SRU-HvJ-2014-2

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer Onbekend
  • Uitspraakdatum 20 juni 2014
  • Publicatiedatum 03 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Uit de door Sasur zelf geponeerde stellingen dat sprake is van mandaatovereenkomsten – welke in het algemeen strekken om in naam van en onder verantwoordelijkheid van een ander te handelen – vloeit voort dat de gerechtigden hun aanspraken niet aan Sasur hebben overgedragen. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat naar het voorlopig oordeel van het Hof niet aannemelijk is geworden dat in casu sprake is van een eigen belang van Sasur, hetgeen tot gevolg heeft dat Sasur niet-ontvankelijk is in de subsidiair gevorderde voorziening.

    SJB

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

De Stichting Auteursrechten Suriname,

Appellant,

Hierna aangeduid als “Sasur”,

Gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

Gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

Tegen

De Staat Suriname m.n. het Ministerie van Justitie en Politie,

In rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

Kantoorhoudende te Paramaribo,

Geintimeerde, hierna aangeduid als “de Staat”,

Gemachtigden: mr. D.S. Kraag en mr.dr. J. van Dijk – Silos, advocaten,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 11 juli 2013 (A.R.no. 13-2218) tussen Sasur als eiseres en de Staat als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verder procesverloop

1.1. Het verder procesverloop is uit het proces-verbaal d.d. 26 maart 2014 waarin verslag is gedaan van de mondelinge pleidooien van partijen.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

De ontvankelijkheid

2. Sasur is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak van het beroepen vonnis. Dat vonnis is bij griffiersbrief van 17 julil 2013 aan partijen toegezonden. Sasur heeft bij schrijven van haar gemachtigde op 30 juli 2013 appél aangetekend.

Gelet op het voorgaande heeft Sasur tijdig appél aangetekend tegen het hoger aangehaald vonnis, nu dit binnen de termijn van veertien dagen na dagtekening van de dienstbrief van de griffier der kantongerechten is geschied, zodat zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De feiten

3.1  Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie (hierna aangeduid als “de Minister”) van 21 april 2005 Jno.1580 is aan Sasur toestemming verleend om gedurende 3 jaar als   bedrijf bemiddeling te verlenen inzake muziekauteursrechten. Bij beschikking van de Minister van 17 mei 2006 no. 1704 is de beschikking van de Minister van 21 april 2005 Jno. 1580 gewijzigd en is voornoemde toestemming voor onbepaalde tijd verleend.

3.2  Bij beschikking van de Minister van 23 februari 2012 Jno. 00719 is aan Sasur verleende toestemming ingetrokken.

Daartoe is ondermeer overwogen:

“ – Dat, naar recentelijk is gebleken, er een ernstige controverse is ontstaan tussen voormelde stichting en de gebruikers van muziekwerken;

– Dat de Regering op grond van het voorgaande alle ruimte krijgt om op deugdelijke wijze voormelde controverse op te heffen;

– Dat het derhalve nodig is om de verleende toestemming als bedoeld in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 21 april 2005 no. J. 1580…zoals gewijzigd bij de Beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 17 mei 2006 no. 1704…in te trekken.”

3.3  Sasur heeft tegen het onder 3.2 genoemde intrekkingsbesluit in kort geding een procedure (bekend onder A.R. 120804) aanhangig gemaakt tegen de Staat waarin zij vorderde:

Primair: de Staat te gelasten de gewraakte beschikking in te trekken;

Subsidiair: de gewraakte beschikking op te schorten, totdat onherroepelijk daarover zal zijn beslist;

3.4   De kantonrechter in het Eerste Kanton heeft bij vonnis van 15 maart 2012 (A.R. 120804) de intrekkingsbeschikking van 23 februari 2012 Jno. 12/00719 in zijn werking geschorst totdat definitief daarover zal zijn beslist door de bodemrechter;

3.5   De beschikking van de Minister d.d. 17 mei 2013, Jno. 13/02718, is bepaald dat met onmiddellijke ingang wordt ingetrokken de in overweging 3.2 en 3.1 genoemde beschikking. Daartoe is overwogen:

“ – dat de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 23 februari 2012, Jno. 12/00719 bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kortgeding van 15 maart 2012 A.R. no. 120804 in zijn werking is geschorst;

– dat de Stichting Auteursrechten Suriname (SASUR) zoals processueel verwacht moest worden, tot op heden geen bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt;

– dat langer talmen niet kan worden afgewacht, totdat definitief daarover is beslist;

– dat derhalve genoemde beschikking van 23 februari 2012 dient te worden ingetrokken;

– dat bij het verlenen van de toestemming bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 21 april 2005 no. J. 1580 (S.B. 2005 no. 65) heel veel geruis in de samenleving is ontstaan nadat Sasur met haar activiteiten is aangevangen;

– dat nadat die toestemming bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 17 mei 2006 no. 1704 (S.B. 2006 no. 58) voor onbepaalde tijd is verleend, tumult binnen de Surinaamse samenleving is ontstaan en nog voortduurt;

– dat het de taak is van de Minister van Justitie en Politie om op grond van artikel 16 van de Grondwet, waarbij een ieder recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid heeft, deze te garanderen;

– dat in artikel 42 van de Grondwet is opgenomen dat de wet onder meer het algemeen belang met name de openbare orde waarborgt;

– dat gegronde vrees bestaat dat door het aanhoudend tumult de veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht;

– dat ter voorkoming daarvan het noodzakelijk is, ter garandering van ieders veiligheid, de verleende toestemming met onmiddellijke ingang in te trekken.”

De procedure in eerste aanleg

4.1   Sasur heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – gevorderd:

Primair:

1. de Staat te gelasten de beschikking van 17 mei 2013 Jno. 13/07218 in te trekken;

Subsidiair:

II. De beschikking van 17 mei 2013 Jno. 13/07218 op te schorten totdat daarover bij vonnis in principale is beslist;

primair en subsidiar:

II. De staat te verbieden de aan Sasur verleende toestemming in te trekken anders dan op wettelijk valide gronden;

III. De staat te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD. 1.000.000,= voor elke dag dat hij in gebreke blijft om aan de te geven bevelen te voldoen.

4.2 De Kantonrechter heeft in zijn vonnis van 11 juli 2013 (A.R. 13-2218) partijen verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging.

De vordering, de grieven en het verweer

5.1 Sasur concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van de gevraagde voorzieningen.

5.2.  De staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling

6.1 Sasur heeft als grieven tegen het tegen het gewraakte vonnis aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld:

a. dat de primaire vordering een definitief karakter heeft, dus geen “voorlopig voorziening” zou zijn en waarvoor in kort geding dus geen plaats is;

b. dat Sasur geen spoedeisend belang heeft;

c. dat Sasur misbruik maakt van de kort geding procedure.

definitief karakter intrekking?

6.2 Het Hof stelt voorop dat het vonnis van de voorzieningenrechter naar zijn aard ten doel heeft om – bij wege van ordemaatregel – de tijd te overbruggen die ermee gemoeid zal zijn voordat in de tussen dezelfde partijen over dezelfde partijen over dezelfde zaak bij de gewone rechter te voeren procedure (de hoofdzaak ofwel bodemprocedure) vonnis zal zijn gewezen. Het kort geding vonnis beoogt derhalve niet een definitief eind te maken aan het tussen partijen bestaand geschil, maar het treffen van een voorlopige voorziening. De gevraagde beslissing moet een ordemaatregel zijn waarmee wordt vooruitgelopen op de rechtsbeslissing die in de bodemprocedure zou kunnen worden gegeven; dit is een interne factor die de aard van de beslissing betreft. Intrekking van de gewraakte beschikking van de Minister zou betekenen dat definitief een eind wordt gemaakt aan de rechtsstrijd tussen partijen die aan de kortgedingrechter is voorgelegd. De rechter in kort geding is echter niet bevoegd tot het geven van een definitieve beslissing (vide Hof van Justitie 17 augustus 1990, S.J. 1990, p. 292, GR 13011). Het Hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren kennis te nemen van de primaire vordering.

Spoedeisend belang Sasur

6.3 De Staat heeft als meest vergaand verweer aangevoerd dat Sasur geen direct belanghebbende is in de zin van de Auteurswet 1913 (zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1981, no. 23); de belanghebbenden zijn de houders/eigenaars van (muziek) auteursrechten, zodat een intrekking van de toestemming jegens Sasur geen onrechtmatige daad is. De Staat heeft verder aangevoerd dat Sasur procedeert op eigen naam en titel, terwijl zij slechts vertegenwoordiger is van de rechthebbenden van muziekauteursrechten. De Staat is de mening toegedaan dat van een spoedeisend belang aan de zijde van de Sasur dan ook geen sprake kan zijn.

6.4 Het oud rechtsbeginsel ‘geen belang, geen actie’ (point d’intérêt, point d’action) houdt in dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt. Naar het oordeel van het Hof dient derhalve allereerst aannemelijk te zijn dat Sasur belang heeft bij de door haar ingediende vordering. Daarbij zijn er in de visie van het Hof twee mogelijkheden:

1. Sasur heeft een eigen belang bij de vordering en is zowel materieel als formeel procespartij;

2. Sasur vertegenwoordigt de belangen van derden en is slechts formeel procespartij. Nu uit het ingediend verzoekschrift niet blijkt dat Sasur in de onderhavige procedure optreedt als vertegenwoordiger van derden, kan de tweede mogelijkheid buiten beschouwing worden gelaten.

6.5 Sasur heeft in haar conclusie van repliek in eerste aanleg hiertegenover gesteld dat zij in in ieder geval wel degene is aan wie de toestemming is gegeven om bedrijfsmatig, al dan niet op naam, licentieovereenkomsten te sluiten, dus treft de intrekking van de beschikking haar. Sasur heeft darbij ten aanzien van haar bevoegdheid om in eigen naam vorderingen aanhangig te maken ter handhaving van auteursrechten verwezen naar de overeenkomsten met aangeslotene en zusterorganisaties en de literatuur hierover.

6.6 De Staat heeft in haar conclusie van dupliek in eerste aanleg gepersisteerd dat Sasur geen belanghebbende is in de zin van de Wet Auteursrecht, zodat men het intrekken van de toestemming op geen enkele wijze schade is toegebracht aan Sasur. Het doel van de toestemming tot bemiddeling is volgens de Staat de behartiging van de belangen van de bezitters van auteursrechten, niet het belang van de bemiddelaar. Het belang van Sasur is op geen enkele wijze geschonden, aangezien zij als stichting geen winstoogmerk heeft en haar organisatie ook niet bestaat uit makers van muziek(teksten). De overeenkomsten met de gerechtigden tot de auteursrechten behelzen niet de overdracht van rechten aan Sasur; het betreft mandaatovereenkomsten waarbij Sasur als lasthebber is aangesteld, aldus de Staat. Dit heeft volgens de Staat tot gevolg dat Sasur geen enkel recht kan exploiteren of handhaven dat haarzelf toekomt. De Staat heeft verder aangevoerd dat Sasur de vermeende schade op geen enkele wijze heeft aangetoond of kenbaar gemaakt.

6.7 Sasur heeft in haar mondeling pleidooi ten aanzien van haar belang bij de vordering gesteld dat in de vele gedingen die zij heeft gevoerd steeds uitvoerig is aangetoond wat de langdurige werkzaamheden en investeringen van Sasur geweest zijn om te komen tot een punt dat met vrucht muziek – en auteursrechten in Suriname gehandhaafd moest worden. Voorts dat de grote verliezen die nu geleden worden elke dag voelbaar zijn en dat elke dag dat Sasur gehinderd wordt om haar werk uit te voeren verdergaande schade oplevert. Sasur heeft daarnaast in haar mondeling pleidooi gesteld dat de makers van muziekwerken hun auteursrechten overdragen aan de beheersorganisatie; dit is wat er gebeurd is in het geval van Sasur. In het buitenland is precies hetzelfde  gebeurd, waarna de beheersorganisaties elkaar over en weer de bevoegdheid  verlenen om namens hen de rechten m.n. de over en weer de bevoegdheid verlenen om namens hen de rechten m.n. de handhavingsrechten uit te oefenen in hun eigen land, aldus Sasur, Sasur heeft voorts  gesteld dat zij derhalve in eigen naam en eigen belang kan en moet procederen.

6.8 De Staat heeft in haar mondeling pleidooi gepersisteerd dat de muziekauteursrechten niet Sasur zijn overgedragen, zodat zij niet in eigen naam kan procederen en geen eigen belang heeft.

6.9 Het Hof constateert dat Sasur bij haar verzoekschrift in eerste aanleg sub 1.2 heeft gesteld dat de zaak geregistreerd onder A.R. no. 12-0804 is ingesteld met het verzoekschrift van 2 maart 2012. Sasur heeft daarbij gesteld dat zij te dezen haar vordering materieel opnieuw met het rekest van 2 maart 2012, mutatis mutandis, wil inleiden. Het verzoekschrift van 2 maart 2012 is door Sasur als productie nr. 4 overgelegd met het verzoek om de inhoud daarvan als herhaald en ingelast aan te merken. Het Hof constateert verder dat in het verzoekschrift van 2 maart 2012 onder meer – en zakelijk weergegeven – door Sasur is ingesteld:

– onder 2.4: dat zij de gemachtigde en lasthebber is van alle muziekauteurs op de wereld, die het beheer van hun scheppingen in handen hebben gegeven aan collectieve beheersorganisaties, zoals Sasur;

– onder 2.5: dat het algemeen bekend is dat Sasur bij de uitvoering van haar (door de muziekauteurs gegeven) opdracht op aanzienlijke tegenstand van de muziekgebruikers in Suriname is gestuit.

– onder 7.4.2: dat Sasur het wereldrepertoire beheert krachtens de met haar gesloten mandaats – en wederkeringheidsovereenkomsten, die haar verplichten illegaal muziekgebruik tegen te gaan.

Sasur heeft na betwisting door de Staat dat zij, Sasur, een eigen recht kan laten gelden, slechts verwezen naar de door haar gesloten overeenkomsten,  zonder echter deze overeenkomsten in deze procedure over te leggen. Naar het oordeel van het Hof is deze blote stelling, zonder nadere motivering, onvoldoende om aannemelijk te maken dat de auteursgerechtigden Sasur niet slechts hebben gemachtigd om namens hen op te treden, maar tevens hun aanspraken op basis van de Auteurswet aan Sasur hebben overgedragen.

Uit het door Sasur zelf geponeerde stellingen dat sprake is van mandaatovereenkomsten – welke in het algemeen strekken om in naam van en onder verantwoordelijkheid van een ander te handelen – vloeit voort dat de gerechtigden hun aanspraken niet aan Sasur hebben overgedragen. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat naar het voorlopig oordeel van het Hof niet aannemelijk is geworden dat in casu sprake is van een eigen belang van Sasur, hetgeen tot gevolg heeft dat Sasur niet-ontvankelijk is in de subsidiair gevorderde voorziening.

6.10 Gelet op het boven overwogene behoeven overige grieven en weren geen bespreking meer.

6.11 Sasur zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:

7.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 11 juli 2013, A.R. no. 132218, waarvan beroep;

en opnieuw recht doende:

7.2 Verklaart zich onbevoegd om van de primaire vordering kennis te nemen;

7.3 Verklaart Sasur niet-ontvankelijk in haar subsidiaire vordering;

7.4 Veroordeelt Sasur in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat in hoger beroep en en eerste aanleg gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. R.G. Chatterpal, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.