SRU-HvJ-2002-2

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-438
  • Uitspraakdatum 19 juli 2002
  • Publicatiedatum 03 april 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Ambtenarengerecht. Geschil tussen partijen gaat over rechtmatigheid ontheffing uit een functie. Met name artikel 63 en artikel 79 Personeelwet. Hof van Justitie gelast comparitie van partijen.

Uitspraak

M.H.

A – 438

HvJ 19 juli 2002

[verzoeker], wonende aan [adres] te [woonplaats], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.1, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.F.Kruisland, advokaat,

verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, ten deze op de voet van artikel 146 lid 2 van de Grondwet vertegenwoordigd wordende  door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst bij deze de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, ten deze op de voet van artikel 146 lid 2 van de Grondwet vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, verweerder;

2. Verzoeker is bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. [datum 1] [nummer 1], te rekenen vanaf 1 juli 1997, benoemd tot Officier van Justitie, welke resolutie bij deze wordt overgelegd, met verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen;

Verzoeker is mitsdien ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet;

3. Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. [datum 2][nummer 2] is verzoeker uit de sub 2 vermelde functie ontheven, welke resolutie bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Rawan Sontono d.d 13 oktober 1999 No.333 aan verzoeker is betekend. Verzoeker legt voormelde resolutie en exploit hierbij over, met verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen;

4. Als uitvoering voor de sub 3 vermelde ontheffing is in de aldaar vermelde resolutie opgenomen, dat het belang van de dienst die ontheffing vordert, kennelijk het oog hebbende op het bepaalde in artikel 23 lid 5 van de Personeelswet. Het begrip “belang van de dienst” is echter uitermate vaag, aangezien het tal van aspecten van de overheidsdienst bevat, maar ook in tal van opzichten de wijze van uitoefening van overheidsgezag raakt door de betrokken ambtenaar. Het beginsel van rechtszekerheid voor de ambtenaar als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur brengt dan met zich, dat hij exact behoort te weten welke feiten en omstandigheden de ten aanzien van hem genomen beslissing hebben teweeggebracht en dat het terzake bevoegde gezag hem daaromtrent  informeert uit hoofde van de aan voormeld beginsel dan inherente motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Voorts is verzoeker voorafgaande aan het nemen van voormelde beslissing niet gehoord of anderszins in de gelegenheid gesteld zijn belangen terzake  te verdedigen, zodat verweerder niet op zorgvuldige wijze voormeld besluit heeft voorbereid. Verweerder heeft dan ook terzake de navolgende algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, t.w.:

a. het beginsel van rechtszekerheid voor de ambtenaar;

b. het beginsel van de motiveringsplicht;

c. het beginsel van verplichting tot hoor en wederhoor;

d. het beginsel van zorgvuldigheid in de voorbereiding van besluiten.

5. Verzoekers carrière bij het Openbaar Ministerie is door de sub 3 vermelde ontheffing abrupt afgebroken, hetgeen op ernstige wijze tekort doet aan verzoekers mogelijkheden zich verder te ontplooien op het gebied van de rechtshandhaving en rechtspleging.

6. Op grond van het sub 4 en 5 gestelde, heeft verzoeker recht en belang te vorderen, dat de sub 3 vermelde resolutie van de President van de Republiek Suriname zal worden nietig verklaard;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis de Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. [datum] [nummer 2], waarbij verzoeker uit zijn funktie van Officier van Justitie werd ontheven, zal worden nietig verklaard, althans vernietigd;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;

1. Tussen verweerder en verzoeker bestaat een arbeids-dus gezagsverhouding waarbij de bedrijfsvoering in casu het belang van de dienst behoort tot de vrijheid van beleid dat aan verweerder rechtens toekomt.

2. Verweerder wenst vooraf op te merken dat het besluit tot ontheffing van een ambtenaar zoals in casu ten rekeste sub 3 vermeld, geen tuchtrechtelijke maatregel is, maar een maatregel passend binnen de vrijheid van de verweerder om ambtenaren te mogen muteren.

3. Uitsluitend in het geval van een tuchtmaatregel is verweerder gehouden ex artikel 63 P.W. een ambtenaar te horen alvorens hem een straf op te leggen.

4. Bovendien is het geen vast gebruik c.q. beleid dat de verweerder een ambtenaar hoort alvorens hem te ontheffen. In het onderhavige geval is verzoeker diverse malen gehoord.

5. Verzoeker beroept zich voorts op schending van het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en het rechtszekerheidbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. Het motiveringsbeginsel valt uiteen in de eisen van:

a. een begrijpelijke redenering.

b. een juiste interpretatie van het toegepaste wettelijk voorschrift.

c. juiste kwalificatie van de feiten.

6. Verweerder  heeft op grond van het belang van de dienst, een consistent en begrijpelijke redenering gegeven die niet mank gaat aan innerlijke tegenstrijdigheid. De bepaling van de inhoud van het belang van de dienst is uitsluitend voorbehouden aan verweerder. Zulks wordt door de wetgever die de arbeidsverhouding van verzoeker en verweerder heeft geregeld in artikel 79 lid 4 P.W. benadrukt door expressis verbis te bepalen dat  wat het belang van de dienst vordert, niet ter beoordeling  van het Hof ligt, voor zover daaromtrent redelijkerwijs verschil van inzicht mogelijk is.

7. Verweerder heeft aan artikel 23 lid 5 P.W. geen onjuiste toepassing gegeven omdat, zoals hiervoren gesteld, de inhoud van het belang van de dienst ter discretionaire vaststelling van de verweerder behoort.

8. Bij de kwalificatie van de relevante feiten heeft verweerder gelet op het spraakgebruik en aanknoping gezocht in de tekst en bedoeling van de wet.

9. Bovendien valt ontheffing uit een funktie niet onder de vorderingen  limitatief omschreven in artikel 79 P.W. en een pseudovordering zoals verzoeker ten rekeste sub 4 heeft omschreven, zal het limitatieve karakter van artikel 79 P.W. niet vermogen te doorbreken;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft  geconcludeerd:

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat ingevolge ‘s Hofs beschikking van 19 oktober 2001 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen,  [naam], verzoeker, Mr.F.Kruisland, gemachtigde van verzoeker, de heer K.Ramchand, Onderdirekteur Algemeen Beheer van het Ministerie van Justitie en Politie namens verweerder en Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van de Staat Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal  staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht te gelasten een comparitie van partijen zo tot het verschaffen van inlichtingen als tot het beproeven van een vereniging;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Gelast partijen ambtshalve, verzoeker in persoon en verweerder deugdelijk vertegenwoordigd desgewenst vergezeld van haar advokaten, om ter terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 11 oktober 2002 des voormiddags te NEGEN UUR te verschijnen  tot het verschaffen van inlichtingen en het beproeven van een vereniging;

Houdt iedere verdere uitspraak aan;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Vice-President, Mr.A.I.Ramnewash, Lid  en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 juli 2002, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.Van Genderen-Relyveld  w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.I.Vos namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.M.Derby namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.