SRU-HvJ-1983-1

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-11357
  • Uitspraakdatum 28 oktober 1983
  • Publicatiedatum 10 juni 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Beschikkingsbevoegdheid met betrekking tot aandeel. Kantonrechter: Beschikkingsonbevoegdheid bij vervreemding van een onverdeeld aandeel in een bepaalde tot de nalatenschap behorend onroerend goed (artikel 365 BRV)

Uitspraak

Hof van Justitie
28 oktober 1983, G.R. 11357
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, E.S. Ombre, O.W. Abendanon)

Coöperatieve Inkoop- Verkoop en Landbouwwerktuigen Vereniging Kwatta en Omstreken G.A., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Kwatta in het distrikt Suriname, advokaat Mr. C.CH. Bhagwandin, appellante,

tegen

A. [geïntimeerde sub a], echtgenote van [geïntimeerde sub b] en

B. [geïntimeerde sub b], tot machtiging en bijstand van zijn vermelde echtgenote, beiden wonende in het distrikt Suriname, advokaat Mr. A.L. Tjon Kwan Paw, geïntimeerden,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton respectievelijk van 27 november 1979 en 12 mei 1981 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 10 juni 1981, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat de Coöperatieve Inkoop- Verkoop- en Landbouwwerktuigen Vereniging Kwatta en omstreken G.A. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

dat eiseres de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen:

A.  [geïntimeerde sub a], echtgenote van [geïntimeerde sub b ] en

B.  [geïntimeerde sub a], tot machtiging en bijstand van zijn voormelde echtgenote, beiden wonende in [district], gedaagden;

  1. dat blijkens de hierbij in fotocopie overgelegde onderhandse akte dd. 13 september 1963 – waarvan wordt verzocht de inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen – heeft gedaagde sub B in zijn hoedanigheid van beheerder van de tussen hem en zijn echtgenote, gedaagde sub a, bestaande huwelijksgemeenschap via zijn schriftelijk gevolmachtigde, de heer [naam] het aan hen toekomend onverdeelde aandeel in ”het perceelland groot een hectare zes en negentig aren, gelegen aan het middenpad van de [plantage]  in [district], voor de som van f.7.500,– welk bedrag reeds is betaald;
  2. dat in verband met bepaalde problemen zowel aan de zijde van eiseres als aan de zijde van gedaagden de juridische levering na de koop niet kon plaatsvinden;
  3. dat enkele maanden geleden alle gerechtigden op gedaagden na hun onverdeelde aandeel in het litigieuze onroerend goed aan eiseres juridisch hebben geleverd;
  4. dat gedaagden echter ondanks herhaalde verzoeken in der minne weigeren aan de juridische levering van hun aandeel mede te werken;
  5. dat volgens door eiseres bekomen inlichtingen gedaagde sub B op 27 december a.s. voor goed naar [land] zal vetrekken;
  6. dat eiseres thans gerechtigd is de rechter in kort geding te adiëren, teneinde een veroordeling tot levering van het aandeel van gedaagden in voormeld onroerend goed te verkrijgen;
  7. dat op grond van het hierboven gestelde in deze zaak een spoedeisend karakter draagt en geen uitstel kan gedogen, zodat een onmiddellijke voorziening bij voorraad noodzakelijk is;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in Kort Geding, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, gedaagden zullen worden veroordeeld om binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn mede te werken aan de juridische levering van hun aandeel (groot 3190/22700e deel) in voorschreven onroerend goed en te dien einde de daartoe benodigde akten te doen verlijden ten overstaan van notaris R. Ramautar of een andere door de Kantonrechter aan te wijzen notaris, met bepaling dat gedaagden voor iedere dag dat zij hiermede in gebreke blijven een dwangsom van f.500,– aan eiseres zullen verbeuren, kosten rechtens;

Overwegende, dat de Kantonrechter in Kort Geding bij beschikking van 27 december 1978 de onderhavige zaak vanwege haar ingewikkeldheid heeft verwezen naar zijn gewone terechtzitting, teneinde aldaar te worden behandeld;

Overwegende, dat [geïntimeerde sub a] e.a. als gedaagden in eerste aanleg voor antwoord hebben gezegd:

  1. dat zij alles ontkennen en betwisten wat niet uitdrukkelijk en woordelijk door hen wordt erkend en een beroep doen op de onsplitsbaarheid van hun aveu, echter onder aanbod van bet bewijs hunner stellingen, doch onder protest tegen de gehoudenheid daartoe;
  1. dat gedaagde sub B ten stelligste ontkent via [naam], of welke andere persoon ook of op welke andere wijze, het hem als beheerder van de tussen hem en gedaagde sub A toekomend onverdeeld aandeel in het litigieuze perceel, aan eiseres te hebben verkocht en/of daarvoor geld te hebben ontvangen;
  2. dat gedaagden dus de gestelde koopovereenkomst ontkennen;
  1. dat gedaagden dan ook niet verplicht zijn voorschreven onverdeeld aandeel aan eiseres te leveren;

Overwegende, dat de gedaagden op deze gronden voor antwoord hebben geconcludeerd:

dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, deze haar althans zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens;

Overwegende, dat daarna de gemachtigde van eiseres wijziging van het petitum van het verzoekschrift heeft gevraagd in dier voege, dat de woorden ”in Kort Geding” vervallen, hebbende de gedaagde hiertegen geen bezwaar gemaakt, waarna de Kantonrechter de gevraagde wijziging heeft toegestaan;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, onder overlegging van producties zijdens eiseres;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 27 november 1979 een comparitie van partijen heeft gelast, bij welke comparitie de heer [geïntimeerde sub a], broer van gedaagde sub A en zwager van gedaagde sub B, en de heer [naam 1], voorzitter van eiseres, ter terechtzitting zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – als hier geïnsereerd te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen onder overlegging van producties door de gemachtigde van eiseres;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen nadere conclusies hadden genomen de Kantonrechter bij vonnis van 12 mei 1981 heeft overwogen;

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of niet voldoende weersproken, alsmede blijkende uit de ten processe overgelegde producties staat tussen partijen rechtens vast:

  1. dat de gedaagde sub B, in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met de gedaagde sub A, bij onderhandse akte dd. 13 september 1963 de heer [naam 2] heeft gemachtigd met een zogenaamde boedelvolmacht om hem, – gedaagde sub B – te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van de boedel van de ouders van zijn echtgenote in welke volmacht ook de bevoegdheid tot verkoop van boedelgoederen was inbegrepen;
  2. dat de meeste deelgerechtigden van de boedel van de ouders van gedaagde sub A, waaronder gedaagde sub B als beheerder der goederengemeenschap bestaande tussen hem en gedaagde sub A, vertegenwoordigd door zijn bovengenoemde lasthebber het hun toekomend aandeel in een perceel, behorende tot de voormelde boedel bij onderhandse akte dd. 13 september 1963 hebben verkocht aan de eiseres, die toen nog een coöperatieve vereniging in oprichting was, zijnde eiseres als een coöperatieve vereniging opgericht bij notariële akte dd. 7 augustus 1979 (zie G.A.B. 6 januari 1975 no.3);
  3. dat de verkopers onder 2 bedoeld, met uitzondering van gedaagden, [naam 3] en [naam 4] (dochter van [geïntimeerde sub a], die zijn gehele aandeel in bovenbedoelde perceel bij eerder gemelde onderhandse koopovereenkomst aan eiseres had verkocht), tezamen met enkele andere deelgerechtigden in bovengenoemde boedel hun onverdeelde aandelen in bovenbedoeld onroerend goed bij akte dd. 9 december 1978, verleden ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris Ramdew Ramautar, hebben overgedragen aan eiseres, van welke akte een afschrift ten hypotheekkantore is overgeschreven;
  4. dat onder andere de gedaagden weigeren het hun toekomend aandeel, ad 3190/27700 gedeelte in bovenbedoeld onroerend goed, hetwelk zij bij bovenbedoelde onderhandse akte hadden verkocht aan eiseres in oprichting, aan eiseres te leveren;

Als eerste verweer voeren gedaagden aan, dat eiseres bij de koop nog geen rechtspersoon was, niet aan het rechtsverkeer kon deelnemen en dus ook geen koopovereenkomst met gedaagde sub B kon aangaan;

Dit verweer kan gedaagden niet baten.

Het is in het rechtsverkeer algemeen gebruikelijk, dat een rechtspersoon in oprichting reeds aan het rechtsverkeer deelneemt en dat de opgerichte rechtspersoon de rechten en verplichtingen van haar voorgangster overneemt en voortzet. Partijen hebben in casu ook niet anders bedoeld. In de ten processe overgelegde koopovereenkomst staat immers dat eiseres toen in oprichting was;

Als tweede en verder strekkend verweer hebben gedaagden de vraag aan de orde gesteld of een deel van de deelgerechtigden in een boedel bevoegd zijn hun aandeel in een bepaald goed van de boedel te verkopen als in casu is geschied. Buiten iedere twijfel staat namelijk dat alle deelgerechtigden tezamen die bevoegdheid wel bezitten namelijk om tezamen een bepaald goed behorende tot een onverdeelde boedel te verkopen (en over te dragen);

Rechtens staat in casu vast, dat gedaagden hun aandeel in het onroerend goed in de onderhandse akte dd. 13 september 1963 genoemd bij (obligatoire) koopovereenkomst aan eiseres hebben verkocht. Nu zij aan de levering van hun aandeel weigeren mede te werken, is de vraag thans aan de orde of de levering in rechte kan worden afgedwongen. Het is duidelijk, dat deze vraag bij de verkoop van een gehele perceel niet gesteld zou worden. Anders geformuleerd luidt de vraag in casu: welke rechtskracht bezit een koopovereenkomst, waarin een deelgerechtigde of een deel van de deelgerechtigden slechts zijn aandeel of hun aandelen in een bepaald goed van een boedel heeft of hebben verkocht?

Het antwoord op deze vraag luidt: geen enkele. Zo’n overeenkomst heeft slechts rechtsgevolgen als alle deelgerechtigden tezamen een goed van een boedel verkopen, of een gedeelte van een goed. Vereist is in ieder geval dat alle deelgerechtigden daaraan medewerken, ook al verkopen niet allen hun aandeel in dat goed;

Bij weigering kan dan de levering worden afgedwongen, eventueel met een dwangsom. Elke deelgerechtigde is daarnevens bevoegd zijn gehele aandeel in een boedel te verkopen en over te dragen, welke rechtsfiguur als verkoop erfrecht bekend is (zie artikel 1558 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek);

Nu in casu van geen van de bovengenoemde mogelijkheden van verkoop van een goed van een boedel is gebruik gemaakt, kan van gedaagde geen levering worden gevorderd;

Eiseres zal dan ook in haar vordering niet worden ontvangen. Zou het anders zijn, dan zou een onverdeeld aandeel in een boedelgoed als een zelfstandig goed worden beschouwd, hetgeen in boedelgemeenschappen (gebonden vormen van mede-eigendom als ontbonden huwelijksgemeenschap en nalatenschap) niet is toegestaan. (zie uitgebreid hierover: Mr. W.M. Kleyn: De Boedelscheiding pagina 83 en volgende, Asser-Meyers/van der Ploeg Erfrecht 7e druk, pagina 270 en volgende);

Gedaagde sub B was in casu dus onbevoegd tot de verkoop aan eiseres (in oprichting) en op grond hiervan komt eiseres niet een actie tot levering toe;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden eiseres niet ontvankelijk heeft verklaard in de door haar ingestelde vordering;

eiseres heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.. Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal de Coöperatieve Inkoop- Verkoop- en Landbouwwerktuigen Vereniging Kwatta en omstreken G.A. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 12 mei 1981;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder B. Ghiraw van 1 september 1981 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen;

Overwegende, dat appellante zich gegriefd voelt door de tweede rechtsoverweging van de Kantonrechter in diens vonnis van 12 mei 1981, gewezen en uitgesproken tussen partijen, alwaar de Kantonrechter heeft overwogen, dat de meeste deelgerechtigden het hun toekomend aandeel in het litigieuze perceel op 13 september 1963 hebben verkocht aan appellante;

Overwegende, dat appellante in dit verband heeft gesteld dat alle deelgerechtigden in het litigieuze perceel hun onverdeeld aandeel gezamenlijk hebben verkocht aan appellante; dat de overgelegde onderhandse akte van 13 september 1963 op één gerechtigde na, te weten [naam 6], die wel mede heeft verkocht, doch ten tijde van het ondertekenen van voormelde akte niet aanwezig kon zijn door alle gerechtigden is getekend;

Overwegende, dat voormelde stelling van appellanten onjuist is, immers;

  1. volgens de transportakte van 9 december 1978 waren onder andere tot het onderhavige onroerend goed gerechtigd [naam 5] en [naam 5]. Deze worden in de akte van 13 september 1963 niet genoemd en hebben deze ook niet ondertekend.
  2. [naam 6] wordt in de koopakte van 13 september 1963 evenmin genoemd; dit, omdat hij al op 23 april 1963 (zie transportakte van 9 december 1978, derde blad) zijn aandeel aan een andere gerechtigde, met name [naam 5], had verkocht. Ten tijde van de verkoop aan appellante was [naam 6] dus geen gerechtigde meer;

Overwegende, met betrekking tot de vraag of alle deelgerechtigden hun aandeel hebben verkocht;

  • hoewel de hierboven onder 1 genoemde personen de koopakte van 13 september 1963 niet hebben ondertekend, hebben zij meegewerkt aan de transportakte van 9 december 1978, zodat mag worden aangenomen, dat zij naderhand hebben ingestemd met de verkoop;
  • als partij bij de koopovereenkomst van 13 september 1963 wordt genoemd [geïntimeerde sub a]. Deze is evenwel, volgens de transportakte van 9 december 1978 (zie ommezijde van derde blad) op 30 maart 1963 overleden, latende als zijn erfgenamen, zijn echtgenote [naam 7], drie minderjarige kinderen en één meerderjarig kind [naam 8]. Die echtgenote voornoemd heeft in privé en als moeder-voogdes over de drie minderjarige kinderen meegewerkt aan de transportakte van 9 december 1978, zodat ook al heeft [geïntimeerde sub a] niet verkocht, deze erfgenamen alsnog met die verkoop hebben ingestemd. Blijft over [naam 8], die niet heeft meegewerkt aan de transportakte van 9 december 1978;

Overwegende, dat alvorens een definitief oordeel te geven over appellante ’s grief, appellante in de gelegenheid zal worden gesteld zich omtrent het navolgende uit te laten casu quo bescheiden over te leggen:

  1. gaat [naam 8] accoord met de verkoop? Zo neen
  2. wanneer is [geïntimeerde sub a] overleden? (uittreksel overlijdensakte overleggen);
  3. heeft [geïntimeerde sub a] aan de verkoop meegewerkt?

Rechtdoende in hoger beroep
Alvorens definitief te beslissen;

Stelt appellante in de gelegenheid zich uit te laten over voormelde vraagpunten, casu quo producties over te leggen;

Bepaalt, dat dit verhoor zal worden gehouden ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 2 december 1983, des voormiddags te Half Negen Uur in de zittingszaal van dit Hof aan het Onafhankelijkheidsplein no.6 te Paramaribo;

Houdt iedere verdere uitspraak aan.