SRU-HvJ-2012-4

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 23/2012
  • Uitspraakdatum 08 mei 2012
  • Publicatiedatum 03 april 2019
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    – De frequentie en de intensiteit van de verhoren zijn niet van dien aard dat sprake is van schending van het “fair trial” beginsel.
    – De enkele omstandigheid dat – in de visie van de verdediging – geen voldoende bewijs voor handen is, betekent niet dat het openbaar ministerie, dat dominus litis is terzake de vervolging van strafbare feiten, het vervolgingsrecht mist.
    – Er kan niet geconcludeerd worden dat de verdachte een kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd, indien deze kennelijke leugenachtigheid geen grondslag vindt in ander bewijsmateriaal (direkt en/of indirekt bewijs) dan de verklaring van de verdachte zelf. Nu dat ander bewijsmateriaal ontbreekt, kan i.c. de door de verdachte afgelegde verklaring NIET als kennelijk leugenachtig worden gekwalificeerd. Hierdoor is er ontoereikend bewijs om de bewijsvraag in positieve zin te beantwoorden en moet de verdachte bij gebrek aan toereikend bewijs in de zin van wettig en overtuigend bewijs, van de gehele tenlastelegging worden vrijgesproken.

    SJB

Uitspraak

IN NAAM DER REPUBLIEK

Vonnisnummer: 23/2012

Uitspraak: 08 mei 2012

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in geschrift overgelegde vonnis, van de kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 28 april 2005 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [geboortedag] te [district], [land1], wonende ten tijde van de aanhouding aan de [adres1] te [ditrict] en in [land 2]: [adres 2] te [woonplaats], van beroep: boekhoudkundig medewerker, sedert 21 oktober 2010 in vrijheid gesteld;

verschenen in persoon en bijgestaan door zijn raadsman mr. G. Sewcharan, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 28 april 2005 op de voorgeschreven wijze appel heeft getekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton. Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 29 april 2005 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis.

Gelet op het vorenstaande hebben de beide partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de verdachte ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding onder A ten laste gelegde zal vrijspreken en hem onder aanvulling van de aangehaalde bewijsmiddelen te veroordelen terzake hem onder B van de dagvaarding van 7 juni 2004 is ten laste gelegd tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht, met verbeurdverklaring van de in beslag genomen voorwerpen (messen, koevoet, grijze pet en verstelbare sleutel) en met bevel tot gevangenneming van de verdachte.

De verdediging heeft:

– primair bepleit dat de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk diet te worden verklaard;

– subsidiair bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton ten laste gelegde;

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 28 april 2005 is de verdachte – verkort weergegeven ter zake van het onder A ten laste gelegde (moord) vrijgesproken en ten aanzien van het onder B ten laste gelegde, zoals voorzien en strafbaar gesteld in artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen en handhaving van het bevel tot gevangenhouding.

Het hof verenigt zich niet met het beroepen vonnis, reden waarom het hof het vonnis a quo van de kantonrechter zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

De ontvankelijkheid van de vervolgingsambtenaar

De verdediging heeft de niet-ontvankelijkheid van de vervolgingsambtenaar bepleit en daartoe de navolgende verweren gevoerd –verkort en zakelijk weergegeven-:

(a) In het kader van het politie-onderzoek is verdachte meer dan 18 keren door de politie bij proces-verbaal verhoord, waarvan vijf keren als getuige/slachtoffer/aangever. Een dergelijke wijze van politieoptreden levert een ernstige schending op van het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals dat gewaarbogd is in artikel 8 lid 1 van het Amerikaans Verdrag inzake de rechten van de mens (AVRM).

(b) De vordering mist het vervolgingsrecht nu uit het politieonderzoek geen bezwarende feiten en/of omstandigheden contra de verdachte waren gerezen. Verwezen wordt naar processen-verbaal waarin diefstal middels braak in beeld wordt gebracht, zodat verdachte niet voor het tenlastegelegde vrijheidsberoving vervolgd zou mogen worden. Door dit desalniettemin te doen, handelt de vervolging in strijd met het fair-trial en het beginsel van redelijke belangenafweging als een der beginselen van behoorlijke strafprocesorde.

(c) De officier van justitie was ten tijde van het rekwireren emotioneel betrokken bij de zaak en was derhalve niet objectief. Hierin had de kantonrechter aanleiding moeten vinden om de officier van justitie in kwestie van de zaak te halen, althans haar dat voor te stellen.

Het hof oordeelt omtrent deze gevoerde verweren als volgt:

(ad a) Gelet op de tenlastegelegde feiten acht het hof de frekwentie en de intensiteit van die verhoren niet van dien aard, dat deze de kwalificatie schending van het fair trial beginsel rechtvaardigen. Gesteld noch anderszins gebleken is dat door deze wijze en indringendheid van verhoren in strijd gehandeld is met het pressieverbod. Dit verweer wordt dan ook als zijnde ongegrond verworpen.

(ad b) Het hof stelt voorop dat inzake de vervolging het Openbaar Ministerie een dominus litis positie inneemt. Deze vrijheid van het Openbaar Ministerie vindt echter zijn begrenzing in de beginselen van behoorlijke procesorde. De enkele omstandigheid dat –in de visie van de verdediging- geen voldoende bewijs voorhanden is, betekent niet dat het Openbaar Ministerie het vervolgingsrecht zou missen. Het Openbaar Ministerie is niet gebonden aan de bewijsappreciatie van de politie, nog afgezien of zulks tot het domein van de politie behoort, nu de politie belast is –grosso modo- met de bewijsgaring en niet met bewijsappreciatie.

Overigens kon de verdediging het middel van buitenvervolgingstelling aanwenden, voor zover de verdediging van oordeel was dat het Openbaar Ministerie het vervolgingsrecht miste. Al met al treft dit verweer geen doel.

(ad c) Dit verweer mist belang, nog daargelaten de juistheid van het verweer van de verdachte, nu het hof in deze zaak tot een andere beslissing komt dan de kantonrechter in eerste aanleg.

De tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Vrijspraak

De bewijsvraag die hier beantwoording behoeft betreft de vraag of verdachte op die pleegdatum het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

Uit de inhoud van het onderliggend strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verdachte iedere betrokkenheid ontkend. Nu er geen direkte getuigen zijn die de “daad” hebben zien gebeuren, moet gekeken worden of, en zo ja in welke mate, indirekt bewijs, de zgn. “circumstantial evidence” valt te destilleren uit de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting.

Vast staat dat de Technische Opsporings- en Herkenningsdienst (TOHD) van de politie op de plaats delict (p.d.) een technisch- en tactisch onderzoek heeft ingesteld. Echter is uit het onderzoek ter terechtzitting met name de ter zitting afgelegde verklaringen van de respectieve technische/tactische rechercheurs naar voren gekomen dat niet uitgesloten moet worden dat het verkregen resultaat gecontamineerd kan zijn. om deze reden zal het hof het resultaat dat uit dit onderzoek van de TOHD is voortgevloeid niet tot bewijs bezigen.

Vast staat dat verdachte steeds wisselende, innerlijk inconsistente verklaringen heeft afgelegd, waarbij hij steeds in essentie is blijven ontkennen. Deze ontkentenis geeft reden de verklaring van de verdachte als niet betrouwbaar aan te merken.

Echter kan naar het oordeel van het hof deze enkele omstandigheid niet als kennelijk leugenachtige verklaring aangemerkt worden, nu voor aanname van kennelijk leugenachtige verklaring vereist is dat, de kennelijke leugenachtigheid zijn grondslag moet vinden in ander bewijsmateriaal dan de verklaring van de verdachte zelf. Nu er geen danwel onvoldoende toereikend ander bewijsmateriaal voorhanden is, waaruit de kennelijke leugenachtigheid van de verdachte zou moeten blijken, heeft dit tot gevolg dat de verklaring van de verdachte niet als kennelijk leugenachtige verklaring kan worden gebezigd.

Weliswaar hebben enkele naaste buren gegil, komende uit de woning van het slachtoffer, op die bewuste avond gehoord, doch dit gegil kan niet herleid worden tot een bepaalde persoon. Mitsdien draagt deze omstandigheid in bewijsrechtelijk opzicht, naar het oordeel van het hof, niet bij tot aanname van het daderschap van de verdachte.

Het bovenstaande in zijn totaliteit in ogenschouw genomen, is het hof, anders dan de kantonrechter en de vervolgingsambtenaar, van oordeel dat in de onderhavige zaak ontoereikend bewijs aanwezig is om de bewijsvraag in positieve zin te beantwoorden. Bijgevolg moet verdachte bij gebrek aan toereikend bewijs in de zin van wettig overtuigend bewijs van de gehele tenlastelegging worden vrijgesproken.

Beslissing:

Het hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Verenigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 28 april 2005 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij inleidende dagvaarding in het Tweede kanton tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan integraal vrij:

Aldus gewezen door:

mr.I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend President,

mr. R.G. Rodriques, Lid, en mr. A.C. Johanns, lid-plaatsvervanger,

bijgestaan door mw. I. Madarsa, als fungerend-griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 08 mei 2012.

w.g. I. Madarsa wg. I.H.M.H. Rasoelbaks

w.g. R.G. Rodriques

w.g. A.C. Johanns

Voor afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr.M.E. van Genderen-Relyveld)

I.D.

N.O. Verdachte,

[naam]

(i.v. 27.03.04)

EXTRACT VOOR DE RECHTER

a. Het aanbrengen der zaak,

Datum van inkomen bericht, klacht aangifte op proces-verbaal.

16 maart 2004

Korte omschrijving van het ten laste gelegde feit, terzake dat hij:

op of omstreeks dinsdag 16 maart 2004, althans in het jaar 2004, te [district], in ieder geval in [land 1];

A tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking) met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging als vermeld, in ieder geval alleen, toen aldaar,-na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en/of het plan te hebben beraamd om die [slachtoffer] van het leven te beroven- ter uitvoering van dat voornemen en/of dat plan, opzettelijk gewelddadig voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp een of meer steken toegebracht aan het hoofd en/of de linker-oksel en/of het (boven-)buikgebied en/of derechterhand, althans het lichaam, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] heeft bekomen zodanige letsels als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door de patholoog-anatoom, Drs. F. Henar, van welk visum et repertum een fotokopie aan deze dagvaarding wordt gehecht en welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening wordt gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinsereerd moet worden beschouwd,

zijnde die [slachtoffer] tengevolge van een of meer dier letsels, althans mede tengevolge van schock door bloedverlies ten gevolge van perforatie van de grote holle lichaamsader tengevolge van een steekverwonding in de rechterbovenbuik, overleden.

Althans, indien en voor zover het onder A gestelde niet tot een veroordeling mocht komen of zou kunnen leiden;

B tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking) met een ander(en), althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging als vermeld, in ieder geval alleen, toen aldaar opzettelijk gewelddadig voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp een of meer steken toegebracht aan het hoofd en/of de linkeroksel en/of het boven-buikgebied en/of de rechterhand, althans het lichaam, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] heeft bekomen zodanige letsel als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door de patholoog-anatoom, Drs. F. Henar, van welk visum et repertum een fotokopie aan deze dagvaarding wordt gehecht en welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening wordt gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinsereerd moet worden beschouwd,

zijnde die [slachtoffer] tengevolge van een of meer dier letsels, althans mede tengevolge van schock door bloedverlies ten gevolge van perforatie van de grote holle lichaamsader tengevolge van een steekverwonding in de rechterbovenbuik, overleden.

althans indien en voor zover het onder A en B gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

C tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking met een ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, welk feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging als vermeld, in ieder geval alleen, toen aldaar – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd om die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen – ter uitvoering van dat voornemen en/of dat plan, opzettelijk gewelddadig voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp een of meer steken toegebracht aan het hoofd en/of de linkeroksel en/of het boven-buikgebied en/of de rechterhand, althans het lichaam, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] heeft bekomen zodanige letsel als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door de patholoog-anatoom, Drs. F. Henar, van welk visum et repertum een fotokopie aan deze dagvaarding wordt gehecht en welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening wordt gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinsereerd moet worden beschouwd, in ieder geval zwaar lichamelijk letsel,

zijnde die [slachtoffer] tengevolge van een of meer dier letsels, althans mede tengevolge van schock door bloedverlies ten gevolge van perforatie van de grote holle lichaamsader tengevolge van een steekverwonding in de rechterbovenbuik, overleden.

Althans indien en voorzover het onder A,B en C gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

D tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe bewuste samenwerking) met een ander(en), althans alleen, opzettelijk [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, welk feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad,

hebbende hij, verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, in ieder geval alleen, toen aldaar opzettelijk gewelddadig voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp een of meer steken toegebracht aan het hoofd en/of de linkeroksel en/of het boven-buikgebied en/of de rechterhand, althans het lichaam, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] heeft bekomen zodanige letsel als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door de patholoog-anatoom, Drs. F. Henar, van welk visum et repertum een fotokopie aan deze dagvaarding wordt gehecht en welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening wordt gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinseteerd moet worden beschouwd, in ieder geval zwaar lichamelijk letsel,

zijnde die [slachtoffer] tengevolge van een of meer dier letsels, althans mede tengevolge van schock door bloedverlies ten gevolge van perforatie van de grote holle lichaamsader tengevolge van een steekverwonding in de rechterbovenbuik, overleden.

Tijd en plaats der overtreding; zie de stukken.

Afgelegde verklaring; zie de stukken.