SRU-HvJ-2014-3

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14698
  • Uitspraakdatum 07 maart 2014
  • Publicatiedatum 04 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Het verweer dat het verzoek tot verval van instantie niet buiten de appèlprocedure om kan worden ontvangen, is niet op de wet gebaseerd.
    Verweerder kan niet te goeder trouw een beroep doen op art. 277a WvBRv, stellende dat de president van het Hof van Justitie partijen doet oproepen en het initiatief niet bij hem, verweerder, ligt, nu verweerder heeft nagelaten de kosten voor de oproeping in voormelde appèlprocedure ingevolge art. 270 WvBRv jo. art. 277a WvBRv, voor te schieten.
    De ratio van de bepalingen betreffende verval van instantie is dat hierbij een middel wordt geboden tot beëindiging van de procedure dat ten dienste staat aan de wederpartij van de partij die de zaak laat “sloffen”. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de zaak heeft doen “sloffen”. Verweerder had naar Hof’s oordeel wel initiatieven kunnen ondernemen teneinde de behandeling van de appèlzaak een aanvang te doen nemen. Echter moet dit nalaten mede in perspectief worden bezien met het nalaten van de administratie van het Hof van Justitie, om een datum van behandeling te doen bepalen. Dit laatste kan niet als consequentie hebben een verval van instantie, aangezien dit disproportioneel zou zijn.
    SJB

Uitspraak

GR- 14698

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [verzoekster A], weduwe van [naam],

B. [verzoeker B],

C. [verzoekster C],

D. [verzoekster D],

E. [verzoekster E],

F. [verzoekster F], en

G. [verzoeker G],

allen wonende te [district],

te [adres],

verzoekers,

gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

[verweerder],

wonende te [district]

aan [adres],

verweerder,

gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat,

inzake het gedaan verzoek zijdens verzoekers strekkende tot verval van instantie in de hoger beroepszaak van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 06 februari 1996 (A.R.NO. 941335) tussen de rechtsvoorganger van verzoekers, [naam],  als eiser en  verweerder als gedaagde, spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het  procesverloop

Het  procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– Het zijdens verzoekers  ingediend verzoekschrift met bijlagen de dato 07 maart 2012;

– De pleitnota zijdens verzoekers, de dato 06 juli 2012 ;

– Het schriftelijke antwoordpleidooi zijdens verweerder, de dato 05 oktober 2012;

– Het schriftelijke repliekpleidooi zijdens verzoekers, de dato 07 december 2012;

– Het schriftelijke dupliekpleidooi, onder overlegging van een productie, zijdens verweerder , de dato 05 april 2013;

– De schriftelijke pleitnota tot uitlating productie zijdens verzoeker, de dato 19 april 2013;

– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 augustus 2013 doch nader bepaald op heden;

De beoordeling

1. Het gaat in dit geding om het volgende.

1.1. In 1994 had de rechtsvoorganger van verzoekers in het Eerste Kanton een vordering in bodemgeschil aanhangig gemaakt tegen verweerder. Bij vonnis van 06 februari 1996, A.R. no. 941335 heeft de Kantonrechter in het Eerste Kanton o.a. nietig verklaard de overeenkomst, welke tussen partijen in 1986 is gesloten met betrekking tot het ter beschikking stellen van pensioengelden van [naam] middels verweerder; voorts is verweerder veroordeeld aan [naam]  te betalen het bedrag van  Nf  500,00 of de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, berekend naar de dagkoers van de Centrale Bank van Suriname te vermeerderen met de wettelijke rente daarover  vanaf  15 maart 1994 tot aan de dag der algehele voldoening, onder verrekening van het door verweerder aan verzoekers in Suriname uitgekeerde bedrag  groot omstreeks (het hof leest: ongeveer)  Sf. 127.000,00;

1.2 Bij schrijven d.d. 20 februari 1996 is verweerder van dit vonnis in hoger beroep gekomen; door de schorsende werking ervan kan niet tot executie van bedoeld vonnis worden overgegaan;

1.3. Op 15 juni 2001 stond de zaak op de rol van het Hof voor dagbepaling pleidooi. Echter is de zaak afgevoerd vanwege het feit dat verweerder verzuimd had verzoekers op te roepen om op de dienende dag te verschijnen ter terechtzitting van het Hof;

1.4. Sedertdien zijn in het voormelde rechtsgeding in hoger beroep meer dan drie jaren verlopen zonder dat de zaak is voortgezet;

1.5. Ingevolge de artikelen 208 t/m 213 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen) hebben verzoekers het recht om te vorderen de vervallenverklaring van de instantie in hoger beroep, opdat het vonnis waarvan verweerder in beroep is gekomen, kracht van gewijsde verkrijgt;

1.6. Verzoekers vorderen in dit geding dat het Hof bij vonnis de instantie in hoger beroep vervallen zal verklaren, opdat het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 06 februari 1996, A.R. no. 941335, waarvan verweerder in beroep is gekomen, kracht van gewijsde verkrijgt;

2. Verweerder heeft verweer gevoerd en –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat het verzoek tot verval van instantie niet buiten de appèlprocedure om kan worden ontvangen en niet als een geheel nieuw verzoek als in onderhavig geval. Derhalve concludeert verweerder tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat ingevolge het bepaalde in artikel 277a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen)de President van het Hof van Justitie partijen doet oproepen om te dienende dag en uur te verschijnen en het dus rechtens niet aan verweerder ligt om de oproeping te doen waardoor de door verzoekers gestelde verloop van drie jaren in dit geval niet in de risicosfeer van verweerder ligt en hem daarom niet kan worden tegengeworpen;

3. Het hof zal allereerst ingaan op het verweer van verweerder dat er op neer komt dat het onderhavig verzoek niet buiten de appèlprocedure om kan worden ontvangen. Dienaangaande komt het Hof tot de slotsom dat verweer niet op de wet is gebaseerd. In de artikelen 208 e.v. van het WvBrv wordt deze eis nergens gesteld. Daarenboven ontgaat het het Hof helemaal hoe verzoekers een dergelijke vordering zouden kunnen instellen in de appèlprocedure aangezien die zaak niet op de rol loopt. Het initiatief teneinde de zaak op de rol te laten brengen ligt naar het oordeel van het Hof in elk geval niet bij verzoekers aangezien zij geen appèl hebben aangetekend tegen het vonnis van de Kantonrechter. Derhalve hebben verzoekers dan ook geen andere keus dan de zaak op deze manier aan te brengen en nu de wet dat niet verbiedt zijn zij ontvankelijk in hun verzoek. Het daartoe strekkend verweer van verweerder zal derhalve worden verworpen;

4. Ten tweede heeft verweerder aangevoerd dat ingevolge het bepaalde in artikel 277a WvBRv de President van het Hof van Justitie partijen doet oproepen en het initiatief daartoe niet bij hem ligt (althans zo vat het Hof dat op). Naar het oordeel van het Hof staat voormelde zienswijze van verweerder op gespannen voet met de rechtspraktijk. Inderdaad is in voormeld wetsartikel  opgenomen dat de Voorzitter (lees: President) van het Hof van Justitie de dag en het uur bepaalt waarop de zaak voor het Hof van Justitie zal dienen en doet, met inachtneming van de termijnen van oproeping, voorgeschreven bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, partijen oproepen teneinde alsdan te verschijnen. Naar het oordeel van het Hof dient voormeld wetsartikel in samenhang te worden gelezen met het bepaalde in artikel  270 WvBRv, voor zover inhoudende dat het hoger beroep aanvangt met een verklaring dat men van dat middel gebruik wenst te maken. Voorts vermeldt voormeld artikel dat van de afgelegde verklaring de griffier aantekening houdt in het Algemeen Register. Die aantekening geschiedt niet dan na vooruitbetaling aan de griffier van de kosten voor de aanzegging, voor de betekening van de memorie en van de daarbij overgelegde bescheiden en voor de oproeping, bedoeld in artikel  277a, desverlangd na taxatie door de rechter.  Gesteld noch gebleken is dat de kosten voor de oproeping in voormelde appèlprocedure door verweerder zijn voorgeschoten, weshalve verweerder naar het oordeel van het Hof niet te goeder trouw een beroep op voormelde wetsbepaling kan doen in weerwil van de huidige rechtspraktijk dat de datum en het uur van de behandeling in hoger beroep door het hof worden vastgesteld en dat de appelerende partij –als meest gerede partij- de kosten van de oproeping betaalt. De inhoud van het door verweerder bij dupliekpleidooi overgelegde oproepingsexploit doet aan het voorgaande niet af aangezien daaruit niet blijkt dat door het Hof is opgeroepen. Daaruit blijkt wel dat op bevel van de President van het Hof van Justitie is opgeroepen. Gelet op het voorgaande zal ook dit verweer worden verworpen;

5. Ten derde heeft verweerder aangevoerd dat het tijdsverloop hem niet kan worden tegengeworpen aangezien dat niet binnen zijn risicosfeer ligt. Dienaangaande overweegt het Hof dat de ratio van de bepalingen betreffende verval van instantie is dat een middel wordt geboden tot beëindiging van de procedure, dat ten dienste staat aan de wederpartij van de partij die de zaak laat sloffen. In casu is gesteld – althans zo vat het Hof de stelling van verzoekers op dat aangeeft dat verweerder in de appèlprocedure op de eerstdienende dag verzoekers niet heeft doen oproepen en daarna heeft stilgezeten – doch niet aannemelijk geworden dat verweerder de zaak heeft doen sloffen. Immers heeft het Hof daarna geen andere datum voor behandeling van de zaak bepaald hetgeen –zoals terecht door verweerder is aangevoerd- niet voor zijn rekening en risico kan komen. Weliswaar is het Hof van oordeel dat verweerder wel initiatieven had kunnen nemen teneinde de behandeling van de appèlzaak een aanvang te doen nemen, maar kan dat nalaten in perspectief bezien met  het nalaten van de administratie van het Hof van Justitie om een datum van behandeling te doen bepalen, niet als consequentie hebben een verval van instantie zoals gevorderd. Een dusdanige consequentie zou naar het oordeel van het Hof disproportioneel zijn. Uiteraard kan de zaak niet ten eeuwige dage blijven voortsudderen en het Hof ziet daarin aanleiding om de administratie van het Hof een “wake up call” te geven inhoudende een inspanningsverplichting teneinde de zaak bekend in het Generale  Register onder no. 13771 op de rol te doen plaatsen. In het verlengde hiervan maakt het Hof van de gelegenheid gebruik om een beroep op verweerder te doen om bij appointering van de zaak wel op te roepen, zodat een aanvang kan worden gemaakt met de behandeling in hoger beroep;

6. Gelet op het al voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat het gevorderde dient te worden afgewezen en zullen verzoekers, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om de gedingkosten aan de zijde van verweerder gevallen voor hun rekening te nemen;

De beslissing

Wijst af het gevorderde;

Veroordeelt verzoekers  in de gedingkosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, lid en

mr. M.V. Kuldip Singh, lid-plaatsvervanger, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het  Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 07 maart 2014, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein.