SRU-HvJ-2009-2

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer Onbekend
  • Uitspraakdatum 04 december 2009
  • Publicatiedatum 03 april 2019
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    – Een verzoek door de verdachte gedaan ex artikel 54a lid 1 Sv in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling, is ontvankelijk.
    – De waarborg voor de verdachte zoals vastgelegd in artikel 54a lid 1 Sv, geldt niet alleen voor de periode van de inverzekeringstelling. Het kan nl. nimmer de bedoeling van de wetgever zijn om de rechten en waarborgen van een verdachte te beperken tot de 1e fase van de inverzekeringstelling.
    – Het niet bezigen van de verklaring van de verdachte door de R.C. bij het beschikken, levert formeel noch materieel een grond op voor vernietiging van de beschikking. Essentieel is dat er voldoende feiten aanwezig worden geacht die een redelijk vermoeden van schuld staven voor het plegen van het strafbaar feit.

    SJB

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE BEROEP EX ARTIKEL 54 C LID 1

VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het beroepsschrift ex artikel 54 C lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna afgekort als Sv) ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, op 01 december 2009 door mrs. F.F.P. Truideman en H.P. Boldewijn, advocaten bij het Hof van Justitie, namens hun cliënte [naam], waarin het verzoek wordt gedaan dat het Hof in beroep de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 27 november 2009 vernietigt en verzoeker onmiddellijk in vrijheid stelt.

Gelet op ’s Hoven beschikking d.d. 01 december 2009, waarbij de behandeling van het beroep is bepaald op woensdag 02 december 2009 des namiddags te 14.00 uur.

Gehoord de appellante in Raadkamer, bijgestaan door haar raadslieden.

Gehoord mr. M. Dayala, waarnemend procureur-generaal namens het Openbaar Ministerie.

Gezien de overige zich in het Raadkamerdossier bevindende bescheiden waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het beroep in Raadkamer op woensdag 02 december 2009;

Overwegende, dat het Hof op 02 december 2009 een tussenbeslissing heeft gegeven, waarbij het Hof het wenselijk heeft geacht om inzage te hebben in het onderhavig strafdossier;

Overwegende, dat het Hof van de aangevoerde grieven kennis heeft genomen welke grieven hierop neerkomen:

1. Dat de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 27 november 2009 onvoldoende of gebrekkig is gemotiveerd, daar de rechter-commissaris alleen de verklaringen uit het politiedossier heeft gebezigd en de verklaring van verzoekster in casu appellante afgelegd bij de rechter-commissaris niet heeft opgenomen in de beschikking. Naar de mening van de verdediging is er in strijd gehandeld met de beginselen van een goede procesorde;

2. Voorts, dat de rechter-commissaris alleen op basis van eerder gemelde verklaringen het onderzoeksbelang aanwezig heeft geacht;

Overwegende, dat de waarnemend procureur-generaal in haar antwoord allereerst formeel verweer heeft aangevoerd dat appellante niet-ontvankelijk verklaard moet worden, nu in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling door een verdachte geen beroep kan worden gedaan op artikel 54 a Sv;

Overwegende, dat de waarnemend procureur-generaal tevens in haar antwoord naar voren heeft gebracht dat er wel feiten en omstandigheden uit het dossier blijken die een redelijk vermoeden van schuld opleveren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten ten grondslag gelegd aan haar inverzekeringstelling;

Overwegende, dat het Hof het formeel verweer van de waarnemend procureur-generaal heeft getoetst aan de wet en tot oordeel is gekomen dat het verweer gegrond moet worden geacht en wel om de volgende redenen:

De wetstekst van artikel 54 a lid 1 Sv luidt: “Uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord, voor de rechter-commissaris geleid. Onverminderd het bepaalde in die eerste volzin van dit lid, kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstellling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling verzoeken”. Het Hof overweegt dat de wetstekst de mogelijkheid beschrijft voor de verdachte om onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling een verzoek te doen tot invrijheidstelling, zonder de zgn. “rechtmatigheidstoets” af te wachten;

Ingevolge artikel 54 a lid 2 Sv kan de verdachte of diens raadsman de rechter-commissaris het verzoek doen om een datum te bepalen voor zijn voorgeleiding teneinde te worden gehoord, in verband met de “rechtmatigheidstoets.”

De memorie van toelichting op de Wet van 20 februari 2008 houdende nadere wijziging van het Wetboek van Strafvordering (SB 2008 no. 21) geeft op bovenvermelde wetsteksten de volgende toelichting: “Met de wijziging van artikel 54 a Sv zal de rechtmatigheidstoets van de inverzekeringstelling in het vervolg ambtshalve door de rechter-commissaris geschieden, in alle gevallen waarin de verdachte in verzekering is gesteld en wel binnen zeven dagen te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding….Toekenning aan de verdachte van de mogelijkheid bij de rechter-commissaris het verzoek te doen tot vaststelling van de datum van voorgeleiding is gerechtvaardigd, omdat een verdachte die meent dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is de mogelijkheid moet hebben om onmiddellijk na de inverzekeringstelling de rechter-commissaris te verzoeken voor hem te worden geleid. “De mogelijkheid van oud artikel 54a, waarbij de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling om zijn invrijheidstelling bij de rechter-commissaris kan verzoeken, blijft op deze wijze behouden.”

Het Hof overweegt dat ook uit de memorie van toelichting op het betreffende wetsartikel de bedoeling van de wetgever blijkt, namelijk het invoeren van een ambtshalve rechtmatigheidstoets door de rechter-commissaris van alle personen die in verzekering worden gesteld, welke toets binnen zeven dagen dient te worden uitgevoerd, met een mogelijkheid voor een verdachte om, indien hij de inverzekeringstelling onrechtmatig vindt, eerder om zijn invrijheidstelling te vragen, hetgeen begrepen kan worden uit de woorden (citaat) “kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling”;

Artikel 54 a lid 4 Sv luidt: “Na de verdachte te hebben gehoord, beslist de rechter-commissaris over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling.  In de beschikking worden door de rechter-commissaris bepaaldelijk de redenen opgegeven die tot zijn oordeel hebben geleid tot de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de inverzekeringstelling…..”.

 Het Hof overweegt dat in dit lid de instructie wordt gegeven hoe de rechter-commissaris zijn beslissing moet inrichten, namelijk de rechter-commissaris dient de beslissing te motiveren. Voorts overweegt het Hof dat de beschikking waar het in dit lid over gaat, de beschikking is die volgt op de ambtshalve toets van de rechter-commissaris binnen de 7 dagen genoemd in de wet of de door de verdachte geïnitieerde toets onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling zoals in artikel 54 a lid 1 is bepaald en voor wat betreft artikel 54 a lid 2 Sv, in de memorie van toelichting is uitgelegd.

Artikel 54 c lid 1 Sv luidt: “Tegen een beschikking van de rechter-commissaris overeenkomstig artikel 54 a lid 4 kunnen de vervolgingsambtenaar en de verdachte binnen drie dagen daarna in beroep gaan bij het Hof van Justitie”; Het Hof overweegt dat dit artikel verwijst naar de beschikking van artikel 54 a lid 4, namelijk de beschikking gegeven na de ambtshalve toets of nadat de toets heeft plaatsgevonden op grond van een verzoek daartoe door de verdachte onmiddellijk na de inverzekeringstelling;

Het Hof is van oordeel dat in artikel 54 a Wetboek van Strafvordering door de wetgever de waarborg is neergelegd voor de verdachte dat de rechtmatigheid van zijn inverzekeringstelling binnen korte tijd, namelijk binnen hoogstens 7 dagen wordt getoetst door de rechter-commissaris, doch dat de verdachte tevens het recht heeft zelf de toets eerder te initiëren door een verzoekschrift tot invrijheidstelling in te dienen, of, zoals de memorie van toelichting vermeld, om zijn  voorgeleiding te vragen, al onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling;

Het Hof is van oordeel dat noch uit de wetstekst noch uit de memorie van toelichting is gebleken dat de waarborg voor de verdachte alleen voor de periode van zijn inverzekeringstelling geldt. Indien in een latere fase gedurende de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling mocht blijken dat het onderzoeksbelang niet meer aanwezig is c.q. er geen gronden voor de dringende noodzakelijkheid voor de verlenging van de inverzekeringstelling meer aanwezig zijn, de mogelijkheid ook moet openstaan om in deze periode gebruik te maken van dit artikel.

Het kan naar dezerzijds oordeel nimmer de bedoeling van de wetgever zijn geweest om de rechten of de waarborgen van de verdachte te beperken tot slechts de eerste fase van de inverzekeringstelling.

Het voorgaande destilleert het Hof uit de redactie van voormeld wetsartikel, met name uit het bezigen door de wetgever van het woord “kan” hetgeen facultatief wordt geïnterpreteerd. Voorts blijkt nergens uit dat de wetgever die toets door de rechter-commissaris heeft willen limiteren tot de periode van de inverzekeringstelling;

Het Hof is op grond van het hiervoren overwogene van oordeel dat appellante wel ontvankelijk is in het beroep op grond van artikel 54 a Sv;

Overwegende, dat het Hof het materieel verweer van de raadslieden heeft getoetst aan de wet en tot het oordeel is gekomen dat het materieel verweer ongegrond moet worden geacht en wel om de volgende redenen:

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechter-commissaris voldoende feiten en omstandigheden uit de verklaringen zoals vermeld in zijn beschikking d.d. 27 november 2009 naar voren gebracht, die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit opleveren. Het niet bezigen van de verklaring van appellante in de beschikking levert formeel noch materieel een grond op ter vernietiging van de beschikking.

Voorts wordt het onderzoeksbelang nog aanwezig geacht daar de appellante vooralsnog een onaannemelijke verklaring geeft met betrekking tot de herkomst van de koffer. Daarnevens zou een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas) zoals door de raadslieden aangevoerd bij de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting opgeworpen dienen te worden weshalve het Hof daaraan zal voorbijgaan.

Gezien het betrekkelijke wetsartikel;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP

Verklaart appelante ontvankelijk in het beroep.

Wijst het verzoek van appelante af;

Bevestigt de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 27 november 2009 onder aanvulling van gronden als voormeld;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 04 december 2009 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. S.S.S. Wijnhard, leden-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoer Sing, fungerend-griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoer Sing  w.g. A. Charan

w.g. S.M.M. Chu

w.g. S.S.S. Wijnhard