SRU-HvJ-2011-4

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer Onbekend
  • Uitspraakdatum 18 februari 2011
  • Publicatiedatum 03 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    In het verleden is aangenomen dat zolang de dienstbrief van de griffier niet is verzonden, de appèltermijn niet aanvangt.
    De desbetreffende bepalingen zijn geschreven ter bescherming van de in de ongelijk gestelde partij. Het Hof acht het voor het instellen van hoger beroep niet langer wenselijk dat partijen afhankelijk zijn van bedoelde dienstbrief.
    Ook anticiperend op de invoering van art. 264 van het ontwerp Wetboek van Brv, is het Hof van oordeel dat appellant ontvankelijk is in het hoger beroep.
    De in het ongelijk gestelde partij blijft echter bevoegd de dienstbrief af te wachten alvorens appèl in te stellen.(art. 119 lid 3 jo 264 lid 3 Rv)
    Aangezien de arbeidsovereenkomst mede is ondertekend door de toenmalige President-Commissaris en de Raad van Ministers zijn instemming ermee betuigd heeft, neemt het Hof aan dat de AvA ingestemd heeft met bedoelde overeenkomst

    SJB 2011/2

Uitspraak

 

HET HOF VAN JUSTITIE IN SURINAME

In de zaak van

[bedrijf]

gevestigd te [district],

appellante, hierna aangeduid als “[bedrijf]”

gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [district],

geïntimeerde, hierna aangeduid als “[geïntimeerde]”

gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 25 juli 2006 (A.R. 041089) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [bedrijf] op 3 augustus 2006 hoger beroep heeft ingesteld;

– pleidooi d.d. 4 december 2009

– antwoordpleidooi d.d. 21 mei 2010;

– repliekpleidooi d.d. 18 juni 2010;

– dupliekpleidooi d.d. 19 november 2010.

De beoordeling

1. Het gaat in deze om het volgende:

1.1 [geïntimeerde] is vanaf 16 maart 1997 in dienst geweest van [bedrijf] als president-directeur. [geïntimeerde] beroept zich op de inhoud van een schriftelijke arbeidsovereenkomst, waarin onder meer, is bepaald (productie 1 bij het inleidend verzoekschrift):

“Artikel 1.

1. “A” (bedoeld is [geïntimeerde], toevoeging hof) treedt bij [bedrijf] in dienst als President-Directeur met ingang van 16 maart 1997, tegen een salaris bestaande uit een deel in Surinaamse guldens en een deel in Amerikaanse dollars alsvolgt opgebouwd:

a. het Surinaamse gulden deel zal bij de aanvang bruto per maand bedragen Sf 2.000.000,00

b. het Amerikaanse dollar deel zal bij aanvang per maand nettto bedragen US$ 500,00;

c. boven het hierboven vastgesteld inkomen per maand zal gelden een algemene onkosten vergoeding van Sf 500.000,00 netto per maand.

(….)

3. Het salaris, de algemene onkostenvergoeding en overige emolumenten worden aangepast onder meer indien de algemene loon- en prijsontwikkeling daartoe aanleiding geeft.

(….)

Deze arbeidsovereenkomst ia aangegaan voor onbepaalde tijd en zal door ieder der partijen tegen het eind van ieder kalenderjaar schriftelijk kunnen worden opgezegd met inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn van tenminste 3 (drie) maanden voor zowel [bedrijf] als voor “A”, alles onverminderd het bepaalde in de statuten omtrent schorsing en ontslag van de Directeur.

Artikel 2

“A” ontvangt jaarlijks een vakantietoelage ten bedrage van het salaris van een maand, uit te betalen tezamen met het salaris over de maand juli.

(…..)

Artikel 8

“A” maakt jaarlijks aanspraak op een gratificatie gelijk aan 1 (een) maal het laatstgenoten salaris per maand, gedurende dat jaar uit te betalen met het salaris over de maand december.”

1.2 [bedrijf] heeft in een brief van 15 februari 2002, onder meer, het volgende aan [geïntimeerde] meegedeeld (productie 2 bij de conclusie van antwoord):

“Reeds  meerdere malen heeft de Raad van Commissarissen U om informatie verzocht, welke informatie door U niet tijdig, te vaag of soms in het geheel niet aan de Raad van Commissarissen is verstrekt, waardoor communicatie van U met de Raad van Commissarissen in ernstige mate stagneert of zeer gebrekkig verloopt. Ook mogen wij vaststellen, dat U niet dan wel onvoldoende op vragen van de Raad van Commissarissen ingaat, waarop wij U meermalen hebben gewezen zonder dat in deze communicatie verbetering is te konstateren.

Van de bedrijfsaccountant Ritfeld & Co is vernomen, dat de financiële administratie door U slecht verzorgd is en gebleken is dat U nagelaten heeft de nodige maatregelen te treffen om daarin verbetering te brengen. Zo heeft de registratie van de basisgegevens vanaf 1997 tot nu toe zeer grote vertraging ondervonden, interne controle op de financiële  middelen is, zoals uit het accountantsverslag blijkt, niet mogelijk daar er geen funktiescheiding bestaat tussen beheer  en registratie van de financiële middelen, hetgeen als een minimum vereiste kan worden gesteld voor een richtige werking van interne controle.

Als verantwoordelijke persoon had U reeds lang verbetering daarin moeten brengen, hetgeen U heeft verzaakt. U heeft voorts niet de nodige zorgvuldigheid betracht bij de besteding van de financiële middelen, beschikbaar gesteld door de Centrale Bank van Suriname en de Volkscredietbank.

(….)

U heeft onvoldoende aandacht geschonken aan financiële administratie, hetgeen als een ernstige tekortkoming moet worden aangemerkt. Hierdoor ontbrak het middel tot het afleggen van verantwoording over het gevoerde beheer, de kontrole op het bedrijfsgebeuren en het verschaffen van informatie ten behoeve van te nemen bedrijfsbeslissingen.

Om die reden kwam pas in het jaar 2001 de jaarrekening over 1996 en 1997 gereed, terwijl de jaarrekeningen 1998 tot en met 2000 nog niet gereed zijn.

Uit al het voorgaande blijkt dat U niet de zorgvuldigheid in acht genomen heeft de financiële middelen van het bedrijf op de juiste wijze te beheren en U geen of nagenoeg geen initiatieven ondernomen heeft om de produktiemiddelen op de juiste wijze ten behoeve van het bedrijf in te zetten ten einde bedrijfsinkomsten te genereren.

Uw functioneren kan daarom als onbehoorlijk worden gekwalificeerd en U wordt  wanbeheer en wanbeleid verweten, reden waarom U per heden door de Raad van Commissarissen wordt geschorst. U wordt aangezegd zich niet meer te begeven naar en zich niet meer op te houden op en in bedrijfsterreinen en bedrijfsgebouwen van [bedrijf] en voorts wordt U aangezegd alle eigendommen van [bedrijf], welke  U onder Uw beheer en bezit heeft, over te dragen op maandag 18 februari 2002 om 9.30 uur v.m. ten kantore van [bedrijf] in aanwezigheid van de President-Commissaris”.

1.3 [bedrijf], althans haar gemachtigde, heeft in een brief van 23 september 2002, onder meer, het volgende aan [geïntimeerde] meegedeeld (productie bij de conclusie van repliek):

“Bij deze bericht ik U dat vanwege de aan U te wijten verstoorde relatie tussen U en mijn cliente [bedrijf], de Algemene Vergadering besloten heeft U te ontslaan als President-Directeur van deze vennnootschap, zulks o.m op grond van hetgeen vermeld staat in de per deurwaardersexploit van 15 februari 2002 no. 133 aan U betekende brief van dezelfde datum.

Dit ontslag is mede gebaseerd op de door het Ministerie van Arbeid, Technoligsche Ontwikkeling en Milieu verleende ontslagvergunning van 11 september 2002.

In aanmerking nemende het bepaalde in artikel 1 lid 5 van de tussen U en mijn cliente gesloten arbeidsovereenkomst bericht ik U namens mijn cliente, dat U per  31 december 2002 ontslagen bent als werknemer (President-Directeur) van [bedrijf].

Tenslotte wordt U meegedeeld dat mijn cliente zich terzake de validiteit van voormelde arbeidsovereenkomst alle rechten voorbehoudt”.

2.1 [geïntimeerde] heeft in erste aanleg voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd dat [bedrijf] werd veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van Srg 169.469.940,00 terzake achterstallig salaris c.a., vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar, met veroordeling van [bedrijf] in de kosten van het geding.

2.2 De kantonrechter heeft voormeld bedrag toegewezen en het gevorderde voor het overige afgewezen.

2.3 [bedrijf] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde].

3.1 Uit het vonnis van 5 juli 2006 valt niet af te leiden of [geïntimeerde] bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest. Voor zover [bedrijf] bij die uitspraak aanwezig is geweest heeft zij tijdig, namelijk op 3 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Voor zover zij niet bij de uitspraak aanwezig is geweest, overweegt het hof als volgt. Het vonnis is bij dienstbrief van 17 oktober 2007 aan [bedrijf] meegedeeld. Zij heeft aldus voor ontvangst van de dienstbrief hoger beroep ingesteld. Uit artikel 119 lid 3 jo 264 lid 3 Rv volgt dat, indien een partij niet bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest, het vonnis bij dienstbrief aan hem wordt meegedeeld en de termijn van hoger beroep alsdan ingaat na de verzending daarvan. Hiermee is naar het oordeel van het hof beoogd de partij die niet bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest te beschermen, in die zin dat hij op de hoogte wordt gesteld van de inhoud van het vonnis. Deze partij mag dan ook de verzending van de dienstbrief afwachten voordat hij hoger beroep instelt. Dit betekent naar het oordeel van het hof echter niet dat deze partij de brief moet afwachten. Het is immers niet billijk dat deze partij, indien hij eerder van het vonnis op de hoogte is, de verzending van de dienstbrief zou moeten afwachten, nu dit geruime tijd in beslag kan nemen. Deze gedachte ligt ook ten grondslag aan artikel 264 van het Ontwerp Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Aangezien [bedrijf] binnen dertig dagen na de uitspraak hoger beroep heeft ingesteld, is dit tijdig geschied.

3.2 [bedrijf] erkent dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst is gesloten, maar betwist dat de inhoud van de schriftelijke arbeidsovereenkomst, waar [geïntimeerde] zich op beroept, rechtsgeldig tussen partijen is vereengekomen. Zij stelt dat de algemene vergadering van aandeelhouders (de ava) nimmer heeft ingestemd met de inhoud van de arbeidsovereenkomst. In de door [geïntimeerde] overgelegde arbeidsovereenkomst is echter op de eerste pagina vermeld dat de ava [geïntimeerde] in haar vergadering van 15 maart 1997 heeft benoemd tot president-directeur. Gelet hierop had het op de weg van [bedrijf] gelegen om haar standpunt dat de ava niet heeft ingestemd met de benoeming nader toe te lichten. Zij had bijvoorbeeld de notulen van de betreffende vergadering in het geding kunnen brengen, teneinde haar standpunt te onderbouwen. Als werkgever behoort zij over dergelijke stukken te beschikken. Nu zij heeft nagelaten haar verweer te onderbouwen, dient er in rechte van uit te worden gegaan dat de ava heeft ingestemd met de benoeming van [geïntimeerde]. Daarnaast volgt uit de arbeidsovereenkomst dat de Raad van Ministers heeft ingestemd met de benoeming en dat de arbeidsovereenkomst is getekend door de toenmalig president-commissaris, de heer [naam] (hierna aangeduid als “[naam]”). [bedrijf] heeft bij repliekpleidooi aangevoerd dat [naam] ten tijde van de ondertekening van de arbeidsovereenkomst geen president-commissaris meer was. [bedrijf] heeft dit verweer evenwel op geen enkele wijze onderbouwd. Nu voor het overige niet is gesteld, noch gebleken dat de president-commissaris niet bevoegd was [bedrijf] te vertegenwoordigen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde], staat in rechte voldoende vast dat partijen de arbeidsovereenkomst hebben gesloten met de inhoud als door [geïntimeerde] gesteld. Dat volgens [bedrijf] de arbeidsvoorwaarden nimmer zouden zijn afgesproken, indien [naam] en [geïntimeerde] niet bevriend waren geweest, kan hier niet aan afdoen, aangezien, zoals hiervoor is overwogen, [naam] bevoegd was de arbeidsovereenkomst namens [bedrijf] aan te gaan. Nu [bedrijf] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en zij bovendien in hoger beroep geen bewijsaanbod heeft gedaan, wordt zij niet toegelaten tot bewijslevering.

3.3.1 Naar het hof begrijpt, voert [bedrijf] aan dat [geïntimeerde] geen recht heeft op salaris, omdat hij niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Zij heeft hem, gelet op door hem gevoerd wanbeleid, per 15 februari 2002 geschorst, aldus [bedrijf]. Nu is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] in de periode voor zijn schorsing de bedongen arbeid niet heeft verricht, dient het salaris over die periode te worden uitbetaald, ongeacht de vraag of [geïntimeerde] al dan niet voldoende heeft gefunctioneerd. Naar het oordeel van het hof kan slechts in uitzonderingsgevallen worden aangenomen dat de werknemer geen recht heeft op loon indien hij onvoldoende presteert, bijvoorbeeld wanneer de werknemer opzettelijk ernstig tekortschiet. Van dit laatste is in het onderhavige geval onvoldoende gebleken. Voor de periode vanaf de schorsing tot aan het einde van het dienstverband, staat vast dat [geïntimeerde] geen werkzaamheden heeft verricht. Dat hij in die periode geen werkzaamheden heeft verricht, is een gevolg van de schorsing en in die zin aan [bedrijf] te wijten. Gelet hierop heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof ook recht op salaris na schorsing.

3.3.2 [bedrijf] voert aan dat onduidelijk is over welke perioden [geïntimeerde] stelt nog recht te hebben op salaris c.a. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. [geïntimeerde] stelt dat eerst vanaf augustus 2000 het salaris conform de arbeidsovereenkomst is betaald, maar hij vordert wel salaris over de periode na augustus 2000. Uit door hem overgelegde loonstroken volgt echter dat hij in de periode na augustus 2000 in ieder geval over een aantal maanden salaris heeft ontvangen,. Uit de door [geïntimeerde] in eerste aanleg overgelegde berekeningen volgt onvoldoende wat [geïntimeerde] vordert over welke periode. Gelet op deze onduidelijkheden wordt [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld zich hierover bij akte nader uit te laten. Met name wenst het hof nader te worden voorgelicht over de vraag welke salarisonderdelen de door [geïntimeerde] gevorderde bedragen betreffen (vast maandsalaris dan wel toelage). [geïntimeerde]  dient daarnaast per maand aan te geven hoeveel salaris is betaald en op welke salarisonderdelen hij meent nog recht te hebben. Van hem wordt verwacht dat hij het door hem gevorderde bedrag van Srg 169.469.940,00 (Srd 169.469,94) duidelijk specificeert. [bedrijf] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld een antwoordakte te nemen. Voor zover zij zich op het standpunt zal stellen dat het salaris (deels) is betaald, dient zij daarvan bewijzen te overleggen. De bewijslast van de betaling rust volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling immers op [bedrijf].

3.3.3 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 1 april 2011 voor het nemen van een akte aan de zijde van [geïntimeerde] teneinde zich uit te laten omtrent hetgeen hiervoor onder 3.3.2 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 18 februari 2011, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. R.G. Rodrigues

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. S.A. van Lobbrecht namens haar gemachtigde, advocaat mr. B.A. Halfhide en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. Esajas namens zijn gemachtigde, advocaat mr. R.G. Sewcharan, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.