SRU-HvJ-1999-9

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14030
  • Uitspraakdatum 21 mei 1999
  • Publicatiedatum 01 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Zakenrecht.
    In eerste aanleg: Vordering tot schorsing of te wel opschorting van de werking van een beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en het verbieden van gedaagden om handelingen te plegen op het litigieuze perceelland.
    Verweerder heeft gevorderd dat eiseres niet- ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, omdat de zaak te uitgebreid en omvangrijk zou zijn voor een behandeling in kort geding en wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.
    Het Hof stelt dat de essentiële rechtsvraag in deze zaak is of de appellanten inderdaad hun landbouwactiviteiten en daarmee samenhangende handelingen plegen op een deel van het perceel van de geïntimeerde.
    Het Hof overweegt dat uit de eigendomsbescheiden en de uitmetingskaart van geïntimeerde blijkt dat de uitgereikte bereidverklaring aan appellanten een deel van het perceel van geïntimeerde bestrijkt.

    Het Hof bevestigt het vonnis in Kort geding. Het Hof veroordeelt appellanten in de proceskosten.

Uitspraak

M.R.S.

GENERALE ROL NO: 14030.

[appellante 1], wonende te [district] te [adres 1] te [plaats 1],

[appellante 2], wonende te, [district]  te [plaats 2],

[appellante 3], wonende te [district]  te aan de [adres 2], te [plaats 3],

[appellante 4], wonende te [district], te [plaats 4],

[appellante 5], wonende te [district], te [plaats 2],

[appellante 6], wonende te [district], te [plaats 4]

[appelante 7] , wonende te [district], te [plaats 3],

[appellante 8], wonende te [district], te [plaats 3],

[appellante 9], wonende te [district], te [plaats 3],

door wie tot hun gemachtigde is gesteld Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,

appellanten in Kort Geding,

t e g e n

[geïntimeerde], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de [adres], [plaats]  in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat, geïntimeerde in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder,

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 21 december 1995 en 28 maart 1996 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 9 april 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat N.V.VOORUITSTREVEND als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst de volgende vordering in kort geding in te stellen tegen:

A. DE STAAT SURINAME, met name Het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3

B. [appellante 1], wonende te [district] te, [plaats 1],

C. [appellante 2], wonende te [district],te [plaats 2],

D. [appellante 3], wonende te [district]  aan de [adres 2], [plaats 3],

E. [appellante 4], wonende te [district] te [plaats 4],

F. [appellante 5], wonende te [district] te [plaats 4],

G. [appellante 6], wonende te [district] te [plaats 4],

H. [appellante 7], wonende te [district], te [plaats 4]

I. [appellante 8], wonende te [district] te [plaats 4]

J. [appellante 9], wonende te [district] te [plaats 4] gedaagden;

2. Eiseres is allodiaal eigenaar en erfelijke bezitter van de plantage WELGELEGEN in het distrikt Coronie, vermoedelijk groot driehonderd hektaren, met uitzondering van de daarvan verkochte en geschonken gedeelten en waarvoor bereids rechtsgeldige overdracht is verleend, blijkende het e.e.a. uit de hierbij in fotocopie overgelegde akte van verkoop en koop verleden t.o.v. Mr.R.G.Rodrigues en ingeschreven ten hypotheekkantore in register C deel 1004 onder no.5033. Van het vermelde perceelland heeft de landmeter in Suriname Lcs, J.O.A. Mans op 17 augustus 1994 een kaart vervaardigd.

3. Eiseres is naar aanleiding van de door de landmeter Lcs.J.O.A.Mans vervaardigde kaart, waarvan in het tweede sustenu van dit rekest sprake is tot de ontdekking gekomen, dat gedaagde sub A, hierna met het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen aangeduid, met negering van het allodiale eigendom en het erfelijk bezit van eiseres en in strijd met de wet en de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid jegens eiseres in acht te nemen, aan gedaagden B tot en met J, samen handeldrijvende onder de naam ”Belangengroep Welgelegen”, een bereidverklaring heeft gegeven bij beschikking d.d. 23 april 1991 no. D.1715, inhoudende dat het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen bereid is aan gedaagden sub B tot en met J, samen handeldrijvende onder de naam ”Belangengroep Welgelegen”, het recht van grondhuur te verlenen op een gedeelte, groot + 77 ha, aangeduid met de letters g h n C m, van het perceel ten Domeinkantore bekend als Afdeling I Sectie Coronie no. 52, hiernevens aangegeven door de figuur g h i k l vallende binnen de plantage WELGELEGEN.

4. Gedaagden sub B tot en met J voornoemd hebben op grond van de voorschreven bereidverklarende beschikking agrarische aktiviteiten ontplooid en ontplooien zij nog steeds vermelde aktiviteiten op het aan eiseres in allodiale eigendom en erfelijk bezit toebehorende perceelland als in het tweede sustenu van dit rekest vermeld.

5. Eiseres heeft gedaagden sub B tot en met J bij aangetekende brief van het vorenstaande in kennis gesteld en hen gesommeerd hun aktiviteiten ter plaatse te beeindigen en de plaats te verlaten.

6. Eiseres hoeft niet te dulden dat de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 23 april 1991 no. D 1715 die jegens eiseres non existent althans nietig danwel vernietigbaar is, een onrechtmatige daad constitueert en continueert en in strijd is met alle beginselen van behoorlijk bestuur en de regelgeving op het gebied van de eigendom en m.b.t. domaniale gronden, in stand blijft althans de onrechtmatige daad laat voortduren.

7. Eiseres heeft er belang bij dat de schade die zij lijdt, als gevolg van de door gedaagden sub B tot en met J voortgezette activiteiten op voorschreven perceelland, wordt beperkt en mitsdien een spoedeisend belang bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, hetgeen een beslissing in kort geding rechtvaardigt.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

a. zal worden geschorst althans zal worden opgeschort de werking van de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen dd. 23 april 1991 no.D.1715.

b. gedaagden sub B tot en met J zullen worden gelast zich te onthouden van alle handelingen op het ten rekeste vermelde perceelland en de arbeiders en/of personen van hunnentwege te verbieden zich op voormeld perceelland te begeven althans dit te betreden, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van Sf.500.000,– voor elke keer dat zij, gezamenlijk of afzonderlijk, dit verbod overtreden, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding;

Overwegende, dat De STAAT SURINAME, als gedaagde partij sub A in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, zoals neergelegd in het Petitum van het Inleidend Rekest, althans aan eiseres de door haar gevorderde voorzieningen zullen worden ontzegd als onbewezen, en voor een behandeling in Kort Geding als veel te uitgebreid en omvangrijk om tot een voorlopige voorziening te geraken. Ook de afwezigheid van het spoedeisend karakter zal moeten leiden tot het niet toewijzen van het door eiseres gevorderde;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen daarbij tevens produkties overgelegd waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 21 december 1995 op de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat ter comparitie zijn verschenen: de directeur van eiseres, dhr. H.H.A.Vriesde, gedaagden sub G en H, dhr. Robby Roy Lagenhorst namens gedaagde sub D ten deze bijgestaan door de gemachtigden, die hebben verklaard, gelijk in het door de rechter opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van de gedaagden sub B t/m F een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 28 maart 1996 op de daarin opgenomen gronden heeft beslist:

dat tegen gedaagde sub A geen voorziening is gevorderd;

gedaagden sub B tot en met sub J heeft gelast zich te onthouden van alle handelingen op het gedeelte groot + 77 ha, aangeduid op de kaart van de landmeter, Lcs.J.O.A.MANS, de dato 17 augustus 1994 met de letters g h n C M, van het perceel bekend als Afdeling I Sectie Coronie no. 52, vallende binnen de plantage Welgelegen, en de arbeiders en/of personen van hunnentwege te verbieden zich op voormeld gedeelte te begeven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van Sf.500.000,– per keer voor elke keer dat zij, gezamenlijk dan wel afzonderlijk, in strijd handelen met dit vonnis;

dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut heeft verklaard;

gedaagden sub B tot en met sub J heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.4276,– (VIERDUIZEND TWEEHONDERD ZES EN ZEVENTIG GULDEN);

het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal P.MONKAU en anderen in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 28 maart 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 23 augustus 1996 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota een produktie overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 16 oktober 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

Overwegende, dat de appellanten tijdig in hoger beroep gekomen zijn van de beslissing van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, rechtdoende in kortgeding, d.d. 28 maart 1996;

Overwegende, dat de geintimeerde als eiseres in eerste aanleg het onderhavige geding tegen de Staat Suriname en de appellanten aangespannen heeft op grond dat de Staat Suriname een deel van het aan de geintimeerde in allodiale eigendom en erfelijk bezit toebehorende perceel, gelegen in het distrikt Coronie en bekend als plantage Welgelegen- zoals in de gedingstukken nader aangegeven is- aan de appellanten handelende onder de naam ”Belangengroep Welgelegen” of N.V. Welgelegen i.o., in grondhuur wenst af te staan – waartoe zij een berechtverklaring ontvangen hebben – en oefenen de appellanten daarop landbouwactiviteiten uit;

Overwegende, dat de geintimeerde in het inleidend rekest onder andere vordert dat de appellanten, die allen in het distrikt Nickerie wonen, zich onthouden van alle handelingen op het ten rekeste vermelde perceelland en de arbeiders en/of personen van hunnentwege verbieden zich op het vermeld perceel te begeven, enz., (zie het petitum);

Overwegende, dat de essentiele rechtsvraag die in deze zaak aan de orde is is of de appellanten inderdaad hun landbouwactiviteiten en daarmee samenhangende handelingen plegen op een deel van het perceel van de geintimeerde, waarbij het er niet toe doet of zij dat doen in prive, als deelgenoot in de ”Belangengroep Welgelegen” of in de naamloze vennootschap Welgelegen in oprichting (i.o.);

Overwegende, dat de N.V. Welgelegen i.o. bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 23 april 1991 no.D 1715 een bereidverklaring tot uitgifte in grondhuur voor de uitoefening van de rijstbouw ontvangen heeft: het perceelland, vermoedelijk groot 120 ha, aangeduid met het nummer 21, onder voorwaarde dat binnen zes maanden te rekenen vanaf de dagtekening van de beschikking onder andere een door een landmeter in Suriname vervaardigde en door de Staat goedgekeurde uitmetingskaart in viervoud aan het Hoofd van de Dienst der Domeinen toegezonden wordt;

Overwegende, dat over de ligging van dat perceel in de bereidverklaring niets gezegd wordt en dus ook niet tot welke plantage dat behoort en hebben de appellanten geen uitmetingskaart ten processe overgelegd die ingevolge de bereidverklaring vereist was;

Overwegende, dat daarentegenover de geintimeerde eigendomsbescheiden en een uitmetingskaart (en dus geen figuratieve kaart zoals de appellanten beweren) van de landmeter J.O.A.Mans d.d. 17 augustus 1994 ten processe overgelegd heeft waaruit blijkt dat de bovengenoemde bereidverklaring aan de appellanten een deel van haar perceel bestrijkt en wel groot plusminus 77 ha, op de kaart aangeduid met de letters ghnCm;

Overwegende, dat ook al zouden er gebreken kleven aan de bovengenoemde kaart van de landmeter J.O.A.Mans in verband met eventuele kustafslag of kustaanwas van land in het distrikt Coronie dit een voorlopige beslissing niet in de weg staat als door de eerste rechter gegeven is, omdat in kort geding het om het aannemelijk maken van de eigen stellingen gaat en daarin is de geintimeerde, zoals uit het bovenoverwogenene blijkt, geslaagd;

Overwegende, dat de aangevoerde grieven tegen de beslissing van de eerste rechter dan ook falen en zal dat vonnis worden bevestigd, met veroordeling van de appellanten, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Bevestigt  het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 28 maart 1996, waarvan beroep;

Veroordeelt appellanten in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f………….;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY,

fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 21 MEI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.Matawlie namens hun gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.B.Lowe namens haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting