SRU-HvJ-1990-14

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-12530
  • Uitspraakdatum 27 juli 1990
  • Publicatiedatum 19 mei 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Een oorspronkelijke gedaagde, die zich op de tegen hem ingestelde vordering in eerste aanleg niet verweert, is bevoegd ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in hoger beroep nieuwe weren van rechten in te brengen, mits deze een verdediging op de hoofdzaak opleveren en niet in het geding in eerste aanleg zijn gedekt.
    (Artt. 260, 271, 274, 278 lid 2, 280, 281 en 284 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Uitspraak

Hof van Justitie
27 juli 1990, G.R. 12530
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, F.F.P. Truideman)

[appellant] wonende in [adres] in het [district] , advocaat mr. E.J. Bruma, appellant,

tegen

Landbouwbank N.V., rechtspersoons, gevestigd te Paramaribo, mede kantoorhoudende in het distrikt Nickerie, advocaat mr. G. Gangaram-Panday, geïntimeerde.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:

1.       de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Derde Kanton, respektievelijk van 17 december 1984 en 20 mei 1985 tussen partijen gewezen;

2.      het proces-verbaal van de Griffier van het Derde Kanton van 12 juni 1985, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat Landbouwbank N.V. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1.       dat eiseres hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellant] wonende  [adres] in het [district];

2.      dat blijkens de hierbij in fotokopie overgelegde kredietovereenkomsten heeft eiseres op 14 november 1977 aan gedaagde twee kredieten verstrekt, te weten:

a.      een krediet in lopende rekening (seizoenlening) bekend onder [rekeningnummer 1], tot een maximum bedrag van Sf. 12.000,– welk bedrag gedaagde zou moeten aflossen in de periode juni/december 1978. Deze kredietverlening hield in dat gedaagde telkenmale het opgenomen krediet binnen 6 maanden (een crop) na ontvangst van de gelden – voor het eerst in de periode juni/december 1978 – zou moeten volstorten en dat hij daarna dit bedrag weer mocht opnemen mits van het krediet een juist gebruik werd gemaakt;

b.      een krediet, bekend onder [rekeningnummer 2], ten bedrage van Sf. 13.825,– welk bedrag door gedaagde zou worden betaald d.m.v. 7 halfjaarlijkse aflossingen van Sf. 1.975,– voor het eerst per ultimo mei 1978 zodat de schuld na 41 maanden geheel zou zijn afbetaald;

3.      dat gedaagde zich evenwel niet gehouden heeft aan zijn voormelde verplichtingen, zulks ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne en zich mitsdien jegens eiseres heeft schuldig gemaakt aan wanprestatie, zodat eiseres zich thans genoopt ziet tot het nemen van rechtsmaatregelen over te gaan;

4.      dat eiseres per 1 maart 1984 van gedaagde opeisbaar te vorderen heeft 21.670,47 ([rekeningnummer 1]) + Sf. 16.267,24 ([rekening nummer 2]), zijnde een bedrag van Sf. 37.937,71;

5.      dat gedaagde ingevolge de kredietovereenkomst over achterstallige aflossingen 1% rente per maand verschuldigd is terwijl hij ingevolge art. 7 van de Algemene Voorwaarden voor rekeninghouders bij de Landbouwbank N.V. gehouden is de buitengerechtelijke kosten aan eiseres te voldoen, welke kosten naar redelijkheid zijn vastgesteld op Sf. 1.900,–;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, terzake voorschreven zal worden veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

a.      een bedrag van Sf. 37.937,71 vermeerderd met de rente hierover ad 1% per maand vanaf 1 maart 1984 tot aan de algehele voldoening;

b.      een bedrag van Sf. 1.900,– aan buitengerechtelijke kosten, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat deze rechtszaak voor onbepaalde tijd zal worden aangehouden;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen over en weer bij mondelinge conclusies van repliek en dupliek hebben geconcludeerd tot persistit;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 17 december 1984 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, omdat partijen in termen van schikking verkeerden;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating schikking zijdens eiseres bepaald diens gemachtigde de Kantonrechter heeft medegedeeld, dat er geen schikking is bereikt;

Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 20 mei 1985 op de daarin opgenomen gronden:

gedaagde heeft veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

a.      een bedrag van Sf.·37.937,71 (zeven en dertig duizend negenhonderd zeven en dertig 71/100 gulden), vermeerderd met de rente hierover ad 1% per maand vanaf 1 maart 1984 tot aan de dag der algehele voldoening,

b.      een bedrag van Sf. 1.900,– (eenduizend en negenhonderd gulden) aan buitengerechtelijke kosten; dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.112,25 (eenhonderd en twaalf 25/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 20 mei 1985;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Ch. Balgobind van 5 november 1985 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis d.d. 20 mei 1985 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken tussen partijen, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis één grief heeft ontwikkeld, luidende, dat de Kantonrechter ten onrechte voortijdig heeft aangenomen, dat appellant geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering van geïntimeerde en de vordering toegewezen;

Overwegende, dat appellant betoogt:

dat hij bij conclusie van antwoord met zoveel woorden heeft gesteld, een minnelijke oplossing voor te staan wat geenszins betekent dat de vordering zoals die is ingesteld wordt erkend;

dat appellant zeer nadrukkelijk bij antwoord heeft gesteld dat hij zich het recht voorbehoudt tot een nadere conclusie van antwoord te komen, zo eiseres, thans geïntimeerde, een andere mening zou zijn toegedaan, wat ongetwijfeld op een betwisting van eiseresses stellingen wijst;

dat de conclusie van de Kantonrechter in diens eindvonnis dat er geen schikking is bereikt en gedaagde geen verweer heeft gevoerd, op welke gronden de vordering is toegewezen, appellant dan ook onjuist voorkomt;

Overwegende, ten aanzien van voormelde grief:

dat naar uit de conclusie van antwoord, genomen ter rolle van 15 oktober 1984, blijkt, heeft appellant zich het recht voorbehouden om, indien geïntimeerde, toenmaals eiseres, een andere mening omtrent het in die conclusie door appellant gesteld gesprek om tot een minnelijke oplossing te komen, zou zijn toegedaan, tot een nadere conclusie van antwoord te komen;

dat uit het hiervorenaangehaalde valt af te leiden dat, zo partijen niet tot een minnelijke schikking zouden komen, appellant alsnog verweer zou voeren tegen de tegen hem ingestelde vordering;

dat naar blijkt, appellant in prima geen verweer heeft gevoerd;

dat appellant de Kantonrechter terecht het verwijt maakt geen rekening te hebben gehouden met het door hem – appellant – gemaakte voorbehoud op het alsnog voeren van verweer;

dat voormelde grief evenwel niet zal leiden tot een voor appellant gunstige beslissing in de onderhavige zaak en wel op grond van het volgende:

dat een oorspronkelijke gedaagde, die zich op de tegen hem ingestelde vordering in eerste aanleg niet verweert, bevoegd is ingevolge het bepaalde in artikel 287 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in hoger beroep nieuwe weren van rechten in te brengen, mits deze een verdediging op de hoofdzaak opleveren en niet in het geding in eerste aanleg zijn gedekt;

dat appellant die als gedaagde in het geheel geen verweer op de tegen hem door de geïntimeerde als eiseres ingestelde vordering in eerste aanleg blijkt te hebben gevoerd, daartoe wel bevoegd was op grond van de aangehaalde wetsbepaling in hoger beroep, omdat niet aangenomen zou kunnen worden, dat zijn verweer in appèl is gedekt, doordat hij ingebreke is gebleven om in eerste aanleg verweer te voeren;

dat deze bevoegdheid in hoger beroep door de appellant slechts kan worden uitgeoefend in een der memoriën, als bedoeld in artikel 271 van vermeld wetboek;

Overwegende, dat van deze bevoegdheid bij het houden der pleidooien evenwel geen gebruik kan worden gemaakt, vermits een pleidooi in het algemeen een toelichting is op reeds gestelde feiten en daaraan verbonden rechtsgevolgen en dat het dan bepleiten van een zaak ingevolge het bepaalde in artikel 281 van vermeld wetboek, niet kan omvatten het inbrengen van nieuwe weren van rechten als bedoeld in artikel 278 lid 2 van vermeld wetboek en een pleitnota als inhoudende hetgeen de advocaat ten behoeve van en voor zijn kliënt ter toelichting van diens zaak ter terechtzitting heeft aangevoerd, geen memorie in de zin van artikel 271 of van artikel 274 dan wel een stuk als bedoeld in artikel 280 van vermeld wetboek is;

Overwegende, dat nu appellant voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep zijn verweer ten principale tegen de tegen hem als gedaagde door de geïntimeerde als eiseres ingestelde vordering heeft gevoerd, op grond van al het voorgaande, op dit verweer geen acht kan worden geslagen en de appellant ook in hoger beroep niet geacht kan worden op de vermelde vordering te hebben geantwoord;

Overwegende, dat evenals in eerste aanleg, ook in hoger beroep de vordering van eiseres/geïntimeerde als door gedaagde/appellant niet weersproken moet worden aangemerkt en dat het vonnis waarvan beroep, onder verwerping van de daartegen ontwikkelde grief, als zijnde juist en conform de wettelijke regeling gewezen, in hoger beroep behoort te worden bevestigd met veroordeling van de appellant in de kosten van het geding;

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 20 mei 1985 waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot f ……; met inbegrip van het door het Hof aan haar advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 150,–; bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op Sf. 150,–.