SRU-HvJ-2000-6

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13630
  • Uitspraakdatum 05 mei 2000
  • Publicatiedatum 25 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Verbintenissenrecht. De koper van het litigieuze stuk grond heeft betaald aan de verkoper, doch de verkoper heeft het litigieuze stuk grond verkocht en geleverd aan een derde persoon (hypothecair-uittreksel voorhanden). Gelet hierop kan de verkoper niet veroordeeld worden tot juridische levering van het litigieuze stuk grond aan de aanvankelijke koper, waaraan niet af kan doen dat de verkoper zich daartoe in de onmogelijkheid heeft gesteld.

Uitspraak

H.M.
GENERALE ROL NO.13630.

N.V.BELFIMA, rechtspersoon, gevestigd en kantoor­houdende aan de Heerenstraat no.7 boven, te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde optrad, Mr.J.O.KOULEN, die thans vervangen wordt door, Mr.R.OEMAR, advo­kaat,
appellante in conventie en in reconventie,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres] te [district 1], voor wie als gemach­tigde op­trad, Mr.J.C.P. NANNAN PANDAY, die thans vervangen wordt door Mr. A.R.BAARH, advokaat,
geïntimeerde in conventie en in reconven­tie,

De Vice-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 5 februari 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
In conventie en in reconventie:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen [naam 1], Notariële gevolmachtigde van geintimeerde, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van geintimeerde en advokaat Mr.R.Oemar gemachtigde van appellante, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte pro­cessen-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating na gehou­den comparitie van partijen zijdens partijen peremptoir bepaald, advokaat Mr.H.P.Bolde­wijn namens advokaat Mr.A.R.Baarh hierbij heeft ver­klaard: ”Partijen zijn in termen van schik­king”;
Overwegende, dat het Hof, na wederom de uitlating na gehouden comparitie van partijen zijdens partijen peremptoir te hebben aangehouden, vonnis in de zaak aan­van­kelijk had bepaald op 4 februari 2000, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In conventie en in reconventie:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussen­vonnis van 5 februari 1999 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat [geïntimeerde] haar gevol­mach­tigde [naam 1], bij de op 16 april 1999 gehouden inlich­tin­gencomparitie verschenen – voorzover ten deze van belang – ondermeer heeft verklaard, dat het hem name­lijk bekend is dat [geïntimeerde] van partij Belfima een stuk grond te [project] heeft ge­kocht; dat hij, [naam 1], op die grond waar er een huis op staat al zes jaar woonachtig is; dat [geïntimeerde] oor­spron­kelijk die grond had gekocht voor een bedrag van f.12.000.— en, nadat zij een deel van de koopsom had betaald en niet verder betalen kon, hij en [geintimeerde] naar partij Belfima zijn geweest en is aan partij Belfima voorgehouden dat [geintimeerde] niet verder beta­len kon, waarna afgesproken werd dat hij het bedrag dat [geïntimeerde] betaald had aan haar terug zou betalen en dat partij Belfima vervolgens aan hem [naam 1], dat stuk grond zou verkopen; dat hij het bedrag van f.6.000,–, dat [geïntimeerde] betaald had aan haar heeft terugbetaald; dat hij aan partij Belfima van wie hij gekocht had voor f.12.000,–, dit bedrag ook heeft betaald; dat partij Belfima aan hem niet juridisch geleverd heeft ofschoon hij haar het bedrag waarvoor hij dat stuk grond gekocht had volledig aan partij Belfima had voldaan; dat partij Belfima dat stuk grond verkocht en overgedragen heeft aan zekere [naam 2];
Overwegende, dat de gevolmachtigde van [geïntimeerde]  ten bewijze, dat [naam 2] het stuk grond heeft gekocht en geleverd gekregen, ter gemelde comparitie heeft overgelegd een hypothecair-uittreksel d.d. 2 februari 1998;
Overwegende, dat partij Belfima noch bij gemelde inlichtingen comparitie van 16 april 1999 noch bij de voor 11 juni 1999 bepaalde voort­gezette en gehouden inlichtingen comparitie is versche­nen zonder van een verontschuldigende reden te doen blij­ken, weshalve het Hof zowel van de juist­heid van de zijdens [geïntimeerde] ver­schafte informaties ter gele­genheid van de op 16 april 1999 gehouden inlichtingen comparitie als van de inhoud van het niet door partij Belfima betwist hypo­the­cair-uittreksel uitgaande, van oordeel is, dat het primair gevorderde niet toewijsbaar is omdat partij Belfima nu zij sedert 6 oktober 1994 niet meer de beschik­king over het litigieuze stuk grond heeft, niet veroordeeld kan worden tot juridische levering daarvan waaraan niet af kan doen dat zij – partij Belfima – zich daartoe in de onmogelijkheid heeft gesteld;
Overwegende, dat het subsidiair gevorderde even­min voor toewijzing in aanmerking kan komen nu, naar uit de informatie door de gevolmachtigde van [geïntimeerde] aan het Hof ter gelegenheid van de gehouden inlichtingen comparitie verschaft, [geïntimeerde] , door het aan haar geres­titueerde bedrag f.6.000,– door haar gevolmach­tigde, van hem in ontvangst te nemen waarna haar gevol­machtig­de het stuk land van partij Belfima kocht voor f.12.000,–, welk bedrag ook aan partij Belfima is betaald en door haar in ontvangst genomen – zij het stilzwijgend – aan beëindiging van de tussen haar en partij Belfima eerder gesloten overeenkomst betreffen­de het litigieuze stuk land, heeft mede gewerkt en mits­dien ook geen aanspraak meer maakte op betaling van het bedrag van f.112.500,– aan haar als door haar gevor­derd;
Overwegende, dat toewijzing van zowel de primaire als de subsidiaire vordering mitsdien achterwege dient te blijven;
Overwegende, dat het Hof ten aanzien van de vorde­ring van partij Belfima opmerkt dat het sub A gevor­derde haar niet kan worden toegewezen; de tussen par­tij­en gesloten overeenkomst is immers, zij het stil­zwijgend, beëindigd; het sub B gevorderde evenmin omdat partij Belfima door het litigieuze stuk land te verko­pen en juridisch te leveren aan [naam 2] daar hoegenaamd geen belang meer bij heeft;
Overwegende, dat het sub C gevorderde toewijsbaar is nu [geïntimeerde] door eraan mede te werken – zij het stilzwijgend – dat de tussen haar en partij Belfima gesloten overeenkomst van verkoop en koop betreffende het litigieuze stuk land werd beëindigd door het in het ontvangst nemen van het bedrag van f.6.000,– van de koper van dat stuk land, [naam 1] , na de beëindi­ging van de eerste koopovereenkomst, geacht moet worden geen belang meer te hebben bij haar verweer tegen toewijzing van het sub C gevorderde gaande het Hof ervan uit dat [geïntimeerde] het verweer heeft laten varen;
Overwegende, dat op grond van het hiervorenover­wogene het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en behoort te worden vernietigd als hierna te melden;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
In conventie en in reconventie:
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 10 januari 1995, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
In conventie:
Wijst geintimeerde zowel haar primaire als haar subsidi­are vordering af;
Veroordeelt de geintimeerde in de kosten in beide instanties in prima aan de zijde van appellante be­groot op f…
en in hoger beroep op f…

In reconventie:
Gelast de opheffing van het conservatoir beslag, gelegd bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Sh.Kandhai d.d. 24 mei 1993 no.272 op:
– het perceelland groot 10.0023 ha gelegen in [district 2] ten Oosten van het [gebied] aangeduid op de kaart van de landmeter A.E.Calor de dato 20 maart 1963 met de letters ABEF.

– het perceelland groot 1.72 ha met inbegrip van de langs de hierna te vermelden lijn F.S.lopende strook grond land ter breedte van 5 meters op de kaart van de land­meter J.C.De La Parra de dato 24 mei 1934 aangeduid met de letters EFST van de plantage Beekhuizen bekend als het Belfima projekt, met uitzondering van de ver­kochte en overgedragen delen waarvan kavel no 27 nog niet is overgedragen;

Veroordeelt geintimeerde in de proceskosten van hoger beroep tot 2/3 deel van de kosten aan de zijde van appellante gevallen en begroot op f…..

Wijst af het meer of anders gevorderde;

In conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door de Heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 MEI 2000, in tegenwoordig­heid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.S.Marica namens haar gemachtigde, advokaat Mr.R.Oemar en geintimeerde vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.Struiken namens haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.