SRU-HvJ-2007-18

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-611
  • Uitspraakdatum 02 februari 2007
  • Publicatiedatum 21 juni 2023
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof van Justitie heeft overwogen dat verzoeker de beroepstermijn vervat in artikel 80 lid 1 sub a van de Personeelswet van 30 dagen (cfm artikel 1 van de Personeelswet) heeft overschreden, weshalve hij niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Verzoeker is namelijk ingevolge artikel 5 lid 2 van de Personeelswet op 09 juni 2005 (de dag waarop het stuk vanwege het bevoegd gezag aan verzoeker is overhandigd) in kennis gesteld van het besluit, terwijl hij pas op 25 juli 2005 de vordering heeft ingediend.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-611

[Verzoeker], ten rechte geheten [verzoeker], wonende te [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Nola Hattermanstraat no.5, ten kantore van Mr.J.R.Bouterse, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.R.Bouterse, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, het Ministerie van Financien, Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de H.A.E.Arronstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.H.Veldkamp, advokaat, verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker], zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst de volgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, het Ministerie van Financien, Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de H.A.E.Arronstraat no.3, verweerder.
  2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (P.W.) in de rang van assistent-commies 1ste klasse belast met de werkzaamheden van commies 3e klasse in vaste dienst bij de Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen.
  3. Bij beschikking van de Minister van Financien d.d. 09 juni 2005 [nummer 1] welke beschikking verzoeker heeft ontvangen op 26 juni 2005, is verzoeker uit Staatsdienst ontslagen te rekenen van de dag volgende op die waarop het besluit tot ontslag overeenkomstig artikel 71 lid 5 van de P.W. te zijner kennis is gebracht.
  4. De redenen die ten grondslag liggen aan het ontslag zijn in strijd met alle beginselen van behoorlijk bestuur en wel om de volgende redenen.

4.1. Het is de verweerder bekend dat verzoeker lijdt aan het post traumatisch syndroom opgelopen als gevolg van de gewelddadige machtsovername van het bestuur des lands op 25 februari 1980 en dat hij zonder enige opleiding als douanier is overgeplaatst en tewerk gesteld bij de Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen.

4.2. Dat als gevolg van dit post traumatisch syndroom, verzoeker onder medische behandeling is, ook van de psychiater. Verzoeker lijdt ondermeer aan tijdelijke geheugenverlies.

4.3. In plaats van keuring voor verzoeker te vragen die mentaal gehandicapt is, van welk feit verweerder volkomen op de hoogte is, loert verweerder verzoeker af en ontslaat hem nota bene tijdens zijn ziekte.

  1. Het besluit is niet overeenkomstig artikel 71 lid 5 van de P.W. ter kennis van verzoeker gebracht omdat voormeld artikel niet omtrent de wijze van ter kennis brenging handelt.
  2. Verzoekers leeftijd en aantal dienstjaren zijn niet in aanmerking genomen bij het nemen van deze zeer ingrijpende beslissing betrekkelijk de rechtspositie van verzoeker.
  3. De door verzoeker overgelegde beschikking wordt geacht hier letterlijk te zijn herhaald en geinsereerd.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat de beschikking van de Minister van Financien d.d. 09 juni 2005 [nummer 1] zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker in zijn verzoekschrift heeft gesteld en aangevoerd, indien en voor zover dit niet woordelijk en uitdrukkelijk door verweerder wordt erkend. Verweerder biedt bewijs aan voor zijn stellingen, voor zover de bewijslast op hem mocht rusten.
  2. Het gestelde in het 2e sustenu van het verzoekschrift wordt door verweerder erkend en behoeft geen nadere bespreking.
  3. Het gestelde in het 3e sustenu van het verzoekschrift wordt eveneens erkend, met dien verstande dat de beschikking verzoeker op 24 juni 2005 is uitgereikt (zie produktie 1).
  4. Verweerder ontkent ten stelligste hetgeen gesteld is in het 4e sustenu van het verzoekschrift i.c. dat het ontslag in strijd zou zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zoals blijkt uit de hierbij overgelegde produkties 2, 3, 4 is sprake van een regelmatig ontslag op basis van ernstig plichtsverzuim. Het plichtsverzuim bestaat uit het meerdere malen door verzoeker, zonder opgaaf van redenen, niet op het werk te verschijnen vanaf 2001. Zoals de adjunct inspecteur het in zijn schrijven op 7 oktober 2003 aan de inspecteur der invoerrechten en accijnzen verwoordde: “[verzoeker] heeft reeds jaren een ontoelaatbaar hoog verzuim. Het manifesteert zich met de regelmaat van de klok. Je zou bijna zeggen, dat hij maar af en toe in het jaar gewerkt heeft” (produktie 5).

Op grond hiervan is verzoeker meerdere malen ingebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld zich te verweren. Verweer werd niet gevoerd of is niet steekhoudend gebleken om het verzuim te rechtvaardigen. Verzoeker heeft in zijn zoveelste ongedagtekend verweer op 01 maart 2005 het volgende gesteld: “[Naam 1]. Hierbij deel ik u mede, dat ik geen zin had om te komen de dagen dat ik afwezig was (zie produktie 6 en 7).Zoals in de beschikking in overweging 4 is aangegeven, diende tegen voormeld plichtsverzuim van verzoeker te worden opgetreden door verweerder, omdat het dienstbelang zulks vorderde.

  1. Dat verzoeker lijdende was aan het post traumatisch syndroom opgelopen alsgevolg van de gewelddadige machtsovername van het bestuur des lands op 25 februari 1980 etc., is verweerder niet bekend (zie 4e sustenu van het verzoekschrift punt 4.1. e.v.). Verzoeker functioneerde normaal, en heeft nimmer te kennen gegeven, ook niet in zijn verweer, dat hij ziek was, en derhalve medische begeleiding nodig had.
  2. Ook het gestelde door verzoeker, dat verweerder hem, verzoeker, “afloert”, is uit de lucht gegrepen, aangezien verzoeker geen feiten en omstandigheden aandraagt om deze bewering te onderbouwen. Verzoeker legt niet eens een medische verklaring over. Overigens waarom zou verweerder een keuring moeten doen gelasten van verzoeker, als bekend zou zijn, zoals verzoeker dat zelfs beweert in het 4e sustenu (punt 4.1.), dat “verzoeker lijdt aan het post traumatisch syndroom” etc.
  3. Aan het Hof wordt verzocht alle overgelegde produkties als in dit verweerschrift geinsereerd en daarvan deel uitmakende te willen beschouwen.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat de vordering van verzoeker zoals gesteld in zijn Petitum, niet ontvankelijk zal worden verklaard c.q. deze aan hem zal worden ontzegd alszijnde ongegrond, niet bewezen en in strijd met wet en recht.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 30 oktober 2006 ten dage van verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.R.Bouterse, advokaat Mr.H.H.Veldkamp, gemachtigde van verweerder, [naam 2], vertegenwoordiger van het Ministerie van Financien, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, assistent Commies 1ste klasse belast met de werkzaamheden van Commies 3e klasse in vaste dienst bij de Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen, bij beschikking van de Minister van Financien [nummer 1] dd. 9 juni 2005 te rekenen van de dag volgende op die waarop de inhoud van dit besluit tot ontslag overeenkomstig artikel 71 lid 5 van de Personeelswet te zijner kennis is gebracht, ontslag uit Staatsdienst is verleend van wege het zich hebben schuldig gemaakt aan plichtsverzuim hierin bestaande dat hij meerdere malen zonder opgaaf van redenen niet op het werk verschijnt, waarvoor hij vaker door het diensthoofd is aangesproken;

Overwegende, dat, naar wijders uit gemeld procesdossier blijkt, verzoeker op 24 juni 2005 van het Hoofd Groot Paramaribo, de adjunct Inspecteur, R.Mendonḉa, de beschikking [nummer 1] d.d. 9 juni 2005 heeft ontvangen;

Overwegende, dat verzoeker bij verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 25 juli 2005 op in dat verzoekschrift aangegeven feiten, die als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, de vernietiging althans nietigverklaring van voormelde beschikking heeft gevorderd;

Overwegende, dat verweerder als formeel verweer van de verste strekking zich hierop beroepen heeft, dat verzoeker niet ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering nu de termijn binnen welke hij die vordering ingevolge de Personeelswet had moeten instellen heeft overgeschreden;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 80 lid 1 sub a van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985), vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a niet ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht;

Overwegende, dat, onder maand in de zin van artikel 1 van de Personeelswet wordt verstaan : tijdvak van dertig dagen;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 5 lid 2 van de Personeelswet een besluit geacht wordt ter kennis van de belanghebbende te zijn gebracht op de dag waarop het desbetreffende stuk vanwege het bevoegde gezag aan hem is overhandigd;

Overwegende, dat nu vanwege het bevoegde gezag de ontslagbeschikking de dato 9 juni 2005 aan verzoeker is overhandigd en hij, verzoeker, op 25 juli 2005, dus op 32ste dag vanaf 24 juni 2005, terwijl de wet een termijn van dertig dagen, toestaat, zal het Hof verzoeker, nu hij de beroepstermijn heeft overgeschreden, niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant, geheel in het midden latend;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaren verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 februari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.R.Bouterse en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.H.H.Veldkamp, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

  1. M.E. van Genderen-Relyveld.