SRU-HvJ-1994-9

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13400
  • Uitspraakdatum 10 juni 1994
  • Publicatiedatum 30 maart 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Kantonrechter: Gelastte de onmiddellijke opheffing van door de gedaagde ten laste van de eiseres bij deurwaarderexploit gelegde conservatoir derdenbeslag onder De Surinaamsche Bank N.V., er o.m. van uitgaande dat de gedaagde een vordering tot echtscheiding tegen eiseres heeft ingesteld.

    Hof van Justitie: Opmerkende dat nergens uit de processtukken blijkt, dat appellant tegen geïntimeerde een vordering ter verkrijging van echtscheiding heeft ingesteld, overweegt het Hof dat het geloofwaardig is dat appellant aan geïntimeerde schenkingen heeft gedaan; immers onder dergelijke omstandigheden – de vrouw moest van de man na het huwelijk haar dienstbetrekking opgeven – pleegt de man de vrouw eerder gelden te schenken dan in bewaring te geven.

    Derhalve komt de door geïntimeerde gestelde titel van schenking het Hof veel normaler voor, en deze titel levert een vermoeden van juistheid op; daarentegen komt de door appellant gestelde titel van bewaargeving het Hof hoofd abnormaal voor, en deze titel zou door hem bewezen moeten worden. Maar het Hof kan appellant tot bewijs van zijn geponeerde stellingen niet toelaten, vermits het hier een procedure in kort geding betreft, waarbij het gaat om het treffen van voorlopige voorzieningen en de gewone wettelijke regelen omtrent de te bezigen bewijsmiddelen en de daaraan toe te kennen bewijskracht toepassing missen (vgl. Doek c.s. aant. 10 op art. 290 Rv.). Volgt: bevestiging, onder verbetering van rechtsgronden, van het vonnis van de Kantonrechter. (Art. 109 Wetb. v. Burg. Rechtsv.).

Uitspraak

Hof van Justitie

10 juni 1994, G.R. 13400

(Mrs. J.R. von Niesewand, E.S. Ombre, P.G. Wolff)

[appellant], wonende te [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.E. Struiken, advocaat, appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], thans wonende aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. R. Kensmil, advocaat, geïntimeerde in kort geding.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1.      het in afschrift overgelegd vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 18 oktober 1993 tussen partijen gewezen;

2.      het proces-verbaal van de Griffer van het Eerste Kanton van 21 oktober 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1.      dat eiseres de navolgende vordering in kort geding wenst in te stellen tegen [appellant], wonende te [adres 1], gedaagde;

2.      dat eiseres blijkens hierbij overgelegde copie huwelijksakte op 10 december 1977 te [district] buiten gemeenschap van goederen is gehuwd met gedaagde;

3.      dat gedaagde blijkens de hierbij overgelegde fotokopie van het exploit van de deurwaarder R. Kappel d.d. 17 augustus 1993 [nummer 1], conservatoir derden beslag heeft doen leggen onder de N.V. Surinaamsche Bank, gevestigd aan de Gravenstraat No. 26 te Paramaribo, op de rekening van eiseres bij vorengenoemde bank en alle daarop staande tegoeden, welke beslaglegging op 20 augustus 1993 bij exploit van de deurwaarder R. Kappel [nummer 2] aan eiseres werd betekend;

4.      dat gedaagde blijkens de hierbij overgelegde fotokopie van het verzoekschrift aan de Kantonrechter d.d. 17 augustus 1993 heeft gesteld dat de op de rekening van eiseres staande tegoeden aan hem toebehoren;

5.      dat de voorgaande bewering van gedaagde in strijd is met de waarheid en wordt zij door eiseres en stelligste ontkend. Bedoelde gelden zijn in de loop der jaren op aandrang van eiseres door gedaagde op haar rekening gestort als enige zekerheid ten behoeve van eiseres, vermits partijen buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd;

6.      dat eiseres daarop steeds heeft aangedrongen, aangezien gedaagde, kort na het huwelijk van partijen, had geëist dat eiseres haar betrekking als gediplomeerd ziekenverzorgster in het Academisch Ziekenhuis moest opgeven, daar gedaagde bezwaren had dat eiseres o.m. nachtdiensten moest verrichten, terwijl hij altijd eiseres heeft verboden een andere betrekking te aanvaarden;

7.      dat gedaagde in of omstreeks de maand april 1993 aan eiseres het verzoek heeft gedaan om hem een bedrag van Sf. 100.000,– (eenhonderdduizend gulden) ter leen te geven, daar hij doende was een visverwerkingsbedrijf op te zetten;

8.      dat eiseres geheel te goedertrouw en als begripsvolle en ondersteunende echtgenote aan het verzoek van gedaagde heeft voldaan en aan deze een betalingsopdracht verstrekte om ten laste van haar rekening bij de Surinaamsche Bank een bedrag van Sf. 100.000,– ten gunste van gedaagde te doen overschrijven;

9.      dat de houding van gedaagde als echtgenoot jegens eiseres hierna evenwel merkbaar veranderde en deze aan eiseres te kennen gaf van haar te willen scheiden;

10.    dat eiseres zulks evenwel aanvankelijk niet ernstig opvatte, totdat zij op of omstreeks 18 mei 1993 werd geconfronteerd met een oproep van de raadsman van gedaagde, waarvan hierbij fotokopie wordt overgelegd met verzoek de inhoud hiervan als ingelast en geïnsereerd te beschouwen;

11.    dat de bedoelingen van gedaagde hierna aan eiseres duidelijk waren geworden, te meer daar gedaagde zich hierna zeer agressief tegenover haar begon te gedragen, waardoor zij genoodzaakt was de echtelijke woning te verlaten;

12.    dat eiseres, nadat het haar uit dagafschriften was gebleken dat de door haar ten gunste van gedaagde gegeven betalingsopdracht op 21 mei 1993 nog niet door de Surinaamsche Bank was uitgevoerd, zij de betreffende betalingsopdracht onmiddellijk schriftelijk heeft ingetrokken;

13.    dat gedaagde hierna, op voor eiseres onverklaarbare wijze, er toch in slaagde hogervermeld bedrag, ondanks de intrekking van de betreffende opdracht door eiseres, alsnog op zijn rekening te doen overschrijven;

14.    dat voornoemd bedrag door de Surinaamsche Bank evenwel op de rekening van eiseres werd teruggeboekt, nadat deze had gedreigd gerechtelijke stappen tegen de Bank te zullen ondernemen;

15.    dat gedaagde hierna ertoe over is gegaan om op de rekening van eiseres bij de Surinaamsche Bank N.V. zoals voorschreven, conservatoir derden beslag te doen leggen, nadat hij onder aanvoering van samenweefsel van onwaarheden, daartoe verlof had bekomen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton;

16.    dat het door gedaagde gelegd conservatoir derden beslag evenwel onrechtmatig is, vermits de beslagen rekening bij de Surinaamsche Bank en alle daarop staande tegoeden de eigendom zijn van eiseres en gedaagde daarop geen enkele aanspraak kan doen gelden;

17.    dat de handeling van gedaagde, die de wettige echtgenoot van eiseres is, bovendien in strijd is met het beginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 384 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht;

18.    dat eiseres belang heeft bij een spoedeisende voorziening bij voorraad in Kort Geding, vermits zij geen inkomsten uit arbeid geniet, terwijl zij niet langer door gedaagde wordt onderhouden, weshalve zij thans moet leven van de weldadigheid van familieleden, die zulks echter niet langer kunnen volhouden;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

a.       dat bij vonnis in kort geding niettegenstaande hoger beroep of verzet, gedaagde zal worden veroordeeld om het door hem bij exploit van de deurwaarder R. Kappel [nummer 1] d.d. 17 augustus 1993 gelegd conservatoir derden beslag ten laste van de rekening van eiseres bij de Surinaamsche Bank binnen 24 uur na de door de Kantonrechter uit te spreken veroordeling of binnen een door de rechter in goede justitie te bepalen termijn op te heffen c.q. te doen opheffen;

b.      dat gedaagde zal worden veroordeeld tot een dwangsom van Sf. 5.000,– (vijfduizend gulden) aan eiseres te betalen voor iedere dag dat hij weigert om aan de door de rechter uit te spreken veroordeling gevolg te geven;

c.       gedaagde zal worden veroordeeld tot de kosten van het geding;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produktie – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

–        dat de eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd, kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 18 oktober 1993 op de daarin opgenomen gronden:

De onmiddellijke opheffing heeft gelast van het door de gedaagde ten laste van de eiseres bij exploit van de deurwaarder R. Kappel d.d. 17 augustus 1993 [nummer 1] gelegd conservatoir derden beslag onder de Surinaamsche Bank N.V.;

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 182,25 (eenhonderd twee en tachtig 25/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in kort geding van 18 oktober 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 9 november 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 15 april 1994, doch nader op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken op 18 oktober 1993;

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis een vijftal grieven heeft ontwikkeld, luidende:

I.        Ten onrechte heeft de Kantonrechter als tussen partijen rechtens vaststaand aangenomen dat appellant tegen geïntimeerde een vordering tot echtscheiding heeft ingesteld.

II.      Ten onrechte heeft de Kantonrechter ondanks de uitvoerig gemotiveerde weren van appellant in prima ”geloofwaardigheid” toegekend aan de lezing van geïntimeerde dat de stortingen door appellant op haar rekening gedaan als voldoening aan verplichtingen van moraal en fatsoen ten behoeve van geïntimeerde zijn gedaan om haar na het einde van het huwelijk niet onverzorgd achter te laten, althans als giften daartoe strekkende.

III.     Ten onrechte is de Kantonrechter voorbijgegaan aan het feit dat appellant meer dan de helft van zijn spaartegoeden (Sf. 85.000,–) aan geïntimeerde ter beschikking wilde stellen teneinde geïntimeerde in verband met de nog in te stellen vordering van geldmiddelen te voorzien.

IV.     Ten onrechte heeft de Kantonrechter als kortgedingrechter, de zaak in feite ten gronde beslist terwijl hij slechts moest oordelen of het gelegde beslag onrechtmatig was of niet.

V.      Ten onrechte is de Kantonrechter zonder volledige juridische gronden aan het verlangen van geïntimeerde tot opheffing van het gelegde derden beslag tegemoet gekomen in weerwil van het feit dat de geïntimeerde erkend heeft dat alle gelden op haar rekening door de appellant zijn gestort;

Overwegende, dat het Hof, overgaande tot bespreking van voormelde grieven, aanstonds opmerkt, dat de eerste grief gegrond te achten is nu, naar appellant terecht heeft gesteld, nergens uit de tussen partijen gewisselde processtukken blijkt, dat appellant tegen geïntimeerde heeft ingesteld een vordering ter verkrijging van echtscheiding;

Overwegende, dat appellant aan zijn vordering tot verlening aan hem van verlof tot het doen leggen van conservatoir derden beslag onder de Surinaamsche Bank N.V. onder meer ten grondslag heeft gelegd, dat hij op 10 december 1979 te [district] buiten elke gemeenschap van goederen is gehuwd met geïntimeerde;

dat hij sinds 1985 met toestemming en medeweten van geïntimeerde op haar rekening bij de Surinaamsche Bank N.V. stortingen deed ten behoeve van zichzelf, welke stortingen tot en met heden een saldo bedrag van Sf. 140.000,– bedragen;

dat hij voormelde handelingen verrichtte omdat de belastingdienst beslag op zijn gelden en tegoeden bij de Surinaamsche Bank had gelegd bij exploit d.d. 14 mei 1985;

dat hij onlangs aan geïntimeerde heeft doen weten over zijn spaartegoeden op haar rekening te willen beschikken waarmede geïntimeerde aanvankelijk instemde en hiertoe een giro-opdracht ten behoeve van Sf. 100.000,– tekende;

dat hem onlangs is gebleken dat geïntimeerde de betalingsopdracht heeft ingetrokken en weigert aan het tussen partijen afgesprokene uitvoering te geven;

dat hij vernomen heeft dat geïntimeerde thans doende is alle aan hem toebehorende gelden van de rekening te lichten waardoor verhaal straks onmogelijk zal worden op geïntimeerde, te meer daar zij geen eigen inkomsten heeft en andere bezittingen;

dat er derhalve gegronde vrees voor verduistering bestaat van het bedrag van Sf. 140.000,–, welk bedrag hij – appellant – per saldo in bewaring aan geïntimeerde heeft gegeven;

Overwegende, dat geïntimeerde, de grondslag van voormelde vordering betwistend, heeft aangevoerd, dat de door appellant bedoelde gelden in de loop der jaren op aandrang van haar – geïntimeerde – door appellant op haar rekening zijn gestort als enige zekerheid ten behoeve van haar, vermits partijen buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd;

dat zij – geïntimeerde – daarop steeds heeft aangedrongen aangezien appellant, kort na het huwelijk van partijen had geëist dat zij – geïntimeerde – haar betrekking als gediplomeerd ziekenverzorgster in het Academisch Ziekenhuis moest opgeven, daar appellant bezwaren had dat geïntimeerde onder meer nachtdiensten moest verrichten, terwijl hij altijd geïntimeerde heeft verboden een andere betrekking te aanvaarden;

Overwegende, dat, naar uit de stellingen van geïntimeerde als hiervoren aangehaald blijkt, geïntimeerde zich op beroept, dat appellant haar, door de stortingen te haren behoeve op haar privérekening bij de Surinaamsche Bank N.V. op diverse tijdstippen in de periode 1985 tot en met augustus 1993, tot een totaal bedrag van Sf. 140.000,– te plegen, telkens schenkingen heeft gedaan tot gemeld totaal bedrag;

Overwegende, dat voormelde stellingen het Hof geloofwaardig voorkomen, mede in verband met de door geïntimeerde aangevoerde doch niet door appellant gemotiveerd betwiste omstandigheden als hiervoren vermeld; de man pleegt de vrouw immers onder voormelde omstandigheden eerder gelden te schenken dan in bewaring te geven, komende de titel van schenking het Hof dan ook veel normaler voor, leverende deze titel een vermoeden van juistheid op;

Overwegende, dat de door appellant gestelde titel te weten bewaargeving, het Hof hoogst abnormaal voorkomt, welke titel bewezen zou moeten worden door hem die zich daarop beroept, te weten appellant;

Overwegende, dat het Hof appellant tot bewijs van zijn terzake geponeerde stellingen zou toelaten, ware het niet dat het in casu betreft een procedure in kort geding, waarbij het gaat om het treffen van voorlopige voorzieningen en de gewone wettelijke regelen omtrent de te bezigen bewijsmiddelen en de daaraan toe te kennen bewijskracht toepassing dientengevolge missen (vgl. Doek c.s. aant. 10 op art. 290 Rv.);

Overwegende, dat het Hof onder verwerping van de daartegen ontwikkelde (overige) grieven als ongegrond onder verbetering van rechtsgronden het beroepen vonnis dan ook zal bevestigen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Bevestigt onder verbetering van rechtsgronden het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding op 18 oktober 1993 tussen partijen gewezen waarvan beroep.