SRU-HvJ-1998-33

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13903
  • Uitspraakdatum 19 juni 1998
  • Publicatiedatum 30 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Huurrecht. Procesrecht.

    Door appellante is een advocaat als haar gemachtigde in een geding aangesteld.
    Deze advocaat dient appel in namens appellante.
    Appellante heeft aangevoerd dat het aantekenen van appèl door de advocaat zonder haar machtiging daartoe is geschied en van onwaarde is;
    Het Hof is van mening dat appellante niet kan volstaan met te ontkennen dat de advocaat volmacht had tot het instellen van het hoger beroep, maar een vordering tot desaveu, gebaseerd op het bepaalde in artikel 203 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, had moeten instellen.
    Het Hof geeft aan dat het vaststaat dat het hoger beroep is ingetrokken.

Uitspraak

M.R.S.

GENERALE ROL NO. 13903.

[appellante], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.R.J.BLUFPAND, advokaat,                          appellante,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.G.GANGARAM-PANDAY, advokaat, geintimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien’s Hofs interlocutoir vonnis van 16 mei 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN: 

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating hebben genomen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 7 november 1997, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhard bij hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist;  Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden het volgende vaststaat:
1.   geintimeerde, nader te noemen [geïntimeerde], heeft als eiser in eerste aanleg een vordering, bekend onder A.R.960390, tegen appellante, nader te noemen [appellante], ingediend, welke vordering strekte tot ontbondenverklaring van de beweerdelijk tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende de woning aan [adres 1] en tot veroordeling van [appellante] tot ontruiming van die woning en tot betaling van de huurpenningen vanaf 1 januari 1996 tot aan de ontruiming;

2.   advokaat Mr.H.Matawlie is door [appellante] als haar gemachtigde in bovenvermeld geding aangesteld;

3.   op 15 juli 1996 heeft de Kantonrechter in het Eerste Kanton in het hierboven vermelde geding vonnis uitgesproken en het gevorderde toegewezen, uit overweging ”dat nu gedaagde hoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld geen verweer tegen de vordering van eiser heeft gevoerd, Wij eisers vordering, die Ons noch onrechtmatig noch ongegrond is voorgekomen, hem zullen toewijzen met veroordeling van de gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding”;

4.   bij brief van 13 augustus 1996, ingediend ter griffie der Kantongerechten op 21 augustus 1996, heeft advokaat Mr.H.Matawlie namens [appellante] appèl aangetekend tegen het hierboven genoemde vonnis;

5.   [appellante] was bij de uitspraak van het vonnis van 15 juli 1996 niet tegenwoordig en de griffier van het Eerste Kanton heeft bij brief d.d. 14 oktober 1996 het vonnis van 15 juli 1996 overeenkomstig artikel 119 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan [appellante] medegedeeld;

6.   bij brief van 24 oktober 1996, ingekomen ter griffie op 25 oktober 1996, heeft advocaat Mr.Blufpand namens [appellante] hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van 15 juli 1996;

7.   advocaat Mr.Blufpand heeft op 11 november 1996 namens [appellante] ter griffie van het Hof een verzoekschrift ingediend, waarin wordt verzocht het niet-nemen van de conclusie van antwoord (in de zaak A.R.960390) alsmede het daarop gewezen vonnis d.d. 15 juli 1996 en het daarop gevolgde appèl, aangetekend op 21 augustus 1996 van onwaarde te verklaren;

8.   het hierboven onder 4 bedoelde hoger beroep is op 15 januari 1997 door Mr.Matawlie ingetrokken;

Overwegende, dat [appellante] heeft aangevoerd dat het geding in de hoofdzaak volgens artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet worden geschorst tot aan het vonnis van ontkentenis;

Overwegende, dat [appellante] zich in de desaveuprocedure erover beklaagt dat Mr.Matawlie in de zaak A.R.960390 geen conclusie van antwoord heeft genomen;

Overwegende, dat, waar hij zich richt tegen een nalaten van Mr.Matawlie, deze klacht niet de ontkentenis inhoudt van een gerechtelijke verrichting als bedoeld in artikel 191 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

Overwegende, dat een redelijke wetsuitlegging in verband met de eisen van een goede procesorde meebrengt dat in een zodanig geval geen grond voor schorsing van het geding aanwezig is en bovenweergegeven stelling van [appellante] derhalve niet opgaat;

Overwegende, dat [appellante] heeft aangevoerd dat het aantekenen van appèl door Mr.Matawlie zonder haar machtiging daartoe is geschied en van onwaarde is;

Overwegende, dat nu [appellante] deze stelling in een zodanig stadium van het geding heeft geponeerd, te weten bij conclusie tot uitlating d.d. 1 augustus 1997, dat [geïntimeerde] zich daarover niet meer heeft kunnen uitlaten, aan die stelling zal worden voorbijgegaan;

Overwegende bovendien, dat [appellante] niet kan volstaan met te ontkennen dat Mr.Matawlie volmacht had tot het instellen van het hoger beroep, maar een vordering tot desaveu, gebaseerd op het bepaalde in artikel 203 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, had moeten instellen, hetgeen zij echter niet heeft gedaan, waardoor haar ontkenning verder terzijde moet worden gelaten;

Overwegende, dat nu, zoals hierboven is gebleken het vonnis van 15 juli 1996 op 14 oktober 1996 aan [appellante] is medegedeeld,de termijn, waarbinnen zij hoger beroep tegen het vonnis van 15 juli 1996 kon instellen, op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verstreek op 13 november 1996;

Overwegende, dat het door Mr. Matawlie ingestelde hoger beroep dus tijdig is ingesteld en, waar geen feiten zijn gebleken die tot een andere conclusie leiden, ervan wordt uitgegaan dat dit hoger beroep op de juiste wijze is ingesteld;

Overwegende, dat door de op 21 augustus 1996 ter griffie der Kantongerechten ontvangen verklaring van Mr.Matawlie het hoger beroep reeds was aangevangen en de daarna afgelegde verklaring van hoger beroep van Mr.Blufpand derhalve geen effect meer kon sorteren;

Overwegende, dat, nu het door Mr.Matawlie ingestelde hoger beroep is ingetrokken, het Hof niets anders te doen staat dan deze intrekking vast te stellen;

Overwegende, dat derhalve als volgt zal worden beslist;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verstaat dat het hoger beroep is ingetrokken.

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 JUNI 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.Struiken namens haar gemachtigde,advokaat Mr.R.J.Blufpand en geintimeerde door advokaat Mr.F.Ishaak namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.G.Gangaram-Panday, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.