotting onderhevig zijn, omdat het een feit van algemeen bekendheid is dat hout dat in weer en wind staat verrot en wordt aangetast door houtluizen en houtboorders, zijnde insecten die heel moeilijk zijn te bestrijden, tenzij het hout is bewerkt met beschermingsmiddelen om verrotting tegen te gaan en te voorkomen dat het wordt aangetast door termieten en houtboorders en/of andere houtaantastende insecten. Vaststaat dat de blokken rondhout in weer en wind staan op het terrein van eiseres. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de blokken rondhout zijn bewerkt met beschermingsmiddelen om verrotting tegen te gaan en te voorkomen dat de blokken rondhout door termieten en houtboorders en/of andere houtaantastende insecten worden aangetast, zodat voor de kantonrechter aannemelijk is dat de blokken rondhout vallen onder de categorie goederen die aan bederf, in dit specifiek geval verrotting, onderhevig zijn. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter komt het Openbaar Ministerie, zijnde gedaagde sub A, op grond van het bepaalde in artikel 103 lid 2 Sv en mede op grond van hetgeen hiervoor is overwogen de bevoegdheid, dan wel een ruime beleidsvrijheid toe om al dan niet opdracht aan gedaagde sub B te geven om over te gaan tot de vervreemding c.q. openbare verkoop van de blokken rondhout. De voorlopige slotsom is dat gedaagden met hun voornemen tot het doen overgaan van de openbare verkoop niet onrechtmatig jegens eiseres handelen. In dit specifiek geval zou het Openbaar Ministerie, zijnde gedaagde sub A, slechts een onrechtmatig handelen kunnen worden verweten indien hij na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet tot het geven van de opdracht dan wel het verlenen van de machtiging aan gedaagde sub B tot openbare verkoop had kunnen komen. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat gedaagde sub B – die naar aangenomen mag worden de deskundigheid in huis heeft om de kwaliteit en de marktwaarde van het hout te kunnen beoordelen- de minimale marktwaarde van de houtblokken heeft vastgesteld op basis van haar deskundigheid en volgens haar verklaring er totnogtoe veel aanbieders zijn geweest die na het bezichtigen van de blokken rondhout een hoger bedrag hiervoor hebben aangeboden dan de door haar vastgestelde marktwaarde. 

4.6       De kantonrechter komt op grond van hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen tot de voorlopige slotsom dat van een onrechtmatige handelen jegens eiseres geen sprake is, zodat de door eiseres gevorderde voorzieningen als ongegrond zullen worden geweigerd.

4.7       De overige stellingen en weren die niet relevant worden geacht, behoeven naar het oordeel van de kantonrechter geen bespreking. Dit, omdat die tot geen andere uitspraak in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.8       Eisers zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. 

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:   

5.1       Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2       Veroordeelt eiser in de proceskosten die aan de zijde van gedaagden zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op zaterdag 17 juli 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-9

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 20-3085

24 juni 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:                                                    

[eiser],

wonend te [district],

eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna ook [naam 1] genoemd,

gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

 

tegen

 

A. [gedaagde],

wonend te [district],

B. ALGEMENE BOND VAN PERSONEEL MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN, afgekort ABP-BIZA, rechtspersoon,

gevestigd en kantoorhoudend te Paramaribo,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

hierna ook [naam 2] en ‘ABP-BIZA’ genoemd,

gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

  1. Het procesverloop:

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 14 oktober 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling genomen is op 05 november 2020;
  • de conclusie van antwoord in conventie met producties en van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek in conventie met producties en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie met producties en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2       De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten

Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast.

2.1       Aan de Vice President van de Republiek Suriname (hierna Vice President genoemd) heeft [gedaagde] op 30 september 2020 onder meer voorgehouden:

            “(…)

            Wij

            Van de Algemene Bond Personeel Binnenlandse Zaken met diverse meningen, achtergronden, politieke voorkeuren en opleidingsniveaus,

            Constateren (…)

            Vrouwelijke leden van de bond hebben meerdere malen hun klachten gedeponeerd over seksistische opmerkingen die worden gemaakt op de werkvloer door de vader van de minister [naam 1], welke zonder enige hoedanigheid postvat op het ministerie terwijl er een gebrek is aan ruimtes. (…)”.

2.2       Blijkens schrijven van 05 oktober 2020 informeert de Vice President ABP-BIZA onder meer als volgt:

            “(…)

            Op woensdag 30 september 2020 heb ik uit handen van een burger, vermoedelijk een lid van het Bestuur van de Algemene Bond Personeel BiZa, een Petitie in ontvangst mogen nemen.

            Bij de inhoudelijke behandeling van deze petitie heb ik moeten constateren dat de petitie niet is ondertekend. Er is geen referent genoemd in dit document.

            Een Petitie is een instrument van burgers om volksvertegenwoordigers een signaal te geven dat hun handelen noodzakelijk is, zoals dat op 30 september 2020 door de Algemene Bond Personeel BiZa is gedaan.

            Hoewel petities over het algemeen niet juridisch bindend zijn, vormen ze wel een sterk signaal aan de beslissingsverantwoordelijken dat er een zekere onvrede bestaat.

            Ik breng onder Uw aandacht dat deze petitie niet is ondertekend hetgeen de inhoudelijke behandeling hiervan belemmerd. (…)”

2.3       Blijkens schrijven van 06 oktober 2020 informeert ABP-BIZA de Vice President onder meer als volgt:

            “(…)

            Middels dit geschrift doet het bestuur van de Bond ABP BIZA u een getekende versie van de op 30 september 2020 aangeboden petitie toekomen. Indien u zich zoals uit de media is vernomen geschoffeerd voelt biedt de bond ABP BIZA zijn oprechte verontschuldigingen aan en geven tevens aan dat de ontstane situatie inmiddels is overgedragen aan de Confederatie COL.

            Hopende dat er nu inhoudelijk kan worden ingegaan op de petitie verblijven wij.

            Aangehecht treft u een bijlage met presentielijsten van de aanwezigen op de dag der indiening van de petitie. (…)”.

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

            In conventie

3.1       [eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat de kantonrechter

  1. [gedaagde] veroordeelt om binnen twee dagen na de uitspraak of binnen een in goede justitie te bepalen termijn:

de door haar in privé gedane uitlatingen bekend te maken bij wege van een advertentie via de radiostations Apintie, SRS, ABC, Radio 10, Rapar Broadcasting en de televisiestations ABC TV, Rapar TV, STVS, Apintie televisie en ATV in een door [gedaagde] persoonlijk uitgesproken tekst en in de kranten, De Ware Tijd, de West, dagblad Suriname, Times of Suriname en Face-book geplaatste tekst van de volgende inhoud:

            Ik, [naam 2], heb op 30 september 2020 bij de aanbieding van een petitie aan de Vice-President van de Republiek Suriname in privé de volgende uitlatingen gedaan:

            “Vrouwelijke leden van de bond hebben meerdere malen hun klachten gedeponeerd over seksistische opmerkingen die worden gemaakt op de werkvloer door de vader van de Minister, de heer [naam 1], welke zonder enige hoedanigheid postvat op het ministerie terwijl er een gebrek is aan ruimtes.”

            Deze uitlatingen zijn onjuist, onwaar, krenkend en in strijd met de waarheid. Het oogmerk van mijn uitlatingen was/is om de heer [naam 1] te krenken in zijn eer en goede naam en hem daardoor schade toe te brengen in de Surinaamse gemeenschap in het algemeen en het vrouwelijk deel in het bijzonder.

            Ik bied de heer [naam 1] voor deze denigrerende uitlatingen mijn diepe verontschuldiging aan.”

  1. ABP-BIZA veroordeelt om binnen twee dagen na de uitspraak of binnen een in goede justitie te bepalen termijn:

            de door [gedaagde] in haar hoedanigheid van bestuurslid van ABP-BIZA gedane uitlatingen bekend te maken bij wege van een advertentie via de radiostations Apintie, SRS, ABC, Radio 10, Rapar Broadcasting en de televisiestations ABC TV, Rapar TV, STVS, Apintie televisie en ATV in een door [gedaagde] persoonlijk uitgesproken tekst en in de kranten, De Ware Tijd, de West, dagblad Suriname, Times of Suriname en Face-book geplaatste tekst van de volgende inhoud:

            “Ik, [naam 2], heb in mijn hoedanigheid als bestuurslid van de Algemene Bond van Personeel Ministerie van Binnenlandse Zaken afgekort ABP BIZA op 30 september 2020 bij de aanbieding van een petitie aan de Vice-President van de Republiek Suriname in privé de volgende uitlatingen gedaan:

            “Vrouwelijke leden van de bond hebben meerdere malen hun klachten gedeponeerd over seksistische opmerkingen die worden gemaakt op de werkvloer door de vader van de Minister, de heer [naam 1], welke zonder enige hoedanigheid postvat op het ministerie terwijl er een gebrek is aan ruimtes.”

            Deze uitlatingen zijn onjuist, onwaar, krenkend en in strijd met de waarheid. Het oogmerk van mijn uitlatingen was/is om de heer [naam 1] te krenken in zijn eer en goede naam en hem daardoor schade toe te brengen in de Surinaamse gemeenschap in het algemeen en het vrouwelijk deel in het bijzonder.

            De Algemene Bond van Personeel Ministerie van Binnenlandse Zaken afgekort ABP BIZA bied de heer [naam 1] voor deze denigrerende uitlatingen zijn diepe verontschuldiging aan.”

III.        Een en ander onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000, – per dag voor elke dag of keer dat [gedaagde] en of ABP-BIZA in gebreke mochten blijven aan dit vonnis te voldoen.

            Voorts is veroordeling van [gedaagde] en ABP-BIZA in de proceskosten gevorderd.

3.2       Aan zijn vordering legt [eiser], kort gezegd, ten grondslag dat de uitlatingen als geciteerd in het petitum het oogmerk hebben hem te beledigen, in een kwaad daglicht te stellen bij de Surinaamse gemeenschap in het algemeen en het vrouwelijk deel in het bijzonder. Ook zijn de uitlatingen in onnodig krenkende vorm gedaan. Voorts zijn de uitlatingen in strijd met de waarheid en [gedaagde] had moeten weten dat zij daarmee schade toebracht aan [eiser]. Die schade is aangebracht in zijn maatschappelijke, religieuze, humanitaire en financiële leven en beleving. [gedaagde] heeft niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen. De krenkende uitlatingen komen voort uit een persoonlijke en politieke animositeit die tussen haar en [eiser] bestaat. [gedaagde] heeft de uitlatingen ongevraagd en niet uit zelfverdediging gedaan. Zij behoorde bovendien te weten en begrijpen dat haar uitlatingen door de schrijvende, sprekende en beeldende media alsook op Face-book wereldkundig zouden worden gemaakt.

            [eiser] stelt een spoedeisend belang bij het gevorderde te hebben, omdat hij in zijn dagelijks leven en werkzaamheden leed, last en hinder, maar bovenal materiële en immateriële schade ondervindt.

3.3       [gedaagde] en ABP-BIZA voeren als verweer, kort gezegd, dat [gedaagde] door het voorlezen van de petitie de mening die onder leden van de bond leeft, heeft verwoord. Op 11 augustus 2020 heeft ABP-BIZA tijdens een bestuursvergadering het besluit genomen een klachtencommissie in te stellen. De klachtencommissie heeft na zorgvuldig onderzoek haar bevindingen aan het bestuur kenbaar gemaakt per brief van 25 september 2020. De bevindingen zijn meegenomen in de petitie die aan de Vice President zou worden aangeboden. Zij behelzen een aantal punten of zaken die naar de mening van leden van de bond verkeerd gaan op het ministerie. [gedaagde] heeft de petitie slechts opgelezen. Van de juistheid en waarheid daarvan overtuigd, hebben [gedaagde] en ABP-BIZA geweigerd aan de sommatie tot rectificatie bij exploot van 6 oktober 2020 gevolg te geven. Zij beroepen zich op de rechtsregel van vrijheid van meningsuiting die doorwerkt in privaatrechtelijke verhoudingen en aldus tussen de bond en haar leden enerzijds en [eiser] anderzijds.

            In reconventie

3.4       [gedaagde] en ABP-BIZA vorderen in reconventie dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [eiser] veroordeelt de noodzakelijkerwijs gemaakte kosten voor juridische bijstand van, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van USD, SRD 15.000, – vermeerderd met de wettelijke rente.

            Voorts is veroordeling van [eiser] in de proceskosten gevorderd.

3.5       Daaraan leggen [gedaagde] en ABP-BIZA ten grondslag dat zij door de vexatoire conventionele vordering van [eiser] noodzakelijke juridische bijstand moesten inwinnen.

3.6       [eiser] voert verweer, dat voor zover van belang, hierna wordt besproken.

  1. De beoordeling

            In conventie

4.1       In de onderhavige zaak bestrijdt [eiser] op grond van artikel 8 lid 2 van de statuten van ABP-BIZA, dat [gedaagde] bevoegd was de bond te vertegenwoordigen. [eiser] stelt daartoe dat het dagelijks bestuur wordt gevormd door de voorzitter, ondervoorzitter en de secretaris. Het dagelijks bestuur vertegenwoordigt de bond binnen en buiten rechte. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] als deel van het dagelijks bestuur daarom niet de bevoegdheid ABP-BIZA buiten rechte te vertegenwoordigen. Bovendien is niet gebleken dat zij daartoe gemachtigd was.

4.2       ABP-BIZA stelt dat [gedaagde] zijn bestuurslid is en door hem impliciet is afgevaardigd om namens het bestuur op te treden. Bovendien heeft het bestuur nimmer afstand genomen van de handelingen die [gedaagde] in dit verband heeft gepleegd. ABP-BIZA voert verder aan dat na het aanbieden van de petitie de Vice President zowel [gedaagde], als voorzitter van de bond, en de COL voor een onderhoud heeft uitgenodigd. Dat de inhoud van de petitie door de leden ondersteund wordt, blijkt volgens ABP-BIZA uit de handtekeningenlijst tevens presentielijst van 30 september 2020. Ook stelt de bond dat [eiser] door in de onderhavige zaak de bond voor een gelijkluidende vordering als tegen [gedaagde] te betrekken, hij in de kern bevestigt dat [gedaagde] ABP-BIZA vertegenwoordigde bij het aanbieden van de petitie.

4.2.1    Het had allereerst op de weg van [eiser] gelegen de statuten of de artikelen uit de statuten als door hem gesteld, in het geding te brengen. [eiser] heeft zulks evenwel nagelaten. Ook overigens heeft [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door ABP-BIZA niet de nodige onderbouwing door het stellen van concrete feiten en omstandigheden aangebracht. De stelling dat [gedaagde] niet bevoegd was ABP-BIZA te vertegenwoordigen bij het aanbieden van de petitie wordt op voorgaande gronden verworpen.

4.3       Voorts overweegt de kantonrechter de stelling van [eiser] dat geen presentielijst van de vermeende namen van leden van de bond is aangeboden aan de Vice President. Het verweer door ABP-BIZA dat de overgelegde presentie- en handtekeningenlijst alsnog aan de Vice President is aangeboden acht de kantonrechter voldoende onderbouwd. Immers, [eiser] heeft noch de inhoud van het schrijven van 06 oktober 2020 – hiervoor in randnummer 2.3 – noch de inhoud van de bij antwoord overgelegde lijsten bestreden, zodat de inhoud van deze processtukken tussen partijen vaststaat. Aldus staan vast de in kopie overgelegde lijsten met aantallen registraties en handtekeningen als volgt: op het eerste blad totaal 28, op het tweede blad totaal 32, op het derde blad totaal 27, op het vierde blad totaal 31, op het vijfde blad totaal 33, op het zesde blad totaal 33, op het zevende blad totaal 32, op het achtste blad totaal 24, op het negende blad totaal 20, op het tiende blad totaal 7 en op het elfde blad totaal 6. Dat [eiser] de productie met daarop onder meer de tekst: “6/10/’20 Gecorrigeerde Versie Ondertekening van Petitie ABP-Biza/ presentielijst Aan: De VP v/d Rep. Suriname Zijne Excellentie Ronnie Brunswijk” die van een handtekening is voorzien, voor een papier ex artikel 1902 BW houdt, doet aan het voorgaande niet af. De kantonrechter slaat er tevens acht op dat ABP-BIZA binnen een dag op het schrijven van de Vice President d.d. 5 oktober 2020 (hiervoor in randnummer 2.2) heeft geantwoord.

4.3.1    De conclusie uit het voorgaande is dat op grond van de presentie- en handtekeningenlijst van 30 september 2020 en de brief van 6 oktober 2020 met bijlage voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] in haar hoedanigheid van bestuurslid van ABP-BIZA de petitie namens leden van de bond aan de Vice President heeft aangeboden. Daarbij merkt de kantonrechter – voor zover van belang – nog op dat uit het beeld- en geluidfragment dat bij het verzoekschrift is gevoegd, voldoende blijkt van het aanbieden van een petitie namens ABP-BIZA door middel van voorlezing van het thans in het proces als petitie vaststaand document, aan een hoogwaardigheidsbekleder, in casu de Vice President.

4.4       Voorgaande conclusie brengt met zich dat de vordering tegen [gedaagde] in persoon geen stand houdt. De deelvordering onder ‘I’ van het petitum zal daarom worden afgewezen.

4.5       [eiser] stelt dat de gewraakte uitlatingen jegens hem hun bedding vinden in een persoonlijke en politieke vijandschap tussen hem en ‘gerekestreerde(n)’, de kantonrechter begrijpt [gedaagde] en ABP-BIZA. Waarin die persoonlijke en politieke vijandschap bestaat, heeft [eiser] op geen enkele wijze onderbouwd dan wel concreet gemaakt, zodat de kantonrechter aan deze stelling voorbijgaat.

4.6       [eiser] weerspreekt dat hij seksistische opmerkingen tegen vrouwelijke medewerkers op de werkvloer maakt of heeft gemaakt. Tegelijkertijd stelt hij dat hoewel de klachtencommissie andere wegen had kunnen bewandelen, zij openlijk haar ongenoegen heeft geuit door het gewraakte gedeelte in de petitie in het openbaar voor te lezen. De klachtencommissie bedient zich daarbij van algemeenheden in plaats van concreet de gewraakte handelingen te noemen.

4.6.1    ABP-BIZA stelt hiertegenover dat het aanbieden van de petitie aan de President van de Republiek Suriname op dezelfde wijze als aan de Vice President zou plaatshebben. Voor de bond staat niet vast dat de reactie van [eiser] in dat geval anders zou zijn geweest. Aangifte bij de politie is voor ABP-BIZA geen optie geweest, zo voert hij aan, omdat de strafbaarheid van seksistische opmerkingen op de werkvloer niet helder is.        

4.6.2    Een Lex specialis ter toetsing van de onderhavige kwestie is niet voorhanden. Tot nog toe is sprake van een ‘Ontwerpwet houdende bepalingen betreffende het voorkomen en tegengaan van geweld en seksuele intimidatie inzake arbeid (Wet Geweld en Seksuele Intimidatie Arbeid)’. Voor nu wordt aansluiting gevonden in artikel 28 sub c van de Grondwet, GW, waarin onder meer is bepaald dat alle werknemers, ongeacht geslacht, recht hebben op veilige en gezonde arbeidsomstandigheden. Artikel 36 GW bepaalt ook dat een ieder recht heeft op gezondheid en dat de Staat de algemene gezondheidszorg door syste­ma­tische verbetering van leef- en werkomstandigheden bevordert. De kantonrechter is van oordeel dat in objectieve zin seksistische opmerkingen moeten worden beoordeeld als grensoverschrijdend en niet passend binnen een werkkring.

4.7       Tegenover de betwisting van de seksistische opmerkingen door [eiser] staan de geregistreerde handtekeningen ter ondersteuning van onder meer het in de petitie gewraakte punt. Op grond van de lijsten blijkt vooralsnog genoegzaam dat [eiser] zich op een of andere wijze min of meer seksistisch heeft uitgelaten tegen vrouwelijke medewerkers op de werkvloer. Voorts heeft ABP-BIZA terecht gesteld dat hij in de petitie de kwestie heeft geadresseerd door het hanteren van een formulering die strikt tot het zakelijke is beperkt. De kantonrechter volgt [eiser] daarom niet in zijn stelling dat de gewraakte uitlatingen concreet omschreven hadden moeten zijn. Moeilijk valt in te zien dat als [eiser] enerzijds reeds de zinsnede “seksistische opmerkingen” als krenkend en beschadigend ervaart, hij anderzijds concretere omschrijvingen bij die opmerkingen behoeft. Komt daarbij dat [eiser] in het geheel geen onderbouwing heeft bijgebracht van zijn stelling dat het in casu om valse beschuldigingen zou gaan. De stellingname van [eiser] is dan ook onhoudbaar. Daarom kan geen rechtvaardiging gevonden worden voor het door [eiser] gevorderde.

4.8       Onweersproken is dat de Vice President de petitie in behandeling neemt en met ABP-BIZA en de Confederatie COL in gesprek gaat. Het komt de kantonrechter dan ook voor dat het (algemeen) belang van ABP-BIZA als vertegenwoordiger van haar leden om door de Vice President gehoord te worden over de in de petitie genoemde punten ook meegewogen zal moeten worden bij de beoordeling van de spoedeisendheid. De kantonrechter is er onvoldoende van overtuigd dat er thans sprake is van een zodanig acute noodsituatie voor [eiser] dat het noodzakelijk is om met een voorlopige voorziening vooruit te lopen op bedoeld gesprek met de Vice President. Op grond van voorgaande overwegingen oordeelt de kantonrechter dan ook dat onvoldoende spoedeisend belang bestaat bij de vordering in conventie.

4.9       Het voorgaande brengt met zich dat de deelvordering ‘II’ van het petitum eveneens zal worden afgewezen.

4.10     Aan een bespreking van de overige stellingen en weren in conventie wordt niet toegekomen, nu zulks niet tot een ander oordeel leidt.

4.11     [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

             In reconventie

4.12     De in reconventie gevorderde advocaatkosten zullen als niet op de wet gegrond worden afgewezen.

4.13     ABP-BIZA zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding           

            In conventie

5.1      Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2       Veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding aan de zijde van ABP-BIS tot aan deze uitspraak begroot op nihil.                     

In reconventie

5.3       Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.4       Veroordeelt ABP-BIZA in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en uitgesproken op donderdag 24 juni 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2021-8

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1771

02 juli 2021

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],

wonende aan de [adres] te [district],

eiser,

hierna te noemen: [eiser],

procederend in persoon,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,

gedaagde,

hierna te noemen: de Staat,

gemachtigden: mr. C. Lachman en mr. M. Babulall, advocaten.

  1. Het verloop van het proces

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 03 juni 2021 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 07 juni 2021;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2       De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1       Op 11 maart 2020 heeft de World Health Organization (WHO) de uitbraak van de coronavirus disease 2019 (Covid-19), die zich wereldwijd heeft verspreid en wordt veroorzaakt door het SARS-Cov-2 virus (coronavirus), als pandemie bestempeld en de lidstaten opgeroepen tot het treffen van maatregelen om verspreiding van covid-19 tegen te gaan.

2.2       Op 13 maart 2020 werd na medisch onderzoek de eerste persoon in Suriname positief bevonden voor Covid-19. In navolging hiervan heeft de Staat op 09 april 2020 vanwege de Covid-19 pandemie, de burgerlijke uitzonderingstoestand afgekondigd, hetgeen is geschied middels afkondiging van de Wet Uitzonderingstoestand COVID-19 (S.B. 2020, no. 83), en wel ter uitvoering van artikel 72 onder c van de Grondwet van de Republiek Suriname (GW). Dit, in verband met het tegengaan van ongecontroleerde verspreiding in Suriname van het coronavirus.

Op 08 augustus 2020 is bij S.B. 2020 no. 151 de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand, hierna afgekort WUBU, afgekondigd, krachtens welke wet de Wet Uitzonderingstoestand COVID-19 grotendeels is komen te vervallen. Dit, eveneens ter bescherming van de volksgezondheid, de economie en de algemene veiligheid van burgers van Suriname.

2.3       In artikel 6 van de WUBU (S.B. 2020, no. 151) is, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende neergelegd:

1. In verband met de afkondiging van een uitzonderingstoestand kan de Regering bij Presidentieel besluit de volgende maatregelen nemen en voorzieningen treffen:

  1. maatregelen die onder meer betrekking hebben op de beperking van persoonlijke rechten en vrijheden:

(….)

(5) het beperken van de bewegingsvrijheid van burgers in de openbare of publieke ruimten of op de openbare wegen;

(6) het instellen van verboden tot samenkomsten van personen of het onbeschermd begeven in het openbaar of in publieke of private ruimten, alsmede het verplichten van personen tot het houden van fysieke afstanden;

(7) het beperken van burgers, organisaties en bedrijven met betrekking tot hun sociale-, maatschappelijke- en economische activiteiten of bedrijvigheid;”

(…)

  1. Bij toepassing van de krachtens lid 1 getroffen maatregelen, verboden en opgelegde verplichtingen door de Regering worden de ingevolge de Grondwet en Internationale verdragen onaantastbare burgerrechten, alsmede de grenzen van de beperkingsmogelijkheden van die rechten steeds gewaarborgd.

2.4       Bij Presidentieel besluit van 31 mei 2021 P.B. no. 40/2021, houdende wijziging van het Presidentieel besluit van 02 januari 2021 PB no. 01/2021 inzake de uitvoering van artikel 6 lid 1 van de WUBU (S.B. 2021, no. 75), hierna aangeduid als het uitvoeringsbesluit, zijn de preventieve maatregelen ter voorkoming van verdere verspreiding van covid-19 aangescherpt.

In artikel 1 van het uitvoeringsbesluit is het volgende bepaald:

1. Vanaf 10 augustus 2020 tot nader order worden de volgende maatregelen voor een ieder verplicht gesteld:

  1. a) het dragen van een mond- en neusbedekking buiten eigen huis en in het bijzonder bij het betreden van ruimten;
  2. b) het aanhouden van 1,5 meter fysieke afstand, de zogeheten COVID afstand; en
  3. c) het regelmatig wassen van de handen met zeep en water of het gebruik van handsanitizer.

(…)

  1. Het wordt zeer dringend geadviseerd om thuis te blijven en slechts voor noodzakelijke werkzaamheden, medische noodgevallen of het doen van noodzakelijke boodschappen uit huis te gaan.

In artikel 2 is er een maatregel neergelegd vallende onder de noemer “Beperking bewegingsvrijheid”, welk artikel onder meer als volgt luidt:

1. Het is een ieder verboden zich in de periode van 31 mei 2021 tot en met
18 juni 2021 in heel Suriname op de openbare weg te begeven of te bevinden, behoudens de uitzondering in artikel 5 lid 3.

(…)

  1. De grenzen via land, water en lucht blijven gesloten voor personen, tenzij om dringende redenen toestemming wordt verleend door het Covid-19 Crisis Management Team, en behoudens uitzonderingen in artikel 6.

(…)”.

In artikel 3 is als maatregel het samenscholingsverbod neergelegd, luidende onder meer als volgt:

1. Het is verboden in de periode van 31 mei 2021 tot en met 18 juni 2021 deel te nemen aan een groep van meer dan 5 (vijf) personen, met uitzondering van De Nationale Assembleé, de Regering, de Staatsraad en personen uit de zorg, veiligheid en essentiële diensten, mits zij de voorschriften in Bijlage A en de Covid-19 preventieprotocollen in acht nemen.

(…..)

  1. Het is verboden om feesten, met inbegrip van huisfeesten, te houden.
  2. Bijeenkomsten voor rouwzittingen en uitvaarten zijn toegestaan uitsluitend indien en voor zover niet meer dan tien (10) personen tegelijkertijd ter plaatse aanwezig zijn, indien de ruimte anderhalve meter afstand toelaat, en met inachtneming van de voorschriften in Bijlage A en de preventieprotocollen van de genoemde activiteiten. Hierbij zijn uitvaartbedrijven verplicht zich aan te melden bij het Covid-19 Crisis Management Team.
  3. Gebedshuizen zijn gesloten. Thuiskerkdiensten waaraan personen deelnemen die van buiten de huishouding komen, zijn eveneens niet toegestaan.
  4. Alle sportactiviteiten, met inbegrip van contactsporten, non-contactsporten en individuele sportactiviteiten zijn verboden.
  5. Het vervoer van personen door middel van het openbaar transport over de weg of over het water is niet toegestaan. Uitsluitend taxi’s van geregistreerde taxibedrijven mogen uitsluitend rijden voor personen die werkzaam zijn in de essentiële diensten en voor noodgevallen.

(…)

  1. Het is een ieder verboden in de periode van 23 januari 2021 tot en met
    18 juni 2021 verboden om alcoholhoudende dranken te gebruiken in het openbaar en/of zich onnodig op te houden in de nabijheid van winkels en supermarkten
    .”
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1       [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat veroordeelt:

            de maatregelen, voortvloeiende uit de WUBU, welke zijn ingevoerd om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan, opschort totdat deze middels een definitieve voorziening zullen zijn opgehe­ven.

3.2       [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig handelt tegen de bevolking. Daartoe voert hij, verkort en zakelijk weergegeven, het volgende aan:

  1. a) er is geen valide grondslag op basis waarvan de maatregelen ingevoerd en verplicht mogen worden;
  2. b) de maatregelen zijn gebaseerd op verkeerde uitgangspunten en indicaties;
  3. c) de PCR-testen op basis waarvan personen positief worden getest, data worden verzameld en maatregelen worden vastgesteld, zijn onbetrouwbaar;
  4. d) het gevaar van Covid-19 is zwaar overschat, omdat blijkens de beschikbare data wij vrijwel zeker te kampen hebben met de normale seizoensgriep;
  5. e) er is geen enkel wetenschappelijk bewijs dat de maatregelen effectief zijn in het tegengaan van de verspreiding van Covid-19 c.q. het verminderen van het aantal Covid-19 “positieven” en “doden”;
  6. f) de Staat veroorzaakt met de maatregelen enorme financiële-, materiële- en gezondheidsschade onder de bevolking, welke schade in bepaalde gevallen onherstelbaar en desastreus is;
  7. g) het is niet rechtvaardig om zo verregaand in te grijpen in de grondrechten van burgers met de maatregelen die niet werken. De maatregelen staan op gespannen voet met verschillende grondrechten zoals opgenomen in de Grondwet en internationale verdragen.

3.3       De Staat heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voorzover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

            Spoedeisend belang

4.1       [eiser] stelt als spoedeisend belang dat door verschillende prominente wetenschappers is gesteld, dat de nevenschade vanwege de maatregelen inmiddels gigantisch en veel groter is dan het waarneembare voordeel. De schade kan volgens het betoog van [eiser] beperkt worden middels een onmiddellijke voorziening bij voorraad bij wege van opschorting van de maatregelen.

            De Staat weerpreekt dat in de onderhavige zaak sprake is van een spoedeisend belang, doch naar het oordeel van de kantonrechter in niet voldoende mate. Mitsdien acht de kantonrechter het door [eiser] gestelde spoedeisend belang in voldoende mate aannemelijk, zodat [eiser] in het kort geding wordt ontvangen.

De thans nog geldende maatregelen

4.2       [eiser] vordert bij wege van voorlopige voorziening al de maatregelen die voortvloeien uit de WUBU op te schorten. In dat licht dient naar het oordeel van de kantonrechter te worden nagegaan welke maatregelen ingevolge WUBU nog van kracht zijn. Dit, vanwege het feit dat de maatregelen periodiek worden geëvalueerd en aangepast door de Staat, welke aanpassing afhankelijk is van het aantal covid-19 “positief geteste personen” en “doden” en de gevolgen daarvan op in het bijzonder het gezondheids-zorgsysteem hier te lande.

Blijkens het uitvoeringsbesluit golden de total lockdownmaatregelen van

31 mei 2021 tot en met 18 juni 2021, zodat de kantonrechter zich zal toespitsen op de nog van kracht zijnde maatregelen. Deze betreffen: de zgn. Mohana-regels, de lockdownregels gedurende bepaalde tijdstippen in de nacht (partiële lockdown) en het samenscholingsverbod tot een bepaald aantal personen, van welke maatregelen de kantonrechter mag aannemen dat deze [eiser] beperken in de Grondwet en internationale verdragen opgenomen grondrechten.

De procespartijen

4.3       De kantonrechter leidt uit de stellingen van [eiser] af dat hij de onderhavige vordering niet alleen voor zich zelf instelt, maar ook voor alle andere burgers.  Daar slechts de naam van [eiser] in het verzoekschrift is vermeld, het verzoekschrift slechts door hem is getekend als indiener van de onderhavige rechtszaak en er geen namen van andere eisers staan vermeld, zal de kantonrechter het ervoor moeten aannemen dat slechts [eiser] de eisende partij is die de onderhavige vordering tegen de Staat heeft ingesteld. Om die reden zullen [eiser] en de Staat als procespartijen in de onderhavige zaak worden aangemerkt. In dat licht verwijst de kantonrechter naar het bepaalde in artikel 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in welk artikel onder andere is neergelegd dat het verzoekschrift de naam, de voornamen en het adres van respectievelijk de eiser en gedaagde dient te behelzen.

Direct rechtstreeks belang

4.4       Thans dient te worden vastgesteld welk direct rechtstreeks belang [eiser] heeft bij de onderhavige vordering, omdat hij het in zijn verzoekschrift heeft over alle  burgers die schade ondervinden van de maatregelen.
Zoals dat uit de inhoud van de bepalingen van de WUBU en het uitvoeringsbesluit van de WUBU kan worden afgeleid, wordt elke burger vanwege de nog van kracht zijnde maatregelen in zijn/haar bewegingsvrijheid beperkt. Dit brengt met zich mee dat elke burger, waaronder [eiser], wordt beperkt in de aan hem/haar toekomende grondrechten die in de Grondwet en in internationale verdragen zijn neergelegd. Dit alles in onderling samenhang beschouwd en gelezen, brengt de kantonrechter tot de slotsom dat [eiser] een direct rechtstreeks belang heeft bij de onderhavige vordering.  

Beroep op schending van het  ne-bis in idem beginsel

4.5       De Staat voert als formeel verweer dat [eiser] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het gevorderde. Daartoe voert de Staat aan dat [eiser] in een eerder aanhangig gemaakte kort gedingzaak tegen de Staat, bekend onder A.R. No. 21-0733, hetzelfde heeft gevorderd als in de onderhavige zaak, namelijk het opschorten van de maatregelen voortvloeiende uit WUBU, in welke zaak het door [eiser] gevorderde is afgewezen. Ter staving hiervan beroept de Staat zich op een door hem ten processe overgelegde fotokopie van het vonnis dat de kantonrechter in de hiervoor vermelde zaak tussen partijen heeft gewezen op

24 maart 2021.

In reactie op dit formeel verweer voert [eiser] aan dat het onderhavige proces betrekking heeft op de volgende maatregelen: de avondklok, het uitgaansverbod, het verbod op samenscholingen en bijeenkomsten, het verbod op groeps- en contactsporten en het verplicht sluiten van scholen, bedrijven, winkels, restaurants en andere publiekelijk toegankelijke commerciële lokaliteiten of ruimten. De zaak bekend onder A.R. No. 21-0733 had volgens [eiser] betrekking op de opschorting van de verplichting tot het dragen van een mond- en neusbedekking.

4.6       De kantonrechter stelt voorop dat het ne-bis in idem beginsel inhoudt, een verbod om – anders dan via het instellen van een rechtsmiddel – jegens dezelfde wederpartij een herhaalde vordering van gelijke inhoud en strekking i[eiser] n te stellen. Uit vaste rechtspraak (verwezen wordt naar HR 16 december 1994, NJ 1995, 213) kan worden afgeleid dat schending van dit beginsel in een burgerlijk geschil op zichzelf geen grond is die kan leiden tot niet-ontvankelijkheid. Wel kan het beginsel een rol spelen bij de vraag of sprake is van misbruik van procesrecht door op dezelfde gronden een identieke vordering jegens dezelfde wederpartij in te stellen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich verzet tegen een herbeoordeling van deze vordering om te voorkomen dat deze procedure in feite als een verkapt hoger beroep dient. Dit is slechts anders indien sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die het opnieuw instellen van de vordering zouden kunnen rechtvaardigen.

4.7       De kantonrechter stelt op grond van de inhoud van het kort gedingvonnis in de zaak bekend onder A.R. No. 21-0733 vast dat de vordering, zoals [eiser] terecht betoogt, betrekking had op de volgende maatregelen: a) het dragen van een mond- en neusbedekking, b) het aanhouden van 1,5 meter fysieke afstand, de zogeheten Covid afstand en, c) het regelmatig desinfecteren van de handen, zijnde de zgn. Mohana-regels. In het bijzonder blijkt dit uit 3.1 van het kort gedingvonnis: “Eisers vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  • De maatregelen voortvloeiende uit de Wet Uitvoering Burgerlijke Uitzonderingstoestand, welke omstreeks juni 2020 in werking is getreden, waarbij het dragen van een mond- en neusbedekking c.q. mondkapje voor burgers van Suriname verplicht is gesteld om verspreiding van Covid-19 tegen te gaan, opschort totdat deze middels een definitieve voorziening zal zijn opgeheven;

Subsidiair:

  • De gedaagde veroordeelt om naast het aanbevelen van mondkapjes de bevolking omstandig te informeren over het bestaan van wetenschappelijk bewijs dat mondkapjes medisch niet effectief zijn en dat zij in tegendeel zelfs schadelijk zijn voor de gezondheid,

In de onderhavige zaak daarentegen heeft de vordering, zoals dat uit de stellingen van [eiser] valt af te leiden, geen betrekking op de zgn. Mohana-regels, doch op de maatregelen zoals hiervoor onder 4.2 is weergeven. De kantonrechter komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot het oordeel dat in het onderhavige geval van misbruik van procesrecht c.q. schending van het ne-bis-in-idem beginsel geenszins sprake is, zodat de Staat niet slaagt in het door hem opgeworpen formeel verweer. Mitsdien wordt het formeel verweer verworpen. De slotsom is, dat [eiser] wel ontvankelijk is in het gevorderde. Nu gebleken is, dat de vordering van [eiser] in de zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 21-0733 betrekking had op opschorting van de zgn. Mohanaregels en de kantonrechter reeds inhoudelijk hierover heeft geoordeeld, zal de kantonrechter dit onderdeel niet meenemen bij de beoordeling van de onderhavige zaak.  

De wettelijke grondslag van de nog van kracht zijnde maatregelen

4.8       De kantonrechter kan [eiser] niet volgen in zijn stelling dat de maatregelen geen valide grondslag hebben, omdat deze zoals de Staat terecht opwerpt een wettelijke grondslag hebben. In dat licht voert de Staat gemotiveerd aan dat hij vanwege de covid-19 pandemie ingevolge artikel 23 juncto 72 van de Grondwet (GW), ertoe is overgegaan tot het maken en afkondigen van de WUBU en het uitvoeringsbesluit om de hoge besmettingsgraad van corona (hierna te lezen als covid-19) tegen te gaan en de samenleving te beschermen. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van [eiser]. Daarbij neemt de kantonrechter  ook het hierna volgende in overweging. Uit de Memorie van Toelichting van de Wet Uitzonderingstoestand COVID-19 en WUBU valt af te leiden dat de Staat bij de totstandkoming van het besluitvormingsproces van de te treffen maatregelen, is uitgegaan van het aantal covid-19 besmettingen, de ter zake door de WHO gegeven richtlijnen heeft gevolgd en adviezen hierover heeft ingewonnen bij een team van deskundigen die deel uitmaken van het Outbreak Management Team in het kader van de strijd tegen covid-19. In het licht van het bovenstaande benadrukt de kantonrechter dat Suriname lid is van de WHO. Deze internationale gezondheidsorganisatie heeft wereldwijd de taak haar lidstaten te assisteren bij het bestrijden van infectieziekten en doet dat in het bijzonder op basis van de Internationale Gezondheidsregeling (IGR) welke is gebaseerd op het Statuut van de WHO van1946. De IGR bevat, zoals de Staat terecht opwerpt, regels voor landen inzake het beheersen en bestrijden van grensoverschrijdende infectieziekten en andere ernstige gezondheidsincidenten. Op basis van deze aan haar toekomende bevoegdheid heeft de WHO op 11 maart 2020 Covid-19 bestempeld als een pandemie en heeft haar lidstaten opgeroepen maatregelen te treffen om verspreiding van Covid-19 tegen te gaan. Op basis van de IGR kan de WHO speciale maatregelen treffen, omdat de Covid-19 een internationale noodsituatie vormt. In dergelijke noodsituaties waarbij de gezondheid van de totale bevolking c.q. de volksgezondheid in gevaar is en de Staat snel dient te handelen en besluiten om dat gevaar af te wentelen, dient de kantonrechter zich zeer terughoudend op te stellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de Staat. Immers heeft de Staat een grote mate van beleidsvrijheid bij het nemen van maatregelen in een acute crisis, hetgeen zich thans voordoet vanwege de Covid-19 pandemie.

Het wetenschappelijk bewijs over de effectiviteit van de nog van kracht zijnde maatregelen, in het bijzonder de lockdown maatregelen

4.9       [eiser] beroept zich ter staving van zijn stelling dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat de lockdownmaatregelen effectief zijn in het tegengaan van de verspreiding van Covid-19 c.q. het verminderen van het aantal Covid-19 “positieven” en “doden”, op de visies die diverse wetenschappers/deskundigen hierover geven in onder andere de volgende wetenschappelijke publicaties en literatuur:

1) een rapport van het Noorse Instituut voor Volksgezondheid (Folkehelseinstituttet), gepubliceerd op 05 mei 2020;

2) een rapport van investeringsbank J.P. Morgan, gepubliceerd op 20 mei 2020, samengesteld door Dr. Marko Kolanovic PhD, een opgeleid natuurkundige en “strategist” voor J.P. Morgan;

3) een studierapport getiteld “Assessing mandatory stay-at-home and business closure effects on the spread of COVID-19”, gepubliceerd op 05 januari 2021, in welk studierapport Professor John P.A. Ioannidis zijn wetenschappelijke visie hierover geeft;

4) een publicatie van Mises Institute op 04 mei 2021 getiteld “Why is There no

Correlation between Masks, Lockdowns, and Covid Suppression?”.

4.10     De Staat daarentegen betoogt dat uit verschillende recentelijke wetenschappelijke publicaties blijkt dat de lockdown strategie behoort tot één van de public healt interventies bij uitbraken van infectieziekten en deze maatregel of modificaties hiervan, vergezeld met andere public health interventies, met succes zijn toegepast in verschillende landen om de besmettingsgraden af te remmen. Ter staving van dit betoog, beroept de Staat zich op de fotokopie van een tweetal wetenschappelijke publicaties die hij ten processe heeft overgelegd, te weten de publicatie van:

1) Ayouni e.a. d.d. 29 mei 2021 getiteld “Effective public heatlh measures to mititgate the spread of COVID-19: a systematic review”;

2) Maria Pachetti e.a. d.d. 2 september 2020, getiteld: “Impact of lockdown on Covid-19 case fatality rate and viral mutations spread in 7 countries in Europe and North America”.

4.11     De kantonrechter constateert dat [eiser] in de onderhavige zaak een wetenschappelijke strijd voert met de Staat over het al dan niet effectief en gerechtvaardigd zijn van de lockdownmaatregelen. Daar het kort geding zich niet leent voor een wetenschappelijke strijd of de door de Staat nog te handhaven lockdown maatregelen al dan niet de juiste zijn voor het tegengaan of verminderen van Covid-19 besmettingen, gaat de kantonrechter voorbij aan deze wetenschappelijke strijd. Waarover de kantonrechter dient te oordelen is de beantwoording van de vraag welke schade [eiser] zelf ondervindt als gevolg van de nog van kracht zijnde lockdownmaatregelen, en of het gerechtvaardigd is om in het geval van [eiser] de nog van kracht zijnde lockdownmaatregelen te laten voortduren, waarbij van belang is de wijze van totstandkoming van het besluitvormingsproces over het voortduren van de lockdownmaatregelen. De kantonrechter constateert dat [eiser] stelt dat de maatregelen enorme financiële-, immateriële- en gezondheidsschade aanricht onder de bevolking, doch heeft [eiser] nagelaten te stellen welke schade hij zelf hiervan ondervindt. Zoals reeds hiervoor onder 4.3 is overwogen zijn [eiser] en de Staat de procespartijen in de onderhavige zaak. De bevolking daarentegen is geen procespartij in de onderhavige zaak. De kantonrechter komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen niet toe aan de beoordeling van de vraag of de nog van kracht zijnde lockdownmaatregelen rechtvaardig zijn jegens [eiser], zodat het gevorderde als niet voldoende gesteld zal worden geweigerd. Dit, omdat het resultaat van deze nog van kracht zijnde maatregelen in verband met de strijd tegen het aantal covid-19 besmettingen in Suriname, afgezet dient te worden tegen de schade die [eiser] mogelijk als gevolg van deze maatregelen lijdt.

            Overige stellingen en weren

4.12     De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen, die het karakter van een wetenschappelijke strijd dragen, niet relevant en overbodig. Dit, omdat die tot geen andere uitkomst zullen leiden.

            Proceskosten

4.13     [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

            De kantonrechter in kort geding:

5.1       Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2       Veroordeelt [eiser] in de proceskosten die aan de zijde van de Staat zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 02 juli 2021 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-7

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1861

28 juni 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

 [eiseres],

wonend in [district],

eiseres,

gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE,

in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,

gedaagde,

gemachtigden: mr. D. Bhagwandien en mr. R. Sitaram, wnd. Substituut Officieren van Justitie.

  1. Het procesverloop

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 24 juni 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 25 juni 2021 met het verzoek tot wijziging van het petitum onder 1 en wel dat in plaats van “binnen 1 (één) na vonnis” wordt gelezen “binnen 1 (één) dag na vonnis” welk verzoek de kantonrechter heeft toegewezen;
  •  de conclusie van antwoord met producties d.d. 25 juni 2021;
  •  de mondelinge uitlating producties zijdens eiseres.

1.2       De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.  

  1. De feiten

Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast.

2.1       Eiseres is op 12 mei 2021 aangehouden en in verzekering gesteld en ingesloten in het cellenhuis verbonden aan het Politiestation te Geyersvlijt, voor het overtreden van de artikelen 188, 278 leden 1 en 2; 278 leden 1 en 2 jo 72; 386 jo 72 en 386 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht; overtreding van de artikelen 2 en 3 van de Wet Tegengaan Smokkelen, artikelen 44 en 45 van de Wet Bosbeheer en artikelen 1 en 7 van de Houtuitvoerwet; artikelen 4 en 7 van de Wet Uitvoerrecht op Hout jo artikel 1 lid 1 sub 20, 24, 25 en 26 en artikelen 2, 3, en 4 van de Wet Economische Delicten.

2.2       Het Openbaar Ministerie heeft een bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling van eiseres met dertig dagen uitgevaardigd, met als laatste dag 17 juni 2021.

2.3       De Rechter-Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten heeft bij beschikking inzake bewaring van 16 juni 2021 de bewaring van eiseres bevolen voor de tijd van dertig dagen ingaande 18 juni 2021.

2.4       Op 22 juni 2021 heeft eiseres geweigerd voor ontvangst te tekenen van de beschikking inzake bewaring ingaande 18 juni 2021 afkomstig van de rechter-commissaris.

2.5       In artikel 55 van het Wetboek van Strafvordering, Sv, is als volgt bepaald:

  1. De rechter-commissaris kan, zolang het onderzoek der zaak op de terechtzit­ting in eerste aanleg nog niet is aange­vangen, op de vordering van de vervolgings­ambtenaar een bevel tot bewaring van de verdachte verlenen.
  2. Indien de rechter-commissaris reeds aanstonds van oordeel is dat voor het verlenen van zodanig bevel geen termen aanwezig zijn, wijst hij de vordering af.
  3. In het andere geval hoort hij, tenzij het voorafgaand verhoor van de verdachte niet kan worden afgewacht, alvorens te beslissen, deze omtrent de vordering van de vervolgingsamb­tenaar en kan hij te dien einde, zonodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten.
  4. De verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. Artikel 16, laatste lid, is van toepassing.
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1       Eiseres vordert na eiswijziging – kort gezegd – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis gedaagde veroordeelt:

  1. om haar binnen een dag na vonnis dan wel binnen een in goede justitie te bepalen termijn lijfelijk in vrijheid te stellen;
  2. haar bij wege van dwangsom het bedrag van SRD 100.000, – te betalen voor elk uur dat gedaagde in strijd handelt met het gevorderde onder A.

Voorts is veroordeling van gedaagde in de proceskosten gevorderd.

3.2       Eiseres legt – kort gezegd – aan haar vordering ten grondslag dat zij onrechtmatig is ingesloten en het Openbaar Ministerie, hierna het OM, aldus onrechtmatig jegens haar handelt. Het OM heeft niet tijdig op de door de wet voorgeschreven wijze een bevel van bewaring aan eiseres betekend. De rechter-commissaris heeft op 16 juni een vordering tot bewaring van eiseres in behandeling genomen, waarop de gemachtigde van eiseres heeft gereageerd. Eiseres heeft hierna niets meer vernomen. Een verzoek ex artikel 61 Sv tot opheffing van de voorlopige hechtenis kan eiseres niet tot het Hof richten, omdat in haar geval geen sprake is van een rechtmatige bewaring. Het Openbaar Ministerie handelt in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

3.3       Gedaagde voert verweer. Naast de feiten als hiervoor in randnummers 2.1 tot en met 2.3 vermeld voert gedaagde aan dat de rechter-commissaris door de thans heersende Covid-19 pandemie eiseres noch in persoon noch telefonisch heeft gehoord. De wettelijke grondslag van de voorlopige hechtenis van eiseres ligt besloten in het bevel van bewaring bij beschikking van de rechter-commissaris. De bewaring van eiseres is volgens de beschikking ingegaan op 18 juni 2021 en de beschikking is, door overmacht ontstaan aan de zijde van het OM, op 22 juni 2021 aan eiseres uitgereikt.

  1. De beoordeling

4.1       De spoedeisendheid blijkt uit de aard van de vordering, zodat eiseres zal worden ontvangen in het kort geding.

4.2      De kantonrechter overweegt allereerst als volgt.

In de eerste overwegingen in de bewaringsbeschikking verwijst de rechter-commissaris naar de richtlijnen en maatregelen in verband met de verspreiding van het SARS-COV-2/COVID-19 virus. De kantonrechter oordeelt dat de rechter-commissaris in overeenstemming met de bekendmaking HVJ-69 van 31 mei 2021 op www.rechtspraak.sr – over aanpassingen in de strafrechtspleging en uitgevaardigd door het Hof van Justitie – heeft overwogen dat het verhoor van eiseres noch fysiek noch telefonisch kan plaatsvinden. Over de richtlijnen en maatregelen in verband met het SARS-COV-2/COVID-19 virus merkt de kantonrechter – voor zover van belang – op dat het Hof geen mogelijkheid heeft om anders daarover te oordelen en te handelen dan tot nog toe uit zijn bekendmakingen blijkt. In dit geval ligt het op de weg van de wetgever om hier eventueel in te voorzien.

4.3       Gedaagde beroept zich op artikel 68 Sv, specifiek lid 5, waarin is bepaald: “Het [bevel] wordt voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte betekend.” Ook sluit gedaagde aan bij artikel 78 lid 5 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, WvSv, dat een eenduidige bepaling bevat. De toelichting bij het artikel in ‘Tekst en Commentaar Strafvordering’ van C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, 2003 voert gedaagde mede aan ter onderbouwing van haar verweer. Die toelichting luidt: “Indien het bevel niet overeenkomstig het vijfde lid vóór of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte is betekend, hoeft dit verzuim niet aan de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging in de weg te staan.” Gedaagde verwijst ook naar de daar genoemde rechtspraak, te weten HR 28 mei 1982, NJ 1982, 490 en HR 3 mei 1988, NJ 1989, 187.

4.3.1    Over de zinsnede “bij de tenuitvoerlegging”, overweegt de kantonrechter als volgt. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 1991 over het begin en einde van een bevel bewaring oordeelt hij dat het bevel ingaat op het moment van tenuitvoerlegging en de tenuitvoerlegging gaat in bij het begin van de vrijheidsbeneming dan wel bij beëindiging van de lopende vrijheidsbeneming in dezelfde zaak. De verlenging inverzekeringstelling van eiseres is ex artikel 50 lid 1 Sv op 19 mei 2021 ingegaan. Dit betekent dat de verlenging inverzekeringstelling afliep op 18 juni 2021. De inbewaringstelling is op 18 juni 2021 ingegaan, zie HR 22 oktober 1991, NJ 1992, 232 en ECLI:NL:GHSHE:2017:5973. De tenuitvoerlegging begint op het tijdstip waarop de termijn van de (verlenging) inverzekeringstelling afloopt, volgens ‘Tekst en Commentaar Strafvordering’ van C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, 2003, artikel 64 WvSv, onder 2. ‘Ingang bewaring’. De stelling van eiseres is juist dat alle dwangmiddelen naadloos moeten aansluiten op een voorgaand bevel, wat in casu aldus het geval is.

4.3.2    Uit recentere rechtspraak blijkt eveneens dat een bevel dat niet voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte is betekend, geen onrechtmatigheid van de voorlopige hechtenis tot gevolg heeft, ECLI:NL:GHSHE:2017:5973. In bedoeld arrest overweegt het Hof: “De officier van justitie is belast met de tenuitvoerlegging van het bevel bewaring en tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald vangt de tenuitvoerlegging aan op het moment dat de inverzekeringstelling afloopt (ECLI:NL:HR:1991:ZC8864).” Het verweer van gedaagde snijdt hout.

4.4       Anders dan eiseres meent, is in artikel 69 Sv de opheffing van een bevel tot voorlopige hechtenis geregeld wat in casu geen toepassing vindt. De kantonrechter merkt in dit verband op dat interpretatievrijheid bij dwangmiddelen het kleinst is. De rechter dient zich zeer strikt aan de bewoordingen van de wet te houden, zie G.J.M. Corstens, zesde druk, 2008.

4.5       Uit het voorgaande is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat sprake is van een onrechtmatige voorlopige hechtenis van eiseres. Het OM en de rechter-commissaris hebben met in achtneming van het sterk wetsgebonden karakter van de in het strafprocesrecht bepaalde termijnen de voorlopige hechtenis van eiseres respectievelijk gevorderd en bevolen. Dat brengt met zich dat voorshands oordelend onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het Openbaar Ministerie eiseres onrechtmatig vasthoudt, omdat zij niet tijdig zou zijn voorzien van een bevel tot bewaring.

4.6       Tot slot en voor zover nog van belang merkt de kantonrechter op dat uit voorgaande overwegingen voortvloeit dat anders dan eiseres heeft gesteld, een verzoek ex artikel 61 Sv voor haar openstond.

4.7       De kantonrechter komt op grond van het al voorgaande niet meer toe aan een beoordeling van de overmacht waarop gedaagde zich beroept.

4.8       Slotsom is dat het gevorderde zal worden afgewezen.

4.9       Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

            De kantonrechter in kort geding:           

5.1       Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2       Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 28 juni 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2021-6

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-1824

28 juni 2021

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

 [eiser],

wonend in [district],

eiser,

gemachtigde: mr. C. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE,

in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,

gedaagde,

gemachtigden: mr. D. Bhagwandien en mr. R. Sitaram, wnd. Substituut Officieren van Justitie.

  1. Het procesverloop

1.1       Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  •  het inleidend verzoekschrift dat met producties op 23 juni 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 juni 2021;
  • de conclusie van antwoord met producties d.d. 24 juni 2021;
  • de mondelinge uitlating producties zijdens eiser;
  • de gehouden comparitie van partijen.

1.2       De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast.

2.1       Eiser is op 13 mei 2021 aangehouden en in verzekering gesteld en ingesloten in het cellenhuis verbonden aan het Politiestation te Leiding 9, voor het overtreden van de artikelen 188, 188 jo 67; 278 leden 1 en 2; 278 leden 1 en 2 jo 72; 278 leden 1 en 2 jo 73; 278 leden 1 en 2 jo 67; 278 leden 1 en 2 jo 72 jo 67; 278 leden 1 en 2 jo 73 jo 67; 386; 386 JO 72; 386 jo 70 jo 73; 386 jo 70 jo 67; 386 jo 70 jo 72 jo 67; 386 jo 70 jo 73 jo 67 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht; overtreding van de artikelen 2 en 3 van de Wet Tegengaan Smokkelen, artikelen 44 en 45 van de Wet Bosbeheer en artikelen 1 en 7 van de Houtuitvoerwet; artikelen 4 en 7 van de Wet Uitvoerrecht op Hout jo artikel 1 lid 1 sub 20, 24, 25 en 26 en artikelen 2, 3, en 4 van de Wet Economische Delicten.

2.2       Op 17 mei 2021 heeft het Openbaar Ministerie een bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling met dertig dagen uitgevaardigd ingaande 20 mei 2021. Overweging is dat de omstandigheden die tot het uitvaardigen van voormeld bevel hebben geleid nog steeds bestaan en daarmee de dringende noodzakelijkheid tot verlenging daarvan.

2.3       De Rechter-Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten heeft bij beschikking inzake bewaring van 16 juni 2021 de bewaring van eiser bevolen voor de tijd van dertig dagen ingaande 19 juni 2021.

2.4       Op 22 juni 2021 heeft eiser geweigerd voor ontvangst te tekenen van de beschikking inzake bewaring ingaande 19 juni 2021 afkomstig van de rechter-commissaris.

2.5       In artikel 55 van het Wetboek van Strafvordering, Sv, is als volgt bepaald:

  1. De rechter-commissaris kan, zolang het onderzoek der zaak op de terechtzit­ting in eerste aanleg nog niet is aange­vangen, op de vordering van de vervolgings­ambtenaar een bevel tot bewaring van de verdachte verlenen.
  2. Indien de rechter-commissaris reeds aanstonds van oordeel is dat voor het verlenen van zodanig bevel geen termen aanwezig zijn, wijst hij de vordering af.
  3. In het andere geval hoort hij, tenzij het voorafgaand verhoor van de verdachte niet kan worden afgewacht, alvorens te beslissen, deze omtrent de vordering van de vervolgingsamb­tenaar en kan hij te dien einde, zonodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten.
  4. De verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. Artikel 16, laatste lid, is van toepassing.

 

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1       Eiser vordert – kort gezegd – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis gedaagde veroordeelt:

  1. om hem binnen een uur na vonnis dan wel binnen een in goede justitie te bepalen termijn lijfelijk in vrijheid te stellen;
  2. hem bij wege van dwangsom het bedrag van SRD 100.000, – te betalen voor elk uur dat gedaagde in strijd handelt met het gevorderde onder 1.

Voorts is veroordeling van gedaagde in de proceskosten gevorderd.

3.2       Eiser legt – kort gezegd – aan zijn vordering ten grondslag dat hij onrechtmatig is ingesloten en het Openbaar Ministerie, hierna het OM, aldus onrechtmatig jegens hem handelt. Het OM heeft niet tijdig op de door de wet voorgeschreven wijze een bevel van bewaring aan eiser betekend. De rechter-commissaris heeft op 16 juni een vordering tot bewaring van eiser in behandeling genomen, waarop de gemachtigde van eiser heeft gereageerd. Eiser heeft hierna niets meer vernomen. Een verzoek ex artikel 61 Sv tot opheffing van de voorlopige hechtenis kan eiser niet tot het Hof richten, omdat in zijn geval geen sprake is van een rechtmatige bewaring. Het Openbaar Ministerie handelt in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Het uitblijven van het bevel doet sprake zijn van detournement de pouvoir zijdens het OM.

3.3       Gedaagde voert verweer. Naast de feiten als hiervoor in randnummers 2.1 tot en met 2.3 vermeld voert gedaagde aan dat de rechter-commissaris door de thans heersende Covid-19 pandemie eiser noch in persoon noch telefonisch heeft gehoord. De wettelijke grondslag van de voorlopige hechtenis van eiser ligt besloten in het bevel van bewaring bij beschikking van de rechter-commissaris. De bewaring van eiser is volgens de beschikking ingegaan op 19 juni 2021 en de beschikking is, door overmacht ontstaan aan de zijde van het OM, op 22 juni 2021 aan eiser uitgereikt.

  1. De beoordeling

4.1       De spoedeisendheid blijkt uit de aard van de vordering, zodat eiser zal worden ontvangen in het kort geding.

4.2      Het partijdebat ter zitting resulteert in een drietal vragen die in dit geding beantwoord moeten worden. Kort gezegd luiden de vragen 1. Is sprake van innerlijke tegenstrijdigheid in de beschikking van de rechter-commissaris?, 2. Leidt het moment van uitreiking van het bewaringsbevel tot een onrechtmatige voorlopige hechtenis van eiser? en 3. Is sprake van overmacht zijdens het OM door de zich voordoende logistieke problemen?.

4.2.1   Volgens eiser is de beschikking van de rechter-commissaris innerlijk tegenstrijdig, nu de zesde overweging van die beschikking, “Overwegende, dat geen termen aanwezig geacht worden tot het uitvaardigen van een bevel tot bewaring tegen de verdachte(n) voornoemd;” niet is doorgestreept, maar de tekst na “BESCHIKKENDE:” luidt: “Beveelt de bewaring van de verdachte(n) (…) 9. [naam 1] (…)” voornoemd voor de tijd van dertig dagen ingaande (…) 19.06.2021 (sub 7 t/m 9); (…) in een huis van bewaring in Suriname;”.

4.2.2   De kantonrechter overweegt dat onder de tekst “BESCHIKKENDE:”, de beslissing “Weigert het gevorderde bevel tot bewaring ten aanzien van de verdachte(n) voornoemd; en beveelt hun/zijn/haar onmiddellijke invrijheidstelling;” is doorgestreept. Van belang is daarbij dat ook acht wordt geslagen op de voorafgaande vierde en vijfde overweging van de rechter-commissaris en wel dat de rechter-commissaris kennis heeft genomen van de vordering tot (verlenging) bewaring en de overige door de vervolgingsambtenaar opgestuurde stukken, en dat de in de vordering genoemde feiten en omstandigheden aanleiding geven om het gevorderde bevel uit te vaardigen. Gelet op voorgaande berust de niet doorgestreepte overweging als hiervoor in randnummer 4.2.1 geciteerd op een kennelijke misslag. De kantonrechter leest de beschikking met verbetering van die misslag en wel met doorstreping van “Overwegende, dat geen termen aanwezig geacht worden tot het uitvaardigen van een bevel tot bewaring tegen de verdachte(n) voornoemd;”.

4.2.3   In de eerste overwegingen in de bewaringsbeschikking verwijst de rechter-commissaris naar de richtlijnen en maatregelen in verband met de verspreiding van het SARS-COV-2/COVID-19 virus. De kantonrechter oordeelt dat de rechter-commissaris in overeenstemming met de bekendmaking HVJ-69 van 31 mei 2021 op www.rechtspraak.sr – over aanpassingen in de strafrechtspleging en uitgevaardigd door het Hof van Justitie – heeft overwogen dat het verhoor van eiser noch fysiek noch telefonisch kan plaatsvinden. Dat het Hof in verband met de virus uitbraak als hiervoor aangehaald bekendmakingen via zijn website doet, is anders dan eiser stelt bij de Orde van Advocaten genoegzaam bekend.

4.3       Gedaagde beroept zich op artikel 68 Sv, specifiek lid 5, waarin is bepaald: “Het [bevel] wordt voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte betekend.” Ook sluit gedaagde aan bij artikel 78 lid 5 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, WvSv, dat een eenduidige bepaling bevat. De toelichting bij het artikel in ‘Tekst en Commentaar Strafvordering’ van C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, 2003 voert gedaagde mede aan ter onderbouwing van haar verweer. Die toelichting luidt: “Indien het bevel niet overeenkomstig het vijfde lid vóór of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte is betekend, hoeft dit verzuim niet aan de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging in de weg te staan.” Gedaagde verwijst ook naar de daar genoemde rechtspraak, te weten HR 28 mei 1982, NJ 1982, 490 en HR 3 mei 1988, NJ 1989, 187.

4.3.1    Over de zinsnede “bij de tenuitvoerlegging”, overweegt de kantonrechter als volgt. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 1991 over het begin en einde van een bevel bewaring oordeelt hij dat het bevel ingaat op het moment van tenuitvoerlegging en de tenuitvoerlegging gaat in bij het begin van de vrijheidsbeneming dan wel bij beëindiging van de lopende vrijheidsbeneming in dezelfde zaak. De verlenging inverzekeringstelling van eiser is ex artikel 50 lid 1 Sv op 20 mei 2021 ingegaan. Dit betekent dat de verlenging inverzekeringstelling afliep op 19 juni 2021. De inbewaringstelling is op 19 juni 2021 ingegaan, zie HR 22 oktober 1991, NJ 1992, 232 en ECLI:NL:GHSHE:2017:5973. De tenuitvoerlegging begint op het tijdstip waarop de termijn van de (verlenging) inverzekeringstelling afloopt, volgens ‘Tekst en Commentaar Strafvordering’ van C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, 2003, artikel 64 WvSv, onder 2. ‘Ingang bewaring’.

4.3.2    Uit recentere rechtspraak blijkt eveneens dat een bevel dat niet voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte is betekend, geen onrechtmatigheid van de voorlopige hechtenis tot gevolg heeft, ECLI:NL:GHSHE:2017:5973. In bedoeld arrest overweegt het Hof: “De officier van justitie is belast met de tenuitvoerlegging van het bevel bewaring en tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald vangt de tenuitvoerlegging aan op het moment dat de inverzekeringstelling afloopt (ECLI:NL:HR:1991:ZC8864).” Het verweer van gedaagde snijdt hout.

4.4       Anders dan eiser meent, is in artikel 69 Sv de opheffing van een bevel tot voorlopige hechtenis geregeld wat in casu geen toepassing vindt. De kantonrechter merkt in dit verband op dat interpretatievrijheid bij dwangmiddelen het kleinst is. De rechter dient zich zeer strikt aan de bewoordingen van de wet te houden, zie G.J.M. Corstens, zesde druk, 2008.

4.5       Uit de inhoud van bijlage II blijkt niet van een aan eiser betekend bevel van bewaring, waar hij kennelijk van uitgaat, maar van een rapport opgemaakt door de inspecteur van politie, [naam 2], dat gericht is aan de Procureur-Generaal. Het rapport is een relaas van feiten die verband houden met de betekening van beschikkingen inzake bewaring van onder anderen eiser. De stelling van eiser dat het document niet voldoet aan de vereisten van artikel 415 Sv gaat dan ook niet op.

4.6       Eiser beroept zich voorts op de Grondwet, GW, hoofdstuk V, kennelijk de artikelen 10 tot en met 12. Nu eiser zijn verwijzing naar de Grondwet niet nader heeft onderbouwd, merkt de kantontonrechter slechts op als volgt. Allereerst blijkt voldoende uit de processtukken dat eiser bijstand heeft van een gemachtigde, artikel 12 lid 1. Voor zover de stelling van eiser is gericht op de artikelen 10 en 11 – specifiek de openbare behandeling van zijn klacht, geeft de behandeling van de onderhavige zaak voldoende blijk dat eiser daarin niet is beperkt, nu hij via zijn gemachtigde zijn stellingen heeft kunnen voorbrengen. Over de richtlijnen en maatregelen in verband met het SARS-COV-2/COVID-19 virus merkt de kantonrechter – voor zover van belang – op dat het Hof geen mogelijkheid heeft om anders daarover te oordelen en te handelen dan tot nog toe uit zijn bekendmakingen blijkt. In dit geval ligt het op de weg van de wetgever om hier eventueel in te voorzien.

4.7       Uit het voorgaande is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat sprake is van een onrechtmatige voorlopige hechtenis van eiser. Het OM en de rechter-commissaris hebben met in achtneming van het sterk wetsgebonden karakter van de in het strafprocesrecht bepaalde termijnen de voorlopige hechtenis van eiser respectievelijk gevorderd en bevolen. Dat brengt met zich dat voorshands oordelend onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Ook is onvoldoende aannemelijk dat sprake zou zijn van het uitblijven van het bewaringsbevel inzake eiser.

4.8       Tot slot en voor zover nog van belang merkt de kantonrechter op dat uit voorgaande overwegingen voortvloeit dat anders dan eiser heeft gesteld, een verzoek ex artikel 61 Sv voor hem openstond.

4.9       De kantonrechter komt op grond van het al voorgaande niet meer toe aan een beoordeling van de overmacht waarop gedaagde zich beroept.

4.10     Slotsom is dat het gevorderde zal worden afgewezen.

4.11     Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

            De kantonrechter in kort geding:        

5.1       Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2       Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 28 juni 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-63

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON 
A.R. No. 20-4000 
22 december 2020 

Vonnis in kort geding in de zaak van: 
A.[eiser sub A],
B.[eiser sub  B],
wonende aan de [adres 1 ]te [district 1], 
C.[eiseres sub C] ,
wonende aan de [adres 2]  in het [district 2], 
D. STICHTING UBA REAL ESTATE,
gevestigd aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 24 te Paramaribo, 
eisers, 
gemachtigde: mr. M.D.Lau-Kerssenberg, advocaat, 

tegen 

AMAZONE GOLD N.V., 
gevestigd en kantoorhoudende aan de Jodenbreestraat no. 38-40 boven te Paramaribo, 
gedaagde,  
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.  

 1.Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen: 

  •  het verzoekschrift dat met de producties op 14 december 2020op de griffie der kantongerechten is ingediend; 
  • de akte van rectificatie van het verzoekschrift d.d. 16 december 2020; 
  • de conclusie van eis die is genomen op 16 december 2020; 
  •  de conclusie van antwoord, met een productie; 
  • de conclusie tot uitlating over de productie. 

 1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.  

 2.De feiten

2.1  Blijkens een schuldbekentenis d.d. 15 december 2014 die eiseres sub C namens Qurominas NV, hierna te noemen Qurominas, heeft getekend, was Qurominas op 04/12/ 2014 een bedrag ad USS 1.540.568,- aan gedaagde verschuldigd, welke schuld Qurominas tezamen met een rente ad US$ 10.000,- per jaar op uiterlijk 03 december 2015 volledig diende af te lossen.  
2.2  Op 15 december 2015 hebben eisers sub A en B, als zekerheid tot betaling van al hetgeen Qurominas krachtens de schuldbekentenis van 15 december 2014 aan gedaagde verschuldigd mocht zijn, een hypotheek gevestigd op het perceelland aan de [adres 3] te [district 1] met alle opstallen en inboedel, hierna aangeduid als het onroerend goed. Ten tijde van het vestigen van de hypotheek, behoorde het perceelland in eigendom toe aan eisers sub A en B.  
2.3 Op 11 mei 2015 is het onroerend goed door eisers sub A en B verkocht en in eigendom overgedragen aan eiseres sub D.  
2.4 Op 20 december 2017 heeft eiseres sub C namens Qurominas een schuldbekentenis getekend waarin is vastgesteld het bedrag dat Qurominas aan gedaagde verschuldigd is, zijnde een bedrag van US$ 4.132.126,55 over de periode 01/01/2018 tot en met 31/12/2018 en een rente ad 8% per jaar.  
2.5 Bij exploot van deurwaarder S.W. Niekoop d.d. 06 november 2020 is de openbare verkoop van het onroerend goed aan eisers aangezegd. De openbare verkoop van het onroerend goed zal op 22 december 2020 om 10.00 uur des voormiddag ten kantore van de notaris mr. D. Alexander of mr. M. Boetius-Cadogan of diens plaatsvervanger aan de Prins Hendrikstraat no. 32 te Paramaribo plaatsvinden. 

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de stopzetting van de openbare verkoop van het onroerend goed gelast, totdat in bodemprocedure is beslist. 
3.2 Eisers leggen aan het gevorderde ten grondslag dat gedaagde misbruik maakt van het recht van parate executie. Daartoe voeren zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan: 

  • zij hebben met gedaagde een overeenkomst gesloten, krachtens welke overeenkomst zij goud voor gedaagde opkopen en leveren aan gedaagde voor de export waartegenover staat dat gedaagde hen voor de levering van het goud financieel vergoedt; 
  • gedaagde heeft op 04 januari 2018, zonder hun toestemming en zonder hun hiervoor financieel te hebben vergoed, 11 kilogram goud dat ze hebben geleverd ingehouden; 
  • deze inhouding kan worden aangemerkt als een verrekening van de schuld; 
  • zij zijn vanwege deze verrekening het door gedaagde  opgegeven  verschuldigde  bedrag ad US$ 5.999.329,- niet verschuldigd en zijn bereid om de schuld met gedaagde te herschikken. 

 3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.  

 4. De beoordeling

Spoedeisend belang 
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen en het gevorderde van eisers. Om die reden zijn zij in het kort geding ontvangen.  

Akte van rectificatie 
4.2 Eisers hebben akte van rectificatie van een klein aantal punten van het verzoekschrift gevorderd. Daar de rectificatie als niet noemenswaardig valt aan te merken en het tijdig aan gedaagde is betekend om tijdig verweer te kunnen voeren, zal de kantonrechter de akte van rectificatie toestaan.  

Niet ontvankelijkheidsverweer 
4.3 Gedaagde voert als formeel verweer dat eisers sub A tot en met C niet ontvankelijk moeten worden verklaard in het gevorderde, omdat zij geen partij zijn bij de overeenkomst ter zake de goud op- en verkoop tussen Qurominas en de daaraan gekoppelde schuldbekentenissen die Qurominas als schuldenaar en gedaagde als schuldeiser hebben getekend.  
4.4  De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde slaagt in het door haar opgeworpen formeel verweer, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen.  
Uit de inhoud van de ten processe door eisers overgelegde schuldbekentenissen blijkt dat eiseres sub C namens Qurominas de schuldbekentenissen heeft getekend. Dit leidt tot de slotsom dat eisers niet de schuldenaren van gedaagde zijn. Tevens kan uit de ten processe overgelegde producties worden afgeleid dat eisers sub A en B, die geen partij zijn bij de overeenkomst en schuldbekentenissen en als derden dienen te worden aangemerkt, als zekerheid tot betaling van de schuld van de schuldenaar “Qurominas” een hypotheek hebben gevestigd op het onroerend goed dat toentertijd aan hun in eigendom toebehoorde. Zoals uit de feiten blijkt, hebben zij dit onroerend goed na het vestigen van de hypotheek daarop aan eiseres sub D verkocht en overgedragen, zodat zij naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen belang hebben bij de onderhavige vordering.  
Zij stellen wel als belang dat hun bedrijf vanwege de veiling ten onder zal gaan, doch hebben zij dit niet middels feiten en bescheiden aannemelijk gemaakt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, dat eisers sub A tot en met C niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in de gevorderde voorziening.   

Derdenhypotheek 
4.5 Zoals reeds hiervoor onder 4.4 is overwogen is Qurominas de schuldenaar van gedaagde en hebben eisers sub A en B als derden tot zekerheid voor de betaling van de schuld van Qurominas een hypotheek gevestigd op het toen aan hun in eigendom toebehorend onroerend goed dat zij vervolgens hebben verkocht en overgedragen aan eiseres sub D. Het juridisch gevolg hiervan is dat het hypotheek vanwege de nog bestaande schuld tussen Qurominas en gedaagde is blijven rusten op het onroerend goed. Deze feiten leiden tot de slotsom dat in casu sprake is van een derdenhypotheek, hetgeen met zich meebrengt dat de schuldeiser, zijnde gedaagde, het onroerend goed kan uitwinnen tot verhaal van hetgeen zij van de schuldenaar, zijnde Qurominas, te vorderen heeft. Dit brengt ook met zich mee dat de onderzetter of de nieuwe eigenaar, zijnde eiseres sub D, heeft te dulden dat de schuldeiser mag overgaan tot de exucutie van het onroerend goed indien de schuldenaar niet voldoet aan zijn/haar betalingsverplichting jegens de schuldeiser.  

Recht van parate executie 
4.6 Aangenomen mag worden, dat de schuldenaar – die niet in het onderhavige proces is betrokken – niet heeft voldaan aan diens plicht tot betaling van de schuld aan gedaagde zodat gedaagde ingevolge artikel 1207 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (BW) bevoegd is om tot de openbare verkoop van het onroerend goed over te gaan. Tegen deze veiling mag eiseres sub D als derde bezitter zich ingevolge artikel 1228 BW verzetten, indien zij één of meer onroerende goederen kan aanwijzen die eigendom zijn van de schuldenaar, die mede ten behoeve van de schuldeiser hypothecair zijn verbonden en die voldoende verhaal bieden. Het bovenstaande heeft eiseres sub D niet gesteld en evenmin is dat uit de feiten gebleken, zodat het beroep op misbruik van het recht van parate executie niet opgaat en er dus geen grond is tot stopzetting van de veiling. Om die reden zal het gevorderde als ongegrond worden geweigerd.  
Eiseres sub D stelt wel dat zij bereid is tot een herschikking van de schuld met gedaagde te komen, doch komt haar die bevoegdheid niet toe. Dit, omdat zij geen partij is bij de overeenkomst tussen Qurominas en gedaagde.  

Overige stellingen en weren 
4.7 De overige stellingen en weren behoeven geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden. 

Proceskosten 
4.8 Eisers sub A tot en met C zullen, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld en eiseres sub D, zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.  

 5.De beslissing

De kantonrechter in kort geding: 
5.1 Staat toe de gevordere akte van rectificatie. 

Ten aanzien van eisers sub A tot en met C 
5.2 Verklaart eisers sub A tot en met C niet ontvankelijk in de gevorderde voorziening. 
5.3 Veroordeelt eisers sub A tot en met C als de niet ontvangen partij in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil. 

Ten aanzien van eiseres sub D 
5.4 Weigert de gevorderde voorziening.  
5.5 Veroordeelt eiseres sub D in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.  

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op dinsdag 22 december 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid 

 

 

SRU-HvJ-2020-48

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

In de zaak van 

[verzoekster]
wonende te [district],  
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”, 
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat, 

tegen 

DE STAAT SURINAME,  
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie, 
zetelende te Paramaribo, 
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”, 
gevolmachtigde: mr. M. Winter, substituut officier van justitie,  
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen juncto artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.  
Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis door het Hof van Justitie in deze zaak gewezen op 20 mei 2016. 

 1. Het verdere procesverloop 

1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit: 

  • het proces-verbaal van het op 21 oktober 2016 gehouden verhoor van partijen;  
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken d.d. 02 februari 2017, met producties, door de Staat overgelegd op 03 februari 2017; 
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoekster] d.d. 21 april 2017.  

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 november 2017, doch nader op heden. 

 2. De feiten

2.1 [verzoekster] is ambtenaar in dienst van het Ministerie van Defensie in de rang van kapitein. 
2.2 Bij order C-MP no. [nummer ] d.d. 25 januari 2011, afkomstig van de Commandant Militaire Politie, C.W. Li Fo Sjoe, is, onder meer, [verzoekster] te rekenen van 01 januari 2011 benoemd in de functie van Commandant Divisie 2. 
2.3 [verzoekster] heeft op 22 april 2014 een studieovereenkomst gesloten met de Staat ter zake van de opleiding ‘Professioneel leidinggeven’ van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMKB). 

Artikel 2 lid 2 van deze overeenkomst luidt als volgt: 
“Bij succesvolle afronding van de opleiding wordt de werknemer voorgedragen voor bevordering tot de naast hogere rang.”   [verzoekster] heeft voormelde opleiding succesvol afgerond op 11 november 2014. 

2.4 [verzoekster] heeft bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, R. Sontono, d.d. 29 april 2015, no. 757, een schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 12 april 2015 doen betekenen aan de Staat, ter attentie van de minister van Defensie. Dit schrijven luidt onder meer als volgt:  

 Excellentie, 
Tot mij heeft zich gewend mevr. [verzoekster], met het verzoek om haar bij te staan en haar belangen te behartigen terzake het navolgende. 
Mijn client is ambtenaar bij Uw Ministerie, met bovenstaand registratienummer. Zij bekleedt thans de functie van Kapitein. 
Echter is zij sinds 25 januari 2011 benoemd tot Commandant Divisie 2 
De bij deze functie behorende toelage cq het salaris, met verhogingen en emolumenten heeft zij nimmer ontvangen. 
Voorts heeft zij met goed gevolg afgelegd het examen ‘Professioneel leidinggeven’ en wel op 27 augustus 2014. 
Conform de met haar gesloten studieovereenkomst dd 22 april 2014 en wel artikel 2 punt 2, dient zij na het succesvol afleggen van de opleiding voorgedragen te worden voor de bevordering in de naast hogere rang. 
Client stelt, dat zulks ook niet is geschiedt [sic]. Zij wenst haar rechten effectief te maken. 
Alvorens het voorgaande gerechtelijk te addieren, heb ik gemeend U aan te schrijven met het verzoek het daarheen te leiden, opdat het voorgaande op meest korte termijn in orde gemaakt kan worden. 
Gelet op de belangen van client, verzoek ik U mij binnen een week te berichten. Anderzijds zal ik geen keus hebben, dan de zaak bij het Ambtenarengerecht te addieren. 
Vertrouwende erop, dat onnodig procederen voorkomen kan worden, verblijf ik en verneem gaarne van u. 

Op dit schrijven is geen reactie van de Staat gekomen. 

 3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer 

 3.1 [verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 
A. de Staat zal worden veroordeeld om binnen een week na vonnis (lees kennelijk: na de uitspraak) haar te bevorderen tot de naast hogere rang, volgende op de huidige rang c.q. functie en haar te vergoeden overeenkomstig de aan die rang c.q. functie verbonden vergoedingen, verhogingen en emolumenten; 
B. het gevorderde onder A zal worden toegestaan onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, voor elke dag dat de Staat weigert aan het vonnis te voldoen; 
C. de Staat zal worden veroordeeld om aan haar uit te keren de aan de rang c.q. functie van commandant Divisie 2 verbonden vergoeding en emolumenten en wel vanaf 01 januari 2011 tot de onder A gevorderde benoeming c.q. bevordering; 
D. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het proces en de kosten van de advocaat conform een door het hof vast te stellen vergoeding. 

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij het salaris, de verhogingen en de emolumenten behorende bij haar functie van commandant Divisie 2 vanaf 01 januari 2011 nog van de Staat moet ontvangen. 
Zij heeft tevens gesteld dat zij op grond van artikel 2 lid 2 van de studieovereenkomst dient te worden bevorderd tot de naast hogere rang, zijnde de rang na commandant Divisie 2.  
[verzoekster] heeft voorts gesteld dat zij genoodzaakt was de onderhavige vordering bij het hof in te stellen, nu op het schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 12 april 2015 geen reactie van de Staat is gekomen. 

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan. 

4. De beoordeling
4.1 Het hof volhardt in hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen. 

Bevoegdheid 
4.1 Vaststaat dat [verzoekster] militaire ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Wet rechtspositie militairen (WRM). Deze wet is dan ook op haar van toepassing. 
Blijkens artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 van de Personeelswet (Pw), zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. 
Het hof vat het in 3.1 onder A en B gevorderde op als een vordering zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, in casu het verder achterwege laten van de Staat om, kort gezegd, [verzoekster] te bevorderen tot de naast hogere rang onder toekenning van de aan deze rang verbonden vergoedingen, verhogingen en emolumenten. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw dan ook bevoegd kennis te nemen van dit deel van de vordering. 
De vorderingen vermeld in 3.1 onder C respectievelijk D tot betaling van het salaris en de emolumenten verbonden aan de functie van commandant Divisie 2 en van de advocaatkosten, worden beschouwd als vorderingen tot schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw. Het hof acht zich op grond van voormelde bepaling eveneens bevoegd kennis te nemen van dit deel van het gevorderde.  

Ontvankelijkheid 
4.2 Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] de onderhavige vordering te laat bij het hof heeft ingesteld, zodat zij daarin ontvankelijk is. 

Salaris en emolumenten verbonden aan de functie van commandant Divisie 2 
4.3.1 De Staat heeft betwist dat [verzoekster] is benoemd in de functie van commandant Divisie 2. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoekster] niet door het bevoegde gezag, zijnde de President van de Republiek Suriname (hierna: de President) bij resolutie in deze functie is benoemd. 
4.3.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 19 lid 1 WRM geschiedt benoeming van een militaire landsdienaar in een functie waaraan een hogere rang dan die bekleedt wordt, is verbonden, door het gezag dat bevoegd is tot bevordering, in de rang die verbonden is aan de betreffende functie. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat aan de functie van commandant Divisie 2 de rang van majoor is verbonden, zijnde een hogere rang dan kapitein. Blijkens artikel 26 WRM worden militaire landsdienaren door het tot aanstelling bevoegde gezag bevorderd. Uit artikel 10 WRM volgt dat de President bevoegd is tot de aanstelling van officieren, tot welke categorie een majoor behoort.  
Nu is komen vast te staat dat [verzoekster] niet door het bevoegde gezag is benoemd in de functie van commandant Divisie 2, zal het in 3.1 onder C worden afgewezen.   

Bevordering in de naast hogere rang 
4.4.1 Het hof begrijpt het in 3.1 onder A en B gevorderde, gelet op de stellingen van [verzoekster], aldus dat de Staat een dwangsom moet worden opgelegd voor het verder achterwege laten van haar bevordering tot de rang volgende op die verbonden aan de functie van commandant Divisie 2, aldus bevordering tot de rang volgende op die van majoor.  
Deze vordering is niet onderbouwd en zal derhalve worden afgewezen. 
4.4.2 De vraag rijst of, als het mindere van het gevorderde, wel kan worden toegewezen de bevordering van [verzoekster] tot de naast hogere rang, zijnde de rang van majoor. 
4.4.3 De Staat heeft betoogd dat de omstandigheid dat [verzoekster] tot op heden niet is voorgedragen voor bevordering tot de naast hogere rang niet aan hem is te wijten. Van enig onrechtmatig handelen jegens [verzoekster] is dan ook geen sprake, aldus de Staat. 
De Staat heeft, naar het hof begrijpt, daartoe aangevoerd dat voor bevordering van een militaire landsdienaar tot de naast hogere rang onder meer vereist is dat deze de relevante opleiding heeft genoten en een positieve beoordeling heeft gehad. Volgens de Staat kon [verzoekster] niet meteen na de succesvolle afronding van de vereiste opleiding op 11 november 2014 worden voorgedragen voor bevordering tot de naast hogere rang, omdat haar laatste beoordeling en wel die over het tijdvak 01 juli 2014 tot en met 31 december 2014, negatief is geweest. De Staat heeft voorts aangevoerd dat de dienst daarna niet meer in staat is geweest om [verzoekster] te beoordelen en haar eventueel alsnog voor te dragen voor bevordering, omdat zij wegens ziekte niet meer heeft gefunctioneerd binnen de dienst. Ook na haar horizontale mutatie naar de afdeling Staf Verzorgings Bataljon van het Nationaal Leger op 04 maart 2015 heeft [verzoekster] niet meer gefunctioneerd, aldus de Staat. 
4.4.4 [verzoekster] heeft in reactie op het verweer van de Staat gesteld dat majoor [naam] , onder wie zij vele jaren heeft gediend, haar positief heeft beoordeeld. Zij heeft ter zake hiervan getuigenbewijs aangeboden. [verzoekster] heeft voorts gesteld dat de Staat niet te goeder trouw handelt door alleen de laatste, negatieve, beoordeling te hanteren, die overigens slechts haar functioneren gedurende enkele maanden betreft, terwijl haar dossier positieve beoordelingen bevat.  
4.4.5 Het hof overweegt dat [verzoekster] de relevantie van de door haar gestelde positieve beoordelingen niet aannemelijk heeft gemaakt. [verzoekster] heeft immers niet gesteld dat deze beoordelingen zijn gegeven in het kader van haar mogelijke bevordering tot de rang van majoor. Het gedane bewijsaanbod zal daarom als niet ter zake dienend worden gepasseerd.  
Het hof overweegt voorts dat de dienst bewust is van hetgeen zijn belang vordert en dat zijn handelen tegen de achtergrond van dit dienstbelang moet worden bezien. In dit kader valt bijvoorbeeld te denken aan het gewicht dat de dienst toekent aan bepaalde competenties, zeker gelet op de rang waarin bevordering van een militaire landsdienaar wordt overwogen. Voorts valt te denken aan de door de dienst te geven beoordeling van een militaire landsdienaar aan wie het naar zijn mening in mindere of meerdere mate aan de gewenste competenties ontbreekt. Het is daarom niet aan het hof om in de beoordeling daarvan te treden. 
Hieruit volgt dat het oordeel van de dienst, dat de door hem gegeven laatste beoordeling van [verzoekster] in de weg staat van haar bevordering tot de naast hogere rang, in beginsel dient te worden gerespecteerd. Dat kan anders zijn indien andere motieven dan het functioneren van betrokkene tot een negatieve beoordeling hebben geleid. In dit geding is gesteld noch gebleken dat hiervan sprake is.  
Naar het oordeel van het hof is niet in rechte komen vast te staan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoekster]. 
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat ook niet toewijsbaar is de bevordering van [verzoekster] tot de rang van majoor. 
4.5 De mede gevorderde advocaatkosten zijn evenmin toewijsbaar, nu de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoekster]. 
4.6 Ook de gevorderde veroordeling in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld. 
4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking. 

5. De beslissing 

Het hof: 
Wijst de vordering af. 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 06 maart 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier. 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat  mr.I.S.Lalji, gemachtigde van verzoekster, terwijl verweerder noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.