SRU-HvJ-2000-7

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13942
  • Uitspraakdatum 02 juni 2000
  • Publicatiedatum 25 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Huurrecht.
    Geïntimeerde heeft 4 predikanten, terwijl zij voor de huisvesting vooralsnog de vrije beschikking heeft over slechts 3 van haar 4 woningen en één der predikanten, bovendien in een door geïntimeerde gehuurde woning gehuisvest is. Appellant is er niet in geslaagd te ontzenuwen dat geïntimeerde de woning door kennelijke nood gedwongen dringend nodig heeft voor eigen gebruik.
    De huurovereenkomst wordt ontbonden. De vordering van geïntimeerde tegen appellant tot ontruiming van de litigieuze woning wordt toegewezen. Appellant wordt daartoe een termijn van 9 maanden geboden.

Uitspraak

M.H.
GENERALE ROL NO: 13942.

[appellant], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.R.L.KEN­SMIL, advokaat,
appellant in conventie

tegen

DE EVANGELISCHE LUTHERSE KERK SURINAME, rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Waterkant no.102, voor wie als ge­mach­tigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advo­kaat,
geinti­meerde in conventie

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van 20 maart 1998 en 9 juli 1999 tussen partijen gewezen en uitgespro­ken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
IN CONVENTIE:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatst vermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen appellant en zijn gemach­tigde,  advokaat Mr.R.L.­Ken­smil, de heer Wimpel, voorzitter van het bestuur, alsmede vier bestuursleden van het bestuur van geintimeer­de namens geintimeerde en de ge­machtigde van geintimeerde, advokaat Mr.H.E.Struiken, die hebben ver­klaard gelijk in het daar­van opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – pro­ces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke con­clusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 7 januari 2000, doch na enige malen te hebben aangehou­den, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
IN CONVENTIE:
Overwegende, dat het Hof zich ten aanzien van de motivering van de beslissing eveneens zal gedragen naar hetgeen in eerder aangehaald interlocutoir vonnis is over­wogen en beslist;
Overwegende, dat ter voldoening aan de ambtshalve gegeven bewijsopdracht, geintimeerde vier getuigen heeft voortgebracht, die door het Hof zijn gehoord en wier ver­klaringen zijn gerelateerd in een daartoe opgemaakt en gesloten proces-verbaal;
Overwegende, dat appellant in contra-enquête drie getuigen door het Hof heeft doen horen, wier verklarin­gen eveneens in een daartoe opgemaakt en gesloten proces-ver­baal zijn gerelateerd;
Overwegende, dat voorzover van belang voor onder­havige vordering en zakelijk weergegeven de [getuige 1] in enquête heeft verklaard, dat hij als gemeente-lid heeft kunnen ondervinden dat er geen adequate opvang is voor de gemeente-predikan­ten en dat de gemeente-predikant voor het [ressort],[naam 1], thans gehuisvest is in een woning [woonplaats], alwaar in feite [naam 2] zou moeten wonen; dat [naam 2] thans gehuis­vest is aan de [adres 2] alwaar Nf.425,– aan huurpen­ningen per maand wordt betaald; dat naar zijn weten de gemeente-predikant gehuisvest dient te worden in een woning alwaar hij zijn gemeente-leden kan ontvangen;

Dat [naam 1] gehuisvest dient te worden in de woning aan de [straat];
Overwegende, dat voorzover van belang voor onder­havige vordering en zakelijk weergegeven de [getuige 2] in enquête heeft verklaard, dat het haar bekend is dat de gemeente geen huisvesting heeft voor een der gemeente-predikan­ten en dat [naam 1] onder­gebracht is in een woning te [woonplaats] alwaar in feite [naam 2] zou moeten wonen;
Overwegende, dat voorzover van belang voor onder­havige vordering en zakelijk weergegeven de [getuige 3] in enquête heeft ver­klaard, dat het haar bekend is dat de litigieuze woning aan de [adres 2] nodig is voor een der gemeente-predi­kanten; dat de gemeente beschikt over 3 dienstwo­ningen, terwijl er thans 4 predi­kanten zijn; dat zij uit eigen ervaring weet dat de gemeen­te-predi­kant gehuisvest dient te worden in de omgeving waar hij/zij de gemeente-leden in alle rust kan begeleiden;
Overwegende, dat nu blijkens de verklaringen van voornoemde getuigen, geintimeerde 4 predikanten heeft, terwijl zij voor de huisvesting vooralsnog de vrije be­schikking heeft over slechts 3 van haar 4 woningen en één der predikanten, met name [naam 1], bovendien in een door geintimeerde gehuurde woning, waarvoor overigens Nf.425,– aan huurpenningen per maand betaald wordt, ge­huisvest is, zal geintimeerdes vordering tegen appellant, tot ontruiming van de litigieuze woning toegewezen dienen te worden; dat hierbij het motief dat toentertijd heeft gegolden aan de zijde van geintimeer­de voor het aangaan van de huurovereenkomst met appel­lant, namelijk onveiligheid van de buurt en de ver­keersdrukte, geheel irrelevant is tegen de achtergrond dat geintimeerde thans geconfronteerd wordt met een dringende woningnoodsituatie voor haar predi­kanten;
Overwegende, dat appellant er niet in is geslaagd om in contra-enquête te ontzenuwen dat geintimeerde de woning door kennelijke nood gedwongen dringend nodig heeft voor eigen gebruik, althans de voorgebrachte getuigen hebben geen ontzenuwende feiten en omstandig­heden geschetst, welke het Hof tot een ander oordeel aanleiding hebben gegeven;
Overwegende, dat appellant een redelijke termijn gelaten dient te worden in het kader van de ontruiming, doch dat daarbij de belangen van geintimeerde ook in acht dienen te worden genomen;
Overwegende, dat de overige stellingen van partij­en, in het bijzonder die betreffende het optie-recht, als niet terzake dienende voor onderhavige vordering, gepasseerd dienen te worden, vermits deze bij meerge­meld interlocutoir vonnis, in het kader van de recon­ventionele vordering reeds zijn besproken en verworpen;
Overwegende, dat appellant als de in het ongelijk gestelde partij verwezen zal dienen te worden in de geding- kosten van beide instanties, aan de zijde van geintimeerde gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
IN CONVENTIE :
Verklaart voor ontbonden de huurovereenkomst tussen partijen gesloten d.d. 1 juli 1992, betreffende de woning gelegen aan [adres 3] te [district];
Veroordeelt appellant om, binnen 9 (negen) maanden na beteke­ning van deze uitspraak aan hem, het gehuurde te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle van zij­nentwege zich daarin bevindende personen en goederen en ter vrije en algehele beschikking van geintimeerde te stellen;
Machtigt geintimeerde om, indien appellant in gebreke mocht blijven het gehuurde te ontruimen, dit zelf te doen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;
Veroordeelt appellant voorts tot betaling van de huurpenningen van Sf.10.000,– per maand, tot aan de dag der algehele ontruiming;
Verklaart dit vonnis, tot zover, met uitzondering van de ontbinding, uitvoerbaar bij voorraad;
Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op sf…….;
met inbegrip van het door het Hof aan gein­timeerdes advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf………..
bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op sf……..

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.I.RAMNEWASH, Funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzit­ting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 juni 2000, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substi­tuut-Griffier.

Bij de uitspraak is verschenen advokaat Mr.H.ESSED namens advokaat Mr.H.E.STRUIKEN, gemachtigde van geinti­meerde, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemach­tig­de ter terechtzitting is verschenen.