SRU-HvJ-1999-11

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13895
  • Uitspraakdatum 05 maart 1999
  • Publicatiedatum 01 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Hoger Beroep.
    Boedelscheiding.
    Vordering tot scheiding en deling van een onroerend goed.

    Geïntimeerde heeft in eerste aanleg een vordering tot scheiding en deling ingediend tegen appellant.
    De Kantonrechter heeft de vordering van geïntimeerde in eerste aanleg bij verstekvonnis toegewezen.
    Appellant toen gedaagde is in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Het verstekvonnis is daarna bevestigt door de Kantonrechter.
    Appellant is in beroep gekomen tegen voornoemd vonnis van de Kantonrechter.

    Het Hof overweegt dat het verzet ertoe strekte om gedaagde in de gelegenheid te stellen om alsnog verweer te voeren tegen de oorspronkelijke eis. Gedaagde had van die gelegenheid gebruik kunnen maken door een tegenvordering in te stellen. Echter blijkt uit niets dat appellant als oorspronkelijke gedaagde een dergelijke vordering heeft willen instellen.
    Het Hof overweegt dat ook indien appellant niet op de hoogte is gebracht van de scheiding en deling, dit de gronden waarop het vonnis waarvan beroep is gewezen niet aantast.

    Het Hof bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, waartegen appellant in beroep is gekomen.
    Het Hof veroordeelt appellant als de in het ongelijk gestelde partij tot het betalen van de proceskosten.

Uitspraak

H.M.

GENERALE ROL NO: 13895.

[appellant], wonende aan [adres 1], [woonplaats],

[land 1], voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advo­kaat,

appellant,

t e g e n

[geintimeerde], wonende aan [adres 2] te [district], voor wie als ge­mach­tigde optreedt, Mr.R.M.F.OEMAR, advo­kaat,

geinti­meerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 oktober 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [eiser] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter heeft gewend daarbij stellende:

1. Eiser wenst de navolgende vordering in te stellen tegen: [appellant], zonder bekende woon- of verblijfplaats in- of buiten Suriname, gedaagde;

2. Eiser legt hierbij over in fotokopie het af­schrift van de akte van verkoop en koop de d.d. 14 januari 1984 welk afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore alhier op 19 januari 1984 in register C 921 onder [nummer 1], met verzoek de inhoud hiervan hier als ingelast en letterlijk herhaald te willen beschouwen, waaruit blijkt dat eiser het half aandeel onverdeeld heeft gekocht in het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district] aan [adres 3] op de kaart van de landmeter J.C.de La Parra de dato zeven januari negentienhonderd drieënveertig aangeduid met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter de dato zestien november negentienhonderd eenendertig bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3];

3. Dat uit het relaas in de overgelegde akte ten aanzien van de eigendomsverkrijging van de verkoopster blijkt, dat tot de andere onverdeelde helft gerechtigd is de [appellant], de gedaagde;

4. Dat eiser niet langer in deze onverdeeldheid wenst te blijven en derhalve verschillende pogingen heeft ondernomen om gedaagde dan wel diens adres te achterha­len, echter zonder resultaat;

5. Dat vonnis van de Kantonrechter, de enige moge­lijkheid biedt om tot scheiding en deling van het onroerend goed in kwestie te kunnen geraken;

6. Eiser heeft recht en belang bij om scheiding en deling van het onroerend goed in kwestie in rechte te vorderen;

7. Aangezien eiser thans als notaris heeft de heer R.RAMAUTAR verzoekt hij de Kantonrechter hem R.RAMAU­TAR, als boedel notaris aan te wijzen, die de akte van boedel­scheiding na uitwerking door hem zal opmaken en verlij­den;

Overwegende dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis, voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad:

Gedaagde behalve ten aanzien van de kosten zal worden veroordeeld om met eiser over te gaan tot scheiding en deling van het erf, met al hetgeen daarop staat, gele­gen te [district] aan [adres 3] op de kaart van de landmeter J.C.de La Parra de dato zeven januari negentienhonderd drieënveertig aangeduid met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter de dato zestien november negentienhonderd eenendertig bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3], met benoeming van notaris R.RAMAUTAR, zo partijen niet anders overeenkomen ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden op de door deze of gekozen notaris te bepalen tijd en plaats en met benoeming van een onzij­dig persoon, om gedaagde te vertegenwoordigen bij niet verschijning voor de benoemde of gekozen notaris dan wel verschenen zijnde bij weigering om aan de werkzaam­heden van de scheiding en deling mede te werken en althans met bepaling, dat de kosten van dit geding en van de te benoemen notaris en onzijdig persoon ten laste zullen komen van de te verdelen boedel;

Overwegende, dat te dienende dage eiser vertegen­woordigd door zijn gemachtigde, deurwaarder B.Ghiraw ter terechtzitting is verschenen, terwijl de gedaagde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen, en ten verzoeke van de gemachtigde van eiser tegen hem verstek is verleend;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 15 maart 1993 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om met eiser over te gaan tot scheiding en deling der boedelscheiding t.w. van het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district] aan [adres 3] op de kaart van de landme­ter J.C.de La Parra de dato zeven januari negen­tienhon­derd drie en veertig aangeduid met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter de dato zestien november negentienhonderd een en dertig bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3], met benoeming, zo partijen niet binnen een maand na betekening van het vonnis, anders daaromtrent zullen zijn overeengekomen, van R.RAMAUTAR, notaris te Paramaribo, tot notaris ten overstaan van wie de werk­zaamheden van die scheiding en deling zullen plaatsheb­ben op de door de notaris te bepalen plaats en tijd en van Mr.H.Matawlie, advokaat te Paramaribo tot onzijdig persoon om gedaagde bij die scheiding en deling te vertegenwoordigen, zo hij ingebreke blijft op de voor de scheiding en deling bepaalde tijd en plaats te verschijnen of verschenen zijnde weigeren mocht aan de scheiding en deling mede te werken;

Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f……..;

Overwegende, dat vervolgens [appellant] zich bij verzoekschrift in verzet tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat opposant in verzet komt tegen het verstek vonnis bekend onder A.R.No. 92/3644, gewezen en uitge­sproken op 15 maart 1993, in het Eerste Kanton met als gedaagde [appellant], thans opposant; en als eiser [geintimeerde], thans geopposeerde, wonende aan [adres 2] te [district], domicilie kiezende aldaar aan de Kromme Elleboog­straat no.7, ten kantore van B.Ghiraw, deurwaarder bij het Hof van Justitie in Suriname;

2. dat opposant, als blijkt uit het vonnis van 15 maart 1993, werd veroordeeld, met uitvoerbaar verkla­ring om met de geopposeerde over te gaan tot scheiding en deling der boedelscheiding t.w.:

”Van het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district], aan [adres 3] op de kaart van de landmeter J.C.de la Parra d.d. 7 januari 1943 aangeduid met de letters ABCD en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d.16 november 1931 bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3], met benoeming van notaris R.RAMAUTAR, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van die scheiding en deling zullen plaatsvinden, zo door partijen niet binnen één maand daaromtrent zal zijn beslist, en Mr.H.Matawlie als onzijdig persoon”.

Het vonnis d.d. 15 maart 1993, A.R.no.92/3644 wordt hierbij in fotokopie overgelegd met verzoek aan de Kantonrechter de inhoud daarvan, alsook de nader over te leggen produkties als letter­lijk herhaald en geinse­reerd te beschouwen (zie prod. no.1);

3. dat uit de hierbij in fotokopie overgelegde akte d.d. 2 december 1993, verleden ten overstaan van Mr.R­ad­jen Anand Soerdjbalie, waarnemende het notariaat van notaris Ramdew Ramautar, het onverdeeld aandeel van opposant van het bij het 2e ”dat” omschreven onroerend goed aan geopposeerde werd verkocht en ingeschreven ten hypotheekkantore op 16 december 1993 in [register deel en nummer 1].

De akte maakt er voorts melding van, dat het litigieuze perceel door drie beëdigde makelaars werd getaxeerd  voor een bedrag, groot Sf.479.728,– (VIER­HONDERD NEGEN EN ZEVENTIGDUIZEND ZEVENHONDERD ACHT EN TWINTIG GULDEN) en zou de overbedeling bedragen Sf.139.864,– (HONDERD NEGEN EN DERTIGDUIZEND ACHTHON­DERD VIER EN ZESTIG GULDEN) (zie prod. no.2);

4. dat opposant omtrent voormelde verkoop van zijn eigendom onlangs op informele wijze op de hoogte kwam en het een en ander zich volledig buiten zijn medeweten om heeft voltrokken en is hij ook in hoge mate bena­deeld.

Noch omtrent de verkoop aan geopposeerde door mevrouw [naam 1] gerechtigde tot de helft van het aandeel onverdeeld in het litigieuze onroerend goed, noch omtrent het proces, terzake de scheiding en deling (A.R.92/3644) en de daarop gevolgde verkoop van het aan opposant in eigendom toebehorend aandeel onverdeeld, is hij in kennis gesteld.

Een dagvaarding terzake om ten processe of bij de notaris te verschijnen, heeft hem ook nimmer bereikt.

Opposant legt hierbij over de onderhandse akte d.d. 12 feb­ruari 1980, waaruit blijkt, dat bij mevrouw [naam 1] de wetenschap aanwe­zig was omtrent de kontakt persoon – de Hr.Makdoebaks S., met wie zij tijdens haar vakantie verblijf in Suriname altijd kontakt heeft gehad op zijn huisadres op het litigieuze perceel, terwijl het adres van eiser in Nederland haar ook bekend was (zie prod. no.3);

5. dat geopposeerde wel bewust ten processe heeft doen voorkomen alsof hem omtrent het adres van eiser, dan wel het bestaan van de kontakt persoon – de [naam 2], die woonachtig was op het litigieuze perceel niets bekend is, om zodoende bij verstek het een en ander gerealiseerd te krijgen.

Immers, tijdens de vakantie van opposant in [land 2] in de jaren 1987/198­8, werd hij door geopposeerde benaderd inzake de verkoop van zijn onverdeeld aandeel in het litigieu­ze onroerend goed. Dat was ten huize van de familie [naam 3] aan [adres 4], [district], alwaar geopposeerde toen logeerde en werd in aanwezig­heid van de gemachtigde de [naam 2] uitdrukke­lijk aan geopposeerde voorgehouden, dat opposant niet voornemens is zijn deel in het litigieuze onroerend goed te verko­pen;

6. dat op het litigieuze perceel bekend als Serie A [nummer 2], Wijk B [nummer 3], een oppervlakte beslaat groot (17,5 x 200) is gelijk aan 3500 m², vier (4) gebouwen staan, genummerd 266, 268a, b en c.

De verdeling van het onroerend goed in twee gelijke delen van 1750 m², is namelijk een reële mogelijkheid (zie prod.no.4);

De onzijdige persoon wordt dan ook verweten, de belan­gen van opposant bij de scheiding en deling en de daarop gevolgde verkoop van zijn eigendom niet, althans in onvoldoende mate te hebben behartigd. Temeer waar het hem bekend was, getuige de verstek-veroordeling, dat gekozen is voor het model van de onbekende woon­plaats, wetende dat langs die weg een verstek-vonnis kan worden bekomen. Van enige beïnvloeding bij de scheiding en deling als vertegenwoordiger, ten gunste van opposant, is – gezien het verloop van het e.e.a. niet gebleken.

Evenmin is officieël iets bekend omtrent het geldbe­drag, groot Sf.139.864,– (HONDERD NEGEN EN DERTIGDUI­ZEND ACHTHONDERD VIER EN ZESTIG GULDEN), waarvan mel­ding wordt gemaakt bij de akte d.d. 2 decem­ber 1993. Ten blijke van de benadeling tengevolge van de verkoop van het eigendom van opposant, wordt hierbij overgelegd een fotokopie uit de klapper van de door de notarissen in [land 2] gehanteerde minimum prijzen per m² in Paramaribo. Vanaf [adres 5] tot [adres 6], bedraagt de prijs per m² minimaal Sf.1500,– (DUIZEND VIJFHONDERD GULDEN). De helft van het perceel, groot 1750 m² had minstens moeten opbrengen Sf. (1750 x 1500) = Sf.2.625.000,– (TWEE MILJOEN ZES HONDERD VIJF EN TWINTIG DUIZEND GULDEN) (zie prod.no.­5);

7. dat opposant zich formeel beroept op de nietig­heid, c.q. vernietigbaarheid van de akten d.d. 14 januari 1984 – verleden ten overstaan van notaris Rudolf Srimansing Hira Sing, waarbij mevrouw [naam 1] het onverdeeld aandeel in het litigieuze onroerend goed verkoopt aan de geopposeerde -, alsook de akte d.d. 2 december 1993, verleden ten overstaan van Mr.Radjen Anand Soerdjbalie, kandidaat notaris, waarnemende het kantoor van notaris Ramdew Ramautar, waarbij de andere helft van het onverdeeld aandeel toekomende aan opposant, middels rechterlijke tussen­komst werd verkocht aan de geopposeerde. Immers, de koop/verkoop op 14 januari 1984 en daarop gevolgde levering, c.q. de inschrijving ten hypotheek­kantore op 19 januari 1984, in [register deel en nummer 2] van voormelde akte, is totstand gebracht, terwijl de schei­ding en deling van het litigieuze onroerend goed nog geen feit  was. Bij de daarop vol­gende koop/verkoop op 2 december 1993 van de andere helft van het litigieuze onroerend goed, is volstrekt ten onrechte door de geopposeerde ervan uitgegaan, dat hij rechtens reeds de eigenaar is van de ene helft onverdeeld en ook bevoegd zou zijn de scheiding en deling te vorderen;

8. dat opposant zeer uitdrukkelijk stelt, dat naar algemeen aanvaarde rechtsleer het niet mogelijk is een onverdeeld aandeel van een gerechtigde in één of meer onroerende goederen te vervreemden, hetgeen blijkens de akte in casu d.d. 14 januari 1984 wel heeft plaatsgehad en volgt daaruit de nietigheid, c.q. vernietigbaarheid daarvan, alsmede de daarna totstand gekomen akte, ongeacht de wijze waarop de andere helft de rechtmatige eigenaar is ontnomen, buiten zijn medeweten om;

9. dat opposant aanbiedt de kosten van deze procedure te dragen en verzoekt hij de Kantonrechter hem goed opposant te verklaren;

Overwegende, dat opposant op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. nietig zal worden verklaard, c.q. zal worden vernietigd de akte d.d. 14 januari 1984, verleden ten overstaan van notaris Rudolf Srimansing Hira Sing, ingeschreven ten hypotheekkantore op 19 januari 1984 in [register deel en nummer 2];

b. nietig zal worden verklaard, c.q. zal worden vernietigd de akte d.d. 2 december 1993, verleden ten overstaan van de kandidaat notaris Mr.Radjen Anand Soerdjbalie, waarnemende het notariaat van notaris Ramdew Ramautar, ingeschreven op 16 december 1993 in [register deel en nummer 1];

c. zal worden vernietigd het vonnis bij verstek gewezen en uitgesproken op 15 maart 1993 in het Eerste Kanton bekend onder A.R.92/3644, met opposant als gedaagde en geopposeerde als eiser, en opnieuw recht­doende geopposeerde in zijn oorspronkelijke vordering niet te ontvangen, c.q. hem de vordering zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en of onbewezen;

d. opposant alsdan zal worden verklaard, goed oppo­sant. Het een en ander onder aanbieding door opposant van de kosten ten deze;

Overwegende, dat de geopposeerde bij mondelinge conclusie van antwoord heeft verklaard: ”Ik wens een raadsman in de hand te nemen om verder te procederen”;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 13 decem­ber 1994, advokaat Mr.R.M.F.Oemar de Kantonrechter heeft medege­deeld dat hij zich als gemachtigde van geopposeerde in de zaak stelt, waarna hij een schrifte­lijke conclusie van antwoord in oppositie heeft geno­men, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van opposant een schriftelijke conclusie van repliek in oppositie heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 11 april 1995 op de daarin opgenomen gronden;

Opposant kwaad opposant heeft verklaard;

Het verstek vonnis d.d. 15 maart 1992 tussen partijen heeft bekrachtigd;

Opposant heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van geopposeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 26 april 1995 blijkt dat [appellant] in hoger beroep is gekomen van voor­meld eindvonnis van 11 april 1995.

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 9 januari 1997 aan geintimeerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak was bepaald op 3 oktober 1997;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de Griffier van het Hof de door het Hof verlang­de stukken ten processe heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusies tot uitlating omtrent voormelde stukken hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 6 februari 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt en vol­hardt bij hetgeen in zijn tussenvonnis van 3 oktober 1997 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de processtukken, één en ander voor zover niet betwist, het volgende vaststaat:

  1. bij inleidend verzoekschrift, gedateerd 12 oktober 1992, heeft geintimeerde, toen-eiser, kort samengevat, gevorderd dat appellant, toen-gedaagde, zou worden veroordeeld om met hem, geintimeerde, over te gaan tot scheiding en deling van het in bedoeld verzoekschrift nader omschreven erf, met benoeming van R.Ramautar tot notaris en een onzijdig persoon;
  2. het gevorderde is bij verstekvonnis van 15 maart 1993 toegewezen, met benoeming van Mr.H.Matawlie tot onzijdig persoon;
  3. bij akte, verleden ten overstaan van Mr.R.A. Soerd­jbalie, kandidaat-notaris, als plaatsvervanger van notaris R.Ramautar, waarbij hebben gecompareerd geinti­meerde in persoon en Mr.H.Matawlie in zijn hoedanigheid van onzijdig persoon ter vertegenwoordiging van de appellant, is aan geintimeerde het erf en aan appellant Sf.139.864 (lees: Sf.239.864; zie verklaring van nota­ris Ramautar d.d. 28 november 1994) toebedeeld;
  4. appellant heeft bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Kantongerecht op 22 april 1995, verzet tegen het hierboven onder 2 genoemd verstekvonnis aangetekend;
  5. bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 11 april 1995 is het verstekvonnis ”d.d. 15 maart 1992” bevestigd;

Overwegende, dat appellant heeft aangevoerd dat in het vonnis van 11 april 1995 ten onrechte staat dat [appellant] is overleden en in dat vonnis ten onrechte in het dictum staat vermeld ”vonnis d.d. 15 maart 1992”;

Overwegende, dat beide verwijten terecht zijn en wel omdat, naar tussen partijen vaststaat, niet [appellant] maar [naam 4] is overleden en omdat het verstekvonnis dateert van 15 maart 1993 en niet van 15 maart 1992;

Overwegende, dat, nadat de griffier der Kantonge­rechten, ter uitvoering van ’s Hofs tussenvonnis, het verzoekschrift d.d. 12 oktober 1992 met bijlagen, het in eerste aanleg uitgebrachte exploit van oproeping van appellant met bijlagen en een afschrift van het vonnis d.d. 15 maart 1993 had overgelegd, appellant, naar het Hof begrijpt, zijn grief tegen het beroepen vonnis hiertoe heeft beperkt dat door het ontbreken van het exploit, waarbij het verstekvonnis aan appellant is betekend en het Advertentieblad van de Republiek Suri­name, waarin de betekening van het exploit is opgeno­men, hij, appellant op geen enkele wijze van de schei­ding en deling op de hoogte is gebracht, zodat het vonnis van 11 april 1995 niet in stand kan blijven;

Overwegende, dat in het verzetrekest, kort gezegd, wordt verzocht om (a) nietigverklaring c.q. vernieti­ging van de akte d.d. 14 januari 1994, (b) n­ietigverklaring c.q. vernietiging van de akte d.d.2 december 1993 en (c) vernietiging van het verstekvonnis d.d. 15 maart 1993 en niet-ontvankelijkverklaring van appellant, althans ontzegging van zijn vordering;

Overwegende, dat het verzet ertoe strekt om de oorspronkelijke gedaagde in de gelegenheid te stellen om alsnog verweer te voeren tegen de oorspronkelijke eis;

Overwegende, dat de oorspronkelijke gedaagde van die gelegenheid gebruik kan maken om een tegenvordering in te stellen;

Overwegende echter, dat uit niets blijkt dat appellant als oorspronkelijke gedaagde een dergelijke vordering heeft willen instellen, zodat aan de hierbo­ven onder (a) en (b) weergegeven verzoeken verder wordt voorbijgegaan;

Overwegende, dat, ook indien appellant niet op de hoogte is gebracht van de scheiding en deling, dit de gronden waarop het vonnis van 15 maart 1993 is gewezen niet aantast en de grief faalt;

Overwegende, dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd en appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, tussen partijen gewezen en op 11 april 1995 uitgesproken, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f….

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f………

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f……..

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 5 maart 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advok­aat Mr.R.Baldew namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.­P.­TRUIDEMAN en geïntimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.M.F.OEMAR, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.