SRU-HvJ-1998-26

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-387
  • Uitspraakdatum 19 juni 1998
  • Publicatiedatum 16 april 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Ambtenarengerecht. Artikel 80 lid 3 a van de Personeelswet.

    Verzoekster is ambtenaar in de zin van de Personeelswet. Verzoekster vordert dat verweerder zal worden gelast onder verbeurte van een dwangsom tot het wijzigen van de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling en wel zodanig dat de datum van haar bevordering zal worden vervroegd.

    Verweerder stelt als formeel verweer dat verzoeker te laat is met haar vordering, omdat zij de termijnen die dwingend worden voorgeschreven in de Personeelswet niet in acht heeft genomen en artikel 80 lid 3 a van de Personeelswet zou hebben geschonden, aangezien zij langer dan zeven maanden na indiening van het beklag met haar verzoekschrift het Hof van Justitie heeft geadieerd.
    Het Hof stelt dat verzoekster niet binnen vier maanden na indiening van haar beklag bij de President van de Republiek Suriname het Hof van Justitie als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken in casu heeft geadieerd, waardoor er in casu geen sprake is van een schending van artikel 80 lid 3a van de Perso¬neelswet als door verweerder aangevoerd.

    Het Hof overweegt dat de correspondentie waar verzoekster zich op beroept geen interne werking heeft en daardoor tegenover verzoekster geen enkele rechtskracht bezit. Verzoekster kan dus geen aanspraken daaruit ontlenen.
    Verzoekster is niet- ontvankelijk in haar tegen verweerder ingestelde vordering.
    Het Hof wijst de vordering van verzoekster af.

Uitspraak

M.H.
A – 387.

[verzoekster], eiseres, wonende te [district], aan [adres], ten deze domicilie keizende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.122a beneden ten kantore van Mr.K.J.Brandon, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.K.J. BRANDON, advokaat,
verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministe­rie van Onderwijs en Volksontwikkeling, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende ten Parket­te aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoekster wenst de navolgende vordering in te stellen tegen de STAAT SURINAME, met name het Ministe­rie van Onderwijs en Volksontwikkeling, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende ten Parket­te aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, gedaagde;

2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en is op 15 april 1982 in dienst getreden van de overheid en wel op het Ministerie van Onderwijs en Volksont­wikkeling op het Bureau Onderwijsinformatie en Studiefacili­teiten als secretaresse;

3. Verzoekster is per schrijven van het Hoofd van het Bureau Onderwijsinformatie en Studiefaciliteiten aan de Direkteur van Onderwijs d.d. 13 april 1994 voorgedragen voor bevordering tot medewerkster Beurzen Buitenland en controle studieresultaten, nadat zij deze taak reeds 1 jaar had uitgevoerd. Tevens is door het afdelingshoofd ten behoeve van verzoekster verlening van ontheffing van de salarisstop gevraagd. Van bedoeld schri­jven wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen;

4. Per schrijven d.d. 9 november 1994 van het hoofd van voormeld bureau aan de Minister van Onderwijs en Volksontwik­keling door tussenkomst van de Direkteur van Onderwijs, werd de voordracht van verzoekster onder de aandacht van de Minis­ter van Onderwijs en wederom onder de aandacht van de Direk­teur van Onderwijs gebracht. Van dit schrijven wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. De Minister heeft blijkens de door hem gestelde aantekening op het schrijven van 9 november 1994 de voordracht goedgekeurd op 13 december 1994, althans in december 1994 en geretourneerd aan het hoofd van verzoeksters afdeling op 23 december 1994. Laatstgenoemde heeft daarna per schrijven d.d 13 januari 1995, van welk schrijven een fotokopie wordt overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en gein­sereerd te beschouwen, aan de onder-direkteur administra­tieve diensten zijn medewerking gevraagd voor:

– het benoemen van verzoekster per 1 januari 1993 in de funktie van medewerkster beurzen buitenland studiecontrole;

– het inschalen van verzoekster in de bij genoemde funktie behorende salarisschaal;

– verlening van ontheffing van de salarisstop aangezien verzoekster het maximum salaris verdiende;

5. Verzoekster pas op 17 januari 1997 – ruim twee jaar nadat het door de minister ondertekende stuk de onder-direkteur admini­stratieve diensten bereikt heeft – een beschikking ontvangen, waarin zij per 1 januari 1996 bevorderd is tot stafambtenaar A 2e klasse (schaal 16) en benoemd is tot mede­werkster beurzen buitenland onder toekenning van een bezoldi­ging van Sf.52.54­5,– per maand en per 1 maart 1996 de bezoldiging is herzien en gebracht op Sf.64.260,–. Van deze beschikking wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Verzoekster vraagt zich af waarom de onder-direk­teur administratieve diensten twee jaren nodig had om de handelingen te verrichten voor het gereed maken van de be­schikking; bij navraag op het Ministerie heeft verzoekster daar geen antwoord op kunnen krijgen;

6. Verzoeksters gemachtigde heeft namens haar per brief d.d. 13 februari 1997 ingevolge de Personeelswet tegen voornoemd besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling schriftelijk beklag gedaan bij de President van de Republiek Suriname aangezien zij van mening is dat de datum van de bevordering moet zijn 1 januari 1993 in plaats van 1 januari 1996 omdat de door de Minister van Onderwijs goedgekeurde voordracht dateert van 9 november 1994 en het volgens bij de overheid geldende regels geoorloofd is een bevordering met 2 jaar te doen terugwerken. In casu liggen er niet eens twee jaren de voorgestelde datum en de datum van de voordracht voor bevordering (1 januari 1993 en 13 april 1994). Verzoekster heeft echter tot heden – meer dan 6 maanden na het door haar ingestelde beroep – geen reactie terzake van de President ontvangen;

7. Verzoekster heeft er recht en belang bij dat het besluit van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling vervat in de beschikking d.d 23 december 1996, AD [nummer 1], wordt gewij­zigd in dier voege dat de ingangsdatum van de bevordering wordt gesteld op 1 januari 1993 in plaats van 1 januari 1996 onder toekenning van de daarbij behorende bezoldiging en emolumenten;
Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevor­derd: dat gedaagde zal worden gelast onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk mocht worden geacht vanaf het moment van s’ Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip, alle van harentwege benodigde maatregelen te nemen vereist voor het wijzigen van de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d 23 december 1996, AD [nummer 1], in dier voege dat de ingangsdatum van de bevorde­ring wordt gesteld op 1 januari 1993 in plaats van 1 januari 1996 onder toekenning van de daarbij behorende bezoldiging en emolumenten, Kosten rechtens;
Overwegende, dat van De Staat Suriname binnen de wette­lijk gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Gedaagde ontkent en betwist al hetgeen in het hier navol­gende, niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend;

2.   Gedaagde kan erkennen, dat verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, laatstelijk bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 1 januari 1996, bevorderd tot stafambtenaar A, 2de klasse (schaal 16) en daarbij benoemd tot ”Medewerkster Bureau Buitenland;

3. Het inleidend Rekest van verzoekster, met daarin het PETITUM, is voor gedaagde aanleiding te stellen, dat verzoek­ster in haar vordering niet ontvankelijk zal zijn bij Uw Hof van Justitie, om ondermeer de volgende gronden:

a. Verzoekster vordert dat het Hof van Justitie, oordelende in Ambtenaren Zaken, in strijd met het positieve recht zoals neergelegd in artikel 79 lid 1a van de personeelswet, zal bevelen dat de Staat (gedaagde) de in het PETITUM genoemde beleidsmaatregelen zal nemen, zonder dat een veroordelend vonnis van het Hof, tot vernietiging van enig besluit, aan het bevel is voorafgegaan;

b. Verzoekster’s vordering houdt tevens in, dat het Hof van Justitie, oordelend in Ambtenaren Zaken, zal beslissen over het bevorderingsbeleid van de Administratie, een bevoegdheid welke aan het Hof voornoemd is onttrokken, gelet op de limita­tieve opsomming van de voor vernietiging vatbare besluiten van de overheid (zie artikel 79 2de lid);

4. De vordering van verzoekster, tot het opleggen door het Hof van Justitie van een dwangsom zal, mede gelet op het voorgaande, ook niet voor toewijzing vatbaar zijn, omdat het opleggen van een dwangsom, slechts mogelijk is na (ter nako­ming van) van voorafgaand vonnis als bedoeld in artikel 79 van de Personeelswet, lid 1;

5. Onverminderd het voorgaande, moge gedaagde er nog op wijzen, dat verzoekster met haar vordering te laat is. Ver­zoekster heeft namelijk de termijnen in de Personeelswet dwingend voorgeschreven, niet in acht genomen. Artikel 80 lid 3a, is hier geschonden. Verzoekster heeft langer dan 7 (ZEVEN) maanden na indiening van het BEKLAG, met dit rekest (d.d.29 september 1997), het Hof van Justitie geadieerd en is deswege  dan ook niet ontvankelijk in deze vordering;
Overwegende, dat hij op deze gronden heeft gecon­clu­deerd: dat verzoekster niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, e.e.a. op grond al het voorgaande, casu quo deze vorderingen aan haar zal worden ontzegd, als zijnde niet bewezen, ongegrond en in strijd met de wet (Personeelswet);
Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 19 november 1997 in Raadkamer zijn verschenen, verzoek­ster in per­soon, advokaat Mr.K.Brandon, gemachtigde van verzoekster, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, gemachtigde van verweerder en de heer H.E.Pinas, Onder-direkteur Administratie Diensten namens verweerder, die hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opge­maakte – hier als ingelast te beschou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als inge­last dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster vervol­gens een pleitnota en uitlating produktie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder tenslotte een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, terwijl ten dage voor repliek pleidooi peremptoir bepaald advokaat Mr.K.Brandon en Mr.Dr. C.­D.Ooft hebben verklaard bij wege van mondelinge pleitnota’s van repliek en dupliek te persisteren bij hun stellingen en vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 22 mei 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoekster op de in haar ver­zoekschrift aangevoerde gronden heeft gevorderd, dat verweerder zal worden gelast onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.00­0,–  per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk mocht worden geacht, vanaf het moment van ’s Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip, alle van zijnent­wege benodigde maatregelen te nemen vereist voor het wijzigen van de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksont­wikkeling de dato 23 december 1996, AD [nummer 1], in dier voege dat de ingangsdatum van de bevordering wordt gesteld op 1 januari 1993 in plaats van 1 januari 1996 onder toekenning van de daar­bij behorende bezoldiging en emolumenten;
Overwegende, dat – voorzover ten deze van belang – als onbetwist tussen partijen rechtens vaststaat, dat verzoekster bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwik­keling de dato 23 december 1996, AD [nummer 1], II te rekenen van 1 januari 1996  bevorderd is in de rang van stafambtenaar A 2e klasse (schaal 16) en benoemd als medewerkster beurzen buitenland (E) op het Bureau voor Onderwijs Informatie en Studiefaciliteiten, onder toekenning van een bezoldiging van Sf.52.545,– per maand, en III te rekenen van 1 maart 1996, de bezoldiging van verzoekster ingevolge de beslissing van de Raad van Ministers van 18 april 1996, vervat in de Missive van de Vice-President, Voorzitter van de Raad van Ministers van 18 april 1996 [nummer 2]/R.v.M, te herzien en te brengen op Sf.67.26­0,– per maand; dat verzoeksters procesgemachtigde namens verzoekster per brief de dato 13 februari 1997 ingevol­ge de Personeelswet bij de President van de Republiek Suriname schriftelijk beklag heeft gedaan aangezien zij, verzoekster, van mening is dat de datum van haar bevordering 1 januari 1993 in plaats van 1 januari 1996 moet zijn omdat de door de Minis­ter van Onderwijs goedgekeurde voordracht van 9 november 1994 dateert; dat zij – verzoekster – geen reactie terzake van de President heeft ontvangen;
Overwegende, dat verweerder als formeel verweer van de verste strekking aangevoerd heeft, dat verzoekster te laat is met haar vordering omdat zij de termijnen in de Personeelswet dwingend voorgeschreven, niet in acht genomen heeft en arti­kel 80 lid 3a heeft geschonden, hebbende zij langer dan 7 (zeven) maan­den na indiening van het beklag met haar verzoekschrift (date­rend van 29 september 1997) het Hof van Justitie gea­dieerd en deswege dan ook niet ontvankelijk is in haar vordering;
Overwegende, dat het Hof voormeld verweer thans bespre­kend, opmerkt dat de wetgever de overheid aan een termijn voor het nemen van een beslissing op een klaagschrift heeft willen binden, wat impliceert dat de klager deze periode dient af te wachten voordat hij van het ander rechtsmiddel gebruik maakt, namelijk het instellen van een vordering bij het ambtenarenge­recht;
Overwegende, dat dit ingebouwd is om te voorkomen dat de ambtenarenrechter met allerlei mogelijke vorderingen die reeds middels beklag zijn gedaan wordt opgezadeld;
Overwegende, dat het Hof in dit verband naar artikel 80 lid 3 a van de Personeelswet verwijst hetwelk aangeeft dat indien de beklagprocedure gevolgd is, de klager pas na vier maanden na het instellen van het beklag een vordering bij de ambtenarenrechter mag instellen indien daar geen beslissing op gevolgd is;
Overwegende, dat naar tussen partijen rechtens vaststaat, op het beklag van verzoekster niet is beslist;
Overwegende, dat nu, naar eveneens tussen partijen vast­staat, verzoekster niet binnen vier maanden na indiening van haar beklag bij de President van de Republiek Suriname het Hof van Justitie als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken in casu heeft geadieerd, is zij wel ontvankelijk in haar vorde­ring, zijnde van schending van artikel 80 lid 3a van de Perso­neelswet als door verweerder aangevoerd, geen sprake;
Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt, dat nu de correspondentie, waar verzoekster zich op beroepen heeft, interne werking blijkt te hebben en dientengevolge tegenover verzoekster geen enkele rechtskracht bezit is verzoekster in haar tegen verweerder ingestelde vordering niet ontvankelijk, kunnende zij immers daar geen aanspraken aan ontlenen;
Overwegende, dat het Hof, afgezien van het voorgaande, niet nalaten kan er op te wijzen, dat het beslist niet van behoorlijk en verantwoord beleid van verweerder getuigt, dat hij een in december 1994 goedgekeurd bevorderingsvoorstel laat liggen en pas in 1997 daar uitvoering aan geeft met als in­gangsdatum 1 januari 1996. Had verweerder het goedgekeurd voorstel tijdig uitgevoerd, dan behoefde tussen de uitvoe­ringsdatum en de ingangsdatum niet zoveel te tijd liggen. Verweerder kan zich niet op beroepen dat er een te lange periode van terugwerkende kracht is, omdat dit geheel en al aan zijn schuld te wijten is;
Overwegende, dat het Hof op grond van het hiervorenover­wogene van oordeel is dat verzoeksters vordering niet voor toewijzing vatbaar is;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vorde­ring;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.E.S.O­MBRE en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitge­sproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 juni 1998, in tegen­woor­digheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.M.G.A­.VOS namens haar gemachtigde, advokaat Mr.K.BRANDON en ver­weerder vertegenwoordigd door zijn gemach­tigde, advokaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.