SRU-HvJ-1992-12

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13125
  • Uitspraakdatum 08 mei 1992
  • Publicatiedatum 15 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Vordering in kort geding tot opheffing executoriaal beslag op onroerend goed. Opheffing gelast nu de literatuur er thans uitdrukkelijk van uitgaat dat de rechter in kortgeding daartoe wel degelijk bevoegd is. (Artt. 226 e.v. Rv.)

Uitspraak

Hof van Justitie
8 mei 1992, G.R. 13125 (Interlocutoir)
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, P.G. Wolff)

A.)    [appellant sub A], wonende in het [district],

B.)    [appellant sub B], wonende in Nederland, beiden ten deze domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no.36 beneden, ten kantore van mr. E.C.M. Hooplot, advocaat, appellanten in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], zonder bekende woon- of verblijfplaats in en buiten Suriname geïntimeerde in kort geding;

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien de stukken van het geding waaronder:

1.       het in afschrift overgelegde vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 8 juli 1991 tussen partijen gewezen;

2.      het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 11 juli 1991, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat A.) [appellant sub A] en B.) [appellant sub B] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

1.     dat eisers de navolgende vordering in kort geding wensen in te stellen tegen [geïntimeerde], zonder bekende woon- of verblijfplaats in en buiten Suriname;

2.     dat [naam 1] bij akte verleden ten overstaan van notaris A.Th. De Miranda d.d. 14 december 1934, ingeschreven ten hypotheek-kantoor in register C deel 255 onder [nummer 1] heeft gekocht en geleverd gekregen van Ainul 405/Ji, gelijk laatst genoemde heeft verkocht en geleverd aan [naam 1] “Het erf met de daarop staande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan het [straat] bekend onder nieuwe wijk letter F [nummer 2] ”,

3.     dat blijkens de vermelding in de notariële akte voorgeschreven onroerend goed aan [naam 1] is geleverd vrij van hypothecaire inschrijvingen en beslagen;

4.     dat [naam 1] te Paramaribo op 16 april 1973 ab intestaat is overleden nalatende tot zijn enige erfgenamen volgens de wet de eisers;

5.     dat toen eisers ertoe overging de nalatenschap tot zich te nemen, waaronder voorschreven onroerend goed, zij tot de ontdekking kwamen dat daarop nog steeds een beslag rust ten laste van de rechtsvoorganger van de erflater van eisers, welk executoriaal beslag ten verzoeke van gedaagde is gelegd bij exploit van deurwaarder W.P.F. Dompig d.d. 6 maart 1933 en ten hypotheekkantoor ingeschreven in register D 8 onder no. [nummer 3];

6.     dat duidelijk de notaris die de akte van 14 december 1934 heeft opgemaakt zich niet heeft vergewist dat het onroerend goed ten tijde van de overdracht vrij en onbezwaard was, althans is deze in gebreke gebleven de royements akte op te maken danwel te doen overschrijven ten hypotheekkantoor;

7.     dat de vordering van gedaagde echter reeds is voldaan en in ieder geval is verjaard, hebbende de gedaagde sinds 1934 geen enkele daad van rechtsvervolging terzake verricht, terwijl uit deze omstandigheid ook blijkt dat de gedaagde geen enkele belang heeft bij de handhaving van het beslag;

8.     dat eisers zich inmiddels hadden verbonden dit onroerend goed vrij en onbezwaard over te dragen aan een derde aan wie zij dit onroerend goed hebben verkocht. Thans dringt de koper aan op levering van het onroerend goed;

9.     dat eisers spoedeisend belang hebben bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, het geen een beslissing in kort geding rechtvaardigt;

Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut de opheffing zal worden gelast van het beslag gelegd bij exploit van deurwaarder W.P.F. Dompig op voorschreven onroerend goed en ingeschreven ten hypotheekkantoor op 6 maart 1933 in register D deel 8 onder no [nummer 3], kosten rechtens;

Overwegende, dat te dienende dage eisers vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advocaat mr. E.C.M. Hooplot ter terechtzitting zijn verschenen, terwijl de gedaagde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen en ten verzoeke van de gemachtigde van eisers tegen hem verstek is verleend, waarna de gemachtigde van eisers voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de kantonrechter hierna bij vonnis van 8 juli 1991 op de daarin opgenomen gronden de gevraagde voorziening heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal A.) [appelant sub A ] en B.) [appellant sub B] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in kort  geding van 8 juli 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarde J.E. Kolf van 17 september 1991 aan geïntimeerde aanzegging van het in gestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aan gezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi bepaald de gemachtigde van appellanten een pleitnota heeft overgelegd;

Overwegende, dat hoewel de geïntimeerde behoorlijk is opgeroepen bij exploit van deurwaarder Sh. Kandhai d.d. 17 december 1991, hij niet is verschenen, waarna tegen hem akte van niet-verschijning is verleend;

Overwegende dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellanten tijdig in hoger beroep zijn gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 8 juli 1991;

Overwegende, dat de behoorlijk opgeroepen geïntimeerde niet van zijn aanwezen heeft doen blijken, zodat tegen hem verstek wordt verleend;

Overwegende, dat appellanten één grief tegen het beroepen vonnis hebben aangevoerd, doch dat het Hof, alvorens op die grief in te gaan, appellanten in de gelegenheid zal stellen ten processe over te leggen:

a)      een uittreksel uit het register van overlijden van [naam 1], en

b)      een verklaring van erfrecht met betrekking tot de nalatenschap van [naam 1].

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding
Alvorens definitief te beslissen;

Gelast appellanten de in de rechtsoverweging onder a) en b) genoemde stukken ten processe over te leggen;

Bepaalt, dat de zaak daartoe zal worden afgeroepen ter terechtzitting van 22 mei 1992 te 8.30 uur;

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Hof van Justitie, 10 juli 1992 (eindvonnis)

A.)    [appellant sub A], wonende in het [district],

B.)    [appellant sub B], wonende in Nederland, beiden ten deze domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no. 36 beneden, ten kantore  van mr.E.C.M. Hooplot, advocaat, appellanten in kort geding,

tegen

[geïntimeerde], zonder bekende woon- of verblijfplaats in en buiten Suriname, geïntimeerde in kort geding.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname:
Gezien ‘s Hofs Interlocutoir vonnis van 8 mei 1992 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Ten aanzien van de feiten
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ‘s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de gemachtigde van  appellanten een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging produkties, vergezeld van produkties, heeft genomen;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 17 juli 1992, doch bij vervroeging op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 8 mei 1992 tussen partijen gewezen en uitgesproken en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat appellanten, ter voldoening aan gemeld tussenvonnis, ten processe hebben overgelegd een tweetal verklaringen van erfrecht in fotokopie, waaruit blijkt, dat [naam 1], weduwnaar van mevrouw [naam 2], te Paramaribo op 16 april 1973 ab instato en niet hertrouwd is overleden, achterlatende tot zijn enige en algehele erfgenamen zijner gehele nalatenschap ingevolge de wet, een gewettigd kind, met name [naam 3], en voorts dat mevrouw [naam 3], te Paramaribo op 27 mei 1986 ab intestato ongehuwd, ouderloos en zonder achterlating van wettige broers en zusters of afstammelingen van dezen, achterlatende tot haar enige en algehele erfgenaam, ingevolge de wet twee natuurlijke wettelijk erkende kinderen, met namen:

[appellant sub A] en [appellant sub B] heeft achter gelaten;

Overwegende, dat uit gemelde verklaringen van erfrecht in fotokopie de door het Hof van appellanten verlangde informatie, genoegzaam aan het Hof is gebleken;

Overwegende, dat appellanten in hun enige tegen het beroepen vonnis d.d. 8 juli 1991 ontwikkelde grief, de Kantonrechter het verwijt maken, dat hij ten onrechte in zijn rechtsoverweging heeft geconcludeerd dat hij niet geroepen is op gronden in het inleidend rekest onder meer dat de vordering van gedaagde (lees: geïntimeerde) is voldaan en in ieder geval verjaard, omdat gedaagde (lees: geïntimeerde) sinds 1934 geen rechtsvervolging ter zake heeft verricht, te gelasten de opheffing van het executoriaal beslag;

Overwegende, dat, naar blijkt uit het mede door appellanten in het geding in prima overgelegde hypothecaire uittreksel in fotokopie d.d. 16 mei 1991, is ten verzoeke van [geïntimeerde] en ten laste van [naam 1] bij exploit van deurwaarder W.F. Dompig executoriaal beslag gelegd op het erf met de Daaropstaande Gebouwen, gelegen te Paramaribo aan het [straat], bekend onder Nieuwe Wijk letter F [nummer 2], welk beslag is overgeschreven op 6 maart 1933 in register D deel 8 onder [nummer 3] ;

Overwegende, dat appellanten in het onderhavige proces vorderen de opheffing van gemeld executoriaal beslag op grond dat de vordering waarvoor het executoriaal beslag is voldaan en zij – appellanten – zich inmiddels hebben verbonden vorenomschreven onroerend goed vrij en onbezwaard over te dragen aan een derde aan wie zij het hebben verkocht en dat de koper thans aandringt op levering daarvan;

Overwegende, dat het Hof gemelde grief thans besprekend, oordeelt, dat die hem gegrond voorkomt, gaande de literatuur thans uitdrukkelijk van uit dat de Rechter in kort geding wel degelijk bevoegd is te gelasten de opheffing van een executoriaal beslag;

Overwegende, dat het Hof, doende wat de Kantonrechter heeft nagelaten, de gevraagde voorziening alsnog zal geven, komende de vordering van appellanten waarvan de vereiste spoed uit de stellingen blijkt, hem noch onrechtmatig noch ongegrond voor;

Gezien de betrekkelijke wetartikelen;

Rechtdoende in kort geding in hoger beroep
Vernietigd het door de kantonrechter in het eerste kanton op 8 juli 1991 in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis;

En opnieuw rechtdoende
Gelast alsnog de opheffing van het executoriaal beslag, bij exploit van deurwaarde W.P.F. Dompig gelegd op het erf met de daaropstaande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan de [straat], bekend onder Nieuwe Wijk letter F [nummer 2], en overgeschreven op 6 maart 1933 in register D deel 8 onder [nummer 3];

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van appellanten gevallen en begroot op f……….;
met inbegrip van het door het Hof aan de advocaat van appelanten voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f …….