- Instantie Hof van Justitie
- Zaaknummer GR-14026
- Uitspraakdatum 16 februari 2001
- Publicatiedatum 27 maart 2019
- Rechtsgebied Civiel recht
-
Inhoudsindicatie
Uit art. 110 en 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering blijkt dat een vordering door een gemachtigde aanhangig kan worden gemaakt. Die gemachtigde kan echter niet, zoals in casu het geval is, in rechte optreden voor een groep niet met name genoemde personen (in casu ‘het bestuur’). Bovendien zal de gemachtigde moeten optreden namens de rechthebbende(n) op de vermeende vordering. Gevolg: appellant is niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Uitspraak
H.M.
GENERALE ROL NO.14026.
[appellant], gevolmachtigde van het Bestuur over de plantage [naam 1] ([distrikt]), wonende in [land] aan [adres] te [plaats], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.JOHN, advokaat,
appellant,
t e g e n
DE STAAT SURINAME, (met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen), in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt,
Mr.E.NAARENDORP, advokaat,
geintimeerde,
De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 27 juli 1993 en 28 februari 1995 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 30 maart 1995 waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te
stellen tegen de STAAT SURINAME, (met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen), in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, gedaagde;
2. dat, blijkens hiernevens overgelegde fc. kaart van de plantage [naam 1], door landmeter Esser te Paramaribo d.d. 19 april 1827, de plantage bestaat uit 4 percelen no.’s 317, 319, 321 en 325, benevens het achterland groot 1000 akkers en wel in eigendom, erfelijk allodiaal bezit, verkregen door de opwonenden, thans vertegenwoordigd door een Bestuur als zaakgelastigde;
3. dat door de Staat Suriname meerdere onrechtmatige daden tegen de eigenaren zijn gepleegd, althans een onrechtmatige daad te weten schending van de rechten op de grond, resulterende in schade, door onbehoorlijk bestuur, waarbij de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer t.a.v. een anders persoon of goed niet in acht genomen is;
4. dat de Staat Suriname, zonder voorkennis van de eigenaren van meergenoemde plantage en ondanks herhaalde protesten, op het achterland aan de houthandelaar [naam 2] tot twee maal toe en wel op 30 september 1954 en 31 december 1964, steeds voor de tijd van 10 jaren een houtkoncessie heeft verleend – welke koncessies ten onrechte werden verleend;
5. dat in opgemelde perioden alle bruikbaar hout werd weggehaald waardoor de eigenaren, die zelve van de houtkap moesten leven, aanmerkelijke schade hebben geleden, voorlopig begroot op 100,– gld en naderhand vast te stellen bij staat – aangezien het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen bij herhaling weigert aan de eigenaren zowel eiser de nodige gegevens te verstrekken inzake het afgevoerde hout, onder de mededeling ”dat zulks van hoger hand (lees de Minister), verboden is”;
6. dat de Staat Suriname hierna is overgegaan tot verkaveling van het achterland, waardoor de totale fauna en flora vernietigd is, zonder dat enig aanwijsbaar staatsbelang kon worden aangetoond – vis en wild waarop de opwonenden aangewezen zijn, moeten zij nu ontberen e.e.a. ook ten onrechte;
7. dat de toegangsweg van de plantage naar de markt te Paramaribo geblokkeerd werd over de kortste afstand en de Staat willekeurig over de grond heeft beschikt, zonder een poging tot minnelijke schikking en zonder de voorgeschreven onteigeningsprocedure in het algemeen belang te hebben gevolgd – hetgeen ook een onrechtmatige daad oplevert;
8. dat inzake het onder punt 6 en 7 gereleveerde, bij herhaling werd geprotesteerd en de eigenaren
steeds te horen kregen van de ambtenaren die met de behandeling waren belast, dat de nodige opmetingen noch (lees:nog) moesten worden verricht en alzo de zaak zou worden opgelost – doch tot heden is er niets gebeurd en zijn de eigenaren 1/3 deel van hun plantage kwijt;
9. dat de schade door grondverlies, evenzo voorlopig begroot op 100,– gld, naderhand vast te stellen bij staat enorm is – e.e.a. daar het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen ook weigert het verkavelingsplan te overleggen en de gronden waarop dit berust toe te lichten, de eigenaren de toegang tot hun achterland hebben ontzegd en voorts niet bereid is tot enige medewerking tot oplossing van de gerezen geschillen;
10. dat aangezien de Staat niet bereid is tot enige medewerking of enige schikking, verzoeker zich thans genoodzaakt ziet zich tot de rechter te wenden – menende dat de geleden schade begroot en vergoed dient te worden;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd dat:
a. -bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut, gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de tegenwaarde van de geleden en nog te lijden schade, voorlopig begroot op 200,– gld. en nader vast te stellen bij de schadestaatprocedure;
b. -de Staat (Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen) zal worden bevolen de akten betrekkelijk het afgevoerde hout te overleggen onder vermelding van soort, hoeveelheid en marktwaarde;
c. -de Staat (Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen) zal worden bevolen inlichtingen te verschaffen over de toestand van het achterland en het verlies geleden inzake resterend, hout, vis, gevogelte e.a. bosprodukten ten bedrage van de marktwaarde;
d. -de schadestaat procedure zal worden bevolen ter vaststelling van het definitieve bedrag der totale schade op te maken bij staat;
e. -t.a.v. de nog te lijden schade een afkoopsom vast te stellen;
Voorts gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten dezer procedure;
Overwegende, dat De Staat Suriname als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van produkties – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:
dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk verklaard zal worden, althans dat deze als zijnde niet bewezen aan hem zal worden ontzegd, Kosten rechtens – wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende, de gemachtigde van eiser tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 27 juli 1993 op de daarin opgenomen gronden: alvorens verder te beslissen, een comparitie van partijen heeft gelast en iedere verdere uitspraak heeft aangehouden;
Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna hij deze gesloten heeft verklaard;
Overwegende, dat ten dage bepaald voor het verstrekken van inlichtingen, de gemachtigden van partijen vonnis hebben gevraagd;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 28 februari 1995 op de daarin opgenomen gronden:
Eiser niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering;
Eiser heeft veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 28 februari 1995;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder D.TOEKIMIN van 26 januari 1998 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is bepaald op heden.
OVERWEGENDE, TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld, zodat appellant daarin kan worden ontvangen.
2. Bij inleidend verzoekschrift heeft zich als eiser (thans appellant) aangediend [appellant], ”gevolmachtigde van het Bestuur over de plantage
[naam 1] ([distrikt])”.
3. Eiser’s vordering strekt, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, ertoe om de Staat Suriname (gedaagde – thans geintimeerde) te veroordelen tot vergoeding van schade op te maken bij staat en om genoemde gedaagde te bevelen nader in het verzoekschrift genoemde akten en inlichtingen over te leggen respectievelijk te verstrekken. De vordering berust, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, hierop dat geintimeerde zich tegenover de eigenaren van de plantage onrechtmatig heeft gedragen (a) door zonder hun voorkennis aan een derde houtconcessies te verlenen waarbij alle bruikbare hout is weggehaald. (b) door het achterland te verkavelen waardoor de totale fauna en flora is vernietigd en (c) door de toegangsweg van de plantage naar de markt te Paramaribo te blokkeren en alzo willekeurig over de grond te beschikken.
4. De Kantonrechter heeft eiser niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering uit overweging dat zijn, eiser’s positie als slechts gemachtigde van het bestuur over de plantage [naam 1] hem vreemd voorkwam en door eiser niet nader was aangegeven.
5. Uit de stellingen van appellant is op te maken dat de erfgenamen van de rechthebbenden op hogergenoemde plantage uit hun midden enkele personen als ”bestuur” hebben aangewezen teneinde hun belangen ”centraal” te doen behartigen; voorts, dat het ”bestuur” de hierboven onder 2 genoemde [appellant] heeft gemachtigd om namens hem in dit rechtsgeding op te treden. Niet gesteld of gebleken is dat er sprake is van een rechtspersoonlijkheid bezittende dan wel een niet-rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging van erfgenamen.
6. Partijen zijn verdeeld over de vraag of [appellant] in de door hem opgegeven hoedanigheid als procespartij kan optreden.
7. Uit het bepaalde in de artikelen 110 en 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering blijkt dat een vordering door een gemachtigde aanhangig kan worden gemaakt. Die gemachtigde kan echter niet, zoals hier het geval is, in rechte optreden voor een groep niet met name genoemde personen (in casu ”het bestuur”). Bovendien zal de gemachtigde moeten optreden namens de rechthebbende(n) op de vermeende vordering. In casu zijn dat volgens appellant’s stellingen de hierboven onder 5 genoemde erfgenamen en niet ”het bestuur”. Appellant is derhalve niet ontvankelijk in zijn vordering. Het beroepen vonnis zal, onder verbetering van gronden, worden bevestigd en appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.
RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt onder verbetering van gronden het door de Kantonrechter tussen partijen gewezen en op 28 februari 1995 uitgesproken vonnis.
Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f.1.000,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1.000,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.1.000,–;
Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van
VRIJDAG, 16 februari 2001, in tegenwoordigheid van
Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.
w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.E.S.OMBRE
Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.J.M.NIBTE namens de gemachtigde van geintimeerde advokaat Mr.E.NAARENDORP, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.