SRU-HvJ-1998-18

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13990
  • Uitspraakdatum 16 oktober 1998
  • Publicatiedatum 28 maart 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Arbeidsrecht.
    Hoger Beroep.
    Ontslag wegens dringende reden.
    Artikel 1615p lid 10 Burgerlijk Wetboek.
    Artikel 3 van het Decreet Ontslagvergunning SB 1983 no.10, zoals laatstelijk gewijzigd bij SB 1984 no.102.

    Appellante vordert dat voor recht zal worden verklaard dat het ontslag dat door haar werd verleend aan haar werknemer rechtsgeldig is en dat zal worden vernietigd, de beschikking van geïntimeerde die aangeeft dat geïntimeerde bezwaar heeft tegen voornoemd ontslag.
    Appellant geeft bij conclusie van repliek aan dat zij haar vordering tegen geïntimeerde intrekt.
    Het Hof overweegt dat onder de intrekking van de vordering van appellant wordt verstaan dat de aan die grondslag gelegde stellingen niet gehandhaafd worden.
    Het Hof stelt dat het gevolg hiervan is dat de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen aan appellante worden ontzegd.
    Het Hof bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton.

Uitspraak

H.M

GENERALE ROL NO.13990.

LANDBOUW MAATSCHAPPIJ PATAMACCA N.V., rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende ten kantore van Mr.F.F.P.TRUI­DEMAN, advokaat, gevestigd aan de Grote Combéweg no.25-27, voor wie als ge­machtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDE­MAN, advokaat,

appellante,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Arbeid, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wor­dende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justi­tie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Graven­straat no.3, Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat,

geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kan­tonrech­ter in het Eerste Kanton van 1 april 1997 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 juni 1997, waaruit blijkt van het in­stel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat LANDBOUW MAATSCHAPPIJ PATA­MACCA N.V. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat de eiseres de navolgende rechtsvordering op verkorte termijn wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Arbeid, rechts­persoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no.3, gedaagde;

2. dat de eiseres op 30 november 1993 een arbeids­overeenkomst naar Burgerlijkrecht met mevrouw [naam] is aangegaan voor de tijd van 3 jaren, welke arbeidsovereenkomst is ingegaan op 1 maart 1994;

3. dat de eiseres bij schrijven d.d. 12 juli 1995 Pat.Intern 95/018 aan mevrouw [naam] heeft medegedeeld dat zij met ingang van 24 juli 1995 is overgeplaatst naar de Gemeenschappelijke Plantaardi­ge Oliën en Vetten Bedrijven N.V. te Paramaribo, welke overplaatsing in het bedrijfsbelang is geschied met als standplaats Paramaribo, met het verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

4. dat de eiseres opmerkt dat deze bevoegdheid de eiseres tot overplaatsing van een werknemer steunt op artikel 12 van de gesloten arbeidsovereenkomst, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinse­reerd te willen beschouwen;

5. dat de eiseres opmerkt dat mevrouw [naam] met de overplaatsing onvoorwaardelijk had ingestemd, het­geen moge blijken uit haar brieven d.d.13 juli 1995 en 28 juli 1995, met het verzoek de inhoud van deze brie­ven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschou­wen;

6. dat omdat mevrouw [naam], ondanks haar uitdrukkelijke toezegging van de opdracht tot over­plaatsing gevolg te geven en zulks na herhaalde aanma­ningen niet heeft gedaan, werd zij bij schrijven van de eiseres d.d. 23 oktober 1995 no.95/037 wegens dringende reden ontslagen, welke ontslag ingevolge artikel 3 van het Decreet Ontslagvergunning SB 1983 no.10, zoals laatstelijk gewijzigd bij SB 1984 no.102, werd aange­meld bij het Hoofd van de Arbeidsinspektie i.c. de gedaagde;

7. dat de gedaagde bij beschikking d.d. 6 november 1995 [nummer], na de eiseres en mevrouw [naam] te hebben gehoord, de eiseres heeft bericht dat er bezwaar bestaat tegen het ontslag wegens drin­gende reden van mevrouw [naam], met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier inge­last en geinsereerd te willen beschouwen;

8. dat de eiseres zich met de gegeven beschikking niet kan verenigen, vandaar dat zij in rechte vernieti­ging van deze beschikking zal vragen;

9. dat het een notoir feit is dat overplaatsing van een werknemer behoort tot de uitsluitende competentie van een werkgever, wanneer deze noodzakelijk is in het bedrijfsbelang en de grootste werkgever in Suriname i.c. de gedaagde zelf in de Persoonswet heeft bepaald dat van een overplaatsing beroep bij de ambtenarenrechter niet mogelijk is;

10. dat de eiseres opmerkt dat de overwegingen in de beschikking van de gedaagde getuigt van het feit dat de aan de gedaagde verstrekte gegevens middels schrifte­lijke stukken door de eiseres niet zorgvuldig zijn doorgenomen en bestudeerd door de gedaagde;

11. dat de gedaagde in zijn beschikking het navolgende zegt:

– dat mevrouw [naam] tegenover ons heeft verklaard dat het voor haar niet mogelijk was om aan de bedoelde opdracht gevolg te geven aangezien het een overplaatsing van Patamacca naar Paramaribo betrof en zij niet binnen de opgegeven termijn over huisvesting aldaar kon beschikken;

12. dat deze overweging van de gedaagde zeer vreemd overkomt, omdat mevrouw [naam] de gedaagde vanaf 12 juli tot en met 23 oktober 1995 de gelegenheid heeft gehad haar huisvesting te regelen en mevrouw [naam] zelf in haar schrijven d.d. 28 juli 1995 heeft verklaard dat aan haar de gelegenheid wordt gegeven om te verhuizen en dat zij zich op maandag 14 augustus a.s. om 7.00 uur op het stadskantoor te Para­maribo zal aanmelden, bedoeld wordt het stadskantoor van Gemeenschappelijke Plantaardige Oliën en Vetten Bedrijven N.V. hetgeen [naam] niet heeft gedaan en desondanks is deze termijn van haar overplaat­sing nog verlengd tot oktober 1995, rekeninghoudende met haar brief van 28 juli 1995;

dat de gedaagde verder schrijft:

– dat het niet uitvoeren van een redelijke opdracht van de werkgever een dringende reden voor ontslag zou kunnen opleveren;

13. dat de eiseres opmerkt dat de gedaagde zelf praat van een redelijke opdracht door de eiseres gegeven en een redelijke opdracht volgens artikel 1615p lid 10 BW als een dringende reden tot ontslag wordt aangemerkt en niet zoals de gedaagde ten onrechte schrijft, zou kunnen zijn;

14. dat de gedaagde ten slotte schrijft dat echter naar ons oordeel de werkgever in het onderhavige geval onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijkheid voor de werknemer om de bedoelde opdracht uit te voeren en met het belang van de werknemer, hetgeen impliceert dat in strijd is gehandeld met artikel 1614 Y van het Surinaams Burgerlijk Wetboek;

15. dat de eiseres zich in gemoede afvraagt hoe een dergelijke overweging mogelijk is, daar de gedaagde vanaf 24 juli t/m 23 oktober 1995 de gelegenheid heeft gekregen om naar de stad te verhuizen en mevrouw [naam] zelf met de overplaatsing heeft ingestemd en wel schriftelijk; de gedaagde moet weten dat overplaat­sing tot de discretionaire bevoegdheid van de eiseres behoort;

16. dat de gedaagde in haar beschikking een duidelijke motivering moest geven, waarom de opdracht niet als redelijk kan worden bestempeld en waarom de eiseres onvoldoende rekening etc. etc., maar niet hetgeen de gedaagde heeft gedaan; bovendien merkt de eiseres op dat artikel 1614 Y BW dat de gedaagde aanhaalt zonder meer een vreemde eend is in de bijt en met de onderha­vige zaak niets heeft te maken;

17. dat de eiseres opmerkt dat een dergelijke beschik­king niet in stand kan blijven daar het gevolg van deze beschikking is dat alle gevestigde rechten op het stuk van Direktievoering overboord is gegooid;

– dat de eiseres zijdelings opmerkt dat met boven­staande zij duidelijk heeft aangetoond dat de gedaagde de schriftelijke stukken onvoldoende of helemaal niet heeft  doorgenomen;

18. dat de eiseres ten aanzien van de bevoegdheid tot overplaatsing enkele bepalingen uit de CAO’s van enkele grote maatschappijen aanhaalt t.w.: BILLITON, SURALCO, ALICO, etc.etc.  dat de eiseres deze bepalingen letterlijk citeert: met uitzondering van de door de wettelijke regelingen en door de bepalingen van deze CAO opgelegde beperkingen, blijven alle zaken die betrekking hebben op de be­drijfsvoering en de te geven leiding, alsmede op het toezicht en op de tewerkstelling van de werknemers, uitsluitend voorbehouden aan de werkgever;

19. dat de eiseres duidelijk heeft aangetoond dat de beschikking d.d. 6 november 1995 [nummer] niet in stand kan blijven, en dient te worden vernietigd omdat het in strijd is met de rechtsontwikkeling m.b.t. het arbeids­recht op het stuk van Direktievoering;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht zal worden verklaard dat het door de eiseres aan mevrouw [naam] gegeven ontslag wegens dringende reden bij schri­jven d.d.23 oktober 1995 Pat.Interim no.95/037 rechts­geldig is geschied;

B. zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de gedaagde d.d.6 november 1995 [nummer] als zijnde in strijd met de wet;

C. de gedaagde op verkorte termijn te mogen dagvaar­den, Kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord c.v.a. – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

– dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton zich onbevoegd zal verklaren van deze vordering kennis te nemen en dat eisereses vordering haar zal worden ont­zegd, althans zij niet ontvankelijk zal worden ver­klaard als zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 1 april 1997 op de daarin opgenomen gronden:

Aan eiseres haar vordering heeft ontzegd;

Haar in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van de gedaagde gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f……..

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal DE LANDBOUW MAATSCHAPPIJ PATAMACCA N.V. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvon­nis van 1 april 1997;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder H.B.VERWEY van 27 juli 1997 aan geintimeerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvanke­lijk was be­paald op 5 juni 1998, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellante bij conclusie van Repliek, genomen ter rolle van 8 juni 1996, heeft doen opmerken, dat zij haar vordering tegen geintimeerde intrekt;

Overwegende, dat het Hof in dat verband opmerkt, dat indien een eiser verklaart zijn vordering in te trekken dit dikwijls aldus wordt verstaan, dat hij de aan die vordering ten grondslag gelegde stellingen niet handhaaft, zodat de vordering aan hem wordt ontzegd;

Overwegende, immers, dat de eiser daarmee zijn recht om terzake opnieuw in rechte op te roepen defini­tief opgeeft;

Overwegende, dat anders dan geintimeerde heeft betoogd, appellante na het antwoord geen toestemming van hem behoefde om na het antwoord, haar vordering in te trekken;

Overwegende, dat de enige door appellante tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grief, die geacht moet worden gelijk te zijn besproken, als onjuist en onge­grond dient te worden verworpen;

Overwegende, dat het beroepen vonnis dan ook behoort te worden bevestigd, nu het Hof zich met de gronden die tot de beslissing van de kantonrechter hebben geleid, volledig kan verenigen;

Gelet op de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 1 april 1997, waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.1.500,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1.500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op f.1.500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitge­sproken ter open­bare te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 16 OKTOBER 1998, in tegenwoor­digheid van Mr.M.TEDJOE, Fungerend-Griffier.

w.g.M.TEDJOE       w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens haar gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geintimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde advokaat Mr.H.E.STRUIKEN, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.