SRU-HvJ-1999-43

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13926
  • Uitspraakdatum 06 augustus 1999
  • Publicatiedatum 23 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Beslagrecht.
    Vordering ter opheffing en doorhaling van een gelegd executoriaal beslag.
    Een gelegd Executoriaal beslag heeft geen rechtskracht, omdat de schorsing van de executie van het beslag bij vonnis was bevolen en het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Uitspraak

H.M.
GENERALE ROL NO: 13926.

[appellant], wonende aan [adres], [plaats], te [district], voor wie als gemach­tigde optrad, Mr.R.BALDEW, advokaat, die thans vervangen wordt door Mr.G.GANGARAM PANDAY, advo­kaat,
appellant in Kort Ge­ding,

tegen

STICHTING BOUWFONDS POLITIE, rechtspersoon, geves­tigd te Paramaribo, voor wie als gemachtig­de optreedt, Mr.F.F.P.TRUI­DEMAN, advokaat,
geintimeer­de in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectie­velijk van 17 april 1998 en 23 april 1999 tussen par­tijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 23 april 1999 advokaat Mr.G.Gangaram Panday het Hof heeft mede­gedeeld dat hij zich als gemachtigde van appellant stelt;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen peremptoir bepaald de gemachtigde van appel­lant een hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusie tot uitlating heeft genomen, terwijl advokaat Mr.J.F.Echteld namens advokaat Mr.F.F.P.Trui­de­man heeft gepersis­teerd bij zijn stellingen;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Het Hof neemt hier over en volhardt bij hetgeen in zijn tussenvonnissen van 17 april 1998 en 23 april 1999 is overwogen en beslist.

2. Op grond van de, in zoverre niet betwiste, stel­lingen van partijen en de inhoud van de overgelegde produkties, staat, voor zover hier van belang, het volgende vast:

2.1 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, op 16 oktober 1984 uitgesproken in de zaak AR 781985, is geintimeerde in reconventie veroordeeld om aan appellant en [naam 1] te betalen de door appellant en genoemde [naam 1] geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.2 Appellant heeft bij exploiten van deurwaarder B. Balgobind d.d. 15 oktober 1992 en 19 december 1992 uit kracht van voormeld vonnis ten laste van geintimeerde executoriaal derdenbeslag en executoriaal beslag op een in het betreffende exploit nader omschreven perceelland doen leggen.

2.3 Op vordering van geintimeerde heeft de Kantonrech­ter in het Eerste Kanton, rechtdoende in kort geding in de zaak AR 920503, bij vonnis van 20 januari 1993 de schorsing van de executie van het hierboven onder 2.1 vermelde vonnis bevolen, voorzover gewezen tussen geintimeerde en appellant.

2.4 Vervolgens heeft geintimeerde in het kort geding, bekend onder AR 930875, als eiseres in eerste aanleg, gevorderd dat appellant, onder verbeurte van een dwang­som van f. 1000 per dag, zou worden gelast de hierboven onder 2.2 vermelde beslagen op te heffen. Bij vonnis van 19 april 1993 is de gevraagde voorziening door de Kantonrechter in het Eerste Kanton geweigerd.

2.5 Bij vonnis van het Hof van Justitie van 17 decem­ber 1993 (GR 13284) is het onder 2.4 vermelde vonnis, onder verbetering en aanvulling van gronden, bevestigd.

2.6 Appellant heeft uit kracht van het hierboven onder 2.1 vermelde vonnis bij exploit van deurwaarder R. Kappel d.d. 2 september 1996 ten laste van geintimeerde executoriaal beslag doen leggen op het in genoemd exploit nader omschreven perceelland.

2.7 Bij in kort geding (AR 963309) gewezen vonnis van 16 januari 1997 heeft de Kantonrechter in het Eerste Kanton op vordering van geintimeerde de opheffing en de doorhaling van de overschrijving van het onder 2.6 vermelde beslag gelast.

3. Appellant is van laatstvermeld vonnis in hoger beroep gekomen en heeft daarbij vijf grieven opgewor­pen.

4.1 Het Hof heeft, in verband met de eerste grief, de processtukken van de zaak GR 13284 bij de voorliggende laten voegen en heeft partijen in de gelegenheid ge­steld zich over die stukken uit te laten.

4.2 Zoals appellant terecht heeft aangevoerd heeft het Hof in zijn vonnis van 17 december 1993, gewezen in laatstvermelde zaak, overwogen dat ”appellante’s stel­ling, welke zij als grondslag aanvoert, dat de liti­gieuze executoriale beslagen niet kunnen steunen op het vonnis van de Kantonrechter van 16 oktober 1984, ver­mits dit vonnis is geschorst, in afwachting van de schadestaatprocedure, naar ’s Hoven voorlopig oordeel onjuist is;”. Appellante in die zaak (thans geintimeer­de) heeft inderdaad voormelde stelling geponeerd, maar uit de processtukken blijkt dat zij, direkt voorafgaand aan die stelling (zie pleitnota blz. 3), heeft aange­voerd, hetgeen als grondslag van haar vordering is te beschouwen, dat bedoelde beslagen slechts kunnen steu­nen op een vonnis van de Kantonrechter, waarbij het bedrag der schade wordt vastgesteld. Het is deze laat­ste stelling die het Hof op het oog had en in de aange­haalde rechtsoverweging beoogde als onjuist aan te merken. Immers wordt, wat dit laatste betreft, algemeen aangenomen dat uit kracht van een vonnis, houdende een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat executoriaal beslag kan worden gelegd. Appellant is overigens van mening (zie zijn conclusie van antwoord) dat het Hof in zijn vonnis van 17 december 1993 de leer dat, kort gezegd, krachtens een veroordeling tot scha­devergoeding, nader op te maken bij staat, executoriaal beslag kan worden gelegd, heeft overgenomen.

4.3 Appellant heeft in eerste aanleg, zakelijk weerge­geven, aangevoerd dat het vonnis van het Hof van 17 december 1993 ”in kracht van gewijsde (is) en wel in negatief gewijsde, hetgeen betekent, dat een partij niet voor de tweede maal op dezelfde gronden tegen dezelfde persoon mag ageren”. De Kantonrechter heeft dit verweer verworpen en de eerste grief en de tweede grief komen op tegen deze beslissing en de door de Kantonrechter gegeven motivering daarvan.

4.4 Die motivering, te weten, zakelijk weergegeven, dat een vonnis in kort geding slechts voorlopige oorde­len en beslissingen bevat waaraan partijen niet in de bodemprocedure en evenmin in een later geding gebonden zijn, wijst erop dat de Kantonrechter het verweer heeft opgevat als een beroep op positief gezag van gewijsde, hetgeen, gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, onjuist is. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van het beroepen vonnis. Appellant ziet immers over het hoofd dat het niet om dezelfde voorziening en dezelfde feiten gaat: onderwerp van de voorliggende zaak is het executoriaal beslag van 2 september 1996 en gevorderd is om, onder verbeurte van een dwangsom van f. 500.000 per dag, de opheffing en doorhaling daarvan te gelasten en om appellant te veroordelen tot betaling van f. 150.000 terzake nodeloos veroorzaakte kosten, ter­wijl de zaak, waarin op 17 december 1993 vonnis is gewezen, tot onderwerp had de executoriale beslagen van 15 oktober- en 19 december 1992 en daarin werd gevor­derd om appellant, onder verbeurte van een dwangsom van f. 1.000 per dag, te gelasten die beslagen op te hef­fen.

5. De derde grief faalt, omdat de Kantonrechter, anders dan appellant beweert, niet heeft ontkend het vonnis van 20 januari 1993, AR 920503, te hebben gewe­zen. Deze grief zou overigens, ook indien juist, niet tot vernietiging van het beroepen vonnis kunnen leiden.

6. De Kantonrechter heeft op bladzijde 6 en 7 van het beroepen vonnis overwogen, zakelijk weergegeven, dat vaststond dat het liquidatieproces strekkende tot vaststelling van het tevoren niet bepaalde beloop der kosten, schade en interessen, niet tot die vaststelling heeft geleid, ”zijnde gedaagde’s daartoe strekkende vordering bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 5 december 1995 (A.R. No. 92/3944) afgewezen”. Appellant stelt derhalve in zijn vierde grief ten onrechte dat de Kantonrechter ter vermelde plaatse heeft gesteld dat in het liquidatieproces de vaststelling van het bedrag niet is geschiedt, ”met als gevolg dat die vordering dan ook is ontzegd” (onder­streping door het Hof). De grief faalt.

7.1 In zijn vijfde grief stelt appellant dat de Kan­tonrechter ten onrechte op pagina 7 van zijn vonnis heeft overwogen dat hij gerede aanleiding vindt ertoe over te gaan het bij exploit van deurwaarder R. Kappel d.d. 2 september 1996 no. 0551 gelegd executoriaal beslag op het in het exploit omschreven onroerend goed op te heffen. In zijn toelichting op de grief stelt appellant dat de Kantonrechter zijn opvatting alleen op van [naam 2] steunt en wel op aantekening 4 op artikel 612 en aantekening 9 op artikel 289, welke hij verkeerd casu quo onvolledig heeft gelezen. Verder heeft appellant aangevoerd, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, dat de opvatting van de Kan­tonrechter geen steun vindt in jurisprudentie, volgens welke tot verzekering van verhaal van een nog onveref­fend bedrag executoriaal beslag kan worden gelegd, met dien verstande dat er geen dwang tot betaling kan worden uitgeoefend.

7.2 Uit de door de grief gewraakte overweging blijkt dat de Kantonrechter reeds het feit dat de (schade)ver­goeding nog niet bij rechterlijk vonnis is vastgesteld en de voortgang van de executie bezwaren zal opleveren voldoende heeft geoordeeld om het executoriaal beslag van 2 september 1996 op te heffen. Dit standpunt is niet in overeenstemming met de, ook door het Hof aange­hangen leer, dat uit kracht van een vonnis, houdende een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, executoriaal beslag kan worden gelegd. De grief is, in zoverre deze strekt ten betoge hiervan, gegrond.

8.1 Het vorenstaande leidt evenwel niet tot vernieti­ging van het vonnis. Geintimeerde heeft immers aan haar vordering onder meer ten grondslag gelegd dat de wer­king van het vonnis van 16 oktober 1984, A.R. 781985, bij vonnis van 20 januari 1993, A.R. 920530, werd geschorst.

8.2 Uit de hierboven als vaststaand aangenomen feiten blijkt dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton, rechtdoende in kort geding in de zaak AR 920503, bij vonnis van 20 januari 1993 de schorsing van de executie van het hierboven onder 2.1 vermelde vonnis heeft bevolen, voorzover gewezen tussen geintimeerde en appellant. Appellant heeft aangevoerd dat hij tegen dit vonnis (hoger) beroep heeft aangetekend en dat het Hof op 17 december 1993 het vonnis van de Kantonrechter onder aanvulling en verbetering van gronden heeft bevestigd. Dit een en ander moet op een vergissing berusten, omdat bij het ’s Hofs vonnis van 17 december 1993, onder aanvulling en verbetering van gronden is bevestigd het vonnis van 19 april 1993 (gewezen in de zaak AR 930875) en niet het vonnis van 20 januari 1993. Nu het tegendeel niet is gebleken wordt het ervoor gehouden dat geen appèl tegen dit laatste vonnis is ingesteld.

8.3 Het op 2 september 1996 uit kracht van het vonnis van 16 oktober 1984 gelegd executoriaal beslag heeft, nu de schorsing van de executie van dat vonnis bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis was bevolen, naar ’s Hoven voorlopig oordeel geen rechtskracht en de vorde­ring van geintimeerde om de opheffing en de doorhaling van dat beslag te gelasten is toewijsbaar. Het vonnis waarvan beroep kan derhalve, onder verbetering van gronden, worden bevestigd.

9. Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORTGEDING:
Bevestigt, onder verbetering van gronden, het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en op 16 januari 1997 in de zaak AR 963309 uitgesproken vonnis, waarvan beroep.
Veroordeelt appellant in de proceskosten aan de zijde van de geintimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.5.000,–;
Met inberip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden toegekende salaris van f.1.000,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de funge­rend-President uitge­sproken ter openba­re te­rechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 6 augustus 1999, in tegen­woor­dig­heid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY en geinti­meer­de vertegenwoordigd door advokaat Mr.G.Gangaram Panday namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUI­DE­MAN, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting ver­sche­nen.