SRU-HvJ-1999-38

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-404
  • Uitspraakdatum 02 juli 1999
  • Publicatiedatum 17 april 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Personeelswet. Salarisvordering.

    Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (ambtenaar van politie in de rang van agent van politie 2e klasse). Vanaf een bepaalde datum is aan verzoeker geen salaris uitbetaald zonder dat er een daartoe strekkende tuchtmaatregel tegen hem genomen is. Verzoeker maakt aanspraak op betaling van zijn salaris tot aan de beëindiging van ambtenaarsverhouding, omdat het niet aan hem gelegen heeft dat hij zijn werkzaamheden niet heeft kunnen aanvangen en ten onrechte het salaris maandelijks niet uitbetaald is.

    Het Hof verklaart zich onbevoegd van de vordering van verzoeker tot diensthervatting kennis te nemen (art. 79 Personeelswet).

Uitspraak

M.R.S.
A – 404. 

[Verzoeker], Agent van Politie 2e klasse in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze domi­cilie kiezen­de te Paramaribo aan de Grote Combe­weg no.25-27, ten kantore van Mr.F.F.P.TRUI­DEMAN, advokaat,
ver­zoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Graven­straat no. 3, voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [Verzoeker] zich bij verzoek­schrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen de STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name zetelend te harer Parkette aan de Graven­straat no. 3, verweerder;

2. dat verzoeker sedert september 1980 ambtenaar is in de zin van de Personeelswet en thans dient in de rang van Agent van Politie 2e klasse, zodat gesteld kan worden dat de Perso­neelswet in volle omvang op hem van toepassing is;

3. dat op of omstreeks juli 1992 verzoeker in de veronder­stelling dat een familielid van hem conform afspraak geld op zijn rekening had overgemaakt, een aantal cheques aan derden ter betaling heeft afgegeven, welke cheques vanwege onvoldoen­de saldo niet te gelde konden worden gemaakt;

4. dat verzoeker, na door de Korps leiding te zijn ontwa­pend, op 19 januari 1993 is ingesloten;

5. dat bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 22 februari 1993 K.A.No. 169 verzoeker in afwach­ting van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek t.r.v. 19 januari 1993 in zijn ambt werd geschorst.

Ingesloten treft U aan de kopie van deze beschikking, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

6. dat de verzoeker op 26 maart 1993 door het Openbaar Ministerie in vrijheid werd gesteld en werd de strafzaak daarna onherroepelijk geseponeerd;

7. dat verzoeker na het beeindigen van het strafrechtelijk onderzoek terzake, meermalen contact heeft opgenomen met de leiding van het Korps Politie Suriname teneinde zijn werkzaam­heden te hervatten.

Echter werd hij hiertoe niet in de gelegenheid gesteld;

8. dat na de officiële beëindiging van het strafrechtelijk onderzoek in maart 1993 er zijdens verweerder i.c. het Minis­terie van Justitie en Politie geen enkele tuchtrechtelijke maatregel tegen verzoeker is getroffen, zodat de verzoeker ingevolge artikel 67 lid 3 van de Personeelswet alsnog aan­spraak maakt op zijn salaris;

9. dat verzoeker ettelijke malen en wel middels brieven gedateerd 20 januari 1997, 3 april 1997 en 4 augustus 1997 verweerder gevraagd heeft wanneer hij zijn werkzaamheden kan hervatten.

Ingesloten treft U kopieën aan van bedoelde brieven, met het verzoek de inhoud van deze brieven als hier ingelast en gein­sereerd te willen beschouwen;

10. dat verweerder op geen enkele wijze gereageerd heeft op voormelde brieven, en verzoeker zijn werkzaamheden nog steeds niet heeft kunnen aanvangen;

11. dat nu verweerder in alle talen zwijgt over de hervatting van de werkzaamheden van verzoeker en voorts vanaf 1993 heeft nagelaten tuchtrechtelijke maatregelen jegens verzoeker te treffen, zij zulks in alle redelijkheid en billijkheid niet meer kan treffen;

12. dat gelet op het beginsel van rechtszekerheid verzoeker het recht heeft van verweerder te eisen om die handelingen te verrichten zodat hij zijn werkzaamheden kan hervatten en zijn salaris vanaf maart 1993 aan de verzoeker wordt uitbetaald;

13. dat verzoeker in zijn rechten als ambtenaar ernstig te kort is gedaan door verweerder en derhalve het recht heeft zich tot het Hof te wenden teneinde genoegdoening te bekomen;

14. dat verzoeker het Hof moge verzoeken om de inhoud van de overgelegde produkties als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen en voorts aantekent dat hij – verzoeker – overeenkomstig artikel 80 lid 2 onder c van de Personeelswet tijdig bij het Hof in beroep is gekomen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevor­derd:

dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de verweerder zal worden gelast om ter uitvoering van de terzake geldende bepalingen van de Personeelswet namelijk artikel 67 lid 3 die handelingen te verrichten zodat verzoeker zijn werkzaamheden kan hervatten in de rang van Agent van Politie 2e klasse met betaling van zijn salaris aan die rang verbonden vanaf maart 1993 alles onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– (EENHONDERDDUIZEND GULDEN) voor  iedere dag waarop verweerder nalatig blijft gevolg te geven aan de uitvoering van het vonnis, kosten rechtens;

Overwegende, dat van De Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aange­voerd:

1.  Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet letterlijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu onder aanbod van bewijs conform recht en wet.

2. Verzoeker heeft zich aan ernstige strafbare feiten schul­dig gemaakt zoals oplichting hetgeen blijkt uit het resultaat van een tegen verzoeker ingesteld politieel onderzoek en vervat in het daarvan opgemaakte dossier dragende het nummer 13/93 O.P.Z.

Het Openbaar Ministerie heeft in de onderhavige zaak afgezien van strafrechtelijke vervolging en het bevoegde gezag via de korpsleiding geadviseerd verzoeker tuchtrechtelijk te corrige­ren. Zowel de korpschef als het Overleg Orgaan (politiezaken) hebben geadviseerd verzoeker te ontslaan.

Het ontslag is niet gevolgd door een administratieve omissie.

3. Nadat verzoeker op 26 maart 1993 in vrijheid was gesteld en nadat de aan verzoeker bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 22 februari 1993 K.A. no.169 opgeleg­de schorsing ingevolge artikel 68 derde lid sub a, b of c van de Personeelswet was geëindigd, heeft verzoeker zich niet voor dienst hervatting aangemeld zoals van een getrouw ambtenaar mocht worden verwacht.

4. Verzoeker heeft op zijn brieven d.d. 20 januari 1997, 3 april 1997 en 4 augustus 1997 geen antwoord ontvangen van het bevoegde gezag, vide 9e en 10e sustenu van het inleidend verzoekschrift, zodat op hem van toepassing is het gestelde in artikel 78 lid 2 sub b van de Personeelswet. Hier doet zich voor het geval van stilzwijgende weigering. Verzoeker was dus gehouden binnen 1 maand na de termijn genoemd in artikel 78 lid 2 sub b P.W. een vordering in te stellen bij de ambtena­renrechter. Door zulks na te laten, is verzoeker niet ontvan­kelijk in zijn vordering.

5. Het salaris van verzoeker is geblokkeerd althans wordt verzoeker geen salaris betaald vanaf de beëindiging van zijn schorsing althans vanaf een aan verzoeker bekende datum, aangezien mag worden aangenomen dat verzoeker een salarisslip ontvangen heeft van de laatste loonbetaling althans anderszins op de hoogte is van de stopzetting van zijn salaris.

Verzoeker diende dan binnen 1 maand na de stopzetting van de betaling van zijn salaris op grond van artikel 80 lid 1 sub b een vordering bij het Hof te hebben ingediend om tot daadwer­kelijke betaling van het salaris over te gaan. Nu hij dat niet heeft gedaan, is hij evenmin ontvankelijk in zijn vordering (voor zover betreft betaling van het salaris).

6. Hoewel geen tuchtrechtelijke maatregelen tegen verzoeker zijn genomen zoals eerder is aangegeven, zijn de door verzoe­ker gepleegde feiten van zodanig ernstige aard dat herhaling niet is uitgesloten. Bovendien zal handhaving van verzoeker bij het Korps Politie Suriname ernstige negatieve precedenten scheppen die de persoonlijke eerlijkheid die van een politie­man wordt verwacht, ernstig zal ondermijnen.

7. Verzoeker is voorts niet ontvankelijk in zijn verzoek om zijn werkzaamheden te (mogen) hervatten omdat zulks niet voorkomt in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 2.

Verweerder verzoekt Uw Hof alle door hem aangehaalde en over­gelegde bescheiden, hier als letterlijk herhaald en geinse­reerd te beschouwen;

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft gecon­clu­deerd:

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewe­zen;

Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 22 oktober 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoeker in persoon, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, gemachtigde van ver­zoeker, in Raadkamer zijn versche­nen en hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opge­maakte – hier als ingelast te be­schou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota produkties overgelegd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had be­paald op 9 april 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans als niet danwel niet voldoende gemotiveerd weerspro­ken, het navolgende – inzoverre hier van belang – rechtens tussen partijen vaststaat:

1.  dat de verzoeker ambtenaar is in de zin van de Perso­neelswet (P.W.) en wel ambtenaar van politie in de rang van agent van politie 2e klasse;

2. dat aan verzoeker vanaf maart 1993 geen salaris wordt uitbetaald, zonder dat er een daartoe strekkende tuchtmaatre­gel tegen hem genomen is;

3.  dat uit de overgelegde bescheiden blijkt dat verzoeker herhaalde malen bij de verweerder erop aangedrongen heeft hem in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten en hem zijn salaris te voldoen, laatstelijk bij schrijven van diens raadsman d.d. 8 juni 1998, waarop door de korpsleiding bij schrijven van  27 juli 1998 is gereageerd en wel in afwij­zende zin;

Overwegende, dat de verzoeker aanspraak op betaling van zijn salaris vanaf de maand maart 1993 maakt, omdat het niet aan hem gelegen heeft dat hij zijn werkzaamheden niet heeft kunnen aanvangen en dat hem door de verweerder ten onrechte het salaris maandelijks niet uitbetaald is, waardoor het beroep van de verweerder dat de verzoeker tardief is met zijn vorde­ring faalt, als zijnde dat beroep in strijd met de goede trouw die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst;

Overwegende, dat in zoverre de vordering van verzoeker de diensthervatting betreft het Hof ingevolge het bepaalde in artikel 79 P.W. niet bevoegd is daarvan kennis te nemen;

Overwegende, dat het bovenoverwogene met zich meebrengt dat beslist zal worden als na te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart zich onbevoegd van de vordering van verzoeker tot diensthervatting kennis te nemen;

Veroordeelt de verweerder, de Staat Suriname, om vanaf de maand maart 1993 tot aan de beëindiging van ambtenaarsverhou­ding met de verzoeker aan deze tegen behoorlijk bewijs van kwijting het hem toekomende salaris als agent van politie 2e klasse uit te betalen en daartoe alle nodige maatregelen te treffen;

Bepaalt als dwangsom de som van sf.100.000,–(eenhonderd duizend gulden) voor iedere dag, door de verweerder aan de verzoeker te betalen, indien binnen twee maanden na de uit­spraak aan voormelde veroordeling niet wordt voldaan;

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY, funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH, en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 JULI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advo­kaat

Mr.F.M.S.­ISHAAK namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en ver­weerder vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.T.GANGARAM-PANDAY namens zijn gemach­tigde, advokaat Mr.A.R.BAARH, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting ver­schenen.