SRU-HvJ-1993-7

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-286
  • Uitspraakdatum 18 juni 1993
  • Publicatiedatum 12 april 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van een besluit tot blokkering van de uitbetaling van salaris (op grond dat de 18-maandenregeling niet op verzoeker van toepassing zou zijn).
    Niet alleen komt in de limitatieve opsomming van artikel 79 Personeelswet – die de bevoegdheid van het Hof regelt, over welke besluiten het mag oordelen en welke besluiten voor nietigverklaring in aanmerking komen – verzoekers vordering tot nietigverklaring van een besluit tot blokkering “salaris” niet voor, ook kan in casu niet gezegd worden dat verzoeker aanspraak maakt op een bedrag uit hoofde van dienstverband (daar dit door ontslag is geëindigd), terwijl uit de bewoordingen van artikel 69a lid 4 Personeelswet kan worden afgeleid dat er van “salaris” geen sprake is.
    (Artt. 69a en 79 Personeelswet).
    SJ 1993

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 18 juni 1993
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, A.C. Veldema en E.S. Ombre).

[verzoeker], ambtenaar, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no. 18 ten kantore van zijn gemachtigde, advokaat Mr. U.J. VAN DER VELDT, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Defensie, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no.52-54,voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J.J. EMANUELSON, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, waarin hij heeft gesteld:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (Ministerie van Defensie), in rechte vertegenwoordigd door de Edelgrootachtbare Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 52-54, verweerder;

2. Verzoeker is per 1 oktober 1980 aangesteld in vaste dienst als Stafambtenaar A 1e klasse en tewerkgesteld op het Departement van Leger en Politie (thans: Departement van Defensie). Laatstelijk heeft hij aldaar gediend in de rang van Hoofdambtenaar A 2e klasse en wel te rekenen van 1 januari 1990.

E.e.a. moge blijken uit de aanstellingsresolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 14 juli 1987, Bureau [nummers 1], en de bevorderingsresolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 8 januari 1990, Bureau [nummers 2], welke in fotocopie worden overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;

3. Op 26 maart 1991 heeft verzoeker het schriftelijk verzoek gedaan om met toepassing van het bepaalde van artikel 69a, de leden 3 en 4 van de Personeelswet uit de Staatsdienst te worden ontslagen. Dit ontslag is hem met ingang van 1 februari 1992 eervol verleend. E.e.a. moge blijken uit de ontslagresolutie van de President van de Republiek Suriname de date 23 mei 1991, Bureau [nummers 3], welke in fotocopie wordt overgelegd met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;

4. Vooruitlopend op zijn ontslag heeft verzoeker zijn verlof aangevraagd en verkregen, hetgeen moge blijken uit de brief van de Minister van Defensie de dato 8 maart 1991, [kenmerk 1] hetwelk eveneens met vorenbedoeld verzoek in fotocopie wordt overgelegd. Uit dit schrijven blijkt voorts, dat hem toestemming was verleend om gedurende het vakantie-verlof in dienst van derden te treden

5. Op 13 mel 1992 ontving verzoeker een schrijven van de Directeur van het Departement van Defensie, [kenmerk 2], waarin hem werd medegedeeld, dat om redenen als in dit schrijven uiteengezet en waarnaar verzoeker kortheidshalve moge verwijzen, de uitbetaling van zijn salaris is geblokkeerd. Verzoeker legt deze brief met bet vorenbedoeld verzoek in fotocopie over;

6. Verzoeker kan zich niet verenigen met het in laatstbedoeld schrijven vervat besluit en de gronden waarop dat besluit is genomen en wel om de navolgende redenen:

Een ontslag uit de Staatsdienst ingevolge het bepaalde van artikel 69a, de leden 3 en 4 van de Personeelswet geschiedt met behoud van salaris gedurende een tijdvak van ten hoogste achttien maanden. Uit de resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 23 mei 1991 blijkt, dat verzoeker te rekenen van de datum van ingang van zijn ontslag (1 februari 1992) aanspraak maakt op volledige uitbetaling van zijn bezoldiging over tenminste het tijdvak van 1 februari 1992 tot en met 31 juli 1992;

Kachtens het bepaalde van de artikelen 69a lid 4 en 76 lid 2 jo 30 lid 5 van de Personeelswet mag op het salaris van een landsdienaar, die met inachtneming van het bepaalde van artikel 69a lid 3 met ontslag is gegaan, slechts kortingen of inhoudingen worden gedaan, die in vorenbedoeld artikel 30, lid 5, limitatief zijn opgesomd. Inkortingen gelijk uit inkomsten uit andere hoofde verkregen, zijn in die limitatieve opsomming niet begrepen;

In tegenstelling tot hetgeen in het schrijven van de Directeur van Defensie de dato 13 mei j.l. volstrekt abusievelijk is gesteld en op grond van welke volstrekt abusievelijk reden het in dat schrijven vervatte besluit kennelijk is genomen, is op het salaris van de landsdienaar, die met inachtneming van artikel 69a, lid 3 met ontslag is gegaan, niet artikel 74 in zijn geheel doch slechts het vierde lid ervan van toepassing. Met name is niet van toepassing het derde lid van dit artikel, volgens welk lid inkorting kan plaatsvinden op wachtgeld bij het genieten van inkomsten uit andere bron.

7. Op grond van het vorenstaande is verzoeker mitsdien de overtuiging toegedaan, dat het besluit tot blokkering van zijn salaris, als vervat in eerder vermeld schrijven van de Directeur van Defensie de dato 13 mei 1992, [kenmerk 2] genomen in strijd met de wet, meer bijzonderlijk in strijd met het bepaalde van de artikelen 69a lid 4, 76 lid 2, 30 lid 5 en 74 lid 4 van de Personeelswet, subsidiair in strijd met het algemene beginsel van behoorlijk bestuur dat aan de beschikkende Overheid voorschrijft, dat de gronden waarop een besluit is genomen, dat besluit dienen te kunnen dragen. Ingevolge het bepaalde van het artikel 79, de leden 1 sub a. en 2 sub a. van de Personeelswet is het Hof bevoegd om van zijn op die overtuiging gegronde vordering kennis te nemen;

8. Gelet op het bepaalde van artikel 80, lid 1 sub b, van de Personeelswet is de onderhavige vordering tijdig ingesteld;

Ovenwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat het besluit van de Directeur van Defensie de dato 13 mei 1992, als vervat in diens schrijven per die datum, [kenmerk 2], nietig zal worden verklaard, kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift heeft ingediend, waarin het navolgende als venweer wordt aangevoerd:

1. Blijkens de door verzoeker overgelegde produkties en bet door hem in het tweede, derde en vierde sustenu van zijn verzoekschrift de dato 18 mel 1992 gestelde, is naar het oordeel van verweerder aangetoond dat de verzoeker is gewezen ambtenaar in de zin van de Personeelswet;

2. De verweerder erkent voorts dat door verzoeker bij schrijven van 26 maart 1991 aan de Minister van Defensie het verzoek is gedaan om met toepassing van de leden 3 en 4 van artikel 69a van de Personeelswet uit Staatsdienst te worden ontslagen. In verband met een door de verzoeker eerder aangevraagd hem toekomende vakantieverlof voor de duur van 10 maanden, werd het gevraagde ontslag door de President van de Republiek Suriname bij resolutie van 23 mei 1991 [nummers 3 – variant] rekening houdend met het aangevraagde vakantieverlof, verleend met ingang van 1 februari 1992;

3. Bij zijn verzoek om vakantieverlof voor de duur van 10 maanden te mogen genieten, werd door verzoeker tevens het verzoek gedaan om gedurende dit verlof in dienst van derden te mogen treden, welk verzoek eveneens werd ingewilligd en de verzoeker trad gedurende het genot van dit vakantieverlof in dienst van een derde. Na afloop van dit vakantieverlof bleef verzoeker in dienst van deze derde en wel tegen een hogere maandelijkse financiële vergoeding dan het laatst door hem bij de Surinaamse Overheid genoten salaris. Verzoeker verlangt nu van de verweerder de voortzetting van de uitkering na het laatst door hem genoten salaris nadat zijn ontslag, overeenkomstig artikel 69a het 3de en 4de lid van de Personeelswet, aangezien hij, naar zijn oordeel meent daarop aanspraak te maken;

4. Bezien wij thans artikel 69a alsmede de toelichting op dit artikel van de Personeelswet. Ingevolge het decreet C 4A van 19 september 1983 (Stabl. no. 46) werd de Personeelswet met dit artikel aangevuld. In de toelichting op artikel 69a van de Personeelswet staat o.m. het volgende te lezen:”Teneinde het voor de ambtenaar, die het voornemen heeft zich ”particulier” te vestigen en aldus een bestaan op te bouwen, aantrekkelijk te maken om ook daadwerkelijk die stap te nemen, is bepaald dat gedurende ten hoogste 18 maanden na zijn ontslag hem het laatstelijk genoten salaris zal worden doorbetaald. Door deze regeling is de gewezen ambtenaar verzekerd van inkomsten gedurende de tijd die hij nodig heeft om een ”bedrijf” op te bouwen of anderszins zich van een bestaan te verzekeren. De uitkering kan natuurlijk eerder worden beëindigd ingeval de gewezen ambtenaar intussen andere inkomsten heeft weten te verwerven, dat van een redelijk handelende overheid niet mag worden verwacht om nog verder uitkeringen ten laste van de Staat te doen”. Dit Decreet alsmede zijn toelichting worden hierbij overgelegd, met verzoek de inhoud hiervan als hier woordelijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;

5. De bedoeling van de bepalingen van artikel 69a van de Personeelswet is duidelijk. De wetgever wenst met deze bepalingen twee doelen na te streven en te bereiken.

I. Sanering en inkrimping van het Overheidsapparaat en verwezenlijking van de doelstelling van de ambtenaar om ”particulier” een eigen bestaan op te bouwen. Afhankelijk van de omstandigheden zal doorbetaling van de ontslagen ambtenaar van het laatstgenoten salaris plaatsvinden tot ten hoogste 18 maanden. Wordt, zoals in het onderhavige geval, door de ontslagen ambtenaar geen ernstige pogingen gedaan om zelfstandig (particulier) een bestaan op te bouwen, dan kan de uitkering eerder worden beëindigd;

6. Artikel 69a van de Personeelswet heeft geenszins de bedoeling om een ambtenaar, die op grond van de leden 3 en 4 van dit artikel de Overheidsdienst met ontslag heeft verlaten en in dienst treedt van een willekeurige derde gedurende 18 maanden en zelfs niet gedurende enige tijd een uitkering van het laatst genoten salaris te garanderen. De regeling geldt uitsluitend voor degenen die zelfstandig een bedrijf/beroep wensen op te bouwen c.q. uit te oefenen;

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

– dat de verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans en in ieder geval hem zijn vordering zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen, met veroordeling in de kosten van het geding;

Overwegende, dat ten dage voor verhoor van partijen bepaald zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr. U.J. VAN DER VELDT, advokaat Mr. J.J. EMANUELSON, gemachtigde van verweerder en heer H.H. HAIME, algemeen-Directeur van Defensie, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker ten dage voor repliek pleidooi peremptoir bepaald gepersisteerd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is (geweest) in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, dat het Hof aanstonds vaststelt, dat hij niet bevoegd is van verzoekers vordering kennis te nemen;

– dat toch artikel· 79 van de Personeelswet de bevoegdheid van het Hof regelt over welke besluiten hij mag oordelen en welke besluiten voor nietig-verklaring in aanmerking komen (vide lid 1 en lid 2 artikel 79 P.W.);

– dat artikel 79 lid 2 sub a spreekt van besluiten betreffende: salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeid;

– dat verzoekers vordering betreft nietigverklaring van een besluit tot blokkering ”salaris”;

– dat in casu evenwel niet gezegd kan wordcn dat verzoeker aanspraak maakt op een bedrag uit hoofde van dienstverband;

verzoekers dienstverband is immers geëindigd door ontslag;

Overwegende, dat naar ’s Hovcn oordeel artikel 69a lid 4 van het Decreet C 4a alsvolgt dient te worden gelezen:

”………………………  een bedrag gelijk aan  het laatstelijk genoten salaris”, hetgeen impliceert, dat van ”salaris” i.c. gecn sprake is;

Ovenwegende voorts, dat overigens ook artikel 74 lid 3 van de Personeelswet i.c. niet toepasselijk is;

– dat in de resolutie van 23 Inei 1991 Bureau [nummers 3] slechts wordt verwezen naar de definitie in artikel 74 lid 4 van de Personeelswet (” …………… zoals bedoeld …………..”), zonder dat hiermee wordt aangegeven, dat overige bepalingen van artikel 74 van de Personeelswet van toepassing zijn;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen van de Personeelswet;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart zich onbevoegd van de vordering van verzoeker kennis te nemen;