SRU-HvJ-1970-1

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer onbekend
  • Uitspraakdatum 02 oktober 1970
  • Publicatiedatum 29 mei 2020
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Arbeidsrecht. Is de werkgever aansprakelijk voor de schade, veroorzaakt door een werknemer met een auto van de werkgever, nadat de werknemer zijn werkzaamheden voor de werkgever had voltooid en op de terugweg in een winkel alcoholhoudende drank was gaan drinken? Het Hof oordeelt bevestigend en acht van belang dat het verband tussen het verrichten van de werkzaamheden per auto enerzijds en de met die auto veroorzaakte aanrijding anderzijds niet is verbroken.
    (art. 1388 lid 3 Sur. B.W.)

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE, Civiele Kamer, 2 okt. 1970.

[appellant], wonende te [plaats] in het [district], appellant, adv. Mr. E.I. Karamat Ali,

TEGEN :

[geïntimeerde], wonende te [plaats] in het [district], geïntimeerde, adv. H.J. Kensenhuys.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN :
O., dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
dat verweerder sub a [naam 1] op of omstreeks 13 juni 1968 als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, een Opel, model station, gekentekend [nummer 1] daarmede heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Fredericiweg, komende vanuit de richting Karang-Ajar en gaande in de richting Nieuw Nickerie en bij het beschrijven van de S-bocht nabij de woning van zekere [naam 2], terwijl hij onder zodanige invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank of bedwelmende middelen verkeerde dat hij niet in staat moest worden geacht dat motorrijtuig naar behoren te besturen, met dat motorrijtuig hoogst roekeloos en onvoorzichtig op de rijhelft van de genoemde weg is terechtgekomen, welke bereden werd door verzoeker in tegengestelde richting als bestuurder van een auto, merk Mercury, kenteken [nummer 2] en verweerder sub a aldus handelende een aanrijding heeft veroorzaakt met de auto van verzoeker, tengevolge waarvan verzoeker schade heeft geleden, zijnde de rechter voorvendel en voorstootbalk van verzoekers auto totaal vernield;
dat verweerder sub a optredende als voorschreven zich aan een onrechtmatige daad jegens verzoeker heeft schuldig gemaakt, waardoor aan verzoeker schade is toegebracht, veroorzaakt door de schuld van verweerder sub a;
dat verweerder sub a ten tijde dat hij deze onrechtmatige daad pleegde in dienst was van verweerder sub b [naam 3] en in de werkzaamheden waartoe deze hem gebruikt heeft de schade welke verzoeker ten deze heeft geleden, heeft veroorzaakt;
dat verweerder sub b onder deze omstandigheden aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door verweerder sub a, zijn ondergeschikte; enz.
dat verweerders ondanks herhaalde en dringende aanmaningen weigeren voormelde schade aan verzoeker te vergoeden;

O., dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verweerders zullen worden veroordeeld, des dat de een betalende de andere zij bevrijd, om terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoeker te betalen de som van EENDUIZEND ZESHONDERD VEERTIG GULDEN, met de wettelijke rente daarover vanaf heden — 12 november 1968 — tot en met de dag van algehele voldoening, kosten rechtens;

O., dat [naam 1] als gedaagde sub a in eerste aanleg mondeling voor antwoord heeft gezegd:
dat hij is veroordeeld wegens het rijden onder invloed van alcohol en daarbij een aanrijding heeft gemaakt;
dat hij tijdens het ongeval in dienst was van gedaagde sub b;
dat volgens hem, hij niet schuldig is aan deze aanrijding;

O., dat [naam 3] als gedaagde sub b voor antwoord heeft gezegd;
dat gedaagde sub b de gestelde aanrijding erkent, doch zich niet kan uitlaten omtrent de vraag wie schuld heeft aan bedoelde aanrijding;
dat gedaagde sub b ontkent, dat de aanrijding is geschied tijdens de uitvoering van werkzaamheden, welke gedaagde sub a voor hem placht te verrichten.
Gedaagde sub a had de werkzaamheden voor gedaagde sub b reeds verricht en is buiten diensttijd in een winkel gaan drinken met enkele vrienden. Op de terugweg nu is de litigieuze aanrijding veroorzaakt, De aansprakelijkheid voor de gevolgen hiervan berust dus uitsluitend bij gedaagde sub a;

O., dat de gedaagde sub b op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd:
dat het de Kantonrechter moge behagen eiser in zijn vordering jegens gedaagde sub b niet ontvankelijk te verklaren, althans hem die te ontzeggen, kosten rechtens; enz.

O., dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 5 november 1969 heeft overwogen:
dat eiser heeft gesteld schade te hebben geleden door een aanrijding, waarvoor gedaagde sub a strafrechtelijk is veroordeeld;
dat gedaagde sub a erkend heeft in dienst te zijn van gedaagde sub b ten tijde van het ongeval en wel beweerd heeft, geen schuld aan het ongeval te hebben, doch deze stelling geheel ongemotiveerd heeft gelaten, zodat ze moet worden gepasseerd;
dat gedaagde sub b de schuld van zijn medegedaagde eveneens ongemotiveerd ontkend heeft en ook niet de moeite heeft genomen om te stellen, hoe het ongeval zich dan wèl zou hebben voorgedaan;
dat mitsdien de schuld van gedaagde sub a aan het ongeval bij gebreke aan voldoende verweer vaststaat, terwijl de omvang van de schade door gedaagden niet is betwist;
dat uit gedaagde sub b’s stellingen blijkt, dat gedaagde sub a bij hem in dienst was ten tijde van het ongeval en zijn taak onder andere bestond uit het per auto bezorgen van broden;
dat waar gedaagde sub b zijn medegedaagde heeft aan gesteld als chauffeur, hij aansprakelijk is voor diens gedragingen, ook al zijn deze niet door hem opgedragen en ook al volgt de ondergeschikte niet de kortste weg en wel krachtens artikel 1388, 3e lid van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (culpa in eligendo – H.R. 7.3.19, N.J. 1919, 434; H.R. 4.11.38, N.J. 1939 No. 536 en Hof Amsterdam 30.12.64, N.J. 1966 No. 250);
dat gedaagde in het slot van het 2e „dat” van zijn conclusie van dupliek in de war is met een werknemer, op weg van zijn huis naar zijn werk of omgekeerd;
dat de vordering mitsdien kan worden toegewezen onder veroordeling van gedaagden in de kosten:

O., dat de Kantonrechter op deze gronden gedaagden heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ 1.640,— (EEN DUIZEND ZESHONDERD EN VEERTIG GULDEN) met de rente hierover ad 6% ’s jaars, vanaf 12 november 1968 tot de dag der voldoening; enz.

O., dat [naam 3] in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis dd. 5 november 1969; enz.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :
O., dat als door appellant niet langer betwist rechtens vaststaat, dat de ten processe bedoelde aanrijding en de daaruit voortgevloeide schade ad ƒ 1640,— zijn te wijten aan een onrechtmatige daad van [naam 1], gedaagde sub a in prima, die tegen zijn veroordeling tot betaling van dit bedrag aan geïntimeerde niet heeft geappelleerd;

O., dat appellant in hoger beroep is blijven betwisten, als werkgever van [naam 1], tegenover geïntimeerde tot vergoeding van voormeld bedrag gehouden te zijn;

O. daaromtrent:
dat als gesteld en erkend, althans niet gemotiveerd bestreden ten processe vaststaat, dat [naam 1] ten tijde van voormelde aanrijding in appellants bakkerij werkzaam was en belast was met het bezorgen van brood bij diens afnemers, waartoe hij van appellant de beschikking had over een auto;
dat appellant stelt dat [naam 1]  op de bewuste dag na het bezorgen van het brood in een winkel is gaan drinken en daarna op de terugweg onder drankinvloed buiten diensttijd de litigieuze aanrijding heeft veroorzaakt;
dat ook al zou [naam 1] na het brood bezorgd te hebben onder drankinvloed zijn geraakt en al zou zijn normale werktijd met het gereedkomen van de bezorging zijn geëindigd, appellant nog, naar ’s Hofs oordeel, uit hoofde van artikel 1388 lid 3 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek voor de door [naam 1]  veroorzaakte schade als diens werkgever aansprakelijk zou zijn;
dat toch de aanrijding door [naam 1] is veroorzaakt met de hem door appellant in verband met zijn werkzaamheden ter beschikking gestelde auto en de omstandigheid dat [naam 1] na het in appellants dienst bezorgen van het brood op de terugweg in een winkel is gaan drinken, alvorens de rit in bedoelde auto te vervolgen, het verband tussen de werkzaamheden, waartoe hij door appellant werd gebruikt, enerzijds en de met die auto veroorzaakte aanrijding anderzijds niet heeft verbroken;

O., dat mitsdien appellants desbetreffende verweer door de Kantonrechter terecht is verworpen en het beroepen vonnis, voorzover tegen appellant gewezen, behoort te worden bevestigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP :
Bevestigt voor zover tegen appellant gewezen het vonnis door de Kantonrechter in het Derde Kanton op 5 november 1969 gewezen, waarvan beroep; enz.

 

 

“Voor rechterlijke uitspraken geldt dat alleen de in authentieke, aan partijen betekende uitspraken formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden en kunnen op redactionele punten afwijken.”