SRU-HvJ-2007-31

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR 14284
  • Uitspraakdatum 20 april 2007
  • Publicatiedatum 11 juli 2023
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn ingesteld hoger beroep wegens gebrek aan belang daarbij. Indien veronderstellenderwijs uitgegaan wordt van de vernietiging van het beroepen vonnis en de weigering van de gevraagde voorzieningen, is dan ook herstel in de vorige toestand niet meer mogelijk. Immers, het door appellant gehuurde pand dat enkel strekte tot bewoning, bestaat thans niet meer in zijn oorspronkelijke vorm.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14284.

[Appellant], wonende aan [adres 1] in het [district 1], ten deze domicilie kiezende aan de Henck Arronstraat no. 50 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. M.R. Carrilho, advocaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde] , wonende te [adres 2] in het [district 2], ten deze domicilie kiezende aan de Kwattaweg no. 145 te Paramaribo ten kantore van mr. A.E. Debipersad, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.E. Debipersad, advocaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 17 november 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna de zaak verwezen werd naar de rolzitting van 2 februari 2007 voor uitlating zijdens partijen;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen geïntimeerde als eiser en appellant als gedaagde op 12 januari 2006 vonnis in kort geding gewezen en uitgesproken is in de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer 05/4071, waarvan het dictum luidt:

– Schort op de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan [adres 1], te [plaats];

– Veroordeelt de gedaagde om binnen drie maanden na dagtekening van het vonnis tot ontruiming van het pand staande en gelegen aan [adres 1], te [plaats] over te gaan, met medenemen van al het zijne en al de van zijnentwege zich daarin bevindende personen en goederen en het pand ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen;

– Machtigt de eiser om, indien de gedaagde weigeren mocht aan voormelde veroordeling gevolg te geven deze zelf te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm;

– Veroordeelt de gedaagde om direct na de ontruiming al de bij het litigieuze pand behorende sleutels aan de gemachtigde van de eiser af te geven en wel op straffe van een dwangsom van Srd. 5000,– (vijfduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat de gedaagde daartoe in gebreke mocht blijven;

– Verbiedt de gedaagde om na de ontruiming het pand te betreden c.q. te doen betreden en wel op straffe van een dwangsom van Srd. 5000,– (vijf duizend Surinaamse Dollar), indien de gedaagde weigeren mocht aan voormelde veroordeling gevolg te geven;

– Verklaart dit vonnis tot zover vermeld onder sub 3, 4, 5 en 6 uitvoerbaar bij voorraad;

– Veroordeelt de gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Srd. 121,– (eenhonderd een en twintig Surinaamse Dollar);

Overwegende, dat appellant van het vonnis van de Kantonrechter in kort geding op 24 januari 2006 in hoger beroep is gekomen;

Overwegende, dat appellant, naar uit de pleitnota, genomen ter terechtzitting van 5 mei 2006, blijkt, grieven tegen het beroepen vonnis heeft ontwikkeld, luidende:

  1. De Kantonrechter heeft geheel ten onrechte en in strijd met de feiten overwogen, ”onder punt 3 van de motivering”, dat appellant, alstoen gedaagde, op 01 november 2005 de achterstallige huurgelden heeft betaald, nadat de onderhavige vordering was ingesteld en desondanks geïntimeerde, alstoen eiser, de huurovereenkomst met appellant, alstoen gedaagde niet wenst voort te zetten.

– Het rapport van N.V. Bovam van 30 april 1999 was aan appellant, alstoen gedaagde, geheel onbekend en is noch aan hem ter hand gesteld, noch aan hem op enigerlei wijze ter kennis gebracht, dat de huur van de litigieuze woning is verhoogd naar SRD 208,33. Trouwens geïntimeerde, alstoen eiser, heeft dit in prima op geen enkele wijze aangegeven of op enigerlei wijze gestaafd.

– Appellant, alstoen gedaagde, heeft altijd prompt de huurpenningen gestort op door geïntimeerde opgegeven rekening [nummer] bij de Hakrinbank N.V. ten name van geïntimeerde.

– Op 01 november 2005 heeft appellant, alstoen gedaagde, geen achterstallige huurpenningen betaald, maar op grond van het door geïntimeerde, alstoen eiser, in fotokopie overgelegd rapport van N.V. Bovam, welk rapport appellant nimmer eerder onder ogen heeft gehad, de bereidheid getoond en de huurverhoging op voormelde rekening gestort. Ter staving hiervan legt appellant in fotokopie aan Uw Hof een zestal stortingsbewijzen over, met het verzoek deze als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.

– Appellant, alstoen gedaagde, heeft geen wanprestatie gepleegd en was ook niet in verzuim.

  1. Ten onrechte is de Kantonrechter ”onder punt 4 van Motivering” van oordeel, dat de huurpenningen onregelmatig werden betaald, de huurachterstand na het indienen van de rechtszaak is betaald en dat de wanprestatie reeds bestond bij het indienen van de vordering; hebbende appellant geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en opnieuw rechtdoende geïntimeerde in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren althans hem die als ongegrond en onbewezen te ontzeggen;

Overwegende, dat geïntimeerde blijkens zijn verweer – voorzover ten deze van belang – bij antwoord pleidooi de dato 7 juli 2006 onder meer onweersproken heeft aangevoerd, dat hij de ontruiming reeds heeft bewerkstelligd; dat door woningnood en schromelijke verwaarlozing van het pand gedreven hij, geïntimeerde, terstond na de ontruiming van het pand de verbouwingswerkzaamheden heeft aangevangen; dat hij geïntimeerde, die eigenaar is van het pand, het zelf zal bewonen, vermits hij reeds enkele jaren noodgedwongen in een huurwoning heeft moeten verblijven;

Overwegende, dat geïntimeerde bij dupliek pleidooi de dato 3 november 2006 eveneens onweersproken naar voren heeft gebracht, dat de ontruiming reeds heeft plaatsgevonden; dat appellant geen enkel belang meer heeft. Het ontruimde pand heeft thans een geheel andere bestemming, n.l. een bedrijfspand met woningruimte. Appellant bewoont het pand thans zelf;

Overwegende, dat voormelde stellingen van geïntimeerde zowel bij antwoord pleidooi de dato 7 juli 2006 als bij dupliek pleidooi de dato 3 november 2006, gevoegd bij de bewering van de procesgemachtigde van geïntimeerde ter comparitie van partijen van 26 januari 2007 dat zij namens geïntimeerde in april 2006 een verzoekschrift bij de gewone rechter heeft ingediend en wederom had ingetrokken, het Hof tot het oordeel doet komen, dat geïntimeerde onder het mom van een voorlopige voorziening een beslissing ten gronde heeft uitgelokt tot het geven waarvan de Kantonrechter in kort geding niet bevoegd is geweest;

Overwegende, dat nu herstel in de vorige toestand ingeval van vernietiging van het beroepen vonnis en het alsnog weigeren van de gevraagde voorzieningen, naar het oordeel van het Hof, rechtens niet meer mogelijk is omdat het door appellant destijds gehuurde pand enkel ter bewoning thans niet meer in zijn oorspronkelijke vorm bestaat en appellant mitsdien bij het door hem ingesteld Hoger beroep daarom geen belang meer heeft, dient hij, appellant, in het door hem ingesteld hoger beroep, bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant geheel in het midden latend, alsnog niet te worden ontvangen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in zijn ingesteld Hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding op 12 januari 2006 gewezen;

Veroordeelt de appellant in de kosten van het Hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen en tot dusver begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President,

H.E. Struiken, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 20 april 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.J. Halfhuid namens advocaat mr. M.R. Carrilho, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

M.H.