SRU-HvJ-1993-8

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-289
  • Uitspraakdatum 07 mei 1993
  • Publicatiedatum 12 april 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot nietverklaring van het bepaalde onder Ib van de resolutie waardoor zij niet meer in aanmerking komt voor de haar toegekende toelage van 10% van haar bezoldiging in verband met het verrichten van meer en verantwoordelijke werkzaamheden, aangezien zij vanaf 1 januari 1992 niet meer heeft gefunctioneerd als secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en als coördinatrice van vrouwenzaken en derhalve geen aanspraak op de 10%-toelage maakt. (Art. 79 Personeelswet).
    SJ 1993

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 7 mei 1993
(Mrs. R.E.Th.Oosterling, J.R.von Niesewand en R.W. Willemzorg)

[verzoekster], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigede optreedt, advocaat, Mr. H.E. STRUIKEN, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Binnenlandse Zaken, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd worden door de Procureur- Generaal bij het Hof van justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijnen Parkette op de hoek van de Gravenstraat en Tourtonnelaan, voor wie als gemachtigde optreedt, advokaat Mr.Dr.C.D. OOFT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Repubiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1.Dat verzoekster hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, afdeling Ministerie van Binnenlandse Zaken, ten deze in rechte vertegenwoordigd wordende door de heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette op de hoek van de Gravenstraat en Tourtonnelaan te Paramaribo, verweerder;

2.Dat verzoekster is ambtenaar in de zin der personeelswet en wel in de rang van Hoofdambtenaar B 1e klasse;

3.Dat verzoekster blijkens hierbij overgelegde resolutie van de President van de Republiek Suriname [nummer 1] d.d. 30 mei 1991 te rekenen van 1 januari 1991 is bevorderd tot Hoofdambtenaar B Ie klasse (schaal 18) onder toekenning van een toelage van 10% (TIEN PROCENT) van de door haar genoten wordende bezoldiging;

4.Dat blijkens hierbij overgelegde resolutie d.d. 9 juli 1992 Bureau [nummer 2] van de President van de Republiek Suriname door verzoekster op 19 juli 1992 ontvangen, te rekenen vanaf 1 januari 1992:

a.haar bezoldiging is verhoogd met f. 80,– (TACHTIG GULDEN) en alszo is gebracht op f. 3.550,– en

b. zij ontlast is uit de functies van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en van coördinatrice van vrouwenzaken, met behoud van haar bezoldiging van f 3.550,– en met gelijktijdige buitenwerkingstelling van de aan verzoekster bij resolutie van 5 juni 1987 [nummer 3] toegekende toelage van 10% van haar bezoldiging in verband met het verrichten van meer en verantwoordelijker werkzaamheden;

5. Dat verzoekster zich door het onder 1b van voormelde resolutie bepaalde nl. gelijktijdige buitenwerkingstelling van de aan haar bij resolutie van 5 juni 1987 [nummer 3] toegekende toelage van 10% van haar bezoldiging, gegriefd voelt;

6. Dat verzoekster van mening is, dat het onder 1b bepaalde van voormelde resolutie d.d. 9 juli 1992 [nummer 2] krachtens artikel 6 (zes) van de personeelswet (G.B. 1962 no. 195 / Staatsblad 1985 no. 41) niet eerder werkt t.o.v. verzoekster, dan de dag nadat het te harer kennis is gekomen, dit is in dit cas 18 juli 1992 en krachtens het bepaalde onder punt 2 van artikel 6 der personeelswet geen terugwerkende kracht jegens verzoekster mag hebben vermits het voor haar nadelig is;

7. Dat verzoekster op grond van het vorenstaande van mening is dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de personeelswet en met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur;

8. Dat verzoekster op grond van het vorenstaande gerechtigd is in rechte te vorderen dat de resolutie d.d. 9 juli 1992 [nummer 2] voor wat betreft het bepaalde onder punt 1b met betrekking tot de terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1992 wordt vernietigd en de verweerder veroordeeld wordt haar toelage van 10% (tien procent) van haar bezoldiging, zijnde 10% van f.3.550,– = f. 335,– per maand, vanaf 1 april 1992 t/m 18 juli 1992 te betalen zijnde een bedrag groot 3 x f. 355,- + 18/30 x f. 355,- = f. 1.278,- . Verweerder heeft t/m de maand maart 1992 de 10% toelage doorbetaald;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat nietig zal worden verklaard het bepaalde onder 1b van het besluit van de President van de Republiek Suriname d.d. 9 juli 1992 Bureau [nummer 2] waarbij te rekenen van 1 januari 1992 gelijktijdig buitenwerking wordt gesteld, de aan verzoekster bij resolutie van 5 juni 1987 toegekende toelage van 10% van verzoeksters bezoldiging in verband met het verrichten van meer en verantwoordelijke werkzaamheden;

b. dat verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoekster te betalen het bedrag groot f.1.278,– met de wettelijke rente hierover terzake voorschreven, vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

c. dat verweerder zal worden veroordeeld in de kosten deze procedure;

Overwegende, dat van de Staat Suriname geen verweerschrift is binnengekomen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 23 oktober 1992 in Raadkamer zijn verschenen verzoekster in persoon, advokaat Mr. H. E. Struiken, gemachtigde van verzoekster, de heer E.J. van der San, waarnemend-Directeur van Binnenlandse Zaken namens verweerder en advokaat Mr. Dr. C.D. Ooft, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwenproces-verbaal staat gerelateerd; Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelict en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder bij zijn antwoord pleidooi een produktie overgelegd, het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoekster ambtenaar is in de zin van, de Personeelswet, in de rang van Hoofdambtenaar B Ie klasse, Op het Ministerie van Binnenlandse Zaken;

– dat verzoekster, bij resolutie van de President van de Republiek Suriname, [nummer 1] van 30 mei 1991, te rekenen van I januari 1991 in voormelde rang is bevorderd, bij gemelde resolutie een toelage van 10% van de door haar genoten wordende bezoldiging is toegekend, kennelijk wegens meer en verantwoordelijker werkzaamheden, uit hoofde van haar functie van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en coordinatrice van vrouwenzaken;

Overwegende, dat bij resolutie d.d. 9 juli 1992 [nummer 2] van de President van de Republiek Suriname – door verzoekster onbetwist ontvangen op 19 juli 1992 – verzoekster per 1 januari 1992 is ontlast uit de functie van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en van coordinatrice van vrouwenzaken, met gelijktijdige buitenwerkingstelling van de aan verzoekster toegekende l0% toelage van haar bezoldiging,i.v.m. het verrichten van meer en verantwoordelijker werkzaamheden (vide ”moeder” resolutie m.b.t de toelage van 5 juni 1987 [nummer 3]);

Overwegende, dat verzoekster zich door voormelde buitenwerkingstelling van de 10% toelage van haar bezoldiging gegriefd acht en tijdig het Hof van Justitie als gerecht voor ambtenarenzaken heeft geadieerd, hebbende verzoekster verzocht:

a. dat het Hof nietig zal verklaren het bepaalde onder Ib van het besluit van de President van de Republiek Suriname d.d. 9 juli 1992 Bureau [nummer 2] waarbij, te rekenen van 1 januari 1992 gelijktijdig buitenwerking wordt gesteld,,de aan verzoekster bij resolutie van 5 juni 1987 toegekende toelage van 10% van verzoeksters bezoldiging in verband met het verrichten van meer  en verantwoordelijke werkzaamheden;

b. dat verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoekster te betalen het bedrag groot f. 1.278,– met de wettelijke rente hierover terzake voorschreven, vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

c. verweerder zal worden veroordeeld in de kosten dezer procedure;

Overwegende, dat uit de tijdens het verhoor van partijen d.d. 4 december 1992 verkregen informatie blijkt en kan mitsdien als tussen partijen rechtens vaststaand worden aangenomen, dat verzoekster, na eerst met verlof te zijn gegaan en daarna ziek was geworden, zich op 23 maart 1992 op kantoor heeft aangemeld ter hervatting van haar werkzaamheden, welke werkhervatting toen niet heeft plaatsgevonden;

– dat als onbetwist als vaststaand moet worden aangenomen, dat verzoekster in ieder geval vanaf 1 januari 1992 de functies van secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en van coördinatrice van vrouw en zaken niet meer daadwerkelijk heeft uitgeoefend en zij, naar zij zelf tijdens gemeld verhoor heeft verklaard, niet meer in aanmerking kwam voor de aan de uitoefening van gemelde functies verbonden toelage van 10% van haar bezoldiging, hetgeen moet worden geacht te zijn overeenkomstig aard en strekking van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van het Ambtenarenbezoldigingsbesluit 1976 en artikel 22 van de Personeelswet;

Overwegende, dat nu verzoekster vanaf 1 januari 1992 niet meer heeft gefunctioneerd als secretaresse van de Minister van Binnenlandse Zaken en als coördinatrice van vrouwenzaken, zij mitsdien geen aanspraak maakt op de toelage van 10% van haar bezoldiging ( zijnde 10% van f. 3.550,– of f. 355,–) en het het Hof ontgaat welk belang verzoekster heeft bij het onder a van het petitum gevorderde, zijnde de resolutie van 9 juli 1992 Bureau [nummer 2], waarbij tevens gelijktijdig buitenwerking werd gesteld de aan haar bij resolutie van 5 juni 1987 [nummer 3] toegekende toelage van 10% van verzoeksters bezoldiging ingaande 1 januari 1992 voor haar, anders dan verzoekster heeft gesteld, geen nadeel;

Overwegende, dat verzoekster dan ook zowel in het door haar sub a als sub b gevorderde, niet ontvankelijk dient te worden verklaard;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vorderingen;