SRU-HvJ-2011-5

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-684
  • Uitspraakdatum 03 juni 2011
  • Publicatiedatum 12 juni 2020
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Aan de Staat wordt opgedragen om bewijs te leveren van haar stelling dat zij het ontslagbesluit op rechtsgeldige wijze ter kennis van [eiser] heeft gebracht.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],
wonende te Paramaribo,
eiser, hierna aangeduid als [eiser],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerster, hierna aangeduid als “de staat”,
gemachtigde: mr. P.J. Campagne, beleidsadviseur werkzaam bij het Bureau Landsadvocaat van het Ministerie van Justitie,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • verzoekschrift d.d. 10 september 2009, ter griffie op die datum ontvangen, met producties;
  • verweerschrift d.d. 14 april 2010, met producties;
  • de beschikking van het hof van 27 april 2010 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 juni 2010, welke is verplaatst naar 1 oktober 2010 en is voortgezet op 29 oktober 2010;
  • akte uitlating na gehouden verhoor van partijen zijdens [eiser] d.d. 29 oktober 2010;
  • antwoordakte zijdens de staat d.d. 3 december 2010.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. [eiser] is in 1997 als militair in dienst getreden van de staat.

1.2. Bij brief van de staat d.d. 10 mei 2006 is onder meer het volgende aan [eiser] meegedeeld (productie 1 bij het verzoekschrift):

“U werd op 19 augustus 2004 door de Militaire Politie in verzekering gesteld als verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding Wet op Verdovende middelen.
Bij de Krijgsraad-zitting van 22 februari 2005 bent u veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden met aftrek en een geldboete van Srd 2.000,- subsidiair 02(twee) maanden hechtenis.
In de bespreking van de Rehab. Commissie d.d. 17 november 2005 is geadviseerd u bij de Minister van Defensie voor te dragen voor ontslag onder opschortende voorwaarde op grond van artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”.

De Minister heeft beslist dat u wordt ontslagen uit de militaire dienst.
Het een en ander zal middels een beschikking van de Minister worden geformaliseerd.”

1.3. Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 8 september 2006 met nummer 2961/06 is onder meer het volgende vermeld (productie 1 bij het verweerschrift):

“– dat de heer [eiser] voornoemd bij de Krijgsraadzitting van 22 februari 2006 (bedoeld is 2005, toevoeging hof) wegens overtreding Wet op verdovende middelen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden met aftrek en een geldboete van SRD.2000,= subsidiair, 02(twee) maanden hechtenis.
– dat hij bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van 09 september 2005 in de gelegenheid werd gesteld zich terzake schriftelijk te verweren, doch in zijn verweerschrift van 12 september 2005 geen steekhoudende argumenten heeft kunnen aanvoeren welke ertoe zouden kunnen leiden om van bestraffing af te zien;
(…)

HEEFT BESLOTEN:

l. Om redenen voormeld, de Korporaal in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie, ingedeeld bij het Korps Militaire Politie, [eiser], geboren op [geboortedatum], ingevolge artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, uit Staats (militaire) dienst te ontslaan. Dit ontslag gaat in de dag nadat het onderhavige besluit overeenkomstig artikel 3 van de “Wet rechtspositie Militairen”, ter kennis van betrokkene is gebracht.”

1.4. Bij brief van 2 april 2007 heeft de staat onder meer het volgende aan [eiser] meegedeeld (productie 3 bij het inleidend verzoekschrift):

“Hierbij deel ik u mede, dat u op 20 augustus 2006 in verzekering werd gesteld door de Militaire Politie als verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan valsheid in geschriften en veroordeeld bent op 27 februari 2007 tot een gevangenisstraf van twaalf(12) maanden met aftrek.
Aangezien de veroordeling een grond tot ontslag oplevert, ingevolge artikel 35 lid 4 van de “Wet Rechtspositie Militairen” wordt u in de gelegenheid gesteld zich binnen 5 (vijf) werkdagen na ontvangst van dit schrijven schriftelijk te verantwoorden.”

1.5. Bij brief van 20 april 2007 heeft de staat onder meer het volgende aan de gemachtigde van [eiser] meegedeeld (productie 5 bij het inleidend verzoekschrift):

“Middels deze weg wil ik U meedelen dat abusievelijk een uitnodiging tot verweer d.d. 2 april j.l. is toegezonden aan Uw client.
Gezien het feit dat Uw client bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 08 februari 2006 nr. P.W. 2961/06 reeds ontslagen is, dient deze uitnodiging tot verweer als niet verzonden beschouwd te worden.
Er wordt dan ook geen reactie meer verwacht zijdens Uw client.”

1.6. De gemachtigde van [eiser] heeft bij brief van 30 juni 2008 onder meer het volgende aan de staat meegedeeld (productie 6 bij het inleidend verzoekschrift):

“Uw schrijven met bovenvermeld kenmerk d.d. februari 2008 heb ik meerdere keren met cliënt besproken, echter blijft hij volhouden nimmer een ontslagbeschikking te hebben gehad. Hij stelde dat indien hij de beschikking wel had ontvangen hij toch beroep tegen de beslissing zou hebben ingesteld? Deze opstelling van cliënt is begrijpelijk. Immers is niet aangetoond, bijvoorbeeld middels ondertekening voor ontvangst, zoals voorgeschreven is, dat de beschikking aan cliënt is overhandigd.
Het feit dat derhalve niet is aangetoond dat de ontslagbeschikking aan cliënt is uitgereikt, betekent dat, voor zover die beschikking inderdaad is uitgegeven, deze jegens cliënt geen effect kan sorteren.
Cliënt houdt zich, voor alle duidelijkheid, bij deze derhalve nog immer beschikbaar om op elke afroep de bedongen werkzaamheden te verrichten.
Ook wordt het ministerie bij deze verzocht, zonodig gesommeerd, om cliënt binnen 14 dagen na heden het achterstallige loon, inclusief wettelijke verhoging te voldoen, bij gebreke waarvan ik opdracht heb een vordering, strekkende tot betaling van achterstallig loon, in rechte te vorderen.”

2.1. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

primair: veroordeling van de staat om [eiser] weder te werk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van Srd. 1.000,00 per dag althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat de staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
subsidiair: veroordeling van de staat om aan [eiser] te betalen het aan hem toekomend loon vanaf augustus 2004 tot aan de dag der rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de indiening van het verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening;
zulks met veroordeling van de staat in de kosten van het geding.

2.2. De Staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

Bevoegdheid

3.1.1. Uit artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen volgt dat de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals neergelegd in de artikelen 79 tot en met 83 van de Personeelswet (PW), zich mede uitstrekt tot militaire ambtenarenzaken. In artikel 79 PW zijn de vorderingen waarover het hof als eerste en enige instantie bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Naar het oordeel van het hof kan de primaire vordering van [eiser] worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c PW, te weten een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een handeling, namelijk wedertewerkstelling, in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren is bepaald. Dit betekent dat het hof bevoegd is om van de primaire vordering kennis te nemen.

3.1.2. [eiser] vordert subsidiair betaling van achterstallig salaris vanaf augustus 2004. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 PW. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b PW wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [eiser] niet betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallig salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b PW bevoegd om van de subsidiaire vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

De primaire vordering

3.2. In artikel 80 lid 2 sub c PW is bepaald dat een vordering als de onderhavige primaire vordering niet-ontvankelijk is, indien deze is ingediend meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 PW geacht wordt het besluit te hebben genomen. In artikel 78 lid 2 PW is bepaald dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het heeft nagelaten binnen de daarvoor gestelde termijn, of, zo een tijdsbepaling ontbreekt, binnen drie maanden een verplichte handeling te verrichten. [eiser] is op 19 augustus 2004 in verzekering gesteld en uiteindelijk veroordeeld tot twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek. Aannemelijk is aldus dat hij in augustus 2005 op vrije voeten is gesteld. Aangezien is gesteld noch gebleken dat de staat [eiser] heeft geschorst, was zij, bij gebreke van een ontslagbesluit, welk besluit volgens de staat immers eerst op 8 september 2006 is genomen, in beginsel gehouden hem na zijn vrijlating weer toe te laten tot de werkzaamheden. Nu zij dit achterwege heeft gelaten, lag het op de weg van [eiser] om binnen drie maanden na augustus 2005 een vordering tot wedertewerkstelling in te stellen. Aangezien [eiser] het verzoekschrift eerst op 10 september 2009 heeft ingediend, heeft hij de termijn van drie maanden ruimschoots overschreden, zodat hij niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot wedertewerkstelling.

De subsidiaire vordering

3.3.1. Uit artikel 39 van de Wet rechtspositie militairen volgt dat ter zake het salaris van de militair ambtenaar de artikelen 28 tot en met 35 PW van overeenkomstige toepassing zijn. Op grond van artikel 28 lid 1 PW laatste zinsnede is de staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 79 lid 1 sub b juncto 80 lid 2 sub c PW is de vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het salaris had moeten worden betaald, aldus meer dan drie maanden na de laatste dag van de maand waarin geen salaris is betaald. Aangezien het verzoekschrift op 10 september 2009 is ingediend, is de subsidiaire vordering slechts ontvankelijk voor zover het betreft de maanden vanaf juni 2009. Het hof oordeelt dienaangaande als volgt.

3.3.2. De staat voert aan dat [eiser] bij besluit van 8 september 2006 is ontslagen, welk besluit hem volgens haar op 30 oktober 2006 door een sergeant van de Militaire Politie is meegedeeld in zijn cel in het Hoofdkwartier van de Militaire Politie, alwaar hij was ingesloten op verdenking van een nieuw strafbaar feit (zie productie 2 bij het inleidend verzoekschrift). [eiser] voert aan dat hij het ontslagbesluit nimmer heeft ontvangen. In artikel 36 lid 2 Wet rechtspositie militairen is bepaald dat het besluit tot ontslag door middel van een afschrift ter kennis van de militaire landsdienaar wordt gebracht. Volgens artikel 3 van die wet kan dit middels overhandiging van het afschrift aan de ambtenaar, door persoonlijke uitreiking van een aangetekende brief dan wel door betekening. In het ontslagbesluit is bepaald dat het ontslag ingaat de dag nadat het besluit overeenkomstig artikel 3 van de Wet Rechtspositie Militairen ter kennis van [eiser] was gebracht. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat het ontslagbesluit, teneinde werking te hebben, op rechtsgeldige wijze aan [eiser] moet zijn meegedeeld.

3.3.3. Voor zover in rechte mocht komen vast te staan dat de staat het besluit op rechtsgeldige wijze aan [eiser] heeft meegedeeld, is de staat naar het oordeel van het hof geen salaris c.q. schadevergoeding ter hoogte van het salaris verschuldigd vanaf het moment dat het besluit conform de wet werking heeft gekregen. Gesteld noch gebleken is immers dat [eiser] tijdig een vordering tot nietigverklaring van het besluit heeft ingesteld, zodat er alsdan in rechte van uit moet worden gegaan dat [eiser] is ontslagen. Aangezien [eiser] de inhoud van de verklaring van de sergeant betwist en volhardt in zijn standpunt dat hij het ontslagbesluit nimmer heeft ontvangen, wordt aan de staat te bewijzen opgedragen dat zij het ontslagbesluit d.d. 8 september 2006 op rechtsgeldige wijze ter kennis van [eiser] heeft gebracht.

3.4. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

Het hof:

draagt de staat op om door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door het doen horen van getuigen, bewijs te leveren van haar stelling dat zij het ontslagbesluit d.d. 8 september 2006 op rechtsgeldige wijze ter kennis van [eiser] heeft gebracht;

bepaalt dat het getuigenverhoor wordt gehouden op vrijdag 7 oktober 2011 in raadkamer van het hof zitting houdende aan de Grote Combéweg 2 te Paramaribo;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 3 juni 2011, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Waarnemend Substituut-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun w.g. R.G. Rodrigues

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. Heijmans namens zijn gemachtigde advocaat, mr. Sewcharan en verweerder vertegenwoordigd door mr. de Bies namens de gemachtigden, mr. Campagne en mr. van der San, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.