SRU-HvJ-2001-8

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-13668
  • Uitspraakdatum 06 april 2001
  • Publicatiedatum 15 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Grondhuur. Beroep op verkrijgende verjaring van perceelland na 33 jaar bezit faalt in eerste aanleg en in hoger beroep. Vordering tot vernietiging dan wel nietigverklaring van de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie, waarbij grondhuur is verstrekt tot een bepaalde grootte van een perceelland, is zelf door appellante overgeschreven in de bestemde registers van het Hypotheekkantoor en is derhalve uitgewerkt. Het ontgaat het Hof dan ook geheel hoe vernietiging dan wel wijziging van die beschikking zou kunnen volgen.

Uitspraak

M.H.                    

GENERALE ROL NO.13668.

[appellant], wonende te [adres] in het [district] voor wie als gemachtigde op­treedt Mr.H.R.SCHURMAN, advo­kaat, appellant,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte verte­genwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te zijner Parkette aan de Gravenstraat no.4 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.C.Ch.BHAGWANDIN, advokaat, geïntimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1.  het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton van 3 december 1991 tussen par­tijen gewe­zen;

2.  het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 23 december 1991, waaruit blijkt van het in­stel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1.  dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te zijner Parkette aan de Gravenstraat no.4 te Paramaribo, gedaagde;

2.  dat eiser in 1963 van de Dorpsgemeente van [plaats] in huur heeft verkregen het perceelland groot 1.43 ha gelegen te [plaats] in het [district] Serie B aangeduid op de kaart van de landmeter A.W. Brakke d.d. 20 juni 1927 met het [nummer 1];

3.  dat de vorige bezitter van het perceel zekere [naam] langer dan 10 jaren genoemd perceel heeft bezeten;

4.  dat zowel die [naam] als eiser genoemd perceel voortdurend, onafgebroken ongestoord en openbaar ondub­belzinnig hebben bezeten met de oppervlakte van 1.43 ha;

5.  dat eiser bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] in grondhuur ter uitoefe­ning van de tuinbouw voor de duur van 40 jaren heeft verkregen het perceelland groot 1.0777 ha gelegen in het [district] te [plaats] bekend als [nummer 4] (Kadastraal [nummer 4]) en nader aangeduid op de kaart van de landmeter Ing.H.Kalloe d.d. 10 oktober 1985 met de letters ABCD, zijnde genoemd perceel hetzelfde perceel dat op de uitmetingskaart van de landmeter A.W.Brakke d.d. 20 juni 1927 1.43 ha bedraagt en met het [nummer 1] is aangeduid;

6.  dat eiser zich benadeelt voelt nu de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie eiser het perceel op een kleinere omvang heeft bepaald, althans aan hem een kleiner perceel heeft verstrekt t.w. 1.0777 ha instede van 1.43 ha;

7.  dat ten tijde waarop de genoemde beschikking werd genomen t.w. 4 augustus 1986 eiser het perceel reeds 23 jaar bezat (1963 naar 1986) terwijl als reeds gesteld zowel hij eiser als zijn voorganger [naam] die het perceel langer dan 10 jaren bezat, dat perceel van 1.43 ha ongestoord, ondubbelzinnig en het openbaar hebben bezeten leverende dat bezit 23 jaar + 10 jaar is 33 jaar op;

8.  dat eiser gerechtigd is om zich met betrekking tot de omvang van het bezit van het genoemd perceel ad 1.43 ha op de verkrijgende verjaring te beroepen;

9.   dat blijkens hierbij overgelegde betalingsbewijzen eiser voor het perceel aan huur f.3.50,– per jaar betaalde zijnde f.2,– per ha zodat de betaling reeds aangeeft dat eiser een vergoeding betaalde voor een perceel van 1.45 ha;

10.   dat op grond van al het voorgaande eiser zich niet kan verenigen met de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986, zullende deze beschikking dienen te worden ver­nietigd, althans kan deze niet instand blijven;

11.   dat gedaagde weigert om de zaak in der minne te beslechten;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

Primair

a.  dat bij vonnis, zonodig uitvoerbaar bij voorraad voor recht zal worden verklaard dat eiser het perceel­land groot 1.43 ha gelegen te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district] aangeduid op de kaart van de landmeter A.W.Brakke d.d. 20 juni 1927 door verjaring heeft verkregen, hebbende eiser en zijn rechtsvoorganger genoemd perceel ter grootte van 1.43 ha openbaar, voortdurend, ongestoord en ondubbelzinnig gedurende langer dan 30 jaren bezeten.

b. dat bij vonnis, zonodig uitvoerbaar bij voorraad de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986 bureau [nummer 2] [nummer 3] zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard en gedaagde zal worden veroordeeld om binnen DERTIG DAGEN na betekening van het vonnis aan eiser in grondhuur te verstrekken althans af te staan voor de duur van 40 jaren ter uitoefening van de tuin­bouw, het perceelland groot 1.43 ha gelegen te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district], althans gedaagde, het Ministerie van Natuurlijke Hulp­bronnen, zal worden veroordeeld om de beschikking van 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] te wijzigen in dier voege dat de grootte van het genoemd perceel 1.43 ha in stede van 1.0777 ha bedraagt met veroorde­ling van gedaagde om voor iedere dag waarop hij in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen aan eiser ten titel van dwangsom verschuldigd zal zijn een bedrag van f.1.000.–;

Subsidiair:

a. dat bij vonnis voor recht zal worden verklaard dat het perceel van eiser gelegen te [plaats] Serie B [nummer 4] vroeger [nummer 1] in het [district] een grootte heeft van 1.43 ha in stede van 1.0777 ha;

b. dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser in grondhuur af te staan althans te verstrekken voor de duur van 40 jaren ter uitoefening van de tuinbouw, het perceelland groot 1.43 ha gelegen te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district] zoals aangeduid op de kaart van de landmeter A.W.Brakke d.d 20 juni 1927.

c. dat bij vonnis de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard en gedaagde zal worden veroordeeld om genoemde beschikking te wijzigen in dier voege dat het aan eiser in grondhuur verstrekte perceel te [plaats] Serie B [nummer 1] thans [nummer 4] in het [district] 1.43 ha bedraagt in stede van 1.0777 ha, met veroordeling van gedaagde om voor elke dag waarop hij in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen aan eiser ten titel van dwangsom verschuldigd zal zijn de som van f.1.000,–, Kosten rechtens;

Overwegende, dat De Staat Suriname als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconclu­deerd:

dat eiser in zijn vorderingen niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zullen worden ontzegd, alszijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervol­gens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stel­lingen nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 3 december 1991 op de daarin opgenomen gronden:

Eiser zijn vorderingen heeft ontzegd;

Hem in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-ver­baal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voor­meld eind­vonnis van 3 december 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 12 januari 1996 aan geïntimeerde aan­zeg­ging van het inge­stelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een pleitnota heeft genomen, terwijl de gemachtigde van geintimeerde ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld geen pleidooi heeft overgelegd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 2 maart 2001, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis de dato 3 december 1991 twee grieven heeft ontwikkeld, luidende:

I. ten onrechte is de Kantonrechter geheel voorbijge­gaan aan de stelling van hem, appellant, en aan het overgelegd bewijs, hetwelk door geintimeerde overigens niet is betwist en de bescheiden niet van valsheid heeft beticht, dat hij, appellant, het perceel heeft verkregen bij beschikking van de Minister van Natuur­lijke Hulpbronnen, nadat daartoe een onderzoek was ingesteld door de Bestuursopzichter ter plaatse;

II. ten onrechte heeft de Kantonrechter niet beslist over zaken, die hem door partijen zijn voorgelegd; de Kantonrechter diende te beslissen of de Overheid zich behoorlijk danwel onbehoorlijk heeft gedragen door een beschikking de dato 4 augustus 1986 bureau [nummer 2], [nummer 3] te geven waarin een deel van het perceel van appellant wordt ingetrokken, terwijl hij dat reeds 23 jaren bewoont en bewerkt. Daarbij geldt dat een eenmaal verkregen recht niet zonder noodzaak wordt teniet gedaan. De centrale overheid is onzorgvuldig geweest en heeft appellant ernstig benadeeld;

Overwegende, dat de eerste grief Ons voorkomt als te zijn onjuist en ongegrond en mitsdien dient te worden verworpen, hebbende de Kantonrechter immers zeer terecht aan een bespreking onderworpen, de feiten, ten grondslag gelegd aan het primair gevorderde in onder­deel a. van het petitum en zeer terecht dat gevorderde op basis van de aan het beroepen vonnis ten grondslag gelegde rechtsoverwegingen, die het Hof volkomen juist voorkomen en door het Hof worden overgenomen en tot de zijne gemaakt, heeft ontzegd;

Overwegende, dat de tweede grief appellant, wat daarvan ook zij, ook niet vermag te baten en mitsdien faalt, omdat appellant, naar het Hof gebleken is, met betrekking tot het gevorderde in onderdeel b van het petitum niet aan zijn stelplicht heeft voldaan;

appellant heeft immers geen feiten gesteld die, indien bewezen tot toewijzing van bedoeld onderdeel van het petitum zouden leiden;

Overwegende, dat het Hof voor wat betreft het subsidiair gevorderde in onderdeel a van het petitum refereert aan wat de Kantonrechter overwogen heeft in het beroepen vonnis en geleid heeft tot ontzegging van appellant zijn vordering nemende het Hof dat overwogene ook in dit opzicht over en makende het tot de zijne;

Overwegende, dat nu, naar appellant onweersproken heeft gesteld, hij in grondhuur afgestaan gekregen heeft het perceel groot 1.0777 ha zijnde een deel van het perceel, dat een oppervlakte beslaat van 1.43 ha, ontgaat het Ons geheel hoe appellant thans in grondhuur zou kunnen worden afgestaan het gehele perceel, groot 1.43 ha, dus inclusief het deel, groot 1.0777 ha;

toewijzing van het subsidiair gevorderde in onderdeel b van het petitum stuit dan ook geheel af op het zo juist overwogene;

Overwegende, dat nu appellant voor wat betreft het subsidiair gevorderde in onderdeel c van het petitum, naar het Hof gebleken is, ook niet aan zijn stelplicht heeft voldaan stuit toewijzing van dit gevorderde eveneens daarop af;

met betrekking tot dit gevorderde merkt het Hof ook nog op dat de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie de dato 4 augustus 1986 Bureau [nummer 2] [nummer 3] na aanbieding door appellant zelf daartoe, is overgeschreven in de bestemde regis­ters ten Hypotheekkantore, en mitsdien is uitgewerkt; het ontgaat het Hof dan ook geheel hoe vernietiging c.q. wijziging van die beschikking zou kunnen volgen;

Overwegende, dat het hof op grond van al het vorenoverwogene het vonnis, waarvan beroep zal vernie­tigen en zowel het primair als het subsidiair gevorder­de alsnog afwijzen, onder veroordeling van appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van geintimeerde gevallen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 3 december 1991 tussen partijen gewe­zen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Wijst af zowel het primair als het subsidiair gevorderde;

Veroordeelt appellant in de kosten in beide in­stanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en in prima begroot op Sf……

en in hoger beroep begroot op Sf…..

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op Sf….

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Le­den en door de Vice-Presi­dent uitge­spro­ken ter open­ba­re te­recht­zitting van het Hof van Justi­tie van VRIJ­DAG, 6 april 2001 in tegenwoor­dig­heid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is versche­nen advokaat Mr.J.NIBTE namens de respectieve gemachtigden van partij­en, advokaten Mr.H.R.SCHURMAN en Mr.C.CH.BHAG­WAN­DIN.