SRU-HvJ-1998-9

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13997
  • Uitspraakdatum 17 april 1998
  • Publicatiedatum 27 maart 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Echtscheidingsrecht.
    Alimentatie.
    Niet- Ontvankelijkheid.

    Appellant is in eerste aanleg veroordeeld om aan geïntimeerde ter voorziening van haar levensonderhoud een bepaald bedrag aan alimentatie te betalen. Appellant komt in beroep tegen dit vonnis van de kantonrechter.

    Het Hof overweegt dat appellant niet- ontvankelijk is in zijn ten tweede male aangetekend hoger beroep. Appellant heeft immers pas hoger beroep aangetekend na 100 dagen, na de datum waarop op de hoogte was van de inhoud van de beschikking van vonnis in eerste aanleg. In de wet is een beroepstermijn opgenomen van dertig dagen.
    Appellant had eerder hoger beroep getekend, maar dit beroep voldeed niet aan de wettelijke vereisten.

    Het Hof verklaart appellant niet- ontvankelijk in zijn vordering.

Uitspraak

M.H.

GENERALE ROL: 13997.

[appellant],wonende aan [adres] in het [dis­trict], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat,

appellant,

t e g e n

[geïntimeerde] wonende te [district] aan [adres] voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.M.G­.A.VOS, advokaat,

geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de in afschrift overgelegde beschikking van 7 juli 1997 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gegeven;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg, voor zover thans nog van belang, het navolgende blijkt:

[geïntimeerde] heeft zich bij verzoek­schrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewend, waarbij zij op te dezer plaatse als ingevoegd te beschouwen gronden heeft verzocht:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gerekes­treerde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar ter voorziening in haar levensonder­houd een bedrag van Nlg 800,– (achthonderd nederlandse gulden) althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant per maand te voldoen, Kosten rech­tens;

[appellant]voerde hierna bij verweerschrift tegenspraak en concludeerde daarbij, dat de vordering van eiseres zal worden afgewezen dan wel dat door de rechter in goede justitie een bedrag zal worden vastge­steld voor het levensonderhoud van eiseres, met inacht­neming van de inkomsten en uitgaven van verweerder en de financiële toestand van verzoekster zoals hiervoren aangegeven;

Overwegende, dat ten dage voor het verhoor in Raadkamer bepaald, zijn verschenen partijen in persoon tevens bijgestaan door hun respectieve gemachtigden die hebben verklaard gelijk in het daarvan opge­maakt – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerela­teerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een overzicht van hun uitgavenstaat ten processe hebben overgelegd, waarvan de inhoud eveneens hier als inge­last moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij rolbeschikking een enquête zijdens verzoekster heeft bevolen, welke niet is gehouden, waarna de gemachtigde van verzoekster een produktie heeft overgelegd, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast moet worden be­schouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating over de overgelegde produktie zijdens verzoekster bepaald diens gemachtigde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat [appellant] bij verzoekschrift ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op 20 oktober 1997 in hoger beroep is gekomen van de beschik­king van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 7 juli 1997, waarbij hij op te dezer plaatse als inge­voegd te beschouwen gronden heeft verzocht dat de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 7 juli 1997 (A.R.No.96-2433), gegeven in prima tussen  partij­en, zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoen­de het aan de vrouw maandelijks te betalen bedrag ter voorziening in de kosten van haar levenson­derhoud zal worden vastgesteld op Sf.80.­000,– per maand, Kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] op 14 november 1997 ter Griffie van het Hof van Justitie een verweerschrift heeft ingediend, waarbij zij heeft geconcludeerd dat de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 7 juli 1997, A.R.96/2433 zal worden bevestigd;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 29 december 1997, op 9 januari 1998 ter terechtzitting in raadkamer van het Hof van Justitie zijn verschenen, verzoeker in persoon, Mr.H.R.LIM A PO namens advokaat Mr.B.A.HALFHIDE, gemachtigde van verzoeker en Mr.M.G.A­.V­OS, gemachtigde van gerekestreerde, die hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke con­clusie tot uitlating over aantekenen appel heeft genomen;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie tot uitlating zijdens verweerder bepaald, advo­kaat Mr.H.P.­BOLDE­WIJN namens advokaat Mr.M.G.A.VOS heeft ver­klaard zich te refereren aan het oordeel van het Hof;

Overwegende, dat partijen hierna beschikking hebben gevraagd, waarna de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 3 april 1998 doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdos­sier, appellant bij op 7 juli 1997 door de Plaatsver­vangend-Kanton­rechter in het Eerste Kanton gegeven en uitgesproken en bij voorraad uitvoerbaar verklaarde beschikking veroordeeld is aan geintimeerde maandelijks tegen behoorlijk bewijs van kwijting uit te keren de som van f.137.025,– ter voorziening in de kosten van haar levensonderhoud, zulks met ingang van 1 juli 1997; dat partijen niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uit­spraak ter terechtzitting tegenwoordig waren; dat appellant bij schrijven de dato 16 juli 1997, aan de Griffier van het Kantongerecht in het Eerste Kanton gericht, door tussenkomst van zijn procesgemachtigde, Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat, hoger beroep heeft aangete­kend tegen voormelde beschikking; dat de Kantonrechter de inhoud van voormelde beschikking bij aange­tekende dienstbrief, de dato 3 oktober 1997 door de Griffier aan appellant heeft doen mededelen; dat appellant bij verzoek­schrift gericht aan het Hof van Justitie en ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 24 oktober 1997, opnieuw in hoger beroep is gekomen van voormelde beschikking;

Overwegende, dat het Hof zich thans ambtshalve geroepen gevoelt om aan de hand van voormelde tussen partijen vast­staande feiten, na te gaan of appellant al dan niet tijdig van het rechtsmiddel van hoger beroep gebruik heeft gemaakt;

Overwegende, dat het Hof, daartoe overgaande, opmerkt, dat, naar luid van artikel 713a van het Wet­boek van Burgerlij­ke Rechtsvordering de Kantonrechter aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, de inhoud daarvan doet mededelen op de wijze, als bij artikel 119, derde lid bepaald;

Overwegende, dat de wetgever in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorge­schreven heeft, dat de Griffier aan een partij, die bij de uitspraak van een beschikking niet in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig is, de inhoud van die beschik­king bij aangetekende dienstbrief moet mededelen;

Overwegende, dat de bedoeling van deze wetsbepa­ling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uit­spraak afwezige partijen van de inhoud van de beschik­king op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, evenwel, dat nu appellant, naar ondubbelzin­nig valt af te leiden uit het schrijven de dato 16 juli 1997, gericht aan de Griffier van het Kantongerecht in het Eerste Kanton, toen al van de inhoud van de beschikking van de Plaat­svervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 7 juli 1997 op de hoogte was en alstoen gelijk van het hem toeko­mend rechtsmiddel gebruikmakend, hoger beroep heeft aangetekend, is appellant in zijn op 24 oktober 1997 ten tweede male aangetekend hoger beroep bij verzoek­schrift niet ontvankelijk;

Overwegende immers, dat de wet in casu een be­roepster­mijn van dertig dagen, in het onderhavige geval gerekend vanaf 16 juli 1997 toestaat, zijnde de dag waarop appellant al op de hoogte was van de inhoud van de beschikking van 7 juli 1997, terwijl hij – appellant – pas op 24 oktober 1997, bij het Hof van Justitie hoger beroep heeft aangetekend, dus 100 dagen na 16 juli 1997;

Overwegende, dat een en ander niet afdoet aan het feit dat appellant op  16 juli 1997 op niet wettelijk voorgeschre­ven wijze hoger beroep tegen de beschikking de dato 7 juli 1997 heeft aangetekend maar op 24 okto­ber daaraanvolgend wel, omdat het in casu niet daarom gaat, doch om de vraag of appel­lant tijdig tegen die beschikking hoger beroep heeft aangete­kend, welke vraag het Hof ontkennend beantwoordt op grond van voor­melde overwegingen;

Overwegende, dat het Hof appellant derhalve niet ontvankelijk zal verklaren in het op 24 oktober 1997 inge­steld hoger beroep, bespreking van de overige stellin­gen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend;

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht om de kosten van dit geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gevallen, nu partijen echtelieden zijn, geheel te compenseren;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep tegen de beschikking van de Plaatsvervan­gend-Kantonrechter in het Eerste Kanton op 7 juli 1997 gege­ven;

Compenseert de in beide instanties gevallen pro­ceskosten in dier voege dat iedere partij de hare draagt;

Aldus gegeven door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF, Lid en Mr.L.J.BUDHU LALL, Lid-Plaatsvervanger en door de Vice-Presi­dent uitge­sproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 april 1998, in tegenwoordigheid van Mr. A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.R.LIM A PO namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.A.HALFHIDE en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.BRANDON namens haar gemachtigde, advo­kaat Mr.M.G.A.VOS, zijn bij de uitspraak ter terecht­zitting verschenen.