SRU-HvJ-1998-3

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13702
  • Uitspraakdatum 17 april 1998
  • Publicatiedatum 27 maart 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Huurrecht. Onderhuur.
    Er is geen sprake van ernstige wanprestatie zijdens de appellant tegen de geïntimeerde vanwege het onderverhuur van een deel van de gehuurde ruimte mede als werkplaats. Het rechtsgevolg ontbinding hoefde niet in te treden.
    Onder “werkplaats” i.c. kan worden verstaan gelet op de aard waarvoor de onderhuurder zijn deelruimte gebruikte, niet een werkplaats in eigenlijke zin, alwaar hinderlijke activiteiten voor de omgeving hebben plaatsgegrepen- mede gelet op het feit dat de onderhuurder dat soort apparaten daar ook ter verkoop aanbood.

Uitspraak

V.S.

GENERALE ROL No. 13702

[appellant], wonende aan [adres], te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advocaat,

appellant,

tegen

[bedrijf], rechtspersoon, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advocaat,

geïntimeerde.

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 16 mei 1997, tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en [naam 1],Directrice van geïntimeerde, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen – hier als geïnsereerd aan te merken – schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hadden genomen, partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 17 oktober 1997, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhardt bij hetgeen bij tussenvonnis d.d. 16 mei 1997 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat de bevolen comparitie van partijen voor het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling op 13 juni 1997 gehouden is, waarbij partijen het Hof de nodige inlichtingen verstrekt hebben, doch niet bereid waren tot een schikking te geraken;

Overwegende, dat het Hof zich met de vaststelling van de feiten van de eerste rechter in zijn vonnis van 18 januari 1994 kan verenigen en hier overneemt;

Overwegende, dat die rechter zijn beslissing tot ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehele gehuurde door de appellant gebaseerd heeft op het feit dat in de overeenkomst van onderhuur tussen de appellant en [naam 2] opgenomen is de bepaling dat het onderverhuurde gedeelte door de onderhuurder als winkel en werkplaats mag worden gebruikt en dat uit het onderzoek door die rechter gepleegd, gebleken is dat de onderhuurder een deel van die ruimte aldaar daadwerkelijk mede als werkplaats gebruikt heeft voor de reparatie van videocassetterecorders, t.v.toestellen, radio’s en soortgelijke apparaten;

Overwegende, dat die overeenkomst van onderhuur is gesloten op 30 juli 1987,kort waarna de onderhuurder met diens activiteiten aldaar een aanvang gemaakt heeft;

Overwegende, dat de Kantonrechter in het bestreden vonnis d.d 18 januari 1994 vastgesteld heeft dat de geïntimeerde het aan de appellant gehuurde regelmatig bezocht heeft (zie rechtsoverweging no.9.) en had zij dus de gelegenheid te constateren met welke activiteiten de onderhuurder zich daar bezighield en zij heeft het onderhavige geding pas op 18 mei 1990 aanhangig gemaakt;

Overwegende, dat bij de door het Hof gehouden comparitie van partijen gebleken is dat de door de appellant aan de onderhuurder [naam 2]ter beschikking gestelde ruimte ± 125 m² bedroeg, terwijl de grootte van het totaal door appellant van de geïntimeerde gehuurde winkelruimte een oppervlakte had van ± 1500 m²;

Overwegende, dat bovendien het begrip ”werkplaats” i.c. gelet op de aard waarvoor de onderhuurder zijn deelruimte gebruikte niet een werkplaats in eigenlijke zin was alwaar hinderlijke activiteiten voor de omgeving hebben plaatsgegrepen- zijnde dit overigens gesteld noch gebleken – mede gelet op het feit dat de onderhuurder dat soort apparaten daar ook ter verkoop aanbood;

Overwegende, dat de grief van de appellant dat de Kantonrechter ten onrechte een dermate ernstige wanprestatie zijdens de appellant tegen de geïntimeerde vanwege het onderverhuur van een deel van de gehuurde ruimte mede als werkplaats aangenomen heeft met ontbinding als rechtsgevolg, gelet op het bovenoverwogene, gegrond is, te meer als de achtergrond van het geding in acht genomen wordt, n.l. dat het bij de geintimeerde eerder om huurverhoging dan om ontruiming te doen was (zie het inleidend rekest en het petitum sub c en sub d);

Overwegende, dat het aangevochten vonnis danook als na te melden zal worden vernietigd, en de vordering van de geïntimeerde alsnog aan haar zal worden ontzegd, met haar veroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het eindvonnis d.d. 18 januari 1994 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Ontzegt aan de geïntimeerde haar vordering in zoverre die toegewezen is bij eindvonnis d.d 18 januari 1994;

Veroordeelt geïntimeerde in de gedingkosten in beide instanties aan de zijde van appellant gevallen en begroot op:

– in eerste aanleg op f……

– in hoger beroep op f…..

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 17 APRIL 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

w.g.A.CHARAN  w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat Mr.S.MANGROELALL namens zijn gemachtigde, advocaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat Mr.R.BALDEW namens haar gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.