Procesreglement civiel

 Procesreglement voor Civiele Zaken

bij de Kantongerechten in Suriname

vastgesteld tijdens de op 01 oktober 2015 gehouden algemene vergadering van het Hof van Justitie

 


Inleiding

Behoefte aan uniformiteit en transparantie bij het verrichten van proceshandelingen heeft het Hof van Justitie doen besluiten een procesreglement voor civiele zaken bij de Kantongerechten te ontwerpen.  Met het in uitvoering nemen van dit besluit anticipeert het Hof van Justitie op de inwerkingtreding van het Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.  In artikel 121a van het Ontwerp Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is immers bepaald dat het Hof van Justitie een procesreglement dient vast te stellen en volgens de Memorie van Toelichting op dit ontwerp dient het Hof van Justitie een procesreglement, dat ook op het hoger beroep betrekking heeft, na overleg met de advocatuur en de deurwaarders vast te stellen.

Een door het Hof van Justitie ingestelde werkgroep heeft het procesreglement ontwikkeld en over de tekst daarvan hebben de rechters verbonden aan het Hof van Justitie tijdens periodiek gehouden werkoverleg uitvoerig beraadslaagd.  De tekst is vervolgens voorgelegd aan de Raad van Bestuur van de Surinaamse Orde van Advocaten en het Bestuur van de Vereniging van Deurwaarders.  De voorliggende tekst vormt de neerslag van dat gezamenlijke beraad.

Het onderhavige procesreglement, dat is bedoeld voor zaken die dienen op de advocatenrol en op de deurwaardersrol alsook voor zaken in kort geding, zal in de vorm van een pilot in uitvoering worden genomen.  Na verloop van tijd zal een evaluatie worden gehouden en zal het procesreglement versterkt worden met uit de evaluatie voortkomende aanbevelingen.  Het procesreglement zal bij die gelegenheid worden aangevuld met bepalingen voor familierechtelijke zaken, extra judiciële procedures en de procedure in hoger beroep.

Met het ontwikkelen van het procesreglement wordt beoogd een bijdrage te leveren aan het uniformeren van de werkwijze.  Hierbij is het belang van de rechtzoekende vooropgesteld.  Daarnaast is gestreefd naar een zo goed mogelijke interne werkbaarheid.  Wij maken u erop attent dat het brondocument gepubliceerd is in het Advertentieblad van de Republiek Suriname.

Tijdens de op 01 oktober 2015 gehouden algemene vergadering van het Hof van Justitie is dit Procesreglement voor Civiele Zaken[1] vastgesteld en is bepaald dat dit procesreglement in werking treedt met ingang van de dag na zijn bekendmaking in het Advertentieblad van de Republiek Suriname.

Paramaribo, 01 oktober 2015


Deel A – Algemene Bepalingen
A.1    Betekenis van enkele veel gebruikte termen

Artikel 1

In dit procesreglement wordt verstaan onder:

  1. advocatenrol: het register van zaken waarin partijen vertegenwoordigd worden door een advocaat en van zaken waarin de Staat vertegenwoordigd wordt door een jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat, een vervolgingsambtenaar dan wel een advocaat;
  2. akte: een processtuk dat een korte mededeling – zoals een enkele erkenning of ontkenning, een bewijsaanbod, de aankondiging van een productie of een korte reactie daarop – bevat;
  3. conclusie, verzoek- of verweerschrift: een processtuk dat handelt over de in de behandeling zijnde zaak, niet zijnde een akte;
  4. deurwaardersrol: het register van zaken waarin één of meer partijen niet vertegenwoordigd worden op de wijze als omschreven in artikel 1a;
  5. fourneren: overleggen door partijen van een kopie van hun volledig procesdossier;
  6. proceshandeling: hetgeen krachtens wettelijk voorschrift, reglement of beslissing van de rechter door een partij moet of kan worden verricht teneinde de voortgang van een zaak of het wijzen van vonnis mogelijk te maken;
  7. peremptoir stellen: de beslissing van de rechter dat het recht op het verrichten van een bepaalde proceshandeling vervalt, indien een partij deze proceshandeling niet op een bepaalde datum verricht;
  8. klemmende reden: een omstandigheid waardoor het voor een partij redelijkerwijs niet mogelijk is de proceshandeling binnen de gestelde termijn te verrichten of op de zitting te verschijnen;
  9. overmacht: een omstandigheid waardoor het voor een partij redelijkerwijs niet mogelijk is om tijdig uitstel te vragen vanwege een klemmende reden;
  10. productie: een bij verzoekschrift, conclusie, akte of verweerschrift overgelegd bewijsstuk;
  11. Rv: Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
  12. zitting: een bijeenkomst ten overstaan van de rechter van partijen en/of hun gemachtigde waarbij zij proceshandelingen verrichten.
A.2    Civiel geding in eerste aanleg

Artikel 2

Dit procesreglement heeft betrekking op de voortgang van het geding bij de Kantongerechten.

A.3    Naleving van het procesreglement

Artikel 3

Voor alle in dit procesreglement opgenomen bepalingen geldt dat daarvan kan worden afgeweken, indien de rechter van oordeel is dat zulks in het belang is van een goede procesorde of noodzakelijk is voor een goede instructie van de zaak of dat onverkort vasthouden aan de bepalingen tot een onredelijke vertraging van de procedure zou leiden of in strijd zou zijn met wettelijke bepalingen.

Artikel 4

Bij niet naleving van een in dit procesreglement gegeven voorschrift zal de rechter daaraan het gevolg verbinden dat hem[2] met het oog op de aard van het voorschrift en de ernst van het verzuim passend voorkomt.

A.4    Bericht aan de rechter

Artikel 5

  1. Een aan de rechter of de griffier te richten bericht wordt per brief gezonden, onder gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de gemachtigde van de wederpartij of – indien deze geen gemachtigde heeft – aan de wederpartij zelf.
  2. In het in lid 1 van dit artikel bedoelde bericht dient vermeld te worden dat de wederpartij kopielezer is gemaakt van dit bericht, bij gebreke waarvan de rechter geen kennis neemt van dit bericht.
A.5    Vlot verloop van het proces

Artikel 6

  1. De dag waarop de zitting zal worden gehouden evenals de aanvangstijd worden ambtshalve bepaald.
  2. Indien ten tijde van de bepaling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde dag en/of aanvangstijd bekend is dat een persoon, van wie de verschijning op de zitting wenselijk wordt geacht, dan verhinderd zal zijn, zal de rechter daarmee zoveel mogelijk rekening houden.

Artikel 7

  1. Indien een partij voor het verrichten van een proceshandeling peremptoir staat, wijst de rechter een verder verzoek om uitstel af, tenzij:
  2. de wederpartij daarmee uitdrukkelijk instemt en inwilliging van het verzoek niet leidt tot onredelijke vertraging van het proces;
  3. sprake is van een aan de rechter en de wederpartij kenbaar gemaakte klemmende reden of overmacht, die door de rechter aannemelijk wordt geacht;
  4. de advocaat zich kort vóór of op de datum van deze proceshandeling heeft onttrokken; in dat geval biedt de rechter de betreffende partij nog eenmaal de gelegenheid de proceshandeling te verrichten.
  5. Bij afwijzing van het verzoek bepaalt de rechter de datum waarop de uitspraak in de zaak zal worden gedaan of verwijst hij de zaak naar de rolzitting voor een volgende door hem te gelasten proceshandeling.
A.6    Vereisten processtukken

Artikel 8

Indien aan het verzoekschrift bescheiden zijn gehecht, dient de eisende partij ervoor zorg te dragen dat deze bescheiden bij de oproeping aan de wederpartij worden betekend.

Artikel 9

  1. Indien de eisende partij op de eerste dag van de behandeling van de zaak de eis wenst te wijzigen alvorens van eis te concluderen, moet deze wijziging vooraf aan de wederpartij worden betekend.
  2. Van hetgeen in lid 1 van dit artikel is bepaald kan worden afgeweken indien de gedaagde of zijn gemachtigde op de eerst dienende dag aanwezig is.

Artikel 10

  1. In de kop van een aan de rechter te zenden bericht dienen op duidelijke wijze te worden vermeld de dagtekening van het bericht, de familienaam gevolgd door een komma en de voornamen van elk van de partijen, het A.R. nummer en, indien van toepassing, de datum van de zitting. Het bericht wordt afgesloten met de handtekening van de verzender en daaronder dienen de initialen en de familienaam van de verzender in hoofdletters te worden vermeld.
  2. In de kop van een processtuk dienen op duidelijke wijze eerst de familienaam gevolgd door een komma en de voornamen van de partij van wie het stuk afkomstig is en daaronder de familienaam gevolgd door een komma en de voornamen van de wederpartij te worden vermeld. Het processtuk wordt afgesloten met de dagtekening gevolgd door de handtekening van de partij van wie het stuk afkomstig is dan wel van zijn gemachtigde en daaronder dienen de initialen en de familienaam van de ondertekenaar in hoofdletters te worden vermeld.
  3. Ingeval sprake is van een maatschap, een vennootschap onder firma of een rechtspersoon zijn lid 1 en lid 2 van dit artikel mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

  1. De indiener van een processtuk nummert de daaraan gehechte bescheiden en geeft aan het einde van het betreffende processtuk een overzicht van de bijgevoegde bescheiden. In het processtuk, waaraan de bescheiden zijn gehecht, dient duidelijk te worden vermeld waar elk bescheid betrekking op heeft, bij gebreke waarvan de rechter kan besluiten het bescheid buiten beschouwing te laten.
  2. Indien een over te leggen bescheid in een vreemde taal is opgesteld, kan de rechter bepalen dat de Nederlandse vertaling van dat bescheid moet worden overgelegd.

Artikel 12

Indien de ene partij meer dan één gemachtigde heeft, is de andere partij gehouden slechts één exemplaar van enig processtuk aan de hiervoor bedoelde gemachtigden te verstrekken.  De andere partij is derhalve niet verplicht om elk van de hiervoor bedoelde gemachtigden van de ene partij één exemplaar van enig processtuk te verstrekken.

A.7    De uitspraak

Artikel 13

  1. Bij de uitspraak behoeft het vonnis of de beschikking niet volledig te worden voorgelezen. De rechter kan volstaan met een zakelijke weergave van de beslissing.  De griffier draagt er zorg voor dat elke partij en indien hij niet in persoon procedeert, zijn gemachtigde, een afschrift van het vonnis of de beschikking kan inkijken.
  2. De griffier draagt er zorg voor dat uiterlijk binnen drie maanden[3] na de uitspraak de grosse van het vonnis of de beschikking voor afgifte beschikbaar Voor spoedzaken geldt deze bepaling niet.  Of een zaak een spoedzaak is, is ter beoordeling van de rechter.

Artikel 14

  1. Indien het vonnis of de beschikking niet gereed is op de voor uitspraak bepaalde datum, wordt de uitspraak aangehouden tot een door de rechter te bepalen datum.
  2. Indien de rechter de uitspraak wenst te doen op een eerdere datum dan aanvankelijk was bepaald, worden partijen daarover tijdig vóór de uitspraak ingelicht. Uitspraak van een verstekvonnis op een eerdere datum dan aanvankelijk was bepaald, is niet mogelijk.

Artikel 15

Indien het vonnis of de beschikking niet binnen een termijn van drie maanden na de daarvoor bepaalde datum is uitgesproken, geeft de rechter op verzoek van een partij of zijn gemachtigde bericht over de reden van aanhouding.

Artikel 16

Van de aan- of afwezigheid van partijen dan wel hun gemachtigden ter zitting houdt de griffier aantekening.  De aanwezigheid van een partij moet uitdrukkelijk worden vermeld in het doorlopend proces-verbaal.

A.8    Onttrekking door gemachtigde

Artikel 17

  1. De gemachtigde van een partij die zich aan een zaak wil onttrekken, geeft daarvan schriftelijk bericht aan zijn cliënt, de wederpartij en de rechter.
  2. De in lid 1 bedoelde gemachtigde dient zijn cliënt over de gevolgen van zijn onttrekking te informeren. Bij zijn bericht aan de rechter bevestigt de gemachtigde dat hij deze verplichting is nagekomen en doet hij de rechter daarbij toekomen een opgave van het laatste hem bekende (post)adres en telefoonnummer van zijn clië
  3. Indien nodig deelt de griffier de partij van wie de gemachtigde zich heeft onttrokken, schriftelijk het volgende mee:
  • dat zijn gemachtigde zich heeft onttrokken;
  • de datum waarop de behandeling van de zaak zal worden voortgezet;
  • de stand waarin de zaak zich bevindt en de volgende te verrichten proceshandeling;
  • dat hij op de volgende zitting dient te verschijnen of zich moet laten vertegenwoordigen.

Artikel 18

Indien als gevolg van de onttrekking door een gemachtigde aan een zaak, die op de advocatenrol loopt, de situatie ontstaat dat één of meer partijen gedurende het proces niet meer worden vertegenwoordigd op de wijze als omschreven in artikel 1.a, zal de zaak worden verwezen naar de deurwaardersrol.

A.9    Advocaat als gemachtigde

Artikel 19

Indien een advocaat zich voor één of meer partijen stelt in een zaak die op de deurwaardersrol loopt en daardoor de situatie ontstaat dat alle bij de zaak betrokken partijen een advocaat als gemachtigde hebben, zal de zaak naar de advocatenrol worden verwezen.

A.10  Gemachtigden die geen advocaat zijn

Artikel 20

  1. De rechter is bevoegd een persoon, die geen advocaat is en van het verlenen van rechtsbijstand zijn beroep maakt, niet toe te laten of verder toe te laten als gemachtigde.
  2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde beslissing wordt in een beschikking vastgelegd en is uitvoerbaar bij voorraad. (artikel 754 Rv).
A.11  Overlijden van één van de procespartijen

Artikel 21

  1. Indien tijdens het geding de mededeling wordt gedaan dat één van de procespartijen is overleden, stelt de rechter de meeste gerede partij in de gelegenheid een afschrift van de overlijdensakte of een ander officieel stuk waaruit het overlijden blijkt over te leggen. Na overlegging van bedoeld stuk schorst de rechter het geding.
  2. Indien de meest gerede partij een akte of conclusie neemt tot hervatting van het geding met vermelding van de namen en adressen van de personen ten name van wie het geding dient te worden hervat, wordt de wederpartij in de gelegenheid gesteld zich eveneens bij akte of conclusie uit te laten over de hervatting van het geding, waarna de rechter een beslissing neemt in het incident.
  3. Indien de rechter beslist dat het geding wordt hervat, wordt in het vonnis tevens vermeld ten name van welke personen zulks zal geschieden en welke partij de kosten van oproeping van deze personen zal dragen.
  4. Hervatting van het geding ten name van de gezamenlijke erfgenamen ten sterfhuize van de overledene is slechts mogelijk binnen een jaar na overlijden.
  5. Indien een advocaat zich op de dag waartegen is opgeroepen voor één of meer van de gezamenlijke erfgenamen stelt, zal akte van niet-verschijning worden verleend tegen de overige niet-verschenen erfgenamen. Ten aanzien van de niet-verschenen erfgenamen wordt een nieuwe rechtsdag bepaald, waartegen de niet-verschenen partijen nogmaals worden opgeroepen.
  6. Indien na peremptoirstelling geen conclusie tot hervatting van het geding is genomen, wordt de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden.
A.12  Instelling van een vordering tegen de gezamenlijke erfgenamen van een overleden persoon

Artikel 22

  1. Een vordering tegen de gezamenlijke erfgenamen van een overleden persoon dient binnen een jaar na overlijden van betrokkene te worden ingesteld.
  2. Na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn dient de vordering te worden ingesteld tegen elke erfgenaam afzonderlijk.
  3. Indien een advocaat zich op de dag waartegen is opgeroepen voor één of meer van de gezamenlijke erfgenamen stelt, zal akte van niet-verschijning worden verleend tegen de overige niet-verschenen erfgenamen en een nieuwe rechtsdag worden bepaald. Verschijnen zij ook op de tweede rechtsdag niet, dan wordt ten aanzien van hen verstek verleend.
  4. Het vonnis wordt op tegenspraak tegen de gezamenlijke erfgenamen gewezen.

Deel B – A.R.-Zaken Eerste Aanleg
B.1    Algemeen

Artikel 23

Elke nieuwe zaak wordt ingeleid door een verzoekschrift en wordt op een rol(zitting) geplaatst.

Artikel 24

  1. Elke zaak waarin de aanlegger een advocaat als gemachtigde heeft, wordt op de advocatenrol geplaatst.
  2. Hetgeen bepaald is in lid 1 van dit artikel geldt eveneens voor zaken waarbij juristen verbonden aan het Bureau Landsadvocaat en vervolgingsambtenaren als gemachtigden van de Staat optreden.
  3. Elke zaak waarin de aanlegger geen advocaat als gemachtigde heeft, wordt op de deurwaardersrol geplaatst.
B.2    Niet verschijning

Artikel 25

Indien de eiser niet ter terechtzitting verschijnt, wordt verstek tegen hem verleend en wordt de verweerder van de instantie ontslagen met verwijzing van de eiser in de kosten, één en ander overeenkomstig artikel 78 Rv.

Artikel 26

  1. Bij niet-verschijning van één of meer gedaagden wordt overeenkomstig de artikelen 79 tot en met 82 Rv gehandeld.
  2. Indien de gedaagde vóór de aangezegde rechtsdag op de voet van artikel 79 lid 2 Rv een verweerschrift heeft ingediend, heeft hij als in rechte verschenen te gelden ook al zou hij op de aangezegde rechtsdag niet ter terechtzitting aanwezig zijn.

Artikel 27

Bij niet-verschijning van de gedaagde kan de rechter, indien twijfel ontstaat of de gedaagde de oproep heeft ontvangen, bepalen dat hij bij griffiersbrief of middels advertentie in één of meerdere lokale dagbladen nogmaals wordt opgeroepen.

B.3    De behandeling ter terechtzitting

Artikel 28

  1. In zaken op tegenspraak kunnen, behoudens in de hierna te noemen gevallen, conclusies van antwoord, re- en dupliek worden genomen. In reconventie worden genoemde conclusies voorafgegaan door een conclusie van eis.  Indien bij de laatst genomen conclusie bescheiden worden overgelegd, wordt de wederpartij in de gelegenheid gesteld zich bij nadere conclusie uit te laten over deze bescheiden.
  2. De rechter kan in elke stand van het geding een comparitie van partijen gelasten teneinde inlichtingen in te winnen en een vereniging te beproeven, één en ander overeenkomstig artikel 20 Rv.
  3. Na een niet-gehouden comparitie zal geen conclusie tot uitlating worden toegelaten, tenzij één van de partijen daartoe uitdrukkelijk een met redenen omkleed verzoek doet en de rechter termen aanwezig acht om het verzoek toe te wijzen.
  4. Als partijen na een comparitie van partijen uitdrukkelijk de wens uiten dat zij een conclusie tot uitlating kunnen nemen, zal de rechter dit verzoek inwilligen. De daartoe door hem vast te stellen termijnen zijn steeds peremptoir.

Artikel 29

  1. De laatste conclusie die genomen kan worden in een incident is de conclusie van antwoord en de laatste conclusie die genomen kan worden in een zaak in verzet is de conclusie van repliek.
  2. Indien bij het verzet een reconventionele vordering aanhangig is gemaakt, wordt de geopposeerde in de gelegenheid gesteld een conclusie van dupliek in reconventie te nemen.
B.4    Voeging van zaken

Artikel 30

  1. Ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen kan op de terechtzitting bij wege van incident een met redenen omkleed verzoek tot voeging van afzonderlijk geadministreerde zaken worden gedaan.
  2. Bij toewijzing van het in lid 1 van dit artikel bedoelde verzoek zal de zaak voorzien van het jongste A.R.-nummer worden gevoegd bij de zaak voorzien van het oudste A.R.-nummer en zullen beide zaken gevoegd verder behandeld worden op de rol, waarop de zaak voorzien van het oudste A.R.-nummer loopt.
B.5    Uitstel en peremptoirstelling

Artikel 31

  1. Het voor het indienen van een processtuk gevraagde uitstel is voor de eerste twee keren vrij. In het doorlopend proces-verbaal wordt, zonder nadere aanduiding, vermeld wanneer welke proceshandeling door de betrokken partij dient te worden verricht.
  2. Het derde uitstel wordt verleend onder peremptoirstelling en ten blijke daarvan wordt in het doorlopend proces-verbaal na de te verrichten proceshandeling “per” vermeld.

Artikel 32

  1. Het bepaalde in artikel 31 geldt ook voor verzoeken tot uitstel van de comparitie, de enquête of de descente met dien verstande dat deze verzoeken op zwaarwegende redenen moeten berusten en schriftelijk aan de rechter door tussenkomst van de griffier dienen te worden gedaan en wel ten minste drie werkdagen voor de datum van de comparitie, enquête of descente. Degene die een dergelijk verzoek doet, dient de wederpartij kopielezer te maken van dat verzoek.
  2. De griffier deelt partijen zo gauw mogelijk mee of het uitstel wel of niet is verleend.

Artikel 33

De comparitie- en enquêtezitting wordt zodanig ingericht dat geen lange wachttijden voor partijen ontstaan.  Om die reden zal voor zover mogelijk elke comparitie of enquête voor een apart tijdstip worden ingeroosterd.

B.6    Tussentijdse beëindiging van het proces

Artikel 34

  1. Indien de eiser de zaak wenst in te trekken, dient dit schriftelijk ter terechtzitting kenbaar te worden gemaakt.
  2. De gedaagde wordt in de gelegenheid gesteld zich over de intrekking uit te laten.
  3. Indien de gedaagde geen bezwaar heeft tegen de intrekking, wordt de zaak als ingetrokken aangemerkt en wordt de zaak afgevoerd van de rol.

Artikel 35

  1. Indien de gedaagde bezwaar aantekent tegen de intrekking, dient de eiser duidelijk kenbaar te maken op welk van de in lid 2 te noemen handelingen hij doelt met intrekking.
  2. Intrekking kan het volgende inhouden:
  3. afstand van instantie (artikel 206 Rv e.v.);
  4. vermindering van eis tot nihil;
  5. het niet handhaven van de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.
  6. In geval van afstand van instantie:
  7. dient de eiser daartoe een speciale volmacht te verstrekken aan zijn gemachtigde;
  8. is de eiser bevoegd om onder betaling van de kosten afstand van instantie te doen, mits dit geschiedt vóór het nemen van de conclusie van antwoord (art. 206 jo art. 61 Rv);
  9. nadat op de vordering is geantwoord, is dat slechts mogelijk met toestemming van de gedaagde.
  10. Indien de eiser zijn eis tot nihil vermindert en de gedaagde daarmee niet instemt, wordt vonnis gewezen op de verminderde eis.
  11. Indien de eiser de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen niet handhaaft en de gedaagde met de vermindering tot nihil respectievelijk het niet handhaven van de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen niet instemt, wordt vonnis gewezen.
B.7    Werkverdeling

Artikel 36

Rolzittingen worden gehouden volgens het door de algemene vergadering van het Hof van Justitie voor elk zittingsjaar vast te stellen rooster.


Deel C – Beslag en Kort Geding in Eerste Aanleg
C.1    Beslag

Artikel 37

  1. Op een bij de Griffie door een verzoeker ingediend beslagrekest zal de rechter binnen 05 (vijf) werkdagen na indiening daarvan een tussen- of eindbeslissing nemen.
  2. Bij onmiddellijk dreigend verlies van verhaalsmogelijkheden kan de verzoeker schriftelijk vragen dat zo spoedig mogelijk op het rekest zal worden beslist.

Artikel 38

  1. De rechter kan alvorens op het beslagrekest te beslissen een verhoor van partijen gelasten.
  2. Iemand die de conservatoire inbeslagneming van zijn goederen vreest, kan bij schriftelijk bericht aan de rechter te kennen geven op een zodanig voorafgaand verhoor prijs te stellen. Laatstgenoemd bericht blijft gedurende drie maanden na indiening geregistreerd.
C.2    Kort geding

Artikel 39

De rechter bepaalt de datum waarop de kortgedingzitting wordt gehouden evenals de aanvangstijd en hij slaat daarbij acht op de belangen van partijen en de mate waarin een zaak spoedeisend is.  Het spoedeisend belang is ook bepalend voor het verlenen van rechtsingang, het opstellen van schema’s voor het nemen van conclusies en de beoordeling van verzoeken tot uitstel.


Deel D – Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel 40

Het procesreglement is van toepassing op:

  • zaken die vanaf de dag waarop dit reglement in werking treedt aanhangig worden gemaakt;
  • zaken die op die dag waarop dit reglement in werking treedt reeds aanhangig zijn, tenzij dat zou indruisen tegen in die zaken reeds genomen beslissingen of zou leiden tot ongelijke behandeling van partijen.

Artikel 41

  1. Het procesreglement is gedeponeerd bij de Griffie der Kantongerechten van Suriname alsmede ter Griffie van het Hof van Justitie, alwaar het kosteloos ter inzage ligt.
  2. Het brondocument van het procesreglement zal worden gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname.

Artikel 42

In de gevallen waarin dit procesreglement niet voorziet, beslist de rechter.  Bij zijn beslissing neemt hij zoveel mogelijk de bepalingen van dit reglement in acht.

Artikel 43

Het procesreglement treedt in werking met ingang van de dag na zijn bekendmaking in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en kan slechts worden gewijzigd door een besluit van de algemene vergadering van het Hof van Justitie.


[1]           Hierna:  procesreglement.

[2]           Waar de mannelijke vorm wordt gebruikt, wordt de vrouwelijke vorm geacht te zijn inbegrepen.

[3]           Naarmate daartoe de mogelijkheid ontstaat, zal deze termijn worden verkort.