SRU-HvJ-1990-10

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-226
  • Uitspraakdatum 22 juni 1990
  • Publicatiedatum 29 april 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Vaststaat dat verzoeker daadwerkelijk heeft waargenomen in de definitief opengevallen functie van Hoofd ‘s Lands Bosbeheer, (waarvan de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse is verbonden, ingedeeld in schaal 19). Voor benoeming in deze functie bestaan geen wettelijke vereisten, en nergens is in de Personeelswet voorgeschreven dat bij het ontbreken van wettelijke vereisten, de betrokkene aan niet wettelijke vastgestelde materiële of traditionele vereisten zou moeten voldoen, weshalve het verweer in strijd is met de woorden van de wet.

    Bovendien is het stellen van niet bij of krachtens de wet gestelde en daardoor voor de landsdienaar niet of moeilijk kenbare vereisten, niet bevorderlijk voor de rechtszekerheid, waarop de landsdienaar aanspraak maakt en derhalve in strijd met de Personeelswet, die beoogt een verhoogde rechtsbescherming aan de ambtenaar te bieden.

    Het verweer dat de brief van verzoeker d.d. 17 juli 1985 als een beklag binnen de administratie moet worden aangemerkt, waarop niet is gereageerd, zodat de vordering niet tijdig zou zijn ingesteld, wordt verworpen door het Hof, dat onderscheid maakt tussen werkelijke en fictieve besluiten; van dit laatste is sprake, wanneer een overheidsorgaan heeft nagelaten binnen de daarvoor gestelde termijn (of 3 maanden) een verplichte handeling te verrichten dan wel niet binnen 6 maanden uitdrukkelijk op een verzoek heeft beslist. Derhalve is naar s ‘Hoven oordeel hier wel sprake van een besluit in de zin van artikel 78 Personeelswet, zodat het verweer van niet tijdige indiening moet worden verworpen.

    In dit geval laat artikel 22 lid 5 van de Personeelswet niet meer de gebruikelijke vrijheid van benoeming aan de overheid, doch schrijft imperatief voor dat de betrokkene geacht moet worden in die functie te zijn benoemd, hetgeen – zoals de memorie van toelichting uitdrukkelijk stelt – inhoudt dat verzoeker aanspraak maakt op stilzwijgende bevordering in de bij die functie behorende rang, zonder dat een verzoek zijnerzijds daartoe wordt gedaan (Vergel.: Hof van Justitie,·21 mei 1976 inzake [naam] contra Pensioenfonds Suriname, Sur. Jur. A. no. 157).
    (Artt. 25 lid 2, 78 en 80 lid 3 sub a Personeelswet).

Uitspraak

Hof van Justitie (Ambtenarengerecht), 22 juni 1990

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 1 ten kantore van advokaat Mr. F. KRUISLAND, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De waarnemend President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

[verzoeker] heeft zich bij verzoekschrift tot het Hof gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst bij deze de navolgende vordering tegen DE STAAT SURINAME, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no. 3, verweerder.

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet. Verzoeker vervult thans de functie van Hoofd van de Dienst In-, Uitvoer- en Deviezencontrole in de rang van Stafambtenaar A le klasse.

3. Blijkens de hierbij overgelegde resoluties van de President van de Republiek Suriname d.d. [datum 1]  [nummer 1] en [datum 2]  [nummer 2] is verzoeker vanaf 4 april 1984 tot en met 15 juli 1985 ingevolge artikel 22 lid 1 van de Personeelswet belast geweest met de waarneming van de functie van Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer, terwijl hij alstoen de sub 2 vermelde rang bekleedde. Voormelde functie was alstoen definitief opengevallen.

4. Verzoeker heeft dan ook gedurende meer dan één jaar in totaal de definitief opengevallen functie van Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer waargenomen. Ingevolge artikel 22 lid 5 van de Personeelswet wordt verzoeker dan ook geacht stilzwijgend in die functie te zijn benoemd, te rekenen vanaf 4 april 1985.

5. Ingevolge het Ambtenarenbezoldigingsbesluit is aan de functie van Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer de rang verbonden van Hoofdambtenaar A 3e klasse, welke rang is ingedeeld in salarisschaal 19.

6. Zoals gesteld moet verzoeker worden geacht stilzwijgend te zijn benoemd·in de functie van Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer, te rekenen vanaf 4 april 1985, terwijl hij alstoen de rang bekleedde van Stafambtenaar A le klasse, welke hij nu nog bekleedt, doch aan voormelde functie de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse is verbonden.

7. Op grond van het sub 5 en 6 gestelde maakt verzoeker ingevolge artikel 24 lid 4 van de Personeelswet aanspraak op bevordering tot de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse en indeling in schaal 19, zoals aangegeven in het Ambtenarenbezoldigingsbesluit.

8. Verweerder was en is gehouden verzoekers aanspraken als vorenomschreven te honoreren en dienovereenkomstig de vereiste administratieve regelingen tot stand te brengen, met name:

a. verzoekers (stilzwijgend) benoeming tot Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer formeel vast te leggen;

b. verzoekers bevordering tot Hoofdambtenaar A 3e klasse te realiseren, zulks bij resolutie van de President van Suriname, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 lid 2 van de Personeelswet.

9. Verweerder heeft evenwel ondanks herhaalde aanmaningen terzake, nagelaten en laat nog steeds na de sub 8 vermelde besluiten te nemen en de terzake vereiste verdere handeling te verrichten, zulks in strijd met het bepaalde in de artikelen 22 en 24 van de Personeelswet en in strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat een ambtenaar recht heeft op een behoorlijke onjuiste regeling van zijn rechtspositie.

Verzoeker heeft op te dezer plaatse gevorderd:
dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Verweerder zal worden veroordeeld om binnen één maand na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door het Hof te bepalen termijn, overeenkomstig de terzake geldende wettelijke regelingen vast te leggen, althans te doen vastleggen, dat verzoeker (stilzwijgend) is benoemd tot Hoofd van de Dienst ’s Lands Bosbeheer, met bepaling dat verweerder voor elke dag, dat hij in gebreke blijft met de voldoening van het in deze te wijzen vonnis aan verzoeker ten titel van dwangsom een bedrag van Sf. 100,– (EENHONDERD GULDEN) zal verbeuren;

II. Verweerder zal worden veroordeeld om binnen één maand na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door het Hof te bepalen termijn over te gaan tot bevordering van verzoeker tot de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse, zulks te rekenen vanaf 4 april 1985 en indeling in de schaal 19, zoals vastgesteld in het Ambtenarenbezoldigingsbesluit, met bepaling, dat verweerder voor elke dag dat hij ingebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, aan verzoeker ten titel van dwangsom zal verbeuren een bedrag van Sf. 100,– (EENHONDERD GULDEN).

Binnen de bij de Wet gestelde termijn is van de Staat Suriname een verweerschrift binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd:

1. Verweerder erkent het feit dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet. Verweerder erkent eveneens dat verzoeker bij Resolutie van [datum 1] [nummer 1] (eerder aangehaald en door verzoeker overgelegd bij zijn inleidend rekest) met terugwerkende kracht gerekend van 4 april 1984, TIJDELIJK VOOR DE DUUR VAN 6 MAANDEN, werd belast met de leiding van de dienst ’S LANDS BOSBEHEER, toen ten tijde ressorterend onder het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, hierna te noemen L.V.V.

Anders door verzoeker gesteld in het 3e sustenu van zijn inleidend rekest dient hier nadruk gelegd te worden op de expliciete vastlegging door verweerder, om verzoeker tijdelijk (6 maanden) met de eerder genoemde waarneming te belasten.

Aan verzoeker is bij deze Resolutie van [datum 1], ook een waarnemingstoelage toegekend, middels verrekeningsmandaat te verrekenen met het Ministerie van L.V.V.

De administratieve afhandeling wordt deze dagen geëffectueerd.

2. Het gestelde in het 4e t/m het 7e sustenu van het inleidend rekest, op grond waarvan verzoeker meent aanspraak te moeten maken op bevordering vanuit de rang van Stafambtenaar A 3e klasse, schaal XIII, naar de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse, schaal XIX, e.e.a. onder vigeur van de terzake aangehaalde bepalingen van artikel 24 van de Personeelswet, is voor verweerder aanleiding tot de volgende beschouwing:

De feitelijke waarneming in een functie wordt (bij het zoeken naar juiste toepassing van het gestelde in artikel 22 lid 5, en het aldaar aangegeven rechtsgevolg, namelijk dat bij waarneming gedurende meer dan één jaar in totaal, de landsdienaar wordt geacht in die functie stilzwijgend te zijn benoemd) te vaak als één op zichzelf staand rechtscheppend criterium beschouwd.

Dit is niet juist. Er zijn twee criteria die samen het recht (de aanspraak) doen ontstaan om geacht te worden stilzwijgend in de waargenomen functie te zijn benoemd.

Wil een landsdienaar die feitelijk waarneemt in een functie (langer dan een jaar) het rechtsgevolg dat artikel 22 lid 5 schept, op hem van toepassing doen zijn, dan zal betrokken tevens moeten voldoen aan de eis hetzelfde artikel stelt, namelijk en voldoen aan de wettelijke eisen van benoembaarheid in die functie.

Dit belangrijke criterium komt in hetzelfde artikel 22 Personeelswet wel vier maal aan de orde (respectievelijk in lid 1 onder c, – in lid 2, – in lid 4 onder 5 en in lid 3, juncto art. 21 de leden twee en drie).

Dit criterium: voldoen aan de wettelijke eisen van benoembaarheid, ligt in alle gestrengheid ten grondslag aan de last tot waarneming, ook al moet nu reeds gesteld worden, dat door het nog niet kunnen realiseren van de algehele functie-analyse van elke onderdeel van de overheidsdienst, er nog geen vast omlijnde wettelijke normen zijn waaraan iemand moet voldoen om benoembaar te zijn in de functie van Hoofd van ’s Lands Bosbeheer.

3. Verzoeker, die wel geschikt bleek te zijn voor de vervulling van verschillende posten in zijn lange ambtelijke loopbaan, voldeed evenwel niet aan de functie-vereisten, zoals die traditioneel en begrotings-technisch, materieel, tot op heden zijn vastgelegd. Ook de formatieplaats van het Hoofd van ’s Lands Bosbeheer(schaal 19), wijst op een bijzondere kwalificatie, te weten het hebben genoten van een opleiding hetzij als bosbouwkundige, hetzij als landbouwkundige. Hieraan voldeed verzoeker niet, waardoor een eventuele benoeming van hem tot Hoofd ’s Lands Bosbeheer, verstoken zou zijn van de eis, dat hij ook moet voldoen aan de eisen van benoembaarheid.

4. Verzoeker zelf kan dit beamen, nu hij het INSTITUUT VOOR DE OVERHEIDSDIENST, alwaar hij wel deskundig was, in het vaststellen van formaties en het mede beoordelen van verzoeken tot aanstelling in rangen, behorende bij bepaalde functies en bezoldigd volgens de geldende salarisschalen – tussen 1975 en 1978 – werkzaam is geweest.

Wanneer verzoeker aldáár – INSTITUUT VOOR DE OVERHEIDSDIENST, (formatiezaken) – langer dan een jaar in totaal had waargenomen, dan zou zijn vordering tot een stilzwijgende benoeming feitelijke grondslag hebben en zijn beroep op artikel 24 lid 5·van de Personeelswet, draagkrachtig zijn.

Voor de benoeming tot Hoofd ’s Lands Bosbeheer is verzoeker evenwel niet gekwalificeerd en maakt dan ook geen aanspraak op de in artikel 22 lid 5 in het vooruitzicht gestelde benoeming, nu hij niet ook voldoet aan de misschien niet wettelijk, maar dan traditioneel, en materieel te stellen en gestelde eisen tot benoembaarheid als Hoofd L.B.B.
Bij herhaling kan nog eens expliciet worden gesteld, dat materieel, dit is op de begroting en traditioneel, de benoeming van gekwalificeerde krachten in bepaalde rangen, een juiste en aanvaardbare grondslag bieden voor vervanging van de eis, dat ”bij wet” de eisen van benoembaarheid in een bepaalde rang dienen te worden vastgesteld. Ten deze moge voor wat betreft functie en rang worden verwezen naar artikel 7 van de Personeelswet 1962, in het bijzonder naar de tweede volzin (en daarin de woorden ”zoveel mogelijk”):”De aanwijzing van die functies en rangen geschiedt zoveel mogelijk op de grondslag van de uitkomsten van een onderzoek door niet-belanghebbende deskundigen ingesteld naar de aard en de omvang van de bij het betrokken onderdeel te verrichten werkzaamheden”.

5. Volledige functie-analyse zou het draagvlak moeten zijn van het gestelde in artikel 22 dat eisen van benoembaarheid vooraf moeten zijn vastgesteld bij wet.
Nu de onmogelijkheid tot functie-analyse voor het gehele overheidsapparaat, door onmacht. c.q. buiten schuld of onzorgvuldigheid van verweerder, is uitgebleven, zal ook de rechtspraak naar het oordeel van verweerder, (gelet op de vordering van verzoeker tot benoeming tot Hoofd van ’s Lands Bosbeheer, in de rang eertijds bezoldigd volgens schaal 19 van de salarisreeks) naar regels van recht, en na afweging van de in aanmerking komende belangen, in redelijkheid niet tot toewijzing van de vordering van verzoeker kunnen (lees mogen) komen.

6. Tenslotte kan gesteld worden dat bij herhaling of aan verzoeker zelf, of aan het Ministerie waar hij verbonden was is meegedeeld, dat verzoeker niet gekwalificeerd was voor benoeming in de door hem waargenomen functie.
Op zijn schrijven van 28 april 1987, inzake vaststelling van zijn rechtspositie aan de toenmalige Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij, berichtte de bewindsman schriftelijk op 18 juni 1987 verzoeker, dat hij niet voor benoeming in die functie (Hoofd ’s Lands Bosbeheer) in aanmerking kwam ”vermits voor die functie een academicus, met name een bosbouwkundige-Ingenieur vereist is”.

Afschrift hierbij gevoegd met verzoek dit schrijven als in dit verweer geïnsereerd te willen beschouwen.

Op dit schrijven dat ter kennis kwam van verzoeker heeft verzoeker niet verder gereageerd, althans niet processueel, zoals voorgeschreven in de Personeelswet, artikel 79 en 80. De termijnen genoemd in die Wet zijn ver overschreden, op grond waarvan dan ook moet worden aangenomen, dat naar luidt artikel 80 van de Personeelswet, o.a. ingevolge lid 3 onder b, het Hof van Justitie verzoeker in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.

Verweerder heeft op deze gronden geconcludeerd:
dat verzoeker op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen omdat hij ingevolge de Personeelswet tardief is in het adiëren van uw Hof c.q. deze vorderingen als door verzoeker gedaan, aan hem zullen worden ontzegd als zijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen.

Ingevolge ’s Hofs beschikking van 21 juni 1989 zijn in Raadkamer verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr. F. Kruisland, mevr. Reiziger en Mr. Dr. Ooft namens de Staat, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd.

De gemachtigden van partijen hebben de zaak hierna bij pleidooi nader toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder daarbij produkties overgelegd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak bepaald op 25 mei 1990, doch nader op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Als niet weersproken staat rechtens tussen partijen vast, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet.

Verweerder heeft tegen de vorderingen van verzoeker twee formele weren aangevoerd en geconcludeerd, dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen, welke weren blijkens het hierna volgende ter bestemder plaatse zullen worden besproken.

Het Hof zal thans in chronologische volgorde verzoekers rechtspositie bespreken, zijn op grond daarvan ingestelde vorderingen en tevens de daartegen door verweerder aangevoerde weren:

(1.) Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van [datum 1] [nummer 1] is verzoeker, die toen de rang bezat van Stafambtenaar A 1e klasse (schaal 15) te rekenen van 4 april 1984 tijdelijk en wel voor de duur van 6 maanden belast ”met de leiding van de Dienst ’s Lands Bosbeheer”.

(2.) Uit een resolutie van voornoemde President van [datum 2] [nummer 2] blijkt, dat met het tussen ”    ” geplaatste werd bedoeld verzoeker te belasten met de waarneming van de funktie van Hoofd van genoemde Dienst.

(3.) Bij laatst vermelde resolutie is die waarneming verlengd met de perioden: 4 november 1984 tot en met 31 december 1984,

1 januari 1985 tot en met 31 januari 1985,

1 februari 1985 tot en met 15 juli 1985.

(4.) Niet betwist is, dat verzoeker gedurende de periode 4 april 1984 tot en met 15 juli 1985 de funktie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer daadwerkelijk heeft waargenomen. Evenmin is betwist, dat deze funktie definitief was opengevallen.

(5.) In confesso is, dat er geen wettelijke vereisten bestaan voor benoeming in die funktie. Hierover later uitvoerig bij de bespreking van de door verweerder terzake aangevoerde formele weer.

(6.) Als niet betwist staat eveneens rechtens vast, dat aan de funktie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse is verbonden en dat die rang in salarisschaal 19 is ingedeeld.

(7.) Verzoeker vordert, dat verweerder, onder verbeurte van een dwangsom, zal worden veroordeeld ertoe over te gaan, hem te bevorderen tot de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse en indeling in schaal 19.

(8.) Verzoeker heeft bij brief d.d. 28 april 1987·aan de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij verzocht te bewerkstelligen dat zijn rechtspositie formeel wordt vastgesteld in dier voege dat zijn indeling in de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse wordt gerealiseerd.

(9.) In antwoord hierop kreeg hij van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij a.i. de brief van [datum 3] [nummer 3], inhoudende onder andere:

dat hij, verzoeker niet voor benoeming in de functie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer in aanmerking komt, vermits voor die ”functie een academicus, met name een bosbouwkundig ingenieur vereist is”. Hierover later uitvoerig bij de bespreking van de kwestie van de vereisten voor benoembaarheid.

(10.) Eerder, bij brief van 17 juli 1985, had verzoeker aan de Minister van Transport, Handel en Industrie onder meer verzocht te willen bewerkstelligen dat zijn stilzwijgende benoeming tot Hoofd ’s Lands Bosbeheer werd bevestigd en dat zijn indeling in de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse werd gerealiseerd.

(11.) Op deze brief is niet gereageerd.

(12.) Bij antwoord-pleitnota nu, heeft verweerder als verweer aangevoerd, dat de brief van 17 juli 1985 moet worden aangemerkt als een beklag binnen de administratie en nu niet op dit beklag is gereageerd zou artikel 80 lid 3 sub a van de Personeelswet van toepassing zijn en de vordering niet tijdig zijn ingesteld.

(13.) Bij de regeling nu van het beklag in de Personeelswet wordt naar ’s Hoven oordeel onderscheid gemaakt tussen, wat men zou kunnen noemen, werkelijke besluiten en fictieve besluiten. Het beklag kan betrekking hebben op een werkelijk of fictief besluit. Van een fictief besluit is sprake (art. 78 lid 2) indien:

a. een orgaan heeft nagelaten om binnen de daarvoor gestelde termijn (of 3 maanden) een verplichte handeling te verrichten;

b. een orgaan niet binnen 6 maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een verzoek.

(14.) Vóór de brief van 17 juli 1985 had verzoeker geen verzoek ingediend zijn benoeming te bevestigen etc. Het sub b bedoelde geval doet zich niet naar ’s Hoven oordeel dus niet voor.

(15.) Was hier sprake van het nalaten van een verplichte handelingen?

Op grond van het hierboven sub (1) tot en met (6) gestelde moet naar ’s Hoven oordeel worden geacht te rekenen van 4 april 1985 stilzwijgend in de funktie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer te zijn benoemd. Zijn rang was toen lager dan die verbonden aan de funktie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer en had hij aanspraak op bevordering in de hogere rang (art. 24 lid 4 Personeelswet).

Verweerder was verplicht verzoeker te bevorderen.

Voor deze verplichte handeling is geen bepaalde termijn vastgesteld, zodat daarvoor de termijn van 3 maanden (art. 78 lid 2a) geldt. Toen op 5 juli 1985 geen bevordering was gevolgd, werd ingevolge voormeld artikel het bevoegde gezag geacht een besluit te hebben genomen en wel om de bevordering niet te effectueren.

Er was naar ’s Hoven oordeel dus wel een besluit in de zin van artikel 78 Personeelswet.

(16.) Ingevolge het bepaalde in artikel 3 lid 2 Personeelswet was het gezag dat bovenbedoeld (fictief) besluit nam, het hoogste gezag (te weten de President), zodat tegen dit besluit geen beklag mogelijk was (zie Mem. v. Toel. pag. 19 Pw.).

(17.) Indien de brief van 17 juli 1985 als een beklagschrift moet worden aangemerkt, dan is dit beklag zonder rechtsgevolg, omdat voor verzoeker geen beklag mogelijk was. Het hierboven sub (12.) bedoelde verweer dient derhalve te worden verworpen.

(18.) In het verweerschrift wordt de brief van verzoeker van 28 april 1987 als een beklagschrift aangemerkt en wordt het antwoord daarop·als een beslissing op dat beklag beschouwd. Aangezien de onderhavige zaak langer dan een maand, nadat die beslissing ter kennis van verzoeker is gebracht, is ingesteld, zou verzoeker ex artikel 80 lid 3 sub b niet-ontvankelijk zijn.

(19.) Dit verweer dient op dezelfde grond als het sub (12.) bedoelde verweer te worden verworpen.

(20.) Als verder verweer is voorts aangevoerd, aldus begrijpt het Hof de betreffende stellingen van verweerder, dat:

– er geen wettelijke vereisten zijn voor benoeming in de funktie van Hoofd ’s Lands Bosbeheer,

– als materieel en traditioneel vereiste voor die benoeming geldt het genoten hebben van een opleiding tot bosbouwkundige of landbouwkundige,

– dat het voldoen aan niet alszodanige wettelijk vastgelegde materiële en traditionele vereisten een juiste en aanvaardbare vervanging is voor de eis van voldoening aan wettelijke vereisten en dat nu verzoeker niet aan bovenbedoeld materieel en traditioneel vereiste voldoet, hij derhalve geen aanspraak ontleent aan artikel 22 lid 5 Personeelswet.

(21.) De woorden van artikel 22 lid 5 Personeelswet zijn naar ’s Hoven oordeel duidelijk. Criterium is het voldoen aan de wettelijke, dat wil zeggen bij of krachtens de wet, gestelde vereisten voor benoembaarheid.

Nergens in de Personeelswet wordt voorgeschreven dat, bij het ontbreken van dergelijke vereisten, betrokkene aan niet wettelijk vastgestelde materiële of traditionele vereisten zou moeten voldoen.

(22.) Het verweer is derhalve in strijd met de woorden van de wet. Het stellen van niet bij of krachtens de wet gestelde en daardoor voor de landsdienaar niet of moeilijk kenbare vereisten, zou bovendien niet bevorderlijk zijn voor de rechtszekerheid, waarop de landsdienaar aanspraak maakt en derhalve in strijd met de bedoeling van de Personeelswet, die beoogt een verhoogde rechtsbescherming aan de ambtenaar te bieden.

(23.) De toelichting op artikel 22 lid 5 Personeelswet laat naar ’s Hoven oordeel zien, dat de wetgever rekening mee heeft gehouden, dat in een bepaald geval wettelijke eisen van benoembaarheid kunnen ontbreken en dat desondanks, indien aan de overige vereisten te weten waarneming gedurende langer dan een jaar van een definitief opengevallen funktie is voldaan, stilzwijgende benoeming volgt.

(24.) Dit verweer dient dan ook te worden verworpen.

(25.) Verzoeker is mitsdien ontvankelijk in zijn vordering.

(26.) Voor zover ten overvloede verweerder een beroep bedoelt te doen op het Ambtenarenbezoldigingsbesluit (S.B. 1980 no. 153 in het bijzonder bijlage B, jo. S.B. 1976 no. 11), zij opgemerkt, – gelijk hierboven bereids sub (21.) is vermeld, – dat artikel 22 lid 5 van de Personeelswet in dit geval niet meer de gebruikelijke vrijheid van benoeming aan de Overheid last, doch imperatief voorschrijft, dat de betrokkene geacht moet worden dan in de funktie te zijn benoemd, hetgeen, zoals de memorie van toelichting uitdrukkelijk stelt, inhoudt, dat verzoeker aanspraak maakt op stilzwijgende bevordering in de bij die funktie behorende rang (ook zonder dat een verzoek zijnerzijds tot bevordering wordt gedaan (Cfm. vs. HOF VAN JUSTITIE 21 mei 1976, S.J. (A) No. 157 inz. [naam]/PENSIOENFONDS SURINAME).

(27.) Verzoekers vorderingen dienen in voege als na te melden te worden toegewezen.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

I. Veroordeelt verweerder om binnen DRIE MAANDEN na betekening van dit vonnis overeenkomstig de terzake geldende wettelijke regelingen vast te leggen, dat verzoeker stilzwijgend is benoemd tot Hoofd van de Dienst ’s lands Bosbeheer met bepaling dat verweerder voor elke dag dat hij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, aan verzoeker ten titel van dwangsom een bedrag van f. 100,- (EENHONDERD GULDEN) zal verbeuren;

II. Veroordeelt verweerder om binnen DRIE MAANDEN na betekening van dit vonnis over te gaan tot bevordering van verzoeker tot de rang van Hoofdambtenaar A 3e klasse, zulks te rekenen vanaf 4 april 1985 en indeling in de salarisschaal 19, zoals vastgesteld in het Ambtenarenbezoldigingsbesluit, met bepaling dat verweerder voor elke dag dat hij ingebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, aan verzoeker ten titel van dwangsom zal verbeuren een bedrag van f. 100,– (EENHONDERD GULDEN);

Wijst af het meer of anders gevorderde.