SRU-HvJ-2000-9

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14060
  • Uitspraakdatum 20 oktober 2000
  • Publicatiedatum 29 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Niet-ontvankelijkheid.
    Appellanten zijn niet ontvankelijk in het door elk van hen ingestelde hoger beroep vanwege overschrijding van de wettelijke termijn van 30 dagen voor het instellen van hoger beroep.

Uitspraak

H.M.
GENERALE ROL NO.14060.

N.V.BOVAM, rechtspersoon, gevestigd en kantoor­hou­dende aan de Keizerstraat no.63 boven te Paramari­bo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.F.M.S. IS­HAAK, advo­kaat,
appellante in conventie en in reconventie tevens geinti­meerde in conventie en in reconventie,

tegen

[geïntimeerde in conventie] wonende aan  [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde op­treedt, Mr.J.LACHMON, advo­kaat,
geïntimeerde in conventie en in reconventie tevens appellant in con­ventie en in re­con­ventie,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 11 april 1995 en 9 juli 1996 tussen partijen gewe­zen;

2. de processen-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton, respectievelijk van 3 september 1996 en 30 januari 1997 waar­uit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat N.V.BOVAM als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoek­schrift tot de Kan­ton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:
1. dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stellen tegen, [Geïntimeerde in conventie], wonende aan [adres 1] te [district];

2. dat eiseres met ingang van 1 oktober 1987 – zoals ook blijkt uit de hierbij in fotokopie overgelegde huur- en verhuurovereenkomst – als bedrijfsruimte aan de gedaagde heeft verhuurd gelijk gedaagde van eiseres heeft gehuurd de benedenruimte van het gebouw gelegen aan [adres 2] te [district] voor de huurprijs van Sf.2.500,– per maand, bij vooruitbeta­ling te voldoen;

3. dat in de voormelde overeenkomst van huur en verhuur van de benedenruimte was inbegrepen de aldaar aanwezige inventaris t.w.:

– 30 stalen stoelen – 100 cola kratten met fles­sen
– 7 tafels – 200 bier kratten met flessen
– 1 ronde bar – 2 koelkasten en 2 freezers
– 12 TL compleet 40 W;

4. dat de door partijen overeengekomen huurprijs naderhand, en wel begin 1992 is vastgelegd op Sf.4.50­0,-;

5. dat de gedaagde het gehuurde op 7 maart 1994 heeft ontruimd, doch ingebreke is gebleven met de betaling van de huur over de maanden januari en febru­ari 1994;

6. dat het eiseres ook is gebleken dat gedaagde bij de ontruiming de voormelde inventaris heeft ontvreemd althans heeft verduisterd en/of meegenomen;

7. dat de gedaagde zich middels deze handelingen en/of gedragingen schuldig maakt aan wanprestatie en/of inbreuk maakt op een aan eiseres toekomend subjectief recht althans aan een onrechtmatige daad jegens eiseres;

8. Eiseresses vordering tengevolge van de voormelde wanprestatie en/of onrechtmatige daad bestaat derhalve uit:

a. de opeisbaar verschuldige huurpenningen over de maanden januari en februari 1994, namelijk Sf.9.000,-;

b. gezien het sub 6 gestelde beloopt de schade van eiseres per heden tenminste Sf.473.000,– welke schade voortvloeit uit de waarde van de door gedaagde ont­vreemde/verduisterde inventaris, die alsvolgt kan worden gespecificeerd:

– 30 stalen stoelen                        á sf. 1.000,– Sf. 30.0­00,–
– 7 tafels                                          á sf. 2.000,– Sf. 14.00­0,–
– 1 ronde bar                                  á sf.20.000,– Sf. 20.000,–
– 12 Tls compleet 40W                  á sf.   750,– Sf.  9.000,–
– 100 cola kratten  met flessen    á sf. 1.000,– Sf.100.000,–
– 200 bier kratten met flessen     á sf. 1.000,– Sf.200.000,–
– 2 koelkasten en 2 freezers Sf.100.000,–
                                                                              Totaal Sf.473.000,–

te vermeerderen met de – ingevolge artikel 11 van de in het geding gebrachte overeenkomst – bijkomende gerechtelijke kosten, die kunnen worden begroot op een bedrag van plus minus Sf.49.000,–;

9. dat de gedaagde derhalve in totaal Sf.531.000,– aan de eiseres verschuldigd is, welk bedrag de eiseres thans in rechte wenst te vorderen van de gedaagde;

10. dat gedaagde reeds enige jaren in dienst is van het TELECOMMUNICATIE BEDRIJF SURINAME N.V., welke dienstbetrekking thans nog voortduurt en krachtens welke gedaagde aanspraak maakt op de daaruit voort­vloeiende geldelijke verdiensten;

11. Eiseres heeft inmiddels een schrijven van 9 maart 1994 welke bij exploit van deurwaarder Tj.JHAGROE d.d. 15 maart 1994 aan de gedaagde is betekend, gedaagde gewezen op zijn verplichtingen ingevolge de in het 2e ”dat” gesloten overeenkomst en hem tevens aangemaand, althans gesommeerd het verschuldigde bedrag van Sf.9.000,– te betalen;

12. gedaagde heeft echter tot op heden aan deze som­matie geen gevolg gegeven, zodat eiseres gerechtigd is dit bedrag, alsmede het bedrag van Sf.473.000,– plus Sf.49.000,– aan gerechtelijke kosten in rechte te vorderen van gedaagde;

13. dat eiseres ter verzekering van haar vordering met rente en kosten voorlopig te begroten op Sf.531.0­00, –   – na daartoe verlof van de Kantonrech­ter te hebben bekomen bij beschikking d.d. 7 april 1994 – bij exploit van de deurwaarder Tjanderdewkoemar JHA­GROE d.d. 15 april 1994 no.229 Conservatior Beslag heeft doen leggen op het in dat proces-verbaal om­schreven onroerend goed en op 19 april 1994 no.230 Conservatior Derden Beslag onder het TELECOMMUNICATIE­BEDRIJF SURINAME N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo op alle gelden, gelds­waarden en/of goederen, welke zij van de gedaagde onder zich heeft en/of zal verkrijgen, althans aan gedaagde verschuldigd is en/of zal worden;

14. dat de gelegde beslagen bij exploit van genoemde deurwaarder d.d. 20 april 1994 no.238 aan gedaagde zijn betekend;

15. dat de beslagen thans vanwaarde dienen te worden verklaard;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gron­den heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen:
a. het bedrag van Sf.9.000,– vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening; voor de huurpenningen;

b. het bedrag van Sf.473.000,– terzake als ten rekeste omschreven vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening; voor de geleden schade;

c. de gerechtelijke kosten in totaal Sf.49.000,–;

d. van waarde te verklaren de ten deze ge­legde be­slagen, Kosten rechtens;
Overwegende, dat [geïntimeerde in conventie] als gedaagde par­tij in eerste aanleg voor antwoord in conventie heeft gezegd:
1. dat de gedaagde erkent dat hij met ingang van 1 oktober 1987 van de eiseres had gehuurd het gebouw gele­gen te [district] aan de [weg], bekend onder [nummer] beneden, welke huur aanvankelijk f.2.500,– (Twee Duizend Vijfhonderd Gulden) per maand bedroeg, doch daarna f.3.600,– (Drie Duizend Zeshonderd Gul­den) per maand en later door eiseres met ingang van 1 januari 1990 werd verhoogd tot f.4.500,– (Vier Dui­zend Vijfhonderd Gulden) per maand;

2. dat de gedaagde voormeld winkelgebouw aanvanke­lijk van de vorige [eigenaar], nu wij­len, in huur had;

3. dat de gedaagde ontkent, dat in de huur van het gebouw in kwestie ook was inbegrepen inventaris als door eiseres in alinea 3 van het inleidend rekest is vermeld;

4. dat de gedaagde in de winkelzaak zijn eigen beno­digdheden heeft gebruikt zoals: Tafels, Stoelen, Bier­flessen etc., doch geenszins in de huur waren inbegre­pen goederen als door eiseres is gesteld;

5. dat de gedaagde ontkent, dat hij over de maanden januari en februari 1994 geen (lees erbij: huur) heeft betaald, zodat hij ontkent, dat gedaagde huur aan de eiseres verschuldigd is;

6. dat de gedaagde ontkent, dat hij bij de ontrui­ming van de winkel in kwestie de door eiseres bedoelde inventaris heeft verduisterd en/of meegenomen, aange­zien gedaagde bij het verlaten van het gehuurde zijn eigen goederen heeft meegenomen zoals: 40 kisten lege Coca Cola flessen, 450 kratten bierflessen, twee bott­les, twee freezers, n.l. 1 staande en één liggend, met vierkante poten enz., welke goederen aan de ge­daagde toebehoren en hij deze bezat vanaf hij het winkelge­bouw van wijlen [eigenaar] in huur had;

7. dat integendeel hij nog huurder was van het win­kelgebouw in kwestie en eiseres zonder medeweten, toe­stemming en/of goedkeuring van gedaagde uit de winkel­zaak van gedaagde aan [adres 2] heeft meege­nomen en/of doen meenemen 1 Brandblusapparaat en 1 Hydrofoor met tank, waarvoor eiseres aan de gedaagde zulks dient te vergoeden;

8.  dat de gedaagde ontkent goederen van de eiseres ter waarde van f.473.000,– te hebben meegenomen, zoals door eiseres in alinea 8 van haar inleidend rekest heeft gesteld, bovendien ontkent de gedaagde dat de door eiseres bedoelde goederen door gedaagde zouden zijn mee­genomen en een waarde vertegenwoordig­den als door eise­res is opgegeven;

9. dat de gedaagde nogmaals ontkent, dat hij de door eiseres in alinea 8 opgesomde roerende goederen heeft meegenomen en dat de goederen een waarde hebben als door eiseres is gespecificeerd;

10. dat de gedaagde ook ontkent dat hij wegens bijko­mende gerechtelijke kosten een bedrag van plus minus f.49.000,– aan de eiseres verschuldigd is;

11.  dat de eiseres danook ten onrechte de onderhavige vordering tegen de gedaagde heeft ingesteld en ook ten onrechte conservatoir-derden-beslag op gelden van de gedaagde onder Telesur en conservatoir-beslag op het onroerend goed heeft doen leggen;

12.  dat de door eiseres gelegde beslagen vexatoir zijn en dienen te worden opgeheven;

13. dat integen­deel door het onrechtmatig hande­len van de eiseres ge­daagde schade heeft geleden, welke schade gedaagde van eiseres in reconventie zal vorde­ren;

14.  dat de gedaagde verder ontkent alhetgeen niet uitdrukkelijk door hem is erkend;

15.  dat eiser alhetgeen door hem in conventie naar voren is gebracht hierbij als letterlijk herhaald en geinsereerd wenst te beschouwen, voor zoveel nodig bevonden;
en voor eis in reconventie heeft gesteld:
1. dat de eiser hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de gedaagde;

2. dat de eiser te [district] van de gedaagde had gehuurd, gelijk deze aan de eiser had verhuurd het gebouw gelegen te [district]  aan de [weg], be­kend onder [nummer] beneden, welk gebouw door eiser als Eet- en Drinkgelagen zaak werd geexploi­teerd;

3. dat terwijl eiser in het gehuurde nog zijn be­drijf had gevestigd en dit bedrijf door eiser ook werd geexploiteerd zonder vooraf toestemming althans goed­keu­ring van eiser te hebben verkregen, gedaagde tegen begin van het jaar 1990 overging om het gebouw in kwes­tie te verbouwen en alstoen in de bovenverdieping bouw­aktiviteiten te ontplooien en alzo de totale dak­bedek­king van het gebouw had opengebroken en het ge­bouw zonder dakbedekking dus onbedekt vanaf begin 1990 tot en met december 1993 had gelaten; Gedaagde had de ver­bou­wingswerkzaamheden aangegaan zonder vergunning van O.W., zodat O.W. de bouwaktiviteiten had stopge­zet, alzo gedurende 3 jaren het gebouw zonder dakbe­dekking door eiser werd bewoond;

4. dat doordien gedaagde de dakbedekking van het gebouw had opengebroken als ook enkele vensters van de (lees:het) bovengedeelte had verwijderd tijdens regen­tijden water in de winkelzaak van eiser terecht kwam, waardoor eiser vanaf januari 1990 tot december 1993, gedurende 1430 dagen zijn winkelzaak niet kon open­stellen en voor deze dagen schade heeft geleden wegens gemis aan inkomsten;

5. dat eiser gedurende het jaar 1990 tot december 1993, in totaal 1430 dagen zijn winkelzaak niet heeft kunnen openstellen, t.w.:

6. dat door het niet openstellen van zijn winkelzaak eiser tenminste f.500,– per dag aan winstderving heeft geleden, welke schade gesteld kan worden op 1430 dagen x f.500,– in totaal uitmakende de som van f­.715.000,–;

7. dat toen eiser de gedaagde erop had gewezen dat door zijn handeling eiser’s bedrijf schade lijdt ge­daagde de eiser had beloofd de door eiser geleden schade met de huishuur te zullen verrekenen, echter heeft de gedaagde zulks niet gedaan;

8. dat doordien tijdens de regens eiser zijn winkel­zaak niet kon openstellen eiser heel veel klanten heeft verloren en uit hoofde hiervan zijn geleden schade kan stellen op f.150.000,–;

9. dat de gedaagde verplicht en gehouden is voormel­de schade aan de eiser te vergoeden;

10. dat de gedaagde voorts zonder toestemming-voor­kennis en/of vooraf verkregen toestemming van de eiser uit voormelde winkelzaak van eiser de navolgende aan eiser toebehorende roerende goederen heeft meegenomen en/of doen meenemen, t.w.:

1. een Brandblusapparaat ter waarde van f.5.000,– (Vijf Duizend Gulden) en 2. Een Hydrofoor met tank ter waarde van U.S.$.10.000,– (Tien Duizend Amerikaanse Dollars);

11.  dat de eiser alzo van de gedaagde heeft te vorde­ren de som van f.715.000,– (Zevenhonderd en Vijftien Duizend Gulden) wegens inkomstenderving en f.15.000,– (Vijftien Duizend Gulden) wegens vergoeding van de waarde van de door gedaagde onrechtmatig meegenomen aan eiser toebehorende roerende goederen, uitmakende de som van f.730.000,– (Zevenhonderd en Dertig Dui­zend Gulden) plus een bedrag van f.150.000,– wegens verloren aan klanten, plus de waarde van de (lees:het) Brandblus­apparaat ad f.5.000,– (Vijf Duizend Gulden) plus U.S.$.10.000,– (Tien Duizend Amerikaanse Dol­lars) waarde van de Hydrofoor met tank, in totaal uitmakende de som van f.885.000,– (Achthonderd Vijf en Tachtig Duizend Gulden Surinaams) en U.S.$.10.000,– (Tien Duizend Amerikaanse Dollars), althans de te­genwaarde daarvan in Surinaams courant tegen de geldende dag­koers;

12. dat eiser van voormelde bedragen geen betaling van de gedaagde kan bekomen, niettegenstaande zij daartoe herhaaldelijk en dringend is aangemaand;

13. dat eiser voormelde bedragen van f.885.000,– (Achthonderd Vijf en Tachtig Duizend Surinaamse Gul­dens) en U.S.$.10.000,– (Tien Duizend Amerikaanse Dollars), althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams Courant tegen de geldende dagkoers, thans in rechte van de gedaagde wenst op te vorderen;

Overwegende, dat op deze gronden is geconclu­d­eerd:

voor antwoord in conventie:

dat eiseres in zijn (lees:haar) vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze haar zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond en onbe­wezen, Kosten rechtens;

en voor eis in reconventie:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niette­genstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kos­ten, gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoor­lijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.885.000,– (ACHTHONDERD VIJF EN TACHTIG DUIZEND SURINAAMS COURANT) en U.S.$.10.000,– (TIEN DUIZEND AMERIKAANSE DOLLARS), althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams Courant tegen de geldende dagkoers, ter­zake voorschreven benevens de interessen hierover ad zes ten honderd in het jaar vanaf de dag der indiening van het verzoekschrift tot aan die der algehele vol­doening;

dat de gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende, dat de eisende partij in conven­tie een als ingelast te beschouwen conclusie van re­pliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in recon­ventie voor ant­woord heeft gezegd:

1. gedaagde ontkent en betwist al hetgeen niet woor­delijk en uitdrukkelijk door haar in het navolgende wordt erkend, zonodig onder aanbod van bewijs harer stellingen door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen;

2. dat al hetgeen in conventie is aangehaald hier als letterlijk herhaald en geinsereerd dient te worden beschouwd;

3. gedaagde heeft voor het verrichten van reparatie- en/of verbouwingswerkzaamheden aan het pand in kwestie wel degelijk een vergunning aangevraagd en verkregen; ter adstruering van het vorenstaande wordt een bewijs van betaling leges d.d. 21 mei 1990 in fotokopie over­gelegd; de vergunning zelf is verleend op 29 mei 1990;

4. de huurovereenkomst met de eiser was reeds op 30 juni 1988 geexpireerd, doch is telkens – op verzoek van eiser – verlengd met enkele maanden; hierbij heeft de eiser nimmer enig bezwaar geuit vanwege waterover­last als gevolg van regen en/of de bouwwerkzaamheden in kwestie; de eiser wenste – integendeel – de over­eenkomst telkens te verlengen;

5. eiser heeft de gedaagde nimmer aangemaand en/of gesommeerd om de bouwwerkzaamheden te staken; derhalve heeft eiser door deze handelingen en/of gedragingen stilzwijgend toegestemd met de bouwwerkzaamheden en/of verwijdering van het dak in kwestie als gevolg waarvan hij zijn rechten tot schadeloosstelling heeft ver­werkt;

6. gedaagde wenst uitdrukkelijk te ontkennen en te betwisten dat eiser als gevolg van deze bouwwerkzaam­heden en/of verwijdering van het dak (door waterover­last) schade heeft geleden;

7. volgens informatie ingewonnen bij de Meteodienst van Suriname blijkt dat in de periode 1990 – december 1993 het zeker niet 1430 dagen heeft geregend in Para­maribo en omstreken; dat de gedaagde het gestelde in het 5e ”dat” van de eis in reconventie ten stelligste ontkent en betwist;

8. de overige stellingen van de eiser worden uit­drukkelijk ontkend en betwist; deze stellingen zijn bovendien niet geadstrueerd met justificatoire be­scheiden en kunnen derhalve dan ook gevoeglijk worden gepasseerd;

9. het is voor de gedaagde een raadsel hoe en/of op welke wijze de eiser aan de verscheidene astronomische be­dragen is gekomen teneinde zijn vordering te motive­ren;

10. dat de vordering van eiser dubieus en wankel is en hem dient te worden ontzegd;

11. dat de gedaagde verder alles ontkent wat hij niet uitdrukkelijk heeft erkend;

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gron­den voor antwoord in reconventie heeft gecon­clu­deerd:

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk verklaard zal worden, althans deze hem zal worden ontzegd, als te zijn ongegrond en niet bewezen;

en als eiseres in conventie voor repliek in con­ven­tie heeft gepersisteerd bij haar conclusie van e­is; hebbende de gemachtigde van eiseres in conventie pro­dukties over­gelegd, waarvan de inhoud hier als inge­last dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van dupliek in conventie en van repliek en du­pliek in reconventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd – hebbende de gedaagde bij dupliek in reconventie een produktie overgelegd waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van  11 april 1995 in conventie en in reconventie alvorens verder te beslissen een compa­ri­tie van partijen heeft gelast en iedere verdere uit­spraak heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating voeging casu quo voortzetting enquête zijdens partij [geïntimeerde in conventie], diens gemachtigde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor conclusie zijdens eiseres, diens gemachtigde mondeling heeft verklaard dat hij accoord gaat met de voeging, waarna de Kantonrechter de comparitie van partijen gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating zijdens eiseres over de gevoegde stukken, peremptoir, de gemachtigden van partijen hebben gepersisteerd bij hun stellingen en vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 9 juli 1996 op de daarin opgenomen gronden:

In conventie:

Eiseres (partij Bovam) haar vordering heeft ont­zegd;

De ten deze gelegde beslagen heeft opgeheven;

Eiseres heeft veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f.nihil;

In reconventie:

Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser te beta­len f.305.000,– (DRIEHONDERD EN VIJFDUIZEND GULDEN) en U.S.$.1000,– (EENDUIZEND AMERIKAANSE DOLLARS), althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams Courant tegen de geldende dagkoers terzake, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf 26 april 1994 tot aan de dag der algehele voldoening;

Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de eiser gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hoger­vermelde proces­sen-ver­baal [ geïntimeerde in conventie], gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie en N.V.BOV­AM, eiseres in conven­tie te­vens gedaagde in reconventie in hoger beroep zijn geko­men van voor­meld eind­von­nis van 9 juli 1996;

Overwegende, dat bij exploiten van deurwaarder M.SITARAM respectievelijk d.d. 14 en 15 mei 1998 aan ge­nti­meerden aan­zeg­ging van het inge­stelde hoger be­roep is gedaan, ter­wijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aan­ge­zegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremp­toir bepaald advokaat Mr.F.M.S.Ishaak heeft gepersis­teerd bij al hetgeen in prima is gesteld, terwijl ten zelfde dage advokaat Mr.L.Doerga namens advokaat
M­r.J.Lachmon eveneens heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben  gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was be­paald op 3 november 2000, doch bij vervroeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

in conventie:

Overwegende, dat nu de vordering tegen partij Geïntimeerde in conventie, bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 9 juli 1996 is ontzegd en zij, partij [ [geïntimeerde  in conventie], geen belang heeft bij het door haar tegen gemeld vonnis ingesteld hoger beroep is zij in dat ingesteld hoger beroep niet ont­vankelijk;

Overwegende, dat nu partij N.V. Bovam 32 dagen na dagte­kening van griffiersbrief, daterend van 10 janua­ri 1997, in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 9 juli 1996, terwijl de wet slechts een termijn van 30 dagen na dagtekening van de griffiersbrief de dato 10 janua­ri 1997 toestaat, is partij N.V.Bovam in haar tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton ingesteld hoger beroep niet ontvankelijk;

Overwegende, dat elk der appellanten de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van elk der geintimeerden gevallen zal moeten dragen;

in reconventie:

Overwegende, dat nu partij [geïntimeerde in conventie] blijkens aantekening van de griffier bij de uitspraak vertegenwoordigd was, zodat zij gerekend van de dag van de uitspraak 56 dagen nadien appel tegen het von­nis heeft aangetekend, terwijl de wet slechts een termijn van 30 dagen (na 9 juli 1996) toestaat is partij [geïntimeerde] niet ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep;

Overwegende, dat nu partij N.V.Bovam vanaf de dagtekening van de griffiersbrief, 10 januari 1997, 32 dagen nadien appel aangetekend heeft tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 9 juli 1996 terwijl de wet slechts een termijn van 30 dagen toestaat, is partij N.V. Bovam niet ont­vankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep;

Overwegende, dat elk der appellanten de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van elk der geintimeerden gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

in conventie:

Verklaart elk der appellanten niet ontvankelijk in het door elk van hen ingesteld hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 9 juli 1996 gewezen;

Veroordeelt elk van de appellanten in de kosten aan de zijde van elk van de geintimeerden op de proce­dure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op Sf…..

in reconventie:

Verklaart elk der appellanten niet ontvankelijk in het door elk van hen ingesteld hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 9 juli 1996 gewezen;

Veroordeelt elk van de appellanten in de kosten aan de zijde van elk van de geintimeerden op de proce­dure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op Sf…………

in conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESE­WAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President bij vervroeging uitge­spro­ken ter open­bare te­rechtzit­ting van het Hof van Justi­tie van VRIJ­DAG, 20 oktober 2000, in tegen­woor­digheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substi­tuut-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.M.A.BODHA namens haar gemachtigde, advo­kaat Mr.F.M.S.ISHAAK en geintimeerde vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.LACHMON, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzit­ting ver­sche­nen.