SRU-HvJ-1999-27

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-391
  • Uitspraakdatum 05 maart 1999
  • Publicatiedatum 12 april 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Ambtenarenzaak.Niet- Ontvankelijkheid.Personeelswet.
    Artikel 22 lid 4 van de Personeelswet.
    Artikel 7 lid 2 van het Ambtenarenbezoldi­gings­besluit (S.B. 1980 no.153).
    Artikel 79 lid 1 sub b van de Personeelswet.
    Vordering tot uitbetaling van een waarnemingstoelage.

    Verzoekster vordert uitbetaling van een waarnemingstoelage, omdat ze in een andere functie (de functie van Chargé d’Affaires) heeft waargenomen. Verzoekster stelt dat ze geen uitbetaling van de waarnemingstoelage kan krijgen, ondanks ze verweerder heeft aangemaand.
    Verweerder stelt dat de vordering van verzoekster onvoldoen­de is bewezen en in strijd is met artikel 79 van de Personeelswet. Dit omdat in casu geen sprake is van een besluit dat voor gehele of gedeeltelijke vernietiging in aanmerking komt, waarna pas een bevel – zoals gevorderd – van het Hof van Justitie rechtens mogelijk zou kunnen zijn.

    Het Hof van Justitie stelt dat het door verzoekster gevorderde niet kan worden toegewezen, omdat het Hof als gerecht in ambte­narenzaken ingevolge artikel 79, lid 1 sub b van de Personeelswet, slechts bevoegd is tot de kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een be­sluit of handeling in strijd met de Personeelswet.

    Het Hof verklaart verzoekster niet- ontvankelijk in haar vordering tegen verweerder.

Uitspraak

M.H.
A – 391

[verzoekster], wonende in [woonplaats], [land], ten deze domicilie kiezende te Paramari­bo aan de Wagenwegstraat no.41 beneden, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,
verzoekster,
tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegen­woordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OO­FT, advokaat,
verweerder,

De Vice-Presi­dent spreekt in deze zaak in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. Verzoekster wenst de volgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegen­woordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.3, verweerder;

2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van de Perso­neelswet in dienst van verweerder geweest;

3. Verzoekster is Hoofdambtenaar B 1e klasse (schaal 20) en is tewerkgesteld geweest bij de Permanente Vertegenwoordiging van de Verenigde Naties in New York van de Republiek Suriname;

4. Verzoekster heeft in opdracht van verweerder te rekenen van 1 januari 1996 tot en met 31 maart 1996 de funktie waargenomen van Chargé d’Affaires en als zoda­nig is verzoekster voor verweerder opgetreden bij de Verenigde Naties als Chargé d’Affaires ad interim;

5. Verzoekster maakt op grond van artikel 22 lid 4 van de Personeelswet aanspraak op waarnemingstoelage. Volgens artikel 7 lid 2 van het Ambtenarenbezoldi­gings­besluit S.B. 1980 no.153 zoals sindsdien gewij­zigd, is de toelage voor de waarneming van een funktie als bedoeld in artikel 22 der Personeelswet gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging welke door de ambte­naar wordt genoten en de bezoldiging welke hij bij benoeming in de waargenomen funktie zou genieten;

6.1. De bezoldiging van verzoekster was gedurende de periode van waarneming (01-01-1996 – 31-03-1996) als volgt samengesteld:
a. Bezoldiging Sf.3.470,–
C.L.O.overgangstoelage 400,–
——————————————–
zogeheten thuis salaris Sf.3.870,–

b. Detacheringstoelage US $ 1.000,–

6.2. Met betrekking tot ambtenaren in buitenlandse dienst wordt een omrekenkoers gehanteerd van US $ = Sf.1.80;

7. De bezoldiging van de waargenomen funktie van Ambassadeur is ondergebracht in schaal 23.
a. Bezoldiging Ambassadeur Sf.4.110,–
C.L.O. overgangstoelage 400,–
———————————————-
zogeheten thuis salaris Sf.4.510,–

b. Detacheringstoelage Ambassadeur US $ 2.500,–

8. verzoekster maakt aanspraak op het verschil tus­sen:
a. Ambassadeurssalaris Sf.4.510,–
minus salaris verzoekster Sf.3.870,–
——————————————-
verschil per maand Sf. 640,–
bij een koers van 1 US $ = Sf.1.80 levert dat op
US $ 335,56 per maand. In het tijdvak 01-01-1996 –  31-03-1996 brengt dat op 3 x US $ 335,56 = US $ 956,68
b. Detacheringstoelage Ambassadeur US$ 2500,–
minus detacheringstoelage verzoekster US$ 1000,–
————————————————-
verschil per maand US$ 1500,–
levert op voor het tijdvak 01-01-1996 – 31-03-1996 = 3 x US $ 1500 = US $ 4500,–.
Verzoekster maakt dus aanspraak op een bedrag van US $ 5456,68;

9. Verzoekster kan van voormeld bedrag in der minne, ondanks aanmaning, geen betaling van verweerder ver­krijgen zodat zij gerechtigd is zulks in rechte te vorderen;
Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevor­derd:
dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de verweerder zal worden veroordeeld die (rechts) hande­lingen te verrichten waardoor aan verzoekster alsnog terzake het bedrag van US $ 5.456,68 met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van indie­ning van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoe­ning, zal worden uitbetaald met veroordeling van ver­weerder in de kosten van het geding;
Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen ge­komen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:
1. Verweerder kan erkennen dat verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet. Ook wordt erkend dat verzoekster heeft waargenomen van 1 januari 1996 tot en met 31 maart 1996 in de functie van Chargé d’Affairés.

2. Op grond van deze waarneming maakt verzoekster inderdaad aanspraak op toekenning van waarnemingstoela­ge als bedoeld in art. 2 lid 4 van de Personeelswet, Juncto art.7 2e lid van het A.B.B. S.B.1980 no. 153.

3. Gedaagde is evenwel van oordeel dat de becijfering van het totale bedrag waarop verzoekster meent aan­spraak te moeten maken niet juist is weergegeven in het Inleidend Rekest.
Het door verzoekster zelf aangehaald art. 7 van het A.B.B. schrijft duidelijk voor dat de toelage voor de waarneming wordt gesteld ”op het verschil tussen de bezoldiging welke door de ambtenaar wordt genoten en de bezoldiging welke hij bij benoeming in de waargeno­men functie zou genieten.
Onder bezoldiging wordt dan verstaan het bedrag in geld uitgedrukt zoals dit voorkomt op de bezoldigingsreeksen van het Ambtenaren Bezoldigings Besluit en zoals nader uitgewerkt in art.2 A.B.B. onder de titel ”Bezoldi­ging”.
Op grond van het voorgaande dient de berekening c.q. de becijfering van het gevorderde bedrag alsnog te worden gewijzigd en in overeenstemming gebracht met de hierbo­ven aangehaalde van in het bijzonder Ambtenaren Bezol­digings Besluit.

4. In hoeverre er hier sprake is van een spoedeisend karakter en waarvoor dan ook in kortgeding wordt gepro­cedeerd, refereer ik gaarne naar het oordeel van de rechter, met de aantekening:
a. dat verzoekster als ambtenaar primair zich behoort te wenden tot het Hof van Justitie, oordelende in Ambtenaren Zaken, hetgeen verzoekster ook heeft gedaan bij haar vordering d.d. 6 januari 1998 (A-391),

b. dat het door verzoekster gevraagde voorlopig toe te wijzen bedrag (als voorschot) slechts US$. 56,– verschilt van het totale bedrag van US$.5.460,– waar­door, bij toewijzing van het gevraagde de facto in kortgeding de gehele zaak te principale zal zijn be­slecht.
Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:
dat verzoekster niet ontvankelijk zal worden verklaard c.q. deze niet als voor toewijzing vatbaar aan te merken op grond van, dat de vordering onvoldoen­de is bewezen en in strijd is met de wet, te weten art.79 Personeelswet, omdat geen besluit wordt vermeld, dat voor ”gehele of gedeeltelijke vernietiging” in aanmerking komt, waarna dan pas een bevel – zoals gevorderd – van het Hof van Justitie rechtens mogelijk zou kunnen zijn;
Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschik­king van 3 maart 1998 ten dage voor verhoor van partijen be­paald, advokaat Mr.Baarh gemachtigde van verzoekster,
[naam 1], [naam 2], ambtenaar van beroep, als vertegenwoordiger van verweerder en advokaat Mr.Dr.C.D. Ooft, gemachtigde van verweerder in Raadkamer zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte- hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partij­en de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verde­digd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleidooi, antwoord pleidooi en repliek pleidooi produk­ties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 16 oktober 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden op 5 februari 1999 bij rolbeschik­king heeft gelast dat verweerder in de gelegenheid wordt gesteld een machtiging uitgebracht op naam van [naam 1] over te leggen;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 19 februa­ri 1999 bovengenoemde machtiging is overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat verzoekster blijkens het petitum gevorderd heeft dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld die (rechts)handelingen te verrichten waardoor aan haar alsnog terzake het bedrag van US$ 5.456,68– met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van dit verzoek­schrift tot aan de algehele voldoening, zal worden uitbetaald met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding;
Overwegende, dat voormeld gevorderde niet kan worden toegewezen, omdat het Hof als gerecht in ambte­narenzaken ingevolge het bepaalde in artikel 79, lid 1 sub b van de Personeelswet, slechts bevoegd is tot de kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een be­sluit of handeling in strijd met het bij of krachtens genoemde wet bepaalde;
Overwegende, dat nu verzoekster geen zodanig besluit of dergelijke handeling heeft gesteld en daar­van ook niet gebleken is, kan verzoekster in haar tegen verweerder ingestelde vordering niet worden ontvangen;
Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:
Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in de door haar tegen verweerder ingestelde vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 MAART 1999, in tegenwoordigheid van
Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, verzoekster verte­genwoordigd door advo­kaat Mr.L.H.R.ROGERS namens haar gemachtigde, advo­kaat Mr.A.R.BAARH en verweerder verte­genwoor­digd door zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.Dr.C.D.Ooft, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.