SRU-HvJ-1998-11

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13905
  • Uitspraakdatum 20 maart 1998
  • Publicatiedatum 27 maart 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Erfpacht recht. Schadevergoeding.

    Eiser vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van een bepaald schadebedrag omdat gedaagde als nieuwe huurpachter het woonhuis waarin eiser met zijn gezin vertoefde met een bulldozer met de grond gelijk heeft gemaakt, terwijl de woning met medeweten en toestemming van de oorspronkelijke huurpachter door eiser is gebouwd.

    Het Hof ontzegt eiser/geintimeerde zijn vordering omdat noch uit de gewisselde stukken en ook niet uit het verweer van eiser/geintimeerde blijkt dat van een overeenkomst van woon-erfhuur sprake is geweest doch dat geintimeerde een overeenkomst met de toenmalige eigenaar had m.n. het toezicht houden op het perceel waarvoor hij werd betaald.

Uitspraak

H.M.

GENERALE ROL NO. 13905.     

[appellante], wonende aan [adres 1] in het [district], voor wie als gemachtig­de optrad Mr.E.J.BRUMA, thans Mr.B.G.BECKLES, advokaat,

appellante,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] in het [district], voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.F.J.LEEFLANG, advokaat,

geintimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton van 26 september 1995 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 12 oktober 1995, waaruit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advoka­ten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellante], wonende aan [adres 1] in het [district], gedaagde;

2. dat de gedaagde bij koop en verkoop overeenkomst d.d. 26 oktober 1992 het erfpacht recht heeft verkregen op het perceel gelegen aan [adres 1] in het [district];

3. dat zich op het moment van de koop en verkoop op het vorenvermeld perceel een woonhuis bevond, welke met medeweten en toestemming van de oorspronkelijke huur­pachter [naam] door eiser is gebouwd, die het huis al 26 jaren met zijn concubine en kinderen be­woont;

4. dat eiser gedurende deze periode als contra pres­tatie het perceel heeft onderhouden en beplant t.b.v. de oorspronkelijke erfpachter;

5. dat de oorspronkelijke erfpachter het perceelland evenwel heimelijk verkocht aan de gedaagde en naar Nederland vertrok dientengevolge de gedaagde het erf­pachtrecht op het voormeld perceel verkreeg;

6. dat de gedaagde eiser terstond heeft aangezegd het woonhuis te doen afbreken en te ontruimen;

7. dat eiser niet instaat was binnen een zo korte tijdbestek hieraan te voldoen en gedaagde danook ver­zocht om hem enige tijd te gunnen;

8. dat de gedaagde echter zonder verdere aanzegging terwijl eiser met zijn gezin nog in het woonhuis ver­toefde deze met een bulldozer met de grond gelijk heeft gemaakt of in ieder geval heeft doen maken met vernie­tiging van alle de in het huis bevindende inventaris, goederen en meubilair;

9. dat eiser van oordeel is dat de gedaagde door zo te doen hoogst onbehoorlijk en onzorgvuldig of in ieder geval in strijd heeft gehandeld met de wet, de goede zeden en de zorgvuldigheid welke haar in het maatschap­pelijk verkeer t.a.v. een ander betaamt;

10. dat de gedaagde gehouden is de schade welke door haar schuld is ontstaan aan eiser te vergoeden;

11. dat de voormelde schade kan worden gekwantificeerd op Sf.360.000,– (DRIEHONDERD ZESTIGDUIZEND GULDEN) zijnde de herbouwwaarde van het woonhuis; het een en ander conform een hierbij overgelegde offerte d.d 3 februari 1993; en voor vernietigde kledingstukken en huishoudelijke artikelen sf.15.000,– (VIJFTIENDUIZEND GULDEN);

12. dat eiser van de gedaagde aldus te vorderen heeft het bedrag van Sf.375.000,– (DRIEHONDERD VIJF EN ZEVENTIG DUIZEND GULDEN) doch de gedaagde is niet bereid in der minne tot een afdoening te komen;

13. dat eiser derhalve recht en belang heeft het voormeld bedrag in rechte op te vorderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegen­staande verzet of hoger beroep, gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf.375.000,– (DRIEHON­DERD VIJF EN ZEVENTIG DUIZEND GULDEN) terzake als hoger omschreven met de wettelijke rente ad.6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der voldoening, Kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellante] als gedaag­de partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconclu­deerd:

dat eiser niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans deze aan hem zal worden ontzegd, Kosten rech­tens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 26 september 1995 op de daarin opge­nomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf.375.000,– (DRIEHONDERD VIJF EN ZEVENTIGDUIZEND GULDEN), met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf 6 juli 1993 tot aan die der algehele voldoe­ning;

Het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de eiser gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f.590,25,–;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 26 september 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 4 september 1996 aan geinti­meerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 21 maart 1997 advokaat Mr.E.J.BRUMA via advokaat Mr.R.W.BRAAM zich als gemachtigde van appellante aan de zaak heeft onttrokken, terwijl terzelfde terechtzitting advokaat Mr.B.G.BECKLES zich als gemachtigde van appellante heeft gesteld;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, zijnde bij pleitnota, bij antwoord­pleidooi en bij dupliekpleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier ingelast dient te worden be­schouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante hierna een hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusie tot uitlating produktie heeft genomen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 23 januari 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen van het vonnis d.d.26 september 1995, zodat zij in het door haar ingestelde hoger beroep ontvanke­lijk is;

Overwegende, dat appellante de navolgende grieven tegen het vonnis heeft aangevoerd:

Grief I:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter voor vaststaand aangenomen dat geintimeerde met medeweten en toestem­ming van de verkoper, [naam], op het perceel een woning heeft gebouwd en deze woning bewoont. Appellante heeft dit in prima zowel bij conclusie van antwoord en dupliek ontkend, terwijl de Kantonrechter zoekende naar de waarheid, appellante, toen gedaagde, naar het adres in Nederland van de heer [naam] voornoemd kon hebben gevraagd en alzo een verzoek tot rogatoire commissie kon hebben gedaan aan een collega aldaar. De Kanton­rechter heeft het niet eens nodig geacht appellante, toen gedaagde, zelf te horen. Appellante overlegt nu ten deze een verklaring van de heer [naam] voornoemd met het verzoek de inhoud van deze verklaring hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschou­wen.

Grief II:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter aangenomen dat geintimeerde op het bewuste perceel mocht bouwen en wonen als contraprestatie voor de onderhoudswerkzaamhe­den die hij moest verrichten. Ook dit is namelijk niet waar aangezien hij, geintimeerde, werd vergoed voor zijn werkzaamheden. In prima is het verhaal van geinti­meerde ook pertinent ontkend.

Grief III:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter in zijn beoordeling van zijn geschil, punt 4.2, aangenomen dat [appellante] meergenoemde woning heeft verwijderd. Ook hier heeft de Kantonrechter een steek laten vallen. Het is geinti­meerde zelf die zijn woning heeft verwijderd. Appellan­te biedt zulks te bewijzen aan.

Grief IV:

Ten onrechte overweegt de Kantonrechter verder in punt 4.3 dat appellante heeft nagelaten bij de verkoper inlichtingen in te winnen omtrent het recht van [geïntimeerde] op de woning. Volgens de verklaring van de verko­per heeft hij zich persoonlijk begeven naar het per­ceelland in 1986 en geintimeerde aangezegd te ont­rui­men. Sinds toen bestond er geen enkele relatie meer tussen de verkoper, de heer [naam] en geintimeerde voorwat betreft onderhoudswerkzaamheden. Omdat de verkoper in Nederland zat had geintimeerde altijd gehoopt dat het perceelland eens van hem zou worden. Nu hij ziet dat zulks niet gelukt is probeert hij van appellante te plukken, want ze zijn uit Nederland en moeten dus veel geld hebben zoals men algemeen denkt. De schade is volkomen gefingeerd en appellante wil door alle middelen rechtens aantonen dat zij geintimeerde op geen enkele wijze schade, in welke vorm dan ook, heeft berokkend.

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat noch uit de gewisselde stukken en ook niet uit het verweer van geintimeerde blijkt dat van een overeenkomst van woon-erfhuur sprake is geweest doch dat geintimeerde een overeenkomst met de toenmalige eigenaar m.n. het toezicht houden op het perceel waarvoor hij werd be­taald, blijkende dit immers uit de niet van valsheid betichte verklaring van [naam];

Overwegende, dat het Hof derhalve de opgeworpen grieven gegrond acht en het vonnis waarvan beroep dat op onjuiste gronden is gewezen, dient te vernietigen en opnieuw rechtdoende geintimeerde zijn oorspronkelijke vorde­ringen als ongegrond dient te ontzeggen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 26 september 1995, waarvan beroep;

Ontzegt aan de geintimeerde zijn vordering;

Veroordeelt geintimeerde in de kosten in beide instanties aan de zijde van appellante gevallen en begroot op:

– in eerste aanleg op f.nihil;

– in hoger beroep op  f.2.880,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op f.1.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.C.VELDEMA, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 maart 1998, in tegenwoordigheid van

Mr.A.C­HARAN, Fungerend-Griffier.

w.g.A.CHARAN                   w.g.A.C.VELDEMA

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.BOLDEWIJN  namens haar gemachtigde, advokaat Mr.B.G.BECKLES en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.Dr.C.D.OOFT namens zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.F.J.LEEFLANG, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzitting versche­nen.