SRU-HvJ-1998-2

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13844
  • Uitspraakdatum 03 april 1998
  • Publicatiedatum 27 maart 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Huurrecht. Kort geding.

    Het verweer van geintimeerde dat de onderhavige zaak spoedeisendheid mist kan hem niet meer baten. Geintimeerde heeft dit verweer immers reeds in eerste aanleg gevoerd, maar de Kantonrechter heeft beslist dat de zaak een spoedeisend karakter draagt en geintimeerde heeft tegen deze beslissing geen (incidenteel) beroep ingesteld.

    De bepalingen in de Huurbeschermingswet aangaande de ontruimings(termijn) zijn dwingend recht, zodat de Kantonrechter deze kan toepassen zonder dat een partij zich daarop beroept.

    Er bestaat in principe geen ruimte voor een belangenafweging indien de Kantonrechter tot het oordeel is gekomen dat de vordering tot ontruiming ongegrond is. Die belangenafweging heeft reeds door de wetgever plaatsgevonden in die zin dat volgens de Huurbeschermingswet 1947 de ontruiming van een woning slechts kan worden bevolen indien de in die wet genoemde gronden aanwezig zijn, op welk beginsel wellicht slechts een uitzondering is te maken voor het geval dat partijen overeenkomen hun lopende huurover¬eenkomst te beëindigen.

Uitspraak

H.M.

GENERALE ROL NO: 13844

[appellante], wonende in Nederland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advokaat,

appellante in Kort Ge­ding,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.R.SCHURMAN, advokaat,

geintimeer­de in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 30 november 1995 en 21 december 1995 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 januari 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellante] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst de navolgende rechtsvordering in KORT GEDING in te stellen tegen: [geïntimeerde]wonen­de aan [adres]te [district], gedaag­de;

2. In of omstreeks het jaar 1981 heeft eiseres het huis staande en gelegen aan [adres]te [district]verhuurd aan gedaagde aanvankelijk tegen een huurvergoeding van sf.75,– per maand en laatstelijk voor sf.400,– per maand;

3.Gedaagde onderhoudt noch het huis, noch het erf, waardoor het een en ander thans een zeer dringende grote reparatie behoeft;

4. Verder behoorde bij de woning een aparte op het erf gebouwde keuken, waarvan gedaagde zonder toestem­ming een woonhuis heeft gemaakt, welke hij eveneens zonder toestemming aan derden heeft (onder) verhuurd;

5. Ook heeft gedaagde zonder toestemming een grote kippenhok gemaakt op het erf, hetgeen erg onhygiënisch is en een enorme stank oplevert voor de buurt;

6. Gedaagde heeft verder zelf elektrische draden gespannen van de ene ruimte naar de andere ruimte en ook tapt hij stroom af van het hoofdgebouw naar de door hem van keuken tot woonhuis gemaakte ruimte. Dit levert natuurlijk een verhoogd brandgevaar op, met alle gevol­gen van dien;

7. Eiseres wenst ook nog op te merken, dat gedaagde vanaf mei 1994 geen huurpenningen meer voldoet, hetgeen dus ook wanprestatie oplevert;

8. Het gehuurde wordt aldus niet onderhouden en ook onbehoorlijk gebruikt. Eiseres dreigt haar vermogen op deze manier te verliezen, hetgeen zij niet langer wenst te tolereren. Verder worden de huurpenningen reeds langer dan één jaar niet voldaan;

9. Uit de stellingen van eiseres blijkt wel, dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorziening in Kort Geding;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a. de ten rekeste gestelde huurovereenkomst van het jaar 1981 tussen partijen zal worden geschorst c.q. op zal worden geschort;

b. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een week na de uitspraak ten deze het pand gelegen aan [adres]te [district]te ontruimen met mede­neming van alle zich van zijnentwege daarin/daarop bevindende personen en/of goederen en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen, met mach­tiging van eiseres om deze ontruiming zelf te bewerk­stelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm, indien en voor zover gedaagde in gebreke mocht blijven met de ontruiming als verzocht binnen de vastgestelde termijn;

c. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaag­de partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord, onder over­leg­ging van produkties – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering, althans haar deze zal worden geweigerd, alszijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 30 november 1995 op de daarin opgenomen gronden een descente heeft bepaald:

Overwegende, dat ter gehouden descente en compari­tie van partijen d.d. 5 december 1995 zijn verschenen namens eiseres de heer [naam], bijgestaan door de gemachtigde en de gedaagde in persoon die hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opge­maakt – hier als ingelast te beschouwen – proces-ver­baal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 21 december 1995 op de daarin opgenomen gronden:

De gevraagde voorzieningen heeft geweigerd;

Eiseres heeft verwezen in de kosten van het pro­ces, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voor­meld eindvonnis in Kort Geding van 21 december 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 17 juni 1996 aan geintimeerde aan­zegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de

recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 7 december 1997, doch na enige malen te zijn aange­houden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1.1. Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is inge­steld;

1.2. Overwegende, dat als enerzijds gesteld en ander­zijds niet, althans niet gemotiveerd, betwist vaststaat dat appellante in of omstreeks het jaar 1981 aan gein­ti­meerde heeft verhuurd het huis, staande en gelegen aan [adres] te [district], aanvankelijk tegen een vergoeding van f.75,– per maand en laatste­lijk voor f.400,– per maand;

2.1. Overwegende, dat appellante als eiseres in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep van belang, heeft gevorderd om de tussen partijen gesloten huurovereen­komst te schorsen c.q. op te schorten, de geintimeerde te veroordelen de woning aan [adres] te [district]te ontruimen en om de proceskosten te beta­len;

2.2. Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 30 november 1995, onder meer overwegende dat het spoed­eisend karakter uit de aard der stellingen van eiseres haar vordering blijkt en dat hij in de stellingen van partijen aanleiding vond een gerechtelijke plaatsopne­ming en bezichtiging te gelasten teneinde de situatie waarin de onder 2 bedoelde woning zich bevindt op te nemen, een descente heeft bevolen;

2.2. Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 21 december 1995 de gevraagde voorzieningen heeft geweigerd en appellante heeft veroordeeld in de proceskosten, daartoe, voor zoveel hier van belang het volgende overwegende:

dat Ons ter descente, gehouden op 5 december 1995, niet gebleken is dat gedaagde het huis en het erf niet onderhoudt, waardoor een en ander thans dringende grote reparatie behoeft, de bij de woning aparte op het erf gebouwde keuken tot een woonhuis heeft gemaakt en aan derden heeft (onder) verhuurd, een groot kippenhok op het erf heeft gemaakt dat erg onhygienisch is en voor de buurt een enorme stank oplevert, zelf electrische draden van de ene ruimte naar de andere gespannen heeft en stroom aftapt van het hoofdgebouw naar de door hem van keuken tot woonhuis gemaakte ruimte;

dat Ons op grond van al het hier vorenoverwogene dan ook niets anders rest dan de van Ons gevraagde voorzieningen te weigeren, onder verwijzing van eiseres als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces;

3.1. Overwegende, dat geintimeerde heeft aangevoerd dat hij uitdrukkelijk erop wenst te wijzen dat de onderha­vige zaak spoedeisendheid mist;

3.2. Overwegende, dat geintimeerde dit verweer reeds in eerste aanleg heeft gevoerd, maar nu de Kantonrechter heeft beslist dat de zaak een spoedeisend karakter draagt en geintimeerde tegen deze beslissing geen (incidenteel) beroep heeft ingesteld, zijn verweer hem niet meer kan baten;

4. Overwegende, dat appellante vier grieven tegen het beroepen vonnis heeft opgeworpen;

5.1. Overwegende, dat grief I erop neerkomt dat de omstandigheden, die appellante aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd en waarvan de Kantonrechter tijdens de descente heeft vastgesteld dat zij niet aanwezig waren, wel bestonden;

5.2. Overwegende, dat appellante geen concreet aanbod van bewijs van de onjuistheid van ’s Kantonrechters constateringen heeft gedaan, zodat de grief als niet serieus bedoeld verder wordt gepasseerd;

6.1. Overwegende, dat appellante als grief II heeft aangevoerd dat geintimeerde nimmer een beroep op de Huurbeschermingswet heeft gedaan, zodat de kortgeding­rechter de vordering van appellante had kunnen toewij­zen en geintimeerde een ontruimingstermijn van desnoods een jaar had kunnen geven;

6.2. Overwegende, dat de bepalingen van de Huurbescher­mingswet waarop appellante het oog heeft dwingend recht zijn en de appellante er daarom ten onrechte van uit­gaat dat de Rechter slechts verplicht is deze bepalin­gen toe te passen indien een partij zich daarop be­roept; dat grief II dan ook faalt;

7.1. Overwegende, dat appellante als grief III heeft aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen als zou juist appellante hebben gewanpres­teerd door de verschuldigde huur op een gegeven moment niet meer op te halen;

7.2. Overwegende, dat de gewraakte overweging, anders dan appellante doet voorkomen in de toelichting op grief III, niet berust op enige beslissing op het door gein­timeerde in eerste aanleg gevoerde verweer dat hij de huur in consignatiekas had gestort; dat de stellin­gen van appellante dat geintimeerde bij die storting niet de juiste weg heeft gevolgd dan ook niet relevant zijn en de grief faalt;

8.1. Overwegende, dat, nu de Kantonrechter tot het oordeel was gekomen dat appellante’s vordering onge­grond was, in het onderhavig geval geen plaats was voor toewijzing van appellante’s vordering op grond van afweging van, overigens niet nader aangegeven, belan­gen; dat, immers, die belangenafweging reeds door de wetgever heeft plaatsgevonden en wel in dier voege dat volgens de Huurbeschermingswet 1947 de ontruiming van een woning slechts kan worden bevolen indien de in die wet genoemde gronden aanwezig zijn, op welk beginsel wellicht slechts een uitzondering is te maken voor het geval dat partijen overeenkomen hun lopende huurover­eenkomst te beëindigen;

8.2. Overwegende, dat ook grief IV niet opgaat en het vonnis waarvan beroep dus moet worden bevestigd;

8.3. Overwegende, dat appellante als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding tussen partijen gewezen en op 21 december 1995 uitgesproken;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de geinti­meer­de gevallen en begroot op f……………..

Met inbegrip van het door het Hof aan geintimeer­de’s advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f…..

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op f…….

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 april 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is versche­nen advokaat Mr.H.BOLDEWIJN, namens de gemachtigden van partijen.