SRU-ATC-2020-2

  • Instantie Advocaten Tuchtcollege (ATC)
  • Zaaknummer no. 19/20
  • Uitspraakdatum 24 januari 2020
  • Publicatiedatum 01 november 2020
  • Rechtsgebied Tuchtrecht
  • Inhoudsindicatie

    Misbruik van procesrecht is niet ter beoordeling is van het Tuchtcollege. Er is niet in rechte komen vast te staan dat verweerder incorrect heeft gehandeld jegens klaagster. Klacht tegen verweerder is ongegrond.

Uitspraak

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/20

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klaagster,
procederend in persoon,

tegen

[naam 2],
verweerder,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klaagster heeft een schrijven gedateerd 06 juni 2018 ingediend bij de Wnd. President van het Hof van Justitie, mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, en heeft een kopie van voornoemd schrijven naar onder andere de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) gestuurd.

1.2 De Deken heeft op 14 maart 2019 bovenvermeld schrijven van klaagster ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 22 november 2019. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.4 De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Klaagster is procespartij in de gedingen die verweerder namens zijn cliënt tegen klaagster heeft ingesteld.

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

Klaagster stelt – zakelijk weergegeven– dat verweerder herhaaldelijk dezelfde vordering bij dezelfde instantie tegen haar instelt, terwijl er reeds vonnis is gewezen in de zaak dat in het voordeel van haar is uitgesproken. Volgens klaagster maakt verweerder misbruik van procesrecht. Voorts stelt klaagster dat verweerder zich onbetamelijk naar haar toe heeft gedragen, aangezien hij een dreigbrief voor haar had opgestuurd om de woning waarin zij verblijft te ontruimen en had hij haar een keer gebeld met een bepaalde toon in zijn stem.

3.2 Verweerder heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij als advocaat behoorde te betrachten jegens klaagster.

4.2 Verweerder voert – zakelijk weergegeven – het volgende verweer.
De door verweerder namens zijn cliënt ingediende vordering betreft een ontruimingsvordering. Verweerder heeft namens zijn cliënt in bodemprocedure een vordering aanhangig gemaakt jegens klaagster en vervolgens heeft hij op grond van andere gronden in kort geding een vordering tegen haar ingesteld. Volgens verweerder heeft hij klaagster slechts één keer gebeld om haar uit te nodigen voor een gesprek op zijn kantoor en is de brief die klaagster een dreigbrief noemt een aanmaningsbrief. Verweerder voert aan dat hij klaagster voldoende tijd heeft gegeven om de woning te ontruimen en heeft hij gewoon zijn regulier werk gedaan. Verweerder betwist dat hij zich onbetamelijk heeft gedragen jegens klaagster.

4.3 Het Tuchtcollege is van oordeel dat de rechter aan wie het geschil tussen de procespartijen is voorgelegd zal uitmaken of er sprake is van misbruik van procesrecht wegens het herhaaldelijk instellen van dezelfde vordering en dat zulks niet ter beoordeling is van het Tuchtcollege.
Conform Ere-regel nummer 25 dient een advocaat zich steeds in gepaste termen uit te laten en alles te vermijden wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven. Nu klaagster de brief die zij van verweerder heeft ontvangen en als bedreigend heeft ervaren niet heeft overgelegd, kan het Tuchtcollege niet beoordelen of verweerder zich op een dergelijke wijze heeft uitgelaten jegens klaagster. Het Tuchtcollege heeft evenwel acht geslagen op de inhoud van een brief d.d. 14 januari 2014 waarvan klaagster heeft aangegeven dat het weliswaar een andere brief is maar dat de inhoud min of meer hetzelfde is. Naar het oordeel van het Tuchtcollege verdient de inhoud van de brief de kwalificatie van een reguliere aanmaning en kan niet worden gekwalificeerd als een “dreigbrief”. Met betrekking tot de door verweerder gebezigde toon bij een gevoerd telefoongesprek met klaagster komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat dat – na weerspreking door verweerder – onvoldoende aannemelijk is gemaakt door klaagster.
Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken en het gehouden verhoor niet in rechte is komen vast te staan dat verweerder incorrect heeft gehandeld jegens klaagster.
Van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerder is er dus geen sprake, zodat de klacht tegen verweerder ongegrond zal worden verklaard.

4.4 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege verklaart de klacht tegen verweerder ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 24 januari 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
mr. M.S.Wesenhagen

De voorzitter,
mr. A.Charan

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
mr. G. Ramai-Badal