SRU-HvJ-1997-3

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-352
  • Uitspraakdatum 18 juli 1997
  • Publicatiedatum 25 maart 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Personeelswet.
    Vordering op grond van wanprestatie c.q. onrechtmatige daad.
    Artikel 79 van de Personeelswet.
    Niet- Ontvankelijkheid.

    Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en is in dienst van verweerder als loods. Verzoeker wordt door verweerder geruime tijd niet meer als loods ingedeeld en verdiend daardoor veel minder dan zijn collega loodsen. Verzoeker stelt dat verweerder wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens hem pleegt en dat hij als gevolg van die wanprestatie c.q. onrechtmatige daad financiële schade lijdt. Verzoeker vordert dat hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn functie als loods weer te hervatten en dat gedaagde hem het dienovereen-komstig salaris met terugwerkende kracht uitbetaald.
    Verweerder stelt dat verzoeker niet meer als loods functioneert, omdat er geen vertrouwen meer in hem is. Verweerder stelt dat verzoeker niet wordt benadeeld, aangezien hij zijn volledig salaris uitbetaald krijgt. Hetgeen verzoeker niet krijgt zijn de toelagen en emolumenten horende bij de functie van loods. Verweerder stelt als formeel verweer dat verzoeker in strijd met artikel 79 van de Personeelswet een vordering heeft ingesteld.

    Het Hof overweegt dat hetgeen van het Hof als ambtenarengerecht kan worden gevorderd limitatief is opgesomd in artikel 79 van de Personeelswet. Dat het gevorderde onder a niet onder de limitatieve omschrijving van artikel 79 van de Personeelswet valt.
    Het Hof overweegt dat ingevolge artikel 79 lid 1 sub b van de Personeelswet het Hof slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade, welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling in strijd met de Personeelswet.

    Het Hof verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Uitspraak

A – 352

[verzoeker] wonende te [district] aan [adres] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Heerenstraat no.6 B bij het advokatenkantoor Gangaram Panday, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.G.GANGARAM PANDAY, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname kantoorhoudende aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname kantoorhoudende aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo;

2. dat verzoeker sinds 3 januari 1978 in dienst is van de gedaagde en thans werkzaam is als loods 1e klasse in de functie van stafambtenaar A 2e klasse;

3. dat gedaagde (lees:’verweerder’) de verzoeker sinds 19 maart 1993 zonder gegronde redenen niet meer wenst in te delen in het werkschema van de loodsen, ondanks het feit dat verzoeker bij herhaling zijn diensten aan de gedaagde (lees:’verweerder’) heeft aangeboden;

dat verzoeker ter staving van zijn stellingen hierbij in fotokopie o.a. overlegt de brieven van Mr.E.C.M.Hooplot d.d. 8 april 1993 (prod.1), 21 maart 1994 (prod.2) en 16 juni 1994 (prod.3), van Mr.R.Carrilho, d.d. 24 oktober 1994 (prod.4) en van Mr.G.Gangaram Panday, d.d. 2 februari 1996 (prod.5), met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;

dat gedaagde (lees:’verweerder’) op geen van deze brieven van de verzoeker heeft gereageerd;

4. dat verzoeker thans een salaris ontvangt van Sf.62.765,– per maand (prod.6) terwijl de met hem vergelijkbare collega’s netto gemiddeld Sf.210.000,– per maand ontvangen, dat hieruit duidelijk blijkt dat verzoeker door de gedaagde (lees:’verweerder’) financieel ernstig wordt benadeeld en dat hij thans een schade lijdt van ongeveer Sf.150.000,– per maand, althans dit bedrag aan inkomsten derft;

dat verzoeker niet in staat is de hoegrootheid van de schade die hij lijdt exact aan te geven omdat hij niet over de administratieve gegevens van de gedaagde beschikt;

dat verzoeker de gedaagde (lees:’verweerder’) uitdaagt de betreffende administratieve cq. financiële gegevens ten processe over te leggen;

5. dat het de verzoeker bekend is dat de gedaagde (lees:’verweerder’) de afgelopen jaren drastische loonsverhogingen heeft doorgevoerd onder de benaming van functioneringstoelage enkel en alleen om zodoende verzoeker daarvan uit te sluiten;

6. dat door deze handelwijze van de gedaagde (lees:’verweerder’) zij zich jegens verzoeker heeft schuldig gemaakt aan wanprestatie c.q. aan een onrechtmatige daad met haar schuld daaraan tengevolge waarvan verzoeker grote schade heeft geleden en nog steeds lijdt;

7. dat nu de dienstbetrekking tussen partijen nog steeds voortduurt verzoeker recht en belang heeft dat aan hem alle gelden, voorzieningen en toelagen met terugwerkende kracht wordt (lees:’worden’) uitbetaald en dat hij niet wordt achtergesteld in salariëring en voorzieningen ten opzichte van zijn collega’s aangezien hij steeds bereid is de bedongen arbeid te verrichten doch de gedaagde (lees:’verweerder’) van zijn diensten geen gebruik heeft willen maken c.q. nog steeds geen gebruik maakt;

8. dat verzoeker derhalve gerechtigd is Uw Hof in deze te adiëren.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat verzoeker binnen 8 dagen na vonniswijzing in de gelegenheid zal worden gesteld zijn werkzaamheden als loods volgens het gangbare werkschema, althans zoals tussen partijen voor maart 1993 gangbaar c.q. gebruikelijk was, bij de gedaagde (lees:’verweerder’) te hervatten;

b. dat verzoeker terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 1993 zal worden uitbetaald zijn salaris van Sf.210.000,– per maand, althans het aan verzoeker rechtens toekomend bedrag aan salaris met alle verhogingen, toelagen en andere voorzieningen en zulks te vervolgen zolang de dienstbetrekking tussen partijen nog voortduurt;

c. dat aan verzoeker ten titel van dwangsom zal worden betaald een bedrag van Sf.50.000,– per dag voor elke dag dat gedaagde (lees;’verweerder’) in gebreke blijft aan de (lees:’het’) onder sub a en b van het petitum gevorderde te voldoen;

d. dat gedaagde (lees:’verweerder’) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende,dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist alhetgeen door verzoeker in zijn Inleidend Rekest naar voren is gebracht, voor zover niet woordelijk en uitdrukkelijk door verzoeker is erkend, onder aanbod van bewijs zijner stellingen, indien en voor zover de bewijslast op hem zou mogen rusten;

2. Verzoeker is inderdaad sinds 1978 ambtenaar en dient thans in de rang van Staf-ambtenaar 2e klasse in de functie van loods 1e klasse;

3. De mededelingen van verzoeker zoals neergelegd in het 4de tot en met 6de Sustenu zijn pertinent onjuist, geven niet de waarheid omtrent de ambtelijke rechtstoestand van verzoeker weer.

Ten eerste:

Het is niet waar dat verzoeker thans het salaris toucheert van Sf.62.765,– per maand. Het juiste bedrag aan salaris van verzoeker is sinds 29 februari 1996 Sf.79.471,–.

Ten tweede:

Hoewel verzoeker niet functioneert, blijft hij zijn salaris van Sf.79.471,– maandelijks ontvangen. Hij wordt niet benadeeld, zoals hij dat stelt in het 4de Sustenu van het Inleidend Rekest.

Ten derde:

De werkelijke feiten zijn deze.

Verzoeker is een van de Leiders geweest in de moeilijke actiedagen in 1992.

Verzoeker heeft zich toen ontpopt als een heel moeilijke medewerker, ook nadat de boeien waren onklaar gemaakt en niet verzoeker maar anderen door de Rechter zijn veroordeeld.

Verzoeker is in deze actiedagen PLICHTSVERZUIM verweten wegens dienstweigering. Verzoeker voerde geen opdrachten meer uit.

Ten vierde:

Verzoeker kreeg verder geen opdrachten tot beloodsing van boten, omdat het Hoofd van de Loodsdienst geen vertrouwen meer had op (lees:’in’) verzoeker en op hem niet meer kon rekenen.

Omdat hij geen schepen meer behoefde te loodsen, vielen de bijzondere toelagen, bestaande uit loodspremiën, de risicotoelagen en overwerktoelage, af. Verzoeker krijgt dus wel zijn salaris, maar omdat hij niet verder als loods functioneert mist hij de bijzondere toelagen;

4. Het is derhalve pertinent onjuist hetgeen verzoeker stelt in zijn 6de Sustenu, dat verweerder zich tegen verzoeker aan wanprestatie heeft schuldig gemaakt c.q. aan een onrechtmatige daad van verweerder. Van schade, door schuld van verweerder is in casu geen sprake;

5. Onverminderd het voorgaande wenst verweerder alsnog te stellen, dat verzoeker in strijd met artikel 79 van de Personeelswet (G.B.1962 no.195), een vordering instelt (8de (lees:’8 ste”) Sustenu, PETITUM) welke niet voldoet aan de dwingende bepalingen van het ZESDE HOOFDSTUK PERSONEELSWET;

6. Verzoeker houdt geen rekening met de bevoegdheden van de Burgerlijke Rechter in Ambtenaren-Zaken. Verzoeker noemt geen daarvoor vatbaar besluit, noch vraagt hij, een gehele of gedeeltelijke vernietiging daarvan. Verzoeker wijst ook geen wettelijk voorschrift aan, dat verweerder zou hebben geschonden.

Punt a van het Petitum is dan ook niet voor toewijzing vatbaar, aangezien het Hof alsdan in strijd zou zijn met het vierde en vijfde lid van artikel 79 van de Personeelswet.

Ook punt b van het Petitum is niet voor inwilliging vatbaar, omdat dáárvoor door verzoeker geen gronden zijn aangedragen waarop de vordering zou moeten steunen c.q. (lees erbij:”verzoeker”) niet heeft waargemaakt op grond waarvan verweerder een verplichting heeft om het door verzoeker maandelijkse regelmatig toucherend salaris van f.79.471,– te verhogen tot f.210.000,– per maand.

Ook de dwangsom is uiteraard niet rechtens en mist elke grond om als astreinte te dienen voor de Staat.

Overwegende, dat hij op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker op grond van al het voorgaande Niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering c.q. hem deze INTEGRAAL zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond, niet bewezen, en in strijd met de Personeelswet;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 3 mei 1996 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.G.Gangaram Panday, de gemachtigde van verweerder, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft en de heer E.Fitz Jim, hoofd van de Dienst voor Scheepvaart, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 4 oktober 1996, doch bij rolbeschikking een comparitie van partijen heeft gelast en overlegging van het strafdossier in de ”boeienzaak” door de Griffier van het Hof van Justitie;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormelde rol- beschikking het strafdossier door de Griffier van het Hof is overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen, onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating schikking zijdens partijen bepaald, de gemachtigde van verzoeker vonnis, heeft gevraagd terwijl de gemachtigde van verweerder heeft verklaard geen schikking te hebben bereikt;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat advokaat Mr.J.C.P.Nannan Panday namens advokaat Mr.G.Gangaram Panday, gemachtigde van verzoeker, vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 juni 1997, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, aangaande verzoekers vorderingen:

– dat nog daargelaten, dat verweerder, de aan verzoekers vorderingen ten grondslag gelegde feiten, – door verzoeker gekwalificeerd als wanprestatie c.q. onrechtmatige daad – gemotiveerd heeft weersproken, en deze dan ook rechtens niet zijn komen vast te staan, merkt het Hof op, dat ook al zouden deze feiten komen vast te staan, noch onderdeel a), noch onderdeel b) van het petitum zouden kunnen worden toegewezen:

onderdeel a) niet:

omdat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenaren zaken kan worden gevorderd, limitatief omschreven is in artikel 79 van de Personeelswet;

– dat nu onderdeel a) niet onder de limitatieve omschrijving van artikel 79 P.W. valt, toewijzing daarvan niet kan volgen;

onderdeel b) ook niet:

omdat ingevolge artikel 79 lid 1 sub b van de P.W. het Hof slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet, bepaalde;

Overwegende, dat nu verzoeker geen zodanig besluit of dergelijke handeling heeft gesteld en daarvan het Hof ook niet is gebleken, stuit toewijzing van onderdeel b, van het petitum dan ook daarop af;

– dat het terzake door verweerder gevoerde verweer, naar s’Hoven oordeel derhalve gegrond is;

Overwegende, dat verzoeker dan ook niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen:

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.Th.OOSTERLING, President, Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President en Mr.K.PULTOO, Lid en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 18 JULI 1997, in tegenwoordigheid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advokaten Mr.G.GANGARAM PANDAY en Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.