SRU-HvJ-1999-37

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-403
  • Uitspraakdatum 02 juli 1999
  • Publicatiedatum 17 april 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Personeelswet.

    Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (P.W.). Tijdens de dienst van verzoeker als douaneambtenaar is een container met als inhoud o.a. kartonnen Heineken bier doorgelaten als lege container danwel zonder waargenomen te zijn door de verzoeker. Bij beschikking van de Minister van Financiën is aan verzoeker wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van schorsing opgelegd voor de duur van 14 dagen, onder inhouding van alle staatsinkomsten.
    Het Hof van Justitie verklaart de beschikking van de Minister van Financiën gedeeltelijk nietig en wel voorzover deze ziet op de inhouding van alle staatsinkomsten. Daarbij overweegt het Hof van Justitie dat bij schorsing wegens plichtsverzuim op grond van de artt. 61 e.v. P.W. verweerder niet de bevoegdheid heeft te bepalen dat gedurende de schorsing inhouding van alle staatsinkomsten zal plaatsvinden, welke bevoegdheid verweerder slechts toekomt bij schorsing als geregeld in de artt. 66 e.v. P.W., indien en voorzover het bevoegde gezag zulks overeenkomstig bij staatsbesluit te stellen regels bepaalt (zie art. 67 lid 2 P.W.).

Uitspraak

M.R.S.
A – 403. 

[Verzoeker], wonende aan de [Adres 1] in het [district 1], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Wagenwegstraat no. 41 beneden, ten kantore van Mr.A.R.BAAR­H, advokaat,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het MINISTERIE VAN FINANCIËN, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [Verzoeker] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en wel Kommies 3e klasse in vaste dienst bij de Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen van het Ministerie van Financiën.

2. Bij beschikking van de Minister van Financiën van 17 juni 1998 La BP/O no. 1347 is verzoeker de tuchtstraf van schorsing opgelegd voor de duur van 14 dagen te rekenen van 25 juni tot en met 08 juli 1998 onder inhouding van alle staatsinkomsten.

3. Aan deze schorsing heeft de Minister voornoemd ten grond­slag gelegd dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim hierin bestaande dat hij op donderdag 26 maart 1998 in gebreke is gebleven een 20 feet container, die als ”leeg” bij de uitgangspoort werd aangegeven met het no.TRLU200857 inhoudende 650 dozen elk 24 fl. met een inhoud van 33 cl (330 ml) en 885 dozen inhoudende elk 24 fl. van 25 cl (250 ml) Heiniken bier en nog een grote partij aan Heiniken reclame materiaal zoals: asbakken, petten, ’t-shirts, bardoekjes, dienbladen, slingers, stockers etc. te controleren.

4. Verzoeker wenst tegen voormeld verwijt aan te voeren dat hij op voormelde dag en datum de normale controle werkzaamhe­den heeft verricht m.b.t. goederen (containers) en auto’s die de Haven via de poort Noord hebben verlaten. De controle hield en houdt ondermeer in dat indien goederen c.q. containers de haven verlaten, de betrokkene aan verzoeker ter controle moet afgeven: het enig document, het volgbriefje en doorlaatformu­lieren. Na de nodige plichtplegingen worden de bescheiden aan betrokkene terug gegeven met uitzondering van het volgbriefje dat door verzoeker in een speciaal daarvoor bestemd en vooraf afgesloten bus wordt gedeponeerd.

5. Verzoeker heeft op de bewuste dag de poort Noord op de gebruikelijke wijze afgesloten en de sleutel(s) afgedragen aan zijn chef, [Naam 1].

6. Verzoeker stelt hierbij met klem dat tijdens zijn dienst- tijd hij geen toestemming heeft gegeven aan wie dan ook om met goederen in casu een container de Haven te verlaten zonder inachtneming van de voorgeschreven controle handelingen te hebben verricht.

7. Verzoeker ontkent mitsdien met klem de feitelijke grond­slag van de beschikking van de Minister voornoemd en het daaraan verbonden gevolg n.l. de tuchtstraf.

8. Maar ook indien de feitelijke grondslag van die beschik­king juist mocht zijn – qoud non – dan komt het verzoeker voor dat die straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandighe­den waaronder het is begaan.

Immers, verzoeker is een firstoffender, die naar zijn mening zijn werk altijd naar behoren heeft verricht en nimmer zijn medewerking (actief noch passief) heeft verleend aan overtre­ding van de voorschriften in zijn dienstuitoefening.

Bovendien komt het verzoeker voor dat het gelijkheids- c.q. evenredigheidsbeginsel ten aanzien van hem niet althans niet juist is toegepast omdat in het ene geval het bevoegde gezag afziet van straf oplegging of helemaal niet aan toe komt terwijl in het andere geval gelijk in casu voor een gelijk­waardig of minder vergrijp het bevoegde gezag tot strafopleg­ging overgaat. In feite meet het bevoegde gezag met minstens twee maten.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevor­derd:
dat bij vonnis:

Primair:

zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard het besluit vervat in de beschikking van de Minister van Financiën d.d. 17 juni 1998 La-B P/O no. 1347.

Subsidiair:

zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard het besluit vervat in de beschikking van de Minister van Financiën d.d. 17 juni 1998 La.BP/O no. 1347 in dier voege dat de schorsing wordt omgezet in een andere tuchtstraf van minder gestrengheid danwel de tijdsduur van de schorsing wordt verminderd.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aange­voerd:

1. verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker in zijn Inleidend Rekest heeft gesteld en naar voren gebracht, voor zover dit niet woordelijk en uitdrukkelijk door verweer­der wordt erkend. Verweerder biedt bewijs voor zijn stellin­gen, indien en voor zover hij daartoe is gehouden.

2. Verweerder heeft naarstig gespeurd naar de persoon c.q. de rechtspersoon tegen wie de vordering van [Verzoeker], wordt ingesteld. Verweerder vraagt zich af of de vordering zoals neergelegd in het Petitum van dit Inleidend Rekest wel ontvan­kelijk zal kunnen zijn. Wanneer niet duidelijk reeds in de aanhef van het Rekest is vermeld, tegen welke instantie, natuurlijke of rechtspersoon de vordering of een eventueel veroordelend vonnis moet worden uitgesproken.

Desalniettemin heeft verweerder gemeend, dat het Inleidend Rekest, waar het in deze omgaat, en de inhoud daarvan, als zodanig gericht zou moeten zijn tot, hetzij de Staat Suriname, hetzij de Minister van Financiën. Op grond daarvan wordt hierna verder verweer gevoerd, alsof de Staat c.q. de Minister van Financiën partij is in casu.

3. Verweerder kan erkennen dat [Verzoeker],

ambtenaar is en als zodanig gerechtigd de bescherming geboden door de Personeelswet, te zoeken bij het Hof van Justitie als ambtenarengerecht.

Verzoeker kwam in 1994 als Aspirant Kommies bij de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen. Hij is daarna bevorderd tot Kom­mies 3e Klasse.

4.  Ten aanzien van het in het 3e sustenu van het Inleidend Rekest bedoelde schorsingsbesluit, waartegen verzoeker zich in het 4e sustenu verzet, moge verweerder alsvolgt opmerken:

De schorsing is in casu terecht. De strafmaat is na (lees:naar) het oor­deel van verweerder niet in strijd met 5e Hoofdstuk titel 1 van de Personeelswet.

De straf staat ook in redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim, waaraan verzoeker zich heeft schuldig gemaakt. Ter onderbouwing van het voorgaande moge de volgende stukken die hebben geleid voor deze tuchtstraf van slechts twee weken schorsing met inhouding van het salaris (een halve maand slechts) aan het verweer worden toegevoegd ter kennisneming van het Hof, met verzoek dezelve als deel van het Inspectierapport van beambte H. DJAHADI, waaruit blijkt dat in ieder geval verzoeker niet op zijn post was op het ogenblik dat de zogenaamde lege container bleek later zelfs gestolen te zijn, en kort daarna er een strafzaak aanhangig is gemaakt met aanhouding en in verzekerde bewaringstelling van de verdachte en een aantal medeplichtigen. De inhoud van de container werd snel rondgedeeld (verkocht) tegen enorme bedra­gen waaromtrent het proces-verbaal van de Inspecteur van Politie, BIRDJA H., ook als bijlage is gevoegd ter kennisne­ming van Uw Hof van Justitie.

5. Ook het verweer (de verdediging) van verzoeker, zoals gedaagde in het 5e en 6e sustenu van het Inleidend Rekest, blijken niet in staat de feitelijke grondslag van de beschik­king van de Minister van Financiën aan te tasten.

Het plichtsverzuim dat aan verzoeker wordt toegerekend, kan zowel actief (opzettelijk) als passief (onbewust, maar door grove schuld, door onzorgvuldigheid en onoplettendheid) hebben plaatsgehad, een en ander met het causaal gevolg dat de over­treding welke miljoenenschade aan de Staat heeft gekost, heeft plaatsgevonden.

6.  Vast staat dat door de wet verplichte formulieren op het moment dat ze getoond moesten worden, niet aanwezig of niet alle in het bezit waren van de inklaarder, een en ander in de beschikking is weergegeven. De beschikking is ook bij de stukken gevoegd.

7.  Het 5e, het 6e en het 7e sustenu waarin geredeneerd wordt naar een ontkenning door verzoeker zich te hebben schuldig gemaakt aan plichtsverzuim en derhalve de tuchtstraf feitelij­ke grondslag mist, wordt zijdens verweerder nadrukkelijk tegengesproken. Daarbij, moge verweerder verwijzen naar de jurisprudentie rond de strekking van het plichtsverzuim als grondslag voor het opleggen van een tuchtstraf, zoals bedoeld in artikel 61 van de Personeelswet. De gangbare definitie van het plichtsverzuim in zijn algemeenheid luidt:
”Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift of het doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden, behoort na te laten of te doen. Art. G-1 Ambtenaren Reglement Nederland 1968”.

8. Ten aanzien van de beweringen van verzoeker zoals neerge­legd in het 7e en 8e sustenu, kan worden gezegd dat het hier gaat om opmerkingen welke zeer algemeen zijn gesteld, maar op geen enkele wijze zijn bewezen. De feiten liggen altijd an­ders.

9. Straffen als de onderhavige schorsing aan verzoeker zijn in deze moeilijke dienst van de Douane bij de toepassing van de wet op de Tarieven en Invoerrechten, worden in het belang van de dienst gevorderd, waardoor een voorbeeld functie om andere ambtenaren er vanaf te houden, zich schuldig te maken aan plichtsverzuim, hetzij onbewust danwel bewust.

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft gecon­clu­deerd:

dat de vordering van verzoeker hetzij niet ontvankelijk wordt verklaard danwel niet wordt toegewezen als zijnde onge­grond en in strijd met de Personeelswet.

Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 2 september 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoe­ker in persoon, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemach­tig­de van ver­zoeker en advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, gemachtigde van ver­weer­der in Raadkamer zijn verschenen, en hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opge­maakte – hier als ingelast te be­schou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder bij antwoord pleidooi een produk­tie overge­legd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had be­paald op 9 april 1999, doch na enige malen te hebben aange­houden nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat nu de verweerder ermede accoord gegaan is dat de verzoeker het inleidend rekest aanvult in dier voege dat de vordering gericht is tegen de Staat Surina­me, Ministerie van Financiën, zal het hof die aanvulling toestaan;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken – en mede blijkende uit ten processe overgelegde bescheiden – het navolgende tussen partijen rechtens vast­staat;

1.  dat de verzoeker ambtenaar is in de zin van de Perso­neelswet (P.W.);

2.  dat door de poort Noord op het Nieuwe Havencomplex op 26 maart 1998, alwaar gedurende de tijd dat de verzoeker als douaneambtenaar dienst had, een container met als inhoud o.a. kartonnen Heineken bier doorgelaten is als lege container danwel zonder waargenomen te zijn door de verzoeker;

3. dat terzake van het voormelde feit verzoeker op 6 april 1998 in verzekering gesteld is en op 14 april 1998 op bevel van de Rechter-Commissaris in vrijheid gesteld is, zonder dat hij verder vervolgd is en is hij dus ook door de strafrechter niet veroordeeld terzake van een misdrijf verband houdende met het voormelde ”doorlaten” van een container.

4. dat de verzoeker na in de gelegenheid te zijn gesteld zich te verweren en zich ook daadwerkelijk verweerd te hebben bij beschikking van de Minister van Financiën d.d. 17 juni 1998 no.La B P/O no. 1347 wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van schorsing opgelegd is voor de duur van 14 (veertien) dagen, welke tenuitvoergelegd is in de periode van 25 juni 1998 tot en met 8 juli 1998; en

5. dat bij die tuchtstraf aangetekend is dat de tenuitvoer­legging daarvan geschiedt onder inhouding van alle staatsin­komsten;

Overwegende, dat uit de vaststaande feiten blijkt dat de stelling van de verzoeker dat de tuchtstraf van schorsing wegens plichtsverzuim hem ten onrechte opgelegd is onjuist is, omdat hij op 26 maart 1998 de verantwoordelijkheid van contro­le bij poort Noord op het havencomplex had en uit politiever­klaringen van personen die daar aanwezig waren blijkt dat hij aldaar lijfelijk aanwezig was ten tijde dat die container doorgelaten werd;

Overwegende, dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel van de verzoeker, waarbij hij het optreden van een andere douane-ambtenaar, hoger in rang dan hem, aanhaalt i.c. niet opgaat, omdat die ander de plaats van controle van containers met goederen buiten het havencompliex verlaten had toen een container vandaar werd weggevoerd, terwijl in het geval van de verzoeker een container het havencomplex verlaat zonder dat hij als verantwoordelijke douanier de vereiste controle uitoe­fent;

Overwegende, evenwel dat bij schorsing wegens plichtsver­zuim ingevolge de artt. 61 e.v. P.W. de verweerder niet de bevoegdheid heeft te bepalen dat gedurende de schorsing inhou­ding van alle staatsinkomsten zal plaatsvinden, welke bevoegd­heid de verweerder slechts toekomt bij schorsing als geregeld in de art.66 e.v. P.W., ”indien en voorzover het bevoegde gezag zulks overeenkomstig bij staatsbesluit te stellen regels bepaalt” (zie art. 67 lid 2 P.W.);

Overwegende, dat het Hof de stellingen van de verzoeker aldus verstaat dat indien de gehele vernietiging van de schor­singsbeschikking niet mogelijk ware, hij de gedeelte­lijke vernietiging daarvan zou verlangen en zal het Hof recht doen als na te melden.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Staat de verzoeker toe het inleidend rekest aan te vullen in dier voege dat de vordering ingesteld is tegen de Staat Suriname, Ministerie van Financiën;

Verklaart de beschikking van de Minister van Financiën d.d. 17 juni 1998 La B P/O no. 1347 gedeeltelijk nietig en wel voorzover daarin bepaald is: ” onder inhouding van alle staats­inkomsten”.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY, Funge­rend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.A.I.RAMNEWASH, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 JULI 1999, in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD  w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.T.GANGARAM-PANDAY namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.BAARH en ver­weerder vertegenwoordigd door zijn gemach­tigde, advokaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.