SRU-HvJ-2013-5

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR 14585
  • Uitspraakdatum 16 augustus 2013
  • Publicatiedatum 05 juli 2023
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Geintimeerden hebben, ondanks (1) daartoe op de door de wet bepaalde wijze te zijn opgeroepen en (2) het Hof door tussenkomst van de griffier verscheidene malen per aangetekende dienstbrief hun de gelegenheid heeft geboden om verweer te voeren tegen de grieven van appellant met betrekking tot het beroepen vonnis, zulks nagelaten. De door appellant ingebrachte grieven zijn gelet op het vorenstaande in rechte komen vast te staan en dit heeft ertoe geleid dat het beroepen vonnis is vernietigd.

Uitspraak

GR- 14585

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],

handelende onder  [handelsnaam 1], 

wonende aan [adres 1] te Paramaribo,

appellant, 

hierna ook aangeduid als [appellant],

gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat,

tegen

  1. [Geïntimeerde sub A],
  2. [Geïntimeerde sub B],

beide wonende te [adres 2], [woonwijk] in Nederland,

ten deze in Suriname kantoorhoudende aan [adres 3]

te  [plaats]

en handelende onder [handelsnaam 2],

geïntimeerden,

 hierna ook aangeduid als [geïntimeerden],

niet  verschenen,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 10 februari  2009 (A.R.NO. 043713) tussen appellant als eiser en geḯntimeerden als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het  procesverloop in hoger beroep

Het  procesverloop  in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • De pleitnota de dato 18 november  2011, onder overlegging van producties;
  • Ten dage voor het nemen van een antwoordpleitnota  peremptoir bepaald is er geen pleitnota genomen; 
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 17 augustus  2012 doch nader op heden;

Ontvankelijkheid in hoger beroep

Op de dag van de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting verschenen. De aangetekende dienstbrief zijdens de griffier waarbij een afschrift van het vonnis aan appellant is toegezonden is gedateerd 06 juli 2009 en begint  dus de termijn van hoger beroep ingevolge het bepaalde in artikel 264 WvBRv, zijnde 30 dagen, op die datum te lopen. Gebleken is dat appellant op 16 juli 2009 –onder intrekking van zijn eerdere appèlbrief de dato 05 maart 2009- hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de Kantonrechter, hetgeen binnen de bij wet gestelde termijn is geschied, zodat hij zal worden ontvangen in het hoger beroep.

De  beoordeling in hoger beroep

  1. Het  gaat in deze zaak om het volgende;
  1.   Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 10 februari  2009 is de vordering van appellant (toen eiser) afgewezen en is hij in de proceskosten veroordeeld; 
  2.     [Appellant] heeft tegen het beroepen vonnis twee grieven aangevoerd en geḯntimeerden hebben –hoewel daartoe op de door de wet bepaalde wijze opgeroepen zijnde- geen verweer gevoerd. Hierna heeft het Hof door tussenkomst van de griffier verscheidene malen per aangetekende dienstbrief de geḯntimeerden alsnog de gelegenheid geboden om te reageren op de door appellant aangevoerde grieven, welke pogingen helaas vruchteloos zijn gebleken;  
  3.   Gelet op al het voorgaande komt het Hof  tot de slotsom dat de door  [appellant] tegen het beroepen vonnis ingebrachte grieven –als niet weersproken- in rechte zijn komen vast te staan. De consequentie van het voorgaande is dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende het oorspronkelijk  gevorderde in eerste aanleg alsnog  zal worden toegewezen en  zullen [geïntimeerden], als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om de gedingkosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van [appellant] gevallen, voor hun rekening te nemen.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 10 februari 2009, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Veroordeelt  [geïntimeerden] om aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma groot Euro 193.500,- (EENHONDERD EN DRIE EN NEGENTIGDUIZEND EN VIJFHONDERD EURO), vermeerderd met de wettelijke rente over vermeld bedrag ad 6% per jaar, vanaf 18 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

Verklaart van waarde het ten deze gelegd conservatoir derden beslag bij exploit no. 444 van deurwaarder  Debipersad Hieralal d.d. 29 december 2004 onder  De Surinaamsche Bank N.V. en De N.V. Integra Marine & Freight Services op alle gelden, goederen en/of geldswaardige papieren, die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of  worden, onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van geïntimeerden;

Veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van [appellant] gevallen en tot aan deze uitspraak in eerste aanleg begroot op SRD. 176,- (Eenhonderd en Zes en Zeventig Surinaamse Dollars) en in hoger beroep op SRD. 480,- (Vierhonderd en Tachtig Surinaamse Dollars);

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het  Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag  16 augustus 2013, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                                                                                        w.g. A. Charan

Appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. V.M.S. Nooitmeer namens zijn gemachtigde, advocaat mr. D.F. Chocolaad, terwijl geïntimeerden noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

 Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

 

  1. M.E. van Genderen-Relyveld