SRU-HvJ-2005-1

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14211
  • Uitspraakdatum 03 juni 2005
  • Publicatiedatum 01 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Appellant is door het Hof niet ontvankelijk verklaard in het door hem op 27 januari 2004 ingestelde hoger beroep tegen een vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 6 januari 2004.
    Het Hof is van oordeel dat nu appellant niet in persoon of bij gemachtigde bij de einduitspraak aanwezig was, de griffier hem het vonnis bij aangetekende dienstbrief moest meedelen.
    Het niet verzenden van de dienstbrief kan niet hebben bewerkt dat op 25 januari 2004 de appeltermijn een aanvang maakte.
    (art. 119 lid 3 jo art.264 lid 3 Rv)

    SJB

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14211

[appellant], wonende te [district], aan [adres 1] voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. C. Ch. Bhagwandien, advokaat,

appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district] aan  [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. E.C.M. Hooplot, advokaat

geintimeerde,

De Waarnemend – President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 2 april 2002, 21 november 2002 en 6 januari 2004 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 27 januari 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseres op 25 januari 1979 in het ressort B/P te Paramaribo volgens het huwelijksbesluit der Mohamedanen in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met [appellant] , wonende te [district] aan [adres].

2. dat uit het huwelijk de navolgende nog in leven zijnde minderjarige kinderen zijn geboren t.w.

a. [naam 1], geboren te [district] op [datum 1]

b. [naam 2], geboren te [district] op [datum 2]

3. dat verzoeksters echtgenoot staande der partijen huwelijk vleselijke gemeenschap heeft gehad met een andere vrouw dan verzoekster en mitsdien zich aan overspel heeft schuldig gemaakt.

4. dat verzoeksters echtgenoot geheel tegen de zin van verzoekster en uiteraard zonder haar goedvinden met een andere vrouw in gezinsverband samenwoont, zodat hij niet in staat is verzoekster in die woning te ontvangen, weshalve partijen gescheiden leven en zulks reeds ongeveer 15 jaren.

5. dat gedaagde zelfs weigert zijn kinderen uit het huwelijk met verzoekster te ontvangen en deze steeds wegjaagt wanneer deze hem opzoeken. Tijdens de samenleving heeft gedaagde deze kinderen mishandeld wanneer hij onder invloed van alcohol verkeerde, hetgeen een vrijwel dagelijks verschijnsel was. Hij is daarom ook niet bereid een bijdrage in hun levensonderhoud te doen, hoewel hij het gehele gemeenschappelijke vermogen tot zich heeft genomen en onder zijn beheer heeft met uitsluiting van verzoekster.

6. dat gedaagde waar hij verzoekster ook tegenkomt, haar mondeling bedreigt met een misdrijf tegen het leven, haar voorts beledigt en liederlijke taal toevoegt, terwijl hij ook aan der partijen minderjarige kinderen voor verzoekster ernstige beledigende mededelingen in strijd met de waarheid doet, als bijvoorbeeld dat verzoekster een hoer is.

7. dat verzoekster en de minderjarigen in behoeftige omstandigheden verkeren en de gedaagde niet in hun levensonderhoud voorziet, hoewel hij daartoe best in staat is om voor de kinderen Sf. 50.000,= per kind per maand bij te dragen, zulks gelet op zijn inkomen van minimaal Nf 2.500,= per maand.

8. dat verzoekster gehuwd is krachtens het huwelijksbesluit der Mohammedanen en zij krachtens dit besluit vooraf geen verlof behoeft te krijgen de onderhavige vordering tegen haar echtgenoot in te stellen.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat tussen partijen gehuwd als voormeld de ontbinding van het huwelijk zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;

gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een door de Rechter te bepalen termijn met verzoekster over te gaan tot scheiding en deling van de goederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de Wet; Kosten rechtens.

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

dat eiseres in haar vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze haar zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen. Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 2 april 2002 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

iedere verdere uitspraak is aangehouden;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 6 januari 2004 op de daarin opgenomen gronden;

De echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 25 januari 1979 in het ressort P/B heeft uitgesproken;

Heeft bepaald dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij over het nog minderjarig kind van partijen zal worden gehouden in een van de zalen van dit gerecht aan de Frederik Derbystraat no. 79-81 te Paramaribo op dinsdag 18 mei 2004 ‘s morgens om half negen;

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd heeft bevolen;

Heeft benoemd tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de boedelscheiding zullen worden verricht, Mr. R.G. Rodrigues, notaris te Paramaribo danwel diens waarnemer of opvolger, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit vonnis geen overeenstemming over de keuze van een notaris hebben bereikt;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 6 januari 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder L. Tran van Can-Doesburg van 4 augustus 2004 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie van partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende ten dage van pleitnota peremptoir bepaald advokaat Mr. S. Mangroelal namens advokaat Mr. Ch. Bhagwandin recht op stukken heeft gevraagd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier gebleken is appellant als gedaagde, in eerste aanleg bij de uitspraak de dato 6 januari 2004 van het vonnis waarvan beroep noch in persoon noch bij gemachtigde tegenwoordig was geweest;

Overwegende, dat de wetgever in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft voorgeschreven, dat de Griffier aan een partij, die bij de uitspraak van een eindvonnis niet in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig is, de inhoud van het vonnis bij aangetekende dienstbrief moet mededelen;

Overwegende, dat de bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van dat vonnis op de hoogte zullen zijn opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat krachtens artikel 264 lid 3 van genoemd Wetboek de termijn van hoger beroep dertig dagen bedraagt te rekenen vanaf de dag waarop het eindvonnis is medegedeeld;

Overwegende, dat naar het Hof gebleken is, de dienstbrief niet aan appellant verzonden is;

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier eveneens blijkt appellant op 27 januari 2004 in beroep is gekomen van het vonnis van 6 januari 2004;

Overwegende, dat nu het niet verzenden van de dienstbrief niet kan hebben bewerkt, dat op 25 januari 2004 de appeltermijn een aanvang nam, het Hof appellant in zijn tegen het vonnis de dato 6 januari 2004 aangetekend appel niet ontvankelijk zal verklaren;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP

Verklaart appellant niet ontvankelijk in zijn tegen het vonnis de dato 6 januari 2004 aangetekend appel;

Veroordeelt appellant in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen en begroot op SRD 75,=;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 75,=;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellant eveneens op SRD 75,=;

Aldus gewezen door: Mr. J.R. von Niesewand, Waarnemend – President, Mr. K. Pultoo en Mr. Drs. C.C.L.A. Valstein – Montnor, leden en door de Waarnemend – President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 juni 2005, in tegenwoordigheid van Mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend – Griffier.