SRU-HvJ-1998-13

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-375
  • Uitspraakdatum 22 mei 1998
  • Publicatiedatum 28 maart 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Personeelswet. Termijnen instellen vordering, tardief.
    Artikel 22 lid 5 van de Personeelswet.
    Artikel 79 lid 1 sub b en 80 lid 2c van de Personeelswet.
    Artikel 80 lid 2c jo.art.78 lid 2 van de Personeelswet.

    Het Hof overweegt dat de termijnen voor het instellen van vorderingen op grond van de Personeelswet van openbare orde zijn en dus door het Hof ambtshalve moeten worden toegepast, ook al wordt daarop geen beroep gedaan.

Uitspraak

M.H.

A – 375

[verzoekster], wonende te [district], [adres], ten deze domicilie keizende ten kantore van Mr.R.W.BRAAM, advokaat bij het Hof van Justitie, gevestigd aan de Kromme Elleboog­straat nr.5 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.J.BRUMA, advokaat,

verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministe­rie van Buitenlandse Zaken, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette van de Procu­reur-Generaal aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.F.KRUISLAND, advokaat,

verweerster,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoekster, ingevolge de artikelen 78 lid 2b, jct 79 (i.h.b. lid 1b) en 80 de leden 1b, 2c en 4 van de Personeelswet (G.B.1962 nr.195, geldende tekst S.B. 1985 no.41) de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken, verte­gen­woordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette van de Procu­reur-Generaal aan de Gravenstraat nr.3 te Parama­ribo;

2. dat verzoekster sinds 28 februari 1958 als ambte­naar onafgebroken in Landsdienst is geweest en alszoda­nig valt onder de bepalingen van de Personeelswet;

3. dat bij de afwikkeling van zaken, verband houdende met haar 38 – jarig dienstverband met de Surinaamse Overheid in het geheel niet de vereiste zorgvuldigheid wordt betracht, welke in het maatschappelijk verkeer betamelijk is t.a.v. een werknemer aan het einde van een langdurig dienstverband met een werkgever, als gevolg waarvan zij ernstige schade ondervindt;

4. dat zij verschillende schriftelijke en mondelinge pogingen heeft ondernomen om een richtige afwikkeling van haar zaken te bevorderen, zoals moge blijken uit de hierbij overgelegde, in de loop der tijden geschreven brieven, memo’s, verslagen e.d. met het verzoek deze als hierbij ingelast en geinsereerd te willen beschou­wen t.w.:

a. brief d.d. 18 mei 1989 over gelijkwaardigheid bij aanstelling en beloning (bijlage 1)

b. memo d.d 29 mei 1989 inzake opdracht tot korting op salaris (bijlage 2)

c. brief d.d. 14 maart 1994 inzake gesprekken met de directeur van Buitenlandse Zaken (bijlage 3)

d. brief d.d. 19 juli 1995 inzake waarnemingstoelage, inclusief overzicht rangenstelsel (bijlagen 4a en 4b)

e. brief d.d. 17 november 1995 aan de President van de Republiek Suriname, d.t.k.v. de Minister van Buiten­landse Zaken (bijlage 5)

f. brief d.d. 12 april 1996 aan de Regering van de Republiek Suriname, met bijlage samenvatting i.v.m. afwikkeling dienstverband (bijlagen 6a en 6b)

g. brief d.d. 6 mei 1996 aan de President van de Republiek Suriname c.c. de Minister van Buitenlandse Zaken (bijlage 7)

h. verslagen d.d. 12 en 15 februari 1996 over contact met het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bijlagen 8 en 9);

5. dat de zaken, die thans afhandeling behoeven, betreffen:

a. transport resterende verhuisboedel uit Nederland

b. afhandeling kwestie delegatievergoeding m.b.t. Ambassade Den Haag (van September 1988 tot Maart 1995), door voormelde Ambassade begroot op ca.Nf.280.000,–

c. afhandeling zaken m.b.t. functionering bij Perma­nente Missie van de Republiek Suriname bij de Verenigde Naties (t.w.waarnemingstoelage (ca.US$ 13.500,–),

delegatievergoeding, door de Missie begroot op ca. US$.­35.000,–, transport verhuisboedel uit New York)

d. implementatie ontslagresolutie d.d. 1 oktober 1996 [nummer] (uitkering van het op basis daarvan ver­schuldigde salaris van 1 januari tot 2 oktober 1996).

e. formalisering stilzwijgende benoeming tot ambassa­deur ingevolge art.22 lid 5 Personeelswet, i.v.m. waarneming in de definitief opengevallen post van buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur (Permanent Vertegenwoordiger van de Republiek Suriname bij de Verenigde Naties), gedurende langer dan een jaar, 10 augustus 1994 tot ontslag uit ’s Lands dienst;

6. dat over de onder 5 vermelde zaken, brieven en een resolutie worden overgelegd, met het verzoek deze als hierbij ingelast en geinsereerd te willen beschouwen t.w.:

a. brief d.d. 27 juli 1996 aan de Ambassade Den Haag (bijlage 10)

b. brief van oktober 1996 van [naam], voormalig direkteur van Buitenlandse Zaken over ”kwes­tie delegatievergoeding…..” alsmede circulaire nr.5 van de Minister van Algemene en Buitenlandse Zaken van 6 Augustus 1977 (bijlagen 11a en 11b)

c. brief waarnemingstoelage (bijlagen 4a/4b)

d. memo Buza d.d. 28/12/1995 nr.3953 (bijlage 12)

e. resolutie d.d. 1 oktober 1996 [nummer](bijlage 13)

f. brief d.d. 17 november 1995 (bijlage 5);

7. dat verzoekster herhaaldelijk te kennen heeft gegeven voorstander te zijn van afwikkeling van haar zaken in gemeen overleg tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en haar, waartoe ook het zijdens haar bevoegde hoogste gezag zich tegenover haar bereid toonde;

8. dat verzoekster echter genoodzaakt was de Kortge­dingrechter op 20 juni 1996 te adieren (AR.nr.961992), omdat het belangrijkste deel van een tussen het Minis­terie en haar d.d. 23 april 1996 bereikte accoord – zoals vastgelegd in de hierbij overgelegde brieven d.d. 25, 26 april en 16 mei – niet werd uitgevoerd;

9. dat de onder 8 vermelde brieven hierbij worden overgelegd als bijlagen 14 t/m 16 met verzoek deze als ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

10. dat bij herhaling (op 1 en 15 augustus 1996) door de verweerder uitstel van de behandeling in kortgeding werd gevraagd, de indruk wekkende, dat een regeling tussen partijen zou worden getroffen;

11. dat verzoekster ook hangende het Kortgeding bereid bleef langs de weg van overleg tot een minnelijke regeling te geraken, hetgeen blijkt uit haar brief d.d. 7 november 1996 aan de Minister van Buitenlandse Zaken en de brief van laatstgenoemde aan haar van 6 januari 1997, welke als bijlagen 17 en 18 hierbij worden toege­voegd met het verzoek deze als ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

12. dat het met de huidige bewindsman van het Ministe­rie van Buitenlandse Zaken in november 1996 gestarte constructief overleg over een algehele minnelijke regeling helaas, althans tot nu toe nog geen concreet resultaat heeft opgeleverd;

13. dat eiser (lees: verzoekster) recht en belang heeft op een spoedige afwikkeling van alle zaken ver­bandhoudende met haar dienstverband met de Surinaamse Overheid;

14. dat een nadrukkelijk besluit ontbreekt van het daartoe bevoegde orgaan op haar herhaaldelijk tot het desbetreffende orgaan gerichte verzoeken (laatstelijk op 6 mei 1996 in bijlage 7 aan de President van de Republiek Suriname, evenals op 16 mei 1996 aan de Wnd.direkteur van Buitenlandse Zaken – bijlage 16 – ) daarmee ingevolge art.78 lid 2b, jct.art.80 lid 2c de gronden opleverende om de onderhavige vordering in te stellen bij het Hof van Justitie, rechtsprekende in ambtenarenzaken;

15. dat de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 januari 1996, indien als besluit beschouwd zoals bedoeld in art.78 van de Personeelswet, eveneens grond oplevert om ingevolge art.80 lid 1b de onderhavi­ge vordering in te stellen;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevor­derd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. de verweerder zal worden gelast om binnen drie dagen, althans binnen een door het Hof in goede justi­tie te bepalen termijn over te gaan tot:

– betaling van alle aan haar verschuldigde delega­tievergoedingen voortvloeiende uit de circulaire 5 van de Minister van Algemene en Buitenlandse Zaken van 6 augustus 1977, verband houdende met haar functionering als ambassaderaad bij de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag (september 1988 tot maart 1994), zijnde Nf.280.000,– en als fgd.Ambassadeur bij de Permanente Missie van de Republiek Suriname bij de Verenigde Naties (augustus 1994 tot het ontslag uit ’s Lands Dienst), zijnde US$.35.000,–

– betaling van de haar verschuldigde waarnemingstoe­lage voor waarneming op de post van Ambassadeur (Perma­nent Vertegenwoordiger van de Republiek Suriname bij de V.N.) van januari 1994 – januari 1996), zijnde US$.13.­500,–

b. de gedaagde (lees:verweerster) zal worden gelast alle nodige voorzie­ningen te treffen tot spoedig trans­port van haar goede­ren uit Nederland en New York en al het overige te doen, dat verband houdt met terugkeer naar het hoofd­kwartier na detachering naar het buiten­land.

c. de gedaagde (lees:verweerster) zal worden gelast voor recht te ver­klaren verzoeksters stilzwijgende benoeming tot buiten­gewoon en gevolmachtigd Ambassadeur (Perm.verte­genwoor­diger van de Republiek Suriname bij de V.N.) ingevolge art.22 lid 5 van de Personeelswet ingaande augustus 1994 tot haar ontslag uit ’s Lands dienst, zijnde 2 oktober 1996,

d. de gedaagde (lees:verweerster) zal worden gelast een billijke rege­ling te treffen m.b.t. implementatie van de ontslagre­solutie d.d.1 oktober 1996 [nummer]in dier voege, dat tenminste het salaris over de maan­den januari t/m maart 1996 wordt uitbetaald, op basis van het laatst genoten salaris op de Permanente Missie van de Repu­bliek Suriname bij de Verenigde Naties, vanwege langer verblijf in New York i.v.m. afwachting op de afwikke­ling van haar zaken op advies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

e. gedaagde (lees:verweerster) zal worden veroor­deeld in de kosten van het geding

Alles onder verbeurte van een dwangsom van

Sf.100­.000,– voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft aan de inhoud van het vonnis te voldoen;

Overwegende, dat van De Staat Suriname binnen de wette­lijk gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist met klem alhetgeen niet uitdrukkelijk door hem is erkend. Verweerder biedt van zijn stellingen bewijs aan, indien en voor zover de bewijslast daarvan ingevolge de wet op haar mocht rusten;

2. Verweerster (lees:verzoekster) is inderdaad ambte­naar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet. De periode waarin de rechtsfeiten waarop verzoekster zich beroept, zich hebben voorgedaan, betreft de periode 1988-1996. Het bevoegde gezag te haren aanzien, het verlenen van ontslag daaronder begrepen, was alstoen ingevolge artikel 3 lid 2 en lid 5 van de Personeelswet de Presi­dent van de Republiek Suriname, nu zij door hem in die perioden werd bevorderd onder meer bij resolutie d.d 23 mei 1991 en zij in die periode de rangen heeft bekleed van Hoofdambtenaar B 1e klasse, Hoofdambtenaar A 3e klasse, Hoofdambtenaar A 2e klasse en Hoofdambte­naar A 1e klasse, aan al welke rangen een bezoldiging was verbonden, die meer bedroeg dan de helft van die van de direkteur van een departement.

3. Verzoekster vordert in haar petitum sub a betaling van alle aan haar verschuldigde delegatievergoedingen voortvloeiende uit de circulaire 5 van de Minister van Algemene en Buitenlandse Zaken van 6 augustus 1977 terzake van haar detachering als Ambassaderaad bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Suriname te Den Haag, Nederland, en haar detachering als Gevolmachtigd Minister van Suriname bij de Verenigde Naties te New York, U.S.A. Kennelijk bedoelt verzoekster, dat zij aanspraak maakt op het z.g. ”volledige valuta inkomen”, dat wil zeggen haar salaris als Ambassaderaad en Gevol­machtigd Minister, inclusief de percentages vastgesteld voor echtgenote (echtgenoot) en kinderen, welke sala­rispercentage dan door verzoekster worden aangeduid als ”delegatievergoedingen” (vide punt 6 van voormelde circulaire). De aldus toe te kennen vergoedingen voor het verblijf van de gezinsleden van een ambtenaar, zoals verzoekster, op zijn standplaats hebben tot strekking de betreffende ambtenaar in staat te stellen om zijn funktie adequaat te kunnen vervullen door zijn arbeid in het kader van zijn gezinsleven te verrich­ten en hebben, anders dan verzoekster stelt, niets te maken met de representativiteit van de diplomaat of de aan zijn  funktie verbonden status. Dat zou ook niet de ratio kunnen zijn, aangezien dan alleen gehuwde perso­nen als diplomatiek vertegenwoordiger zouden kunnen optreden, hetgeen noch rechtens noch feitelijk het geval is en ook niet kan zijn. Voormelde vergoedingen zijn dan ook geen vergoeding van kosten die recht­streeks voortvloeien uit de vervulling van de betref­fende funktie en gelet op hun strekking – instandhou­ding van het gezinsleven van de ambtenaar- hebben die vergoedin­gen mitsdien het karakter van een emolument als bedoeld in artikel 32 van de Personeelswet. Toeken­ning van een dergelijk emolument mag dan ook alleen geschieden overeenkomstig bij staatsbesluit vastgestel­de voor­schriften, als bedoeld in artikel 32 lid 1 van de Personeelswet. Een dergelijk staatsbesluit ontbreekt echter ten enen male. Voorts, voor zover voormelde vergoedingen als toelagen gekarakteriseerd moeten worden, hetgeen ook het geval is, dan zou ingevolge artikel 17 lid 2 van de Personeelswet bij staatsbesluit moeten zijn bepaald dat in geval van detachering van een ambtenaar een toelage als vorenbedoeld wordt geno­ten. Ook een dergelijke voorziening in enig staatsbe­sluit ontbreekt en in elk geval bevat het Ambtenarenbe­zoldigingsbesluit (S.B.1980 no.153), dat beschouwd moet worden als het staatsbesluit bedoeld in artikel 17 lid 2 van de Personeelswet, ten aanzien van voormelde vergoedingen geen enkele voorziening. Bovenvermelde circulaire ontbeert dan ook elke rechtskracht. Verzoek­ster kan daaraan dan ook geen enkele rechtskracht ontlenen.

Veronderstellenderwijs echter ervan uitgaande, dat bovenvermelde circulaire wel rechtskracht zou hebben, dan moet dan het navolgende te dien aanzien worden opgemerkt. De circulaire is een algemene regeling en dus behoort nog ten aanzien van elke ambtenaar speci­fiek te worden vastgesteld of en in hoeverre aanspraak op vergoedingen als voormeld bestaat en welke de omvang van die vergoedingen is, hetgeen overigens ook uit punt 6 van die circulaire blijkt. Een dergelijk besluit moet dan ten aanzien van verzoekster door de President van de Republiek Suriname worden genomen op grond van het sub 2 gestelde. Een dergelijk presidentieel besluit is echter niet genomen. Evenmin is vaststelling van de vergoedingen als voormeld geschied door of vanwege de Minister van Buitenlandse Zaken. Het is dan ook geheel onduidelijk op grond waarvan verzoekster meent aanspra­ken te hebben en bovendien van een omvang als gevor­derd. De stelling van verzoekster, dat de gevorderde bedragen respectie­velijk door de Ambassade te Den Haag, Nederland, en de Permanente Missie te New York, U.S.A., zouden zijn vastgesteld, wordt door verweerder met klem ontkend. Ook al zou zulks echter het geval zijn, dan nog missen voormelde instanties elke bevoegdheid zulks te doen, terwijl ook de gestelde bedragen worden ont­kend. Ver­weerder merkt terzake verder op, dat indien en voor zover voormelde circulaire rechtskracht zou heb­ben, zij in elk geval op de detachering van verzoekster te Den Haag, Nederland, niet van toepassing zou zijn.

De strekking van de toelagen voor echtgenote (echtge­noot) en kinderen is toch de gedetacheerde ambtenaar in staat te stellen zijn gezin mee te nemen naar zijn standplaats en aldaar bij zich te hebben gedurende zijn detachering, waaraan uiteraard hogere kosten verbonden zijn dan in Suriname zelf het geval zou zijn, indien de ambtenaar daar zijn standplaats had. Punt 3 van boven­ver­melde circulaire geeft daarom uitdrukkelijk aan, dat het gezin van de landsdienaar hem binnen drie maanden na zijn detachering naar de standplaats dient te vol­gen, terwijl punt 7 van die circulaire duidelijk spree­kt van vervoer  van het gezin naar de standplaats in verband met gezinshereniging. De echtgenoot van verzoekster woont echter al voor 1975 in Nederland met de uit zijn huwelijk met haar geboren kinderen en is daar sedertdien ook in dienstbetrekking, terwijl de kinderen daar op school gaan, verzoekster in Suriname verbleef en van daaruit gedetacheerd werd naar Neder­land. Van een medenemen van haar gezin naar Nederland en verblijf met dat gezin aldaar op grond en als gevolg van de detachering was dan ook geen sprake. Ook om die reden maakt verzoekster geen aanspraak op de gezinstoe­lage voor wat de duur van haar detachering in Nederland betreft. Zulks is haar ook duidelijk voorgehouden bij de voorbereiding van haar detachering door de toenmali­ge direkteur van het Departement van Buitenlandse Zaken en de toenmalige Inspekteur van de Buitenlandse Dienst, hetgeen door verzoekster werd aanvaard. In de bijlage behorende bij het schrijven van de Direkteur van Bui­tenlandse Zaken aan de Tijdelijk Zaakgelastigde van Suriname in Nederland d.d. 9 september 1988, no.10038, inhoudende mededeling van verzoeksters detachering in de funktie van Ambassaderaad, is dan ook geen toelage aangegeven voor echtgenoot en kinderen. Verweerder legt voormeld schrijven met bijlage hierbij over ter staving van haar stellingen. Tenslotte merkt verweerder terzake op, dat ingevolge voormelde circulaire het vereist is, dat de betreffende ambtenaar in gezinsverband samen­leeft, wil hij aanspraak maken op voormelde vergoedin­gen. Verzoekster heeft echter, naar verweerder met klem stelt, in de perioden van haar tewerkstelling op de Ambassade van Suriname te Den Haag, Nederland, en op de Permanente Missie van Suriname bij de Verenigde Naties te New York, U.S.A., niet in gezinsverband samengeleefd en ook om die reden maakt zij geen aanspraak op voren­bedoelde vergoedingen of toelagen. Verweerder legt bovenvermelde circulaire no.5 van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 augustus 1977 hierbij over, zulks ter staving van haar stellingen;

4. Verzoekster vordert in haar petitum sub a voorts, dat aan haar een waarnemingstoelage zal worden toege­kend en betaald van US$ 13.500,– over de periode augustus 1994 – januari 1996 als waarnemend Hoofd van de Permanente Missie van Suriname bij de Verenigde Naties, kennelijk op de voet van artikel 22 lid 4 van de Personeelswet. Zulks is echter in strijd met het in het petitum sub c gestelde, aangezien verzoekster er in dat onderdeel vanuit gaat, dat zij sinds augustus 1994 stilzwijgend zou zijn benoemd als Hoofd van de Perma­nente Missie van Suriname bij de Verenigde Naties en dan is er uiteraard geen plaats voor een waarnemings­toelage. Reeds om die reden moet verzoekster terzake niet worden ontvangen. Met betrekking tot laatstgemelde vordering evenwel nog het volgende. Ingevolge artikel 105 lid 2 van het Handvest van de Verenigde Naties is er van elke lidstaat van die organisatie bij die orga­nisatie een permanente missie geaccrediteerd, welke de betrekkingen tussen die organisatie en de lidstaat onderhoudt en zorgt voor de belangenbehartiging van de lidstaat bij die organisatie. De betrekkingen tussen de lidstaat en de Verenigde Naties worden op dat stuk beheerst door analogische toepassing van het Verdrag van Wenen inzake de diplomatieke relaties, bij welk verdrag Suriname partij is (zie Verdrag­enblad van de Republiek Suriname, jaargang 1982 no.28; Ian Brownlee:

Principles of Public International Law, pag.684 e.v.; The Charter of the United Nations, A Commentary edited bij Bruno Simma, 1994, pag.1138 e.v.). Ingevolge arti­kel 14 van voormeld verdrag moet er dan een Hoofd van de Missie worden aangewezen. Een dergelijke funktie is dan ook op grond van de ex artikel 3 van dat verdag daaraan verbonden taak geen funktie binnen de interne ambtelijke dienst van Suriname en ambtelijke regels binnen de bestuurlijke rechtsorde van Suriname zijn dan ook daarop niet van toepassing, derhalve ook niet de Personeelswet. Bij missive van de Minister van Buiten­landse Zaken aan de Secretaris-Generaal van de Verenig­de Naties d.d. 2 augustus 1994 is verzoekster aangewe­zen als ”Charge d’ Affaires ad interim” van de Repu­bliek Suriname bij de Verenigde Naties, met ingang van 10 augustus 1994, welke missive hierbij wordt overge­legd. Zulks hield in, dat verzoekster vanaf 10 augustus 1994 voorlopig zou fungeren als Hoofd van de Missie. Kennelijk op basis daarvan meent verzoekster, dat zij de funktie van Hoofd van de Permanente Missie van Suriname bij de Verenigde Naties heeft waargenomen, zoals bedoeld in artikel 22 lid 1 van de Personeelswet, en op grond van het vierde lid van die bepaling dan in aanmerking komt voor een waarnemingstoelage. Echter is de aanwijzing van verzoekster als ”Charge d’ Affaires ad interim” niet geschied op grond van artikel 22 lid 1 van de Personeelswet, doch op grond van artikel 19 van voormeld Verdrag van Wenen en, zoals gesteld, betreft het dan ook niet een waarneming van een funktie binnen de interne ambtelijke dienst, maar een voorziening strekkende tot bewaring van de relatie met de Verenigde Naties. De positie van Charge d’ Affaires ad interim is dan ook een zelfstandige positie en geen afgeleide positie waarop artikel 22 van de Personeelswet toepas­selijk is. Indien zulks wel het geval was, dan zou toch in casu ook de aanwijzing moeten zijn geschied door de President van de Republiek Suriname als het bevoegd gezag, zoals sub 2 aangegeven. Voorts moet worden gesteld, dat verzoekster alstoen een rang bekleedde, namelijk Hoofdambtenaar A 1e klasse, waaraan dezelfde minimumbezoldiging is verbonden als aan de rang, die het Hoofd van de Missie heeft.

Deze heeft namelijk ook de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse. Op grond van artikel 22 lid 4 van de Perso­neelswet maakt verzoekster dan ook geen aanspraak op een waarnemingstoelage, indien die bepaling terzake van toepassing zou zijn, hetgeen niet het geval is.

Tenslotte ontkent en betwist verweerder dat de gepre­tendeerde aanspraak op waarnemingstoelage een bedrag van US$ 13.500,– zou betreffen. Op geen enkele wijze heeft verzoekster zulks aangetoond.

5. Verzoekster vordert in haar petitum sub b, dat verweerder zal worden gelast alle nodige voorzieningen te treffen tot spoedig transport van haar goederen uit Nederland en New York en al het overige te doen dat verband houdt met terugkeer naar het hoofdkwartier na detachering naar het buitenland. Verzoekster heeft echter niet gesteld op grond van welke wettelijke regeling verweerder daartoe verplicht zou zijn en zij daarop aanspraak zou maken en geen deugdelijk verweer is dan ook terzake mogelijk. Noch ook heeft verzoekster gesteld welke voorzieningen verweerder zou moeten treffen en verweerder kan dan ook niet weten waaraan hij terzake zou moeten voldoen, indien Uw Hof genegen zou zijn het verzoek toe te wijzen. Om voormelde rede­nen is verzoekster dan ook in dat onderdeel van haar petitum niet – ontvankelijk. Overigens heeft verweer­der, indien en voor zover verzoekster daarop mocht doelen zowel aan de Kanselier op de Ambassade te Den Haag, Nederland, als die op de Permanente Missie bij de Verenigde Naties te New York, U.S.A., bereids de op­dracht verstrekt om na opgave van verzoekster betref­fende de wijze van transport van haar verhuisboedel en de data daarvan, de daaraan verbonden kosten aan de vervoerder te voldoen, althans indien en voor zover zij zelf die kosten had voldaan, deze aan haar te vergoe­den, mits gestaafd met de volgens de Comptabiliteitswet en het Comptabiliteitsbesluit vereiste bescheiden.

Zulks is ook aan verzoekster medegedeeld. Een opgave met bescheiden als vorenbedoeld is echter door ver­zoekster nimmer gedaan en in zoverre is verzoeksters vordering dan ook geheel ongegrond;

6. Wat betreft het petitum sub c, moet vooreerst worden opgemerkt, dat verweerder, althans haar orga­nen welke met wetgevende en bestuurlijke macht zijn belast, de bevoegdheid mist (missen) om te verklaren wat rech­tens is, aangezien zulks ingevolge artikel 134 van de Grondwet en artikel 1 van de Wet op de Samen­stelling en Inrichting van de Rechterlijke Macht uit­sluitend aan de staatsorganen met rechtspraak belast is voorbehouden, tot welke organen Uw Hof behoort. Volgens het petitum zou Uw Hof dan zichzelf moeten gelasten om de betref­fende verklaring voor recht te geven, hetgeen evident rechtens onmogelijk is. Ook in dat onderdeel van het petitum kan verzoekster dan niet worden ontvan­gen. Voorts stelt verweerder met klem, dat artikel 22 lid 5 van de Personeelswet terzake niet van toepassing is, nu ”Hoofd van de Permanente Missie van Suriname bij de Verenigde Naties” geen ambtelijke funktie is in de zin van de Personeelswet en ter staving daarvan ver­wijst verweerder naar hetgeen terzake sub 4 is betoogd;

7. Ten aanzien van het petitum sub d.

Verzoekster heeft geen enkel feit of omstandigheden gesteld, laat staan aangetoond, op grond waarvan zij langer in New York moest blijven in afwachting van de afwikkeling van haar zaken, noch ook welke zaken dat waren, noch ook waarom zij dan persé drie maanden aan inkomen, dat zij in New York zou krijgen, indien zij nog in dienst was, zou moeten krijgen. Verzoekster had op uiterlijk 1 januari 1996 naar Suriname terug moeten keren in verband met haar pensionering per die datum, hetgeen haar ook is medegedeeld en waarmede zij in elk geval ook uit eigen wetenschap bekend was. Dat zij langer in New York, U.S.A., is gebleven, zoals zij stelt, komt dan ook geheel voor haar rekening en risi­co. Overigens heeft Uw Hof, naar het verweerder voor­komt, niet de wettelijke mogelijkheid hem te gelasten ”een billijke regeling te treffen”. Indien verzoekster pretendeert dat zij kennelijk schade heeft geleden, dan moet zij concreet de oorzaak van de schade stellen, de schadefaktoren stellen en de omvang van de schade stellen en vorderen. Voormeld petitum onderdeel, alsme­de de grondslag daarvan, is dan ook veel te vaag om voor toewijzing in aanmerking te komen;

Overwegende, dat hij op deze gronden heeft gecon­clu­deerd:

dat verzoekster in haar vorderingen niet zal worden ontvangen, althans deze haar als ongegrond zullen worden ontzegd;

Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 17 maart 1997 in Raadkamer zijn verschenen, verzoek­ster in per­soon bijgestaan door advokaat Mr.R.W.BRAAM namens haar gemachtigde advokaat Mr.E.BRUMA, advokaat Mr.F.KR­UISLAND, gemachtigde van verweerder en de heer R.C.S­ANICHAR, onder-Direkteur van Buitenlandse Zaken namens verweerder, die hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partij­en de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, par­tijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvanke­lijk was bepaald op 21 november 1997, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en ander­zijds erkend, althans als niet danwel onvoldoende gemotiveerd be­twist, het navolgende tussen partijen rechtens vast­staat:

1. dat de verzoekster ambtenaar is geweest in de zin van de Personeelswet (P.W) en dat zij per 2 oktober 1996 met ontslag uit ’s Landsdienst gegaan is (pensio­nering);

2. dat zij van september 1988 tot maart 1994 ambassa­deraad geweest is bij de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, Nederland en fungerend-Ambassa­deur bij de Permanente Missie van de Republiek Suriname bij de Verenigde Naties te New York in de periode augustus 1994 tot januari 1996;

3. dat verzoekster in beide sub 2 genoemde perioden voor de delegatievergoedingen (deze zijn vergoedingen voor verblijf van gezinsleden op de standplaats van een diplomaat i.c. echtgenoot en kinderen van de verzoek­ster als vervat in de circulaire d.d. 6 augustus 1977 van de Minister van Algemene en Buitenlandse Zaken) niet in aanmerking gekomen is en dat zij vanaf 1989 regelma­tig daartegen – zowel schriftelijk als mondeling – heeft geprotesteerd;

4. dat verzoekster voorts in de periode waarin zij als fungerend-Ambassadeur bij de Verenigde Naties werkzaam was, terwijl er geen Ambassadeur van Suriname daar geposteerd was, niet in aanmerking gekomen is voor het salaris verbonden aan de funktie van Ambassadeur;

5. dat de verweerster niet tijdig als gebruikelijk ervoor zorg gedragen heeft dat goederen (verhuisboedel) van de verzoekster na beëindiging van haar detacherin­gen te Den Haag en New York als bovengenoemd, naar Paramaribo getransporteerd zijn;

Overwegende, dat verzoekster op grond van de bovenvermelde feiten en op andere gronden als vermeld in haar verzoekschrift d.d. 6 januari 1997, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 31 januari 1997, tegen de Staat de vorderingen heeft ingesteld als in het petitum is vermeld met verbetering wat punt c van het petitum betreft in haar pleitnota alsvolgt: ”de gedaagde te gelasten verzoeksters stilzwijgende benoe­ming tot Ambassadeur ingevolge art.22 lid 5 van de Perso­neelswet te formaliseren, ingaande augustus 1995 tot 2 oktober 1996”;

Overwegende dat wat de delegatievergoedingen betreft de aard daarvan is dat die telkens maandelijks, doorgaans tegelijk het het salaris, aan de diplomaat wordt betaald om de meerdere kosten van het gezin in het buitenland te dekken, hetgeen i.c. niet geschied is en dat de verzoekster pas na haar pensionering (ontslag uit ’s Landsdienst) in verband met afwikkeling van zaken verband houdende met haar 38 – jarige dienstver­band met de verweerster deze vergoedingen alsnog vol­daan wenst te hebben;

Overwegende, dat verzoekster met dit deel van de vordering tardief is, omdat zij tijdens haar detache­ringsperioden zowel te Den Haag als te New York niet alleen intern had moeten beklagen (binnen de admini­stratie) doch de Ambtenarenrechter had moeten adiëren, en door dit na te laten en deze vordering pas op 31 januari 1997 aanhangig te maken, zij rijkelijk te laat is (zie art.79 lid 1 sub b en 80 lid 2c P.W.);

Overwegende, dat het thans danook niet relevant is te onderzoeken of de verzoekster voor die vergoedingen in aanmerking had moeten komen;

Overwegende, dat wat de waarnemingstoelage betreft de verzoekster enerzijds deze toelage vordert (als onderdeel van het petitum sub a) en anderzijds in het verbeterde petitum sub c verlangt dat de verweerster een resolutie slaat om haar benoeming tot Ambassadeur te formaliseren, hetgeen naar het oordeel van het Hof tot hetzelfde financiële gevolg zou moeten leiden, namelijk dat de verzoekster vanaf het tweede jaar van haar functionering bij de Verenigde Naties het salaris van de Ambassadeur zou moeten genieten;

Overwegende, dat los van het feit dat de verzoek­ster niet aangegeven heeft welk belang zij bij de gevraagde formalisering na haar ontslag uit ’s Lands­dienst (pensionering per 2 oktober 1996) heeft, is zij met beide vorderingen te laat, omdat zij de waarne­mingstoelage niet tijdig (als vergoeding van schade) gevorderd heeft en de gevraagde formalisering niet binnen 6 tot 9 maanden na 1 augustus 1995 gevorderd heeft (zie art.80 lid 2c jo.art.78 lid 2 P.W.), hetgeen het Hof niet de mogelijkheid biedt te onderzoeken of zij al dan niet terecht op die toelage aanspraak maakt;

Overwegende, dat het petitum sub b te ruim gefor­muleerd is en daarin dus niet exact aangegeven is de hoeveelheid goederen van verzoekster die van Nederland en van New York naar Paramaribo vervoerd zouden moeten worden en welke handelingen de verweerster precies daartoe zou moeten verrichten, en dat bovendien deze vordering ook te laat ingesteld is vanwege het feit dat verzoekster ultimo maart 1994 haar werkzaamheden te Den Haag beëindigd heeft en eind januari 1996 hetzelfde gebeurd is te New York (art.80 lid 2 sub c jo 78 lid 2 P.W.);

Overwegende, dat wat het petitum sub d betreft, n.l.”de verweerster te gelasten een minnelijke regeling te treffen enz…..”, als vordering geen steun vindt in de P.W. en is het Hof dus niet bevoegd daarover een beslissing te geven (zie art.79 P.W.);

Overwegende, dat hier uitdrukkelijk overwogen wordt, dat de termijnen voor het instellen van vorde­ringen op grond van de P.W. van openbare orde zijn en dus door het Hof ambtshalve moeten worden toegepast, ook al wordt daarop geen beroep gedaan;

Overwegende, dat uit het bovenoverwogene volgt, dat het Hof met betrekking tot het gevorderde sub d van het petitum zich onbevoegd zal verklaren en dat de verzoek­ster in haar overige vorderingen niet ontvanke­lijk zal worden verklaard wegens het niet tijdig in­stellen daarvan binnen de door de P.W. gestelde termijn en wegens te ruime formulering (dit laatste m.b.t. het petitum sub b);

Overwegende, dat de verzoekster, als de in het ongelijk gestelde partij, de gedingkosten aan de zijde van de verweerster gevallen, voor haar rekening zal moeten nemen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering als vervat in het petitum sub d van het verzoekschrift van de verzoekster;

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar overige vorderingen;

Veroordeelt verzoekster in de proceskosten aan de zijde van verweerster gevallen en begroot op

f………;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van verzoekster eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-Presi­dent, Mr.E.S.OMBRE en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitge­sproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 mei 1998, in tegen­woordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.R.B­ALDEW namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.J.B­RUMA en ver­weerster vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.LIM A PO namens haar gemach­tigde, advokaat Mr.F.KRUISLAND, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.