SRU-HvJ-1990-9

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13000
  • Uitspraakdatum 22 juni 1990
  • Publicatiedatum 10 juni 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Krachtens het toepasselijk recht wordt de dwangsom, opgelegd om de nakoming van een rechterlijk bevel af te dwingen en aldus tot tenuitvoerlegging daarvan te geraken, eerst verbeurd, indien de nakoming uitblijft na de betekening van het vonnis, voorgeschreven in artikel 305 lid 2 Rechtsvordering. Vermits die betekening in het onderhavige geval op 22 mei 1989 heeft plaats gehad, is de dag na die betekening, zijnde 23 mei 1989, de eerste dag waarover de opgelegde dwangsom verschuldigd is.
    (Art. 492 Wetb. v. Burg. Rv.).

Uitspraak

Hof van Justitie

22 juni 1990, G.R. 13000

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, A.C. Veldema, J.R. von Niesewand)

A. appellant A],
B. [appellant B], beiden ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 1 ten kantore van advocaat mr. B.A. Halfhide, apellanten in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [adres] in het [district] , advocaat mr. H.R. Schurman, geïntimeerde in Kort Geding.

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  • het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 10 april 1989 tussen partijen gewezen;
  • het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 11 augustus 1989, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  • dat eiseres de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen:
    a. [appellant A],
    b. [appellant B], beiden ten deze domicilie kiezende ten kantore van mr. B.A. Halfhide, advocaat, gedaagden;
  • dat eiseres bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 18 mei 1989 bekend onder no. 89/1602 is veroordeeld om haar boot, bekend onder de naam “[naam boot]” binnen één dag na de uitspraak van het perceel van gedaagden weg te halen en voormeld perceel te ontruimen en ter beschikking van gedaagden te stellen.
    Voorts werd eiseres veroordeeld om ter titel van dwangsom aan gedaagden Sf. 500,– te betalen voor iedere dag dat zij aan de veroordeling niet voldoen;
  • dat eiseres niet in staat is geweest om tijdig aan voormeld vonnis te voldoen, daar zij vanwege overmacht genoodzaakt was de litigieuze boot te repareren, alvorens vermelde boot in het water te slepen, waarna deze van de plaats waar het zich bevond kon worden verwijderd;
  • dat blijkens hierbij overgelegd exploit van deurwaarder D. Hew A Kee de dato 02 juni 1989 eiseres is aangezegd om haar boot, bekend onder de naam “[naam boot]” weg te halen, waarbij tevens bevel is gedaan van betaling van de verbeurte dwangsom tot een bedrag van Sf. 6.500,– (zesduizend en vijfhonderd gulden);
  • dat gedaagden doende zijn de boot in het openbaar te doen verkopen, waarbij de verkoop op 20 juli 1989 is bepaald;
  • dat eiseres zich niet kan verenigen met de unfaire houding van gedaagden daar eiseres door overmacht gedreven niet in staat is geweest om tijdig aan de veroordeling tot ontruiming te voldoen. De door gedaagden verbeurte dwangsom aan eiseres is dan ook onterecht en ziet eiseres dit als een verrijking zijdens gedaagden, te meer daar eiseres twee dagen na gemelde datum de litigieuze boot heeft verwijderd van de plaats alwaar het zich bevond;
  • eiseres wordt door eerder omschreven executie ernstig gedupeerd, daar de boot bij een eventuele openbare verkoop voor een appel en een ei zal worden weggegeven, terwijl de boot thans een hoge verkoopwaarde heeft, daargelaten dat eiseres voor het onderhoud van haar gezin c.q. familie van de exploitatie in de boot afhankelijk is;
  • dat eiseres inmiddels een vordering bij de Kantonrechter aanhangig heeft gemaakt, waarin zij de hoogte van de door eiseres begrote dwangsom betwist;
  • dat eiseres vanwege haar vorenomschreven belang bereid is een bankgarantie aan gedaagden ter beschikking te stellen, zulks in afwachting op de te nemen eindbeslissing in het bodemgeschil;
  • dat deze zaak één is met een spoedeisend karakter welke geen uitstel gedoogt en een voorziening bij voorraad rechtvaardigt;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle uren en dagen zal worden gelast dat de executie, althans de openbare verkoop van de boot, genaamd “[naam boot]”, welke is vastgesteld op donderdag 20 juli 1989, zal worden opgeschort totdat in bodemgeschil een eindbeslissing is gegeven, tegen verbeurte van een dwangsom van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag voor elke dag dat gedaagden weigeren om aan het vonnis te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellant A] en [geïntimeerde] als gedaagde partijen in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering hebben bestreden en daarbij hebben geconcludeerd:
dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans deze aan haar zal worden ontzegd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in kort geding van 10 augustus 1989 op de daarin opgenomen gronden:
gedaagden heeft gelast om de executie van het vonnis d.d. 18 mei 1989 in de zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 891602, wat de verbeurde dwangsom betreft, op te schorten totdat door de gewone rechter in een door eiseres binnen twee maanden na heden – op straffe van verval van deze opschorting – aanhangig te maken geding over de verschuldigdheid daarvan definitief is beslist;

gedaagden heeft veroordeeld om ten titel van dwangsom aan eiseres Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) te betalen voor iedere dag dat zij aan voormelde veroordeling niet voldoen en wel tot een maximum bedrag van Sf. 50.000,– (vijftig duizend gulden);

dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagden heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 114,– (eenhonderd en veertien gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 10 augustus 1989;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Sh. Kandhai van 7 november 1989 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 25 mei 1990, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 10 augustus 1989, tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellanten blijkens de pleitnota de dato 9 maart 1990, tegen het beroepen vonnis twee grieven hebben ontwikkeld, luidende:

  • Ten onrechte heeft de Kantonrechter geoordeeld dat een reeds verbeurde – dat is verschuldigde – dwangsom niet meer geëxecuteerd kan worden nadat voldaan is aan een veroordelend vonnis, omdat de executie slechts mogelijk was voor de prestatie en daarna niet meer, hebbende de Kantonrechter het voorgaande gestoeld op de overweging, dat de dwangsom een indirekt middel is om de hoofdverplichting af te dwingen, en als deze eenmaal nagekomen is, is afdwingen niet meer nodig en is dus de executie van de reeds verbeurde dwangsom niet meer mogelijk, als zijnde in strijd met het karakter en doel van de dwangsom;
  • Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat nu partijen verdeeld zijn over de grootte van het bedrag van de dwangsom, de executie dient te worden opgeschort;

Overwegende, aangaande voormelde grieven:
– dat als enerzijds gesteld en anderszijds erkend althans niet c.q. niet gemotiveerd betwist, tussen partijen vaststaat, dat geïntimeerde bij op 18 mei 1980 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken en, nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, in kracht van gewijsde gegaan vonnis, is veroordeeld om een aan haar toebehorende boot, bekend onder de naam “[naam boot]” binnen een dag na de uitspraak van het perceel van appellanten weg te halen en dat perceel te ontruimen, te verlaten en ter vrije beschikking van appellanten te stellen, met medeneming van alle daarop van harentwege aanwezige voorwerpen, terwijl geïntimeerde voorts is veroordeeld om aan appellanten ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag voor iedere dag, dat zij aan voormeld vonnis niet voldoet;

– dat voormeld vonnis bij exploit van deurwaarder D.E. Hew A Kee de dato 22 mei 1989 aan geïntimeerde in persoon is betekend, met aanzegging om onmiddellijk voormelde boot te verwijderen, aangezien de aan haar ingevolge voormeld vonnis gegunde periode verwijdering op de dag der betekening als voormeld bereids is verstreken;

– dat deurwaarder D.E. Hew A Kee bij exploit de dato 2 juni 1989 aan geïntimeerde bevel heeft gedaan binnen twee dagen na heden (d.i. 2 juni 1989) tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellanten te betalen;

  • de som van Sf. 6.500,– (zes duizend en vijfhonderd gulden); zijnde de van 19 mei tot en met 31 mei 1989 verbeurde dwangsom;
  • de som van Sf. 110,– (eenhonderd en tien gulden), zijnde de proceskosten;
  • de som van Sf. 89,– (negen en tachtig gulden), zijnde de betekeningskosten;
  • de ten deze gemaakte kosten, onverminderd de verdere kosten en de kosten en uitschotten der executie;

– dat appellanten, nadat geïntimeerde niet aan voormeld bevel had voldaan, de boot, bekend onder de naam “[naam boot]” in executoriaal beslag hebben doen nemen en de openbare verkoop daarvan bepaald op 20 juli 1989;

– dat geïntimeerde op aan haar vordering ten grondslag gelegde hier als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd, dat bij vonnis in kortgeding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren te gelasten de opschorting van de executie, althans openbare verkoop van de boot, genaamd “[naam boot]”, vastgesteld op 20 juli 1989, totdat in het bodemgeschil een eindbeslissing is gegeven, onder verbeurte van een dwangsom van Sf. 500,– (vijfhonderd gulden) per dag voor elke dag dat appellanten weigeren aan het vonnis te voldoen;

– dat appellanten de aan geïntimeerden vordering ten grondslag gelegde feiten gemotiveerd hebben weersproken en geconcludeerd tot weigering der gevraagde voorziening;

Overwegende, dat de bepaling van de rechter in kort geding dat de veroordeelde binnen een dag na de, in casu op 18 mei 1989 gedane, uitspraak aan het daarbij gegeven bevel moet voldoen wil zeggen uiterlijk op 19 mei 1989 wel ten gevolge heeft dat de veroordeelde door niet aan het gegeven bevel te voldoen, vanaf die dag in gebreke is ten aanzien van haar verplichting om aan het vonnis te voldoen, maar brengt niet zonder meer mee, dat over die dag en volgende dagen reeds de in het vonnis genoemde dwangsom wordt verbeurd;

dat krachten het toepasselijke recht de dwangsom wordt opgelegd om de nakoming van een rechterlijk bevel af te dwingen en aldus tot tenuitvoerlegging daarvan te geraken, eerst verbeurd indien de nakoming uitblijft na de betekening van het vonnis, voorgeschreven in artikel 305 lid 2 Rechtsvordering. Waar die betekening in het onderhavige geval op 22 mei 1989 heeft plaats gehad, is de dag na die betekening, zijnde 23 mei 1989, de eerste dag waarover de opgelegde dwangsom verschuldigd is;

Overwegende, dat de eerste grief op grond van het hiervorenoverwogene dan ook gegrond te achten is;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van de tweede grief dat de enkele omstandigheid, dat tussen partijen verschil van mening bestaat omtrent de hoogte van de totaal verschuldigde dwangsom, het ingrijpen van de rechter in kort geding niet rechtvaardigt;

Overwegende, dat de tweede grief eveneens gegrond te achten is;

Overwegende, dat het Hof onder vernietiging van het beroepen vonnis, de gevraagde voorziening alsnog zal weigeren;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton en uitgesproken tussen partijen op 10 augustus 1989 in kort geding gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
Weigert aan geïntimeerde in de kosten van beide instanties aan de zijde van appellanten gevallen:

– in eerste aanleg begroot op Sf. nihil;
– in hoger beroep begroot op Sf. 85,–;

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 150,–;

bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op Sf. 150,–.