SRU-HvJ-1997-8

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13807
  • Uitspraakdatum 20 juni 1997
  • Publicatiedatum 27 maart 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Hoger Beroep.
    Arbeidsrecht.
    Vordering tot vernietiging van ontslag.

    Appellant vordert in eerste aanleg vernietiging van zijn ontslag. Appellant stelt dat hij werd ontslagen door geïntimeerde zonder dat geïntimeerde in het bezit was van een ontslagvergunning. Geïntimeerde geeft aan dat er geen ontslagvergunning vereist was voor het ontslag van appellant, omdat appellant binnen de proeftijd van twee maanden werd ontslagen. Geïntimeerde stelt in eerste aanleg een reconventionele vordering in tegen appellant. De Kantonrechter in eerste aanleg heeft voor recht verklaard dat het door geïntimeerde aan appellant verleent ontslag nietig is. De Kantonrechter heeft hetgeen meer of anders is gevorderd door appellant in eerste aanleg afgewezen.

    Het Hof overweegt onder andere dat appellant geen uitdrukkelijk of stilzwijgend aanbod aan geïntimeerde gedaan heeft dat hij bereidt is de bedongen arbeid te verrichten.
    Het Hof concludeert dat de Kantonrechter terecht de nevenvorderingen van appellant heeft afgewezen.

    Het Hof bevestigt het vonnis van de Kantonrechter en veroordeelt appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de gedingkosten.

Uitspraak

GENERALE ROL NO.13807.

[appellant], wonende te [district 1], voor wie als gemach­tigde op­treedt Mr.E.­C.M.HOO­PLOT, advo­kaat,

appellant in conven­tie

t e g e n

GOLDEN STAR RESOURCES Ltd., rechtspersoon, geves­tigd en kantoorhoudende aan de Heerenstraat no.10, te Paramaribo, voor wie als ge­machtig­de op­treedt,

Mr.F.KRUISLAND, advokaat,

geïntimeerde in con­ven­tie,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton 16 januari 1996 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 30 januari 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [naam] als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stel­len tegen GOLDEN STAR RESOURCES Ltd., rechtsper­soon, geves­tigd en kantoorhoudende aan de Heerenstraat no.10;

2. dat eiser op 10 januari 1994 in dienst is getreden van gedaagde als magazijnmeester te Gross Rosebel in  [district 1] met een salaris van f.2.033,– per maand;

3. dat eiser zijn salaris prompt uitbetaald heeft gekregen over de maanden januari, februari en maart;

4. dat gedaagde op 24 maart 1994 aan eiser ontslag heeft aangezegd zonder in het bezit te zijn van een daartoe vereiste vergunning en zonder dat sprake is geweest van dringende aan eiser onverwijld medegedeelde redenen, weshalve dit ontslag nietig is;

5. dat eiser zich over dit ontslag heeft beklaagd bij de dienst Arbeidsinspectie, alwaar eiser enige maanden aan het lijntje is gehouden om uiteindelijk te vernemen dat hij zich tot de Rechter moet wenden;

6. dat eiser geen salaris heeft ontvangen over de maanden april t/m juli 1994 en mitsdien met zijn gezin in een precaire behoeftige situatie is komen te verke­ren;

7. dat gedaagde per heden aan eiser aan salaris verschuldigd is 4 x f.2.033,– of wel f.8.132,–, van welk bedrag van gedaagde geen betaling is te bekomen ondanks aanmaningen in der minne. Aan eiser is evenmin vakantiegeld uitbetaald;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht zal worden verklaard dat het aan eiser door gedaagde verleend ontslag nietig is, althans dit ontslag zal worden vernietigd;

b. gedaagde zal worden veroordeeld om tegen kwijting aan eiser te betalen bedrag van f.8.132,– vermeerderd met de rente hierover ad 6% s’jaars vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening en voorts het bedrag van f.2.033,– per maand van (lees:’vanaf de maand april tot en met de maand augustus 1994) totdat de dienstbetrekking op regelmatige wijze zal zijn beëin­digd;

c. gedaagde zal worden veroordeeld om eiser in het genot te stellen van alle bij de dienstbetrekking behorende emolumenten en voordelen w.o. vakantiegeld, loonsverhoging, vrije geneeskundige behandeling, vakan­tieverlof etc., zulks onder verbeurte van een dwangsom van f.10.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagde in strijd met dit vonnis handelt, Kosten rechtens;
Overwegende, dat GOLDEN STAR RESOURCES Ltd als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in conventie heeft gezegd:

1. Gedaagde ontkent en betwist al hetgeen eiser bij inleidend rekest naar voren heeft gebracht en hieronder niet woordelijk en uitdrukkelijk door haar wordt er­kend, onder aanbod van bewijs harer stellingen en/of weren, indien en voor zover de bewijslast op haar zou mogen komen te rusten;

2. Het gestelde onder het 2e ”dat” bij inleidend rekest is een pertinente onwaarheid. Blijkens de hier­ bij fotokopie overgelegde arbeidsovereenkomst de dato 24 januari 1994 met het verzoek de inhoud daarvan hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschou­wen, is eiser gelet op het bepaalde onder A van die overeenkomst alsook gelet op de dagtekening van de overeenkomst, op 24 januari 1994 in dienst getreden van gedaagde en dus niet op 10 januari 1994 zoals eiser stelt. Verder bedroeg het salaris van eiser geen Sf.2.­033,–per maand, maar Sf.2.330,– per maand;

3. Op 22 maart 1994 werd eiser binnen zijn proeftijd van twee maanden door gedaagde ontslagen, omdat eiser niet voldeed binnen het bedrijf. Eiser werd dus niet ontslagen op 24 maart 1994 zoals eiser dat vermeldt in zijn rekest;

4. Eiser is aldus op 24 januari 1994 conform het bepaalde onder A 1 a van de arbeidsovereenkomst van 24 januari 1994 voor een proeftijd van twee maanden in dienst getreden bij gedaagde. Op 22 maart 1994 werd eiser ontslagen door gedaagde, omdat tijdens de proef­tijd is gebleken dat eiser niet voldeed aan de gestelde verwachtingen. Eiser werd dus binnen de proefperiode van twee maanden ontslagen en alsdan is niet alleen de arbeidsovereenkomst van 24 januari 1994 van toepassing, maar ook artikel 1615 1 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek. Gedaagde overlegt de ontslagbrief van 22 maart 1994, alsook een viertal andere relevante stukken in fotokopie met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschou­wen;

5. In het onderhavige geval is er dus geen ontslag­vergunning vereist, omdat het ontslag is geschied binnen de proefperiode van twee maanden. Vandaar dan ook dat de dienst arbeidsinspectie niet heeft bemoeid in de onderhavige kwestie;

6. Eiser heeft dan ook niets te vorderen van gedaag­de, omdat het ontslag op een rechtmatige wijze is geschied. Eiser is thans frauduleus bezig, door de Kantonrechter opzettelijk verkeerde data door te geven om zodoende te doen voorkomen alsof hij zijn proefperi­ode van twee maanden reeds was gepasseerd;

en voor eis in reconventie heeft gesteld:

1. Eiseres in reconventie (DE GOLDEN STAR RESOURCES LIMITED) wenst de navolgende rechtsvordering in recon­ventie in te stellen tegen de heer [naam] (eiser in conventie/gedaagde in reconventie) en eiseres in reconventie verzoekt de Kan­tonrechter om alhetgeen zij als gedaagde in conventie reeds naar voren heeft gebracht, hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;

2. Gedaagde in reconventie is op 24 januari 1994 in dienst getreden van eiseres en op 22 maart 1994 binnen zijn proeftijd van twee maanden ontslagen;

3. Ten onrechte heeft de Kort Geding Rechter bij zijn vonnis van 3 november 1994 A.R.No.943050, welke hierbij in fotokopie wordt overgelegd met het verzoek om inse­ratie, eiseres in reconventie veroordeeld tot het betalen aan gedaagde van: a. de som van Sf.9.500,– (zijnde gedeeltelijke salaris over de periode april 1994 tot en met oktober 1994) en b.  het bedrag van Sf.1.500,– per maand, (zijnde gedeeltelijke salaris vanaf ultimo november 1994 totdat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op de bij Wet voorge­schreven wijze zal zijn beëindigd;

4. Nu uit de in conventie overgelegde stukken onom­stotelijk is komen vast te staan, dat gedaagde in reconventie binnen  zijn proeftijd van  twee maanden is ontslagen, is het eveneens zonneklaar, dat gedaagde in reconventie ten onrechte de som van Sf.9.500,– heeft ontvangen, evenals de maandelijkse uitbetalingen ad Sf.1.500,– vanaf november 1994 tot op heden;

5. Gedaagde is dan ook verplicht en gehouden om de ten onrechte aan hem uitbetaalde bedragen terug te betalen aan eiseres. Hetgeen neerkomt op Sf.9.500,– plus Sf.1.500,– per maand vanaf november 1994 tot op de dag van de uitspraak in reconventie, althans in ieder geval een bedrag vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de Wet;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:

voor antwoord in conven­tie:

dat eiser niet ontvankelijk moet worden verklaard, althans moet de toewijzing van zijn vordering hem worden onthouden als zijnde onge­grond en/of onbe­wezen;

en voor eis in reconventie:

dat bij vonnis tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres te voldoen c.q. terug te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting de wel en deugdelijk verschuldigde som van Sf.9.500,– alsmede de maandelijkse betalingen ad Sf.1.500,– vanaf november 1994 tot aan de dag van de uitspraak in reconventie, althans in ieder geval een bedrag nader vast te stellen bij staat en te vereffenen volgende de Wet, alsook de wettelijke rente over het een ander ad zes ten honderd in het jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

b. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende, dat de eisende partij in conven­tie een als ingelast te beschouwen conclusie van re­pliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in recon­ventie voor ant­woord heeft gezegd:

1. Gedaagde neemt hierover al hetgeen door hem in conventie is aangevoerd en ontkent en betwist al het­geen door hem niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend;

2. Gedaagde ontkent hetgeen gesteld is in het 2e dat van Eis, aangezien hij reeds op 10 januari 1994 in dienst is getreden van gedaagde.

De kort Gedingrechter heeft dan ook terecht eiseres veroordeeld tot betaling van een voorschot op het salaris;

3. Eiseres heeft haar vordering gebaseerd op onver­schuldigde betaling hetgeen onjuist is. Immers kan hetgeen krachtens een rechterlijk vonnis is betaald niet geacht worden zonder enige rechtsgrond te zijn geschied. Het tegendeel is juist !;

4. Zonder enige onverplichte bewijslast op zich te nemen biedt gedaagde zijn posita te bewijzen aan;

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gron­den voor antwoord in reconventie heeft geconclu­deerd:

dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans dat deze aan haar zal worden ont­zegd, Kosten rechtens;

en  als eiser in conventie voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van dupliek in conventie en van repliek en dupliek in reconventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 16 januari 1996 heeft overwogen:

1. [naam] heeft in het 5e sustenu van de conclusie van repliek in conventie, dat als hier ingelast wordt beschouwd, akte van rectificatie van het inleidend rekest verzocht. Dit verzoek zal worden ingewilligd, nu Golden Star zich daartegen niet heeft verzet.

2. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde produkties, een en ander voor zover niet betwist, staat het volgende rechtens vast:

  1. Kanton is in dienst van Golden Star getreden als magazijnmeester te Grosse Rosebel in [district 2] tegen een (basis) salaris van f.2.330 per maand.
  2. Op 22 maart 1994 heeft Golden Star [naam] met onmiddellijke ingang ontslagen.
  3. Het ontslag is aan [naam] verleend zonder dat Golden Star in het bezit was van een ontslagvergunning en zonder dat er sprake was een dringende aan [naam] onverwijlde medegedeelde redenen.
  4. In Kort Geding is Golden Star bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 3 november 1994 veroordeeld om aan [naam] te betalen de som van f.9.500,– zijnde gedeeltelijk salaris over april 1994 tot en met oktober daaraan volgend en het bedrag van f.1.500,– per maand, zijnde gedeeltelijke salaris vanaf ultimo november 1994 totdat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op de bij de Wet voorge­schreven wijze zal zijn beëindigd.

3.1. [naam] is van oordeel dat het ontslag nietig is omdat het is verleend zonder dat Golden Star in het bezit was van een ontslagvergunning. Golden Star voert hiertegen aan dat geen ontslagvergunning vereist was, omdat het ontslag is verleend gedurende [naam] proef­tijd.

3.2.1. Golden Star beroept zich ter staving van haar verweer op het door haar overgelegde arbeidscontract. Dit contract bepaalt, voor zoveel hier van belang, dat de geldigheidsduur daarvan is 1 (een) jaar, gerekend vanaf de dag van ondertekening; verder, dat de dienst­betrekking zal aanvangen met een proeftijd van twee maanden.

2. Aan de voet van het contract is vermeld dat het is getekend te Grosse Rosebel ”op 24.1.’94”.

3.3. [naam] geeft in het 2e sustenu van zijn conclusie van repliek in conventie een exposé van hetgeen zich heeft afgespeeld rond zijn diensttreding bij Golden Star en het ondertekenen van het arbeidscontract. Dit exposé komt erop neer dat [naam] op 10 januari 1994 te [district 1] in dienst is genomen en op diezelfde dag met de kampbaas naar Grosse Rosebel is gedetacheerd. De overeenkomst zou hem worden nagezonden. Op Grosse Rose­bel aangekomen heeft [naam] de sleutels van de kampbaas uitgereikt gekregen en was van toen af belast met het beheer van het magazijn. Na twee weken kreeg [naam] van de kampbaas een concept-overeenkomst, waarin hij zijn naam moest invullen en hetwelk hij moest ondertekenen, hetgeen geschiedde.

3.4. Uit [naam] exposé volgt dat het arbeidscontract te grosse Rosebel door hem is ondertekend. Dit feit wordt bevestigd (zie hierboven onder 3.2.2.) door het door Golden Star zelf overgelegde arbeidscontract. Golden Star, die stelt al hetgeen [naam] in zijn tweede sustenu van de conclusie van repliek te ontkennen en te betwisten, ontkent dus tegen beter worden dat het contract te Grosse Rosebel door [naam] is ondertekend.

Dit feit levert het vermoeden op dat het gehele verweer van Golden Star tegen beter weten wordt gevoerd en het door [naam] gegeven exposé op waarheid berust.

3.5. Op grond van het voorgaande staat rechtens vast dat [naam] op 10 januari 1994 in dienst van Golden Star is getreden op de in  het overgelegde arbeidscontract genoemde voorwaarden, met dien verstande dat in het contract, in overeenstemming met de bedoeling van partijen moet worden gelezen dat de geldigheidsduur van dat contract is 1 (een) jaar, gerekend van 10 janua­ri 1994.

3.6.1. De bedongen proeftijd van twee maanden was op 24 maart 1994, de dag van het ontslag, reeds verstre­ken. Nu Golden Star niet in het bezit was van een ontslagvergunning, is het aan [naam] verleende ontslag nietig. Het sub a gevorderde declaratoir kan dan ook worden uitgesproken.

2. [naam] heeft niet gesteld dat hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten. Hij heeft derhalve onvoldoende feiten gesteld om toewijzing van zijn loonvordering te rechtvaardigen. Deze kan derhalve niet worden toegewezen.

3. De vordering om Golden Star te veroordelen [naam] in het genot te stellen van alle bij de dienst­betrekking behorende emolumenten dient als nevenvorde­ring het lot van de hoofdvordering, in casu de loonvor­dering, te delen en zal ook worden afgewezen.

3.7. Aangezien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten als volgt worden gecompenseerd.

3.8. Het vonnis leent zich, voor zover houdende de verklaring voor recht, niet voor tenuitvoerlegging. De vordering tot uitvoerbaarverklaring van het vonnis bij voorraad zal daarom worden afgewezen.

Overwegende, dat de kantonrechter op deze gronden:

Voor recht heeft verklaard dat het door gedaagde op 24 maart 1994 an eiser verleende ontslag nietig is.

De proceskosten tussen partijen heeft gecompen­seerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Hetgeen meer of anders is gevorderde heeft afgewe­zen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-ver­baal [naam], eiser in hoger beroep is gekomen van voormeld eind­vonnis van 16 januari 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM d.d. 10 juni 1996 aan geïntimeerde aan­zeg­ging van het inge­stelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 4 oktober 1996 advokaat Mr.Truideman zich als gemachtigde van geintimeerde aan de zaak heeft onttrokken, terwijl terzelfde terechtzitting advokaat Mr.F.KRUISLAND zich als gemachtigde heeft gesteld;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 4 april 1997, doch na enige malen te zijn aangehou­den op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kan­tonrech­ter in het Eerste kanton d.d. 16 januari 1995;

Overwegende, dat het hoger beroep evenwel slechts betrekking heeft op de door die Rechter in conventie gegeven beslissing en heeft die Rechter dus verzuimd om over de reconventionele vordering te beslissen, welke beslissing ook niet in het vooruitzicht gesteld is en waarover de geintimeerde zich ook niet geklaagd heeft als zijnde de belanghebbende partij, blijkbaar ervan uitgaande dat die beslissing alsnog zal volgen;

Overwegende, dat naar s’ Hofs oordeel de redene­ring van de kantonrechter in rechtsoverweging 3.4 niet klopt omdat hij op grond van het vermoeden dat het gehele verweer van de geintimeerde tegen beter weten in gevoerd wordt aangenomen heeft dat de appellant op 10 januari 1994 in dienst van de geintimeerde getreden is, terwijl uit de schriftelijke overeenkomst tussen par­tijen blijkt dat dat op 24 januari 1994 geschied zou zijn;

Overwegende, dat nu de geintimeerde evenwel blij­kens haar pleitnoties in hoger beroep, tegen die vast­stelling van de eerste Rechter geen bezwaren aangevoerd heeft, zal het Hof van die vaststelling uitgaan;

Overwegende, dat voorts de constatering van de kantonrechter juist is dat de appellant geen uitdrukke­lijk of stilzwijgende aanbod aan de wederpartij gedaan heeft bereid te zijn de bedongen arbeid te verrichten, blijkende daarvan namelijk niet uit de gedingstukken in eerste aanleg;

Overwegende, dat die Rechter dan ook terecht de nevenvorderingen van de appellant afgewezen heeft, en dat het bovenoverwogene met zich meebrengt dat het aangevochten vonnis zal worden bevestigd, met veroorde­ling van de appellant als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten.

RECHT­DOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 16 januari 1995, waarvan beroep:

Veroordeelt appellant in de gedingkosten in hoger geroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en be­groot op f……..

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van f….

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f……………..

Aldus gewezen door de heren Mr.S.G­ANGARAM PANDAY, funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF ,Leden en door de fungerend-Presi­dent uitge­sproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 JUNI 1997, in tegenwoor­dig­heid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.S.MANGROELLAL namens haar gemach­tigde, advo­kaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geintimeerde verte­gen­woor­digd door advokaat Mr.H.LIM A PO namens zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.F.KRUISLAND, zijn bij de uit­spraak ter terecht­zitting ver­sche­nen.