SRU-HvJ-1991-2

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13010
  • Uitspraakdatum 15 februari 1991
  • Publicatiedatum 16 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Een werknemer, aan wie ontslag op staande voet werd gegeven wegens een dringende, hem onverwijld medegedeelde reden, is niet gerechtigd om een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen ter zake van kennelijk onredelijk ontslag omdat hij, door opzet of schuld aanleiding gegeven hebbende voor een dringende reden, zelf schadeplichtig is krachtens artikel 1615o van het Burgerlijk Wetboek. Met een dergelijke schadeplichtigheid is onverenigbaar, dat de ontslagene een aanspraak op schadevergoeding krachtens artikel 1615s van het Burgerlijk Wetboek zou mogen maken (vgl. Noot van P.A.S. onder H.R.N.J. 79,478).

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE (Civiele Kamer), 15 februari 1991, G.R. 13010.
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. Von Niesewand en F.F.P. Truideman).

a. [appellant sub a], wonende aan de [adres 1] te [woonplaats],

b. [appellant sub b], wonende aan de [adres 2] in het [district 1],

c. [appellant sub c], wonende aan de [adres 3] in het[ district 2], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr. G. GANGARAM PANDAY, advokaat, appellanten,

tegen

B.V. BRUYNZEEL SURINAME HOUTMIJ (BSH), kantoorhoudende aan de Slangenhoutstraat no.1 te Paramaribo, Beekhuizen, advokaat Mr. E.J. BRUMA, geïntimeerde.

De waarnemend-president spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respektievelijk van 25 oktober 1988 en 22 augustus 1989 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 september 1989, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep. Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat

a. [appellant sub a];

b. [appellant sub b] en c. [appellant sub c] als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

1. dat eisers, sub a, b en c, de navolgende vordering wensen in te stellen tegen de B.V. BRUYNZEEL SURINAME HOUTMAATSCHAPPIJ (B.S.H), kantoorhoudende aan de Slangenhoutstraat no.1, te Paramaribo (Beekhuizen), gedaagde;

2. dat eisers op dinsdag 26 mei 1987, als werknemers onder C.A.O. bepalingen in dienst van gedaagde, op staande voet wegens dringende redenen werden ontslagen waarvan hier nevens overgelegd f.c. ontslagbrieven, als ingelast te beschouwen – allen gelijkluidend;

3. dat eerder de eiser sub a en c werden geschorst, waartegen eiser sub c een Kort Geding tegen gedaagde aanspande, welke zaak thans ingetrokken is door de eiser na minnelijke schikking;

4. dat t.a.v. het ontslag wegens dringende redenen een onderzoek werd ingesteld door de Dienst der Arbeidsinspektie (Min. v. Arbeid), resoluterende en een rapport d.d. 8-6-`87, waarvan hier nevens een afschrift wordt overgelegd en het relaas als ingelast en herhaald te beschouwen;

5.dat terzake door de Politie Nieuwe Haven (rechercheur [naam]) een onderzoek werd ingesteld en het dossier inmiddels naar het Parket van de Procureur-Generaal is verzonden – er werden geen aanhoudingen verricht;

6. dat eisers menen dat het ontslag kennelijk onredelijk is gegeven omdat de in de ontslagbrief vermelde redenen voorgewend zijn en vals;

7. dat immers het konflikt met de direkteur, vertegenwoordigende gedaagde, weigerachtig bleef om eisers als belanghebbende en vertolkers van grieven hunner mede arbeiders te ontvangen en te spreken, terwijl het bestuur van de bedrijfsbond zich afzijdig hield, dusdanig konflikt door de direkteur zelve werd uitgelokt;

8. dat reeds geruime tijd de arbeiders de direktie hebben verzocht openheid van zaken te geven met betrekking tot de verantwoording van de door de werknemers gestorte gelden in het Voorzieningsfonds van het bedrijf – daar zij vernamen dat gedaagde deze gelden niet in reserve hield, maar in haar bedrijf investeerde;

9. dat gedaagde herhaaldelijk heeft gedreigd met disciplinaire maatregelen en ontslag tegen werknemers die voor hun belangen zouden opkomen, zonder de bedrijfsbond erbij te betrekken en tenslotte toch enkele arbeiders werden geschorst w.o. eisers – zonder de resultaten van de schorsing af te wachten werden eisers ontslagen;

10. dat de redenen van ontslag voorgewend en vals zijn, dus kennelijk onredelijk, moge blijken uit het feit dat [appellant sub a] 14 jaar in dienst was (loon f. 317,94 / 2 w.) [appellant sub b] 9 jaar in dienst (loon f. 250,31 / 2 w.) en [appellant sub c] 11 jaar in dienst (loon f. 370,50 / 2 w.) – zonder dat eerder gegronde klachten werden gehoord van de werkgever noch dat er op de staat van dienst iets aan te merken viel – bovendien zullen de gevolgen der beëindiging van de dienstbetrekking voor de werknemers in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij deze beëindiging;

11. dat gezien het bovenstaande, op die gronden eisers vorderen 1. herstel van de dienstbetrekking; 2. schadevergoeding, ex kosten en interessen van voor elk der eisers een twee wekelijkse loonbetaling, aan te vangen 18 juni 1987 tot de dienstbetrekking hersteld zal zijn op straffe van een dwangsom van 100,- gld. per dag indien niet aan het vonnis wordt voldaan;

Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd: – dat bij vonnis zal worden uitgesproken: a. de veroordeling van de B.V. BRUYNZEEL SURINAME HOUT MIJ., gedaagde, tot herstel van de dienstbetrekking met de werknemers [appellant sub a], [appellant sub b] en [appellant sub c], eisers; b. de veroordeling van gedaagde tot betaling van een schadevergoeding over de gehele periode waarin het dienstverband werd verbroken t.w. aan [appellant sub a] 317,94 gld. per 2 weken, aan [appellant sub b] 250,31 gld. per 2 weken en aan appellant sub c] 370,50 gld. per 2 weken ingaande 18 juni 1987 tot de waarop de dienstbetrekking zal zijn hersteld; c. een dwangsom te betalen van 100,– gld. per dag, per persoon voor elke dag waarop gedaagde nalatig zal zijn aan het vonnis te voldoen; d. het ontslag als kennelijk onredelijk zal worden verklaard, kosten rechtens;

Overwegende, dat B.V. Bruynzeel Suriname Houtmij. als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van produkties – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd: – dat de vordering van eisers niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans deze aan hen zal worden ontzegd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 25 oktober 1988 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast, welke comparitie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat ten dage voor het nemen van een conclusie na niet gehouden comparitie van partijen bepaald, de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies hebben genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 22 augustus l989 op de daarin opgenomen gronden: – de vorderingen van eisers heeft afgewezen; – eisers heeft veroordeeld in proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant sub a], [appellant sub b] en [appellant sub c] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 22 augustus 1989;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder K.C.J. Defares van 15 december 1989 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi bepaald de gemachtigde van appellanten, advokaat Mr. G. Gangaram Panday geen pleitnota heeft overgelegd doch recht op stukken gevraagd, waarna het Hof vonnis in de zaak had bepaald op 10 augustus 1990;

Overwegende, dat het Hof alvorens vonnis te wijzen partijen in de gelegenheid heeft gesteld produkties over te leggen;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna over en weer produkties hebben overgelegd, waarna de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen over en weer schriftelijke conclusies tot uitlating produkties hadden genomen, het Hof vonnis in de zaak had bepaald aanvankelijk op 1 februari 1991, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 22 augustus 1989, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellanten geen grieven tegen het beroepen vonnis hebben aangevoerd en recht op stukken hebben verzocht, zullende het Hof de processtukken dan ook zelfstandig beoordelen;

Overwegende, dat bij rolbeschikking van het Hof van 10 augustus 1990 aan partijen is opgedragen ten processe over te leggen: 1. de ontslagbrief van appellant sub b door appellanten en 2. het besluit door of namens de Minister van geen bezwaar, door geintimeerde;

Overwegende, dat partijen behalve voormelde bescheiden nog meer produkties in het geding hebben gebracht;

Overwegende, dat het Hof op de overige produkties geen acht dient te slaan, hadden de het Hof immers niet meer dan de twee bovengenoemde produkties nodig;

Overwegende, dat blijkens de thans zich in het procesdossier bevindende ontslagbrieven zijn appellanten op 26 mei 1987 met onmiddellijke ingang ontslagen, omdat zij: – zich niet op tijd op het werk hebben aangemeld en zich voor lange tijd hebben onttrokken aan de hen opgedragen werkzaamheden; – zich onbetamelijk, recalcitrant en provocerend hebben gedragen en middels opruiende acties en opruiende taal onrust in het bedrijf van geïntimeerde teweeg gebracht en duidelijk hebben getracht, de normale voortgang der werkzaamheden en de produktie te verstoren; – ernstige pogingen hebben aangewend om de Algemeen Directeur de toegang tot het hoofdkantoor en diens werkruimte te verhinderen en dat zij daarbij handtastelijk tegen de Algemeen Directeur zijn opgetreden;

Overwegend, dat appellanten het aan hen verleend ontslag kwalificeren als kennelijk onredelijk, omdat voormelde redenen voorgewend en vals zijn;

Overwegende, dat ten deze de van essentieel belang zijnde vraag is, of één der partijen bij de arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld de werknemer, gerechtigd is om een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen terzake van kennelijk onredelijk ontslag, wanneer het ontslag op staande voet werd gegeven wegens een dringende, hem onverwijld medegedeelde reden – gelijk i.c. het geval is -, m.a.w. kan het ontslag wegens een dringende reden ooit kennelijk onredelijk zijn?

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat een zodanige rechtsvordering tot schadevergoeding niet toewijsbaar is, omdat de contractspartij die door opzet of schuld aanleiding heeft gegeven voor een dringende reden – gelijk i.c. het geval is -, zelf schadeplichtig is krachtens artikel 1615 o, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek; met een dergelijke schadeplichtigheid is onverenigbaar, dat de ontslagene een aanspraak op schadevergoeding krachtens artikel 1615 s van het Burgerlijk Wetboek zou mogen maken (vgl. noot van P.A.S. bij H.R. 23.2.79, N.J. 70, No.478);

Overwegende, dat waar nu is komen vast te staan, dat appellanten wegens een dringende aan hen onverwijld medegedeelde reden zijn ontslagen, er geen plaats meer is voor een vordering tot schadevergoeding, terzake dat het ontslag op kennelijk onredelijke gronden zou zijn verleend; – dat voor een onderzoek naar die gronden dan ook geen plaats meer is;

Overwegende, dat het beroepen vonnis onder aanvulling en verbetering van gronden dient te worden bevestigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt onder aanvulling en verbetering van gronden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 22 augustus 1989 waarvan beroep; Veroordeelt appellanten in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op f. ….; met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f. 250,–; bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op f. 250,–;