SRU-HvJ-2015-21

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14960
  • Uitspraakdatum 02 oktober 2015
  • Publicatiedatum 07 april 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Appellante doet een beroep op artikel 263 BW. Het hof overweegt dat appellante oneigenlijk gebruik maakt van het artikel 263 BW en dat op die grond het beroep daarop afgewezen dient te worden.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

In de zaak van  

[appellante]
wonende te [district],  
appellante,  
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,  

tegen 

[geïntimeerde],  
wonende te [district],  
geïntimeerde,  
gemachtigde: mr. I.A. Soechitram, advocaat, 
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 17 februari 2010 (A.R. no. 09-2697) tussen enerzijds appellante als 
gedaagde (hierna: [appellante]) en anderzijds geïntimeerde als eiser (hierna: [geïntimeerde]), 
spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit. 

 1.Het procesverloop in hoger beroep  

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:  

  • de verklaring van de griffier d.d. 02 maart 2010 waaruit blijkt dat [appellante] op 02 maart 2010 hoger beroep heeft ingesteld; 
  • de pleitnota van de zijde van [appellante] d.d. 21 november 2014;
  • de antwoordpleitnota van de zijde van [geïntimeerde] d.d. 05 december 2014; 
  • de repliekpleitnota van de zijde van [appellante] d.d. 16 januari 2015; 
  • de dupliekpleitnota van de zijde van [geïntimeerde] d.d. 20 maart 2015.  

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden. 

 2. De beoordeling 

2.1.Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellante] en [geïntimeerde] zijn op 28 juli 2006 met elkaar in het huwelijk getreden, welk huwelijk is ingeschreven in het huwelijksregister van de Burgerlijke Stand onder no. 199 akte 100 te Paramaribo. De kantonrechter in het eerste kanton heeft bij vonnis uitgesproken op 17 februari 2010 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. [appellante] heeft tegen voornoemd vonnis beroep aangetekend. 
2.2. Het hof dient allereerst na te gaan of het beroep tijdig door [appellante] is ingesteld. Uit de verklaring van de griffier der kantongerechten d.d. 02 maart 2010 blijkt dat [appellante] op 02 maart 2010 hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van   17 februari 2010. Het hof overweegt dat [appellante] haar beroep binnen de wettelijke beroepstermijn van 30 dagen heeft ingesteld en wordt zij in haar beroep ontvankelijk geacht. 
2.3.[appellante] voert onder meer aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht (grief III). Ter zake de vraag of er in dezen sprake is van duurzame ontwrichting overweegt het hof dat tussen partijen in confesso is dat het huwelijk in die mate onder druk kwam te staan dat partijen het samenwonen hebben beëindigd, thans langer dan vijf jaar, zonder dat er zicht is op verzoening c.q. weder samenwonen c.q. het redden van het huwelijk. Het hof is van oordeel dat nu er geen zicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen, er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Daarbij neemt het hof mede in ogenschouw dat [appellante] aanvoerde dat [geïntimeerde] zich niet heeft gehouden aan de huwelijkstrouw. 
2.4. Als grieven voert [appellante] verder aan dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met haar belangen (grief I) en dat de kantonrechter voorbij is gegaan aan het bepaalde in artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (grief II). Dat artikel luidt als volgt: “De vordering tot echtscheiding wordt afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld, en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert.” Het hof neemt waar dat het belang waar [appellante] op doelt, is verwoord in haar conclusie van antwoord onder sustenu 5 alwaar zij vermeldt – voor zover van belang – dat zij vanwege de werkgever van [geïntimeerde] in een dienstwoning verblijft. Die woning heeft ze met haar spaargelden leefbaar gemaakt. Door de eventuele echtscheiding zal zij door de schuld van [geïntimeerde] in een zeer precaire situatie komen te verkeren, omdat zij als dan de dienstwoning zal moeten verlaten. De vraag is of [appellante] het bovenstaande terecht als grief kan aanwenden. 
2.5. Het artikel 156 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft weer dat echtgenoten elkaar getrouwdheid, hulp en bijstand verschuldigd zijn. Met getrouwheid wordt gedoeld op huwelijkstrouw. Het schenden van deze verplichting is een belangrijke factor bij de vaststelling of er sprake is van duurzame ontwrichting en ook of deze in overwegende mate aan een van de partners is te wijten: de schuldvraag. Het verzaken van de huwelijkstrouw – en dus het schenden van verplichtingen die voor echtelieden voortspruiten uit het artikel 156 BW – mag er niet toe leiden dat een echtgenoot die “immoreel” handelt, vruchten kan plukken uit handelen strijdig met de wet (artikel 156 BW), door de mogelijkheid te hebben echtscheiding aan te vragen. Echter het hof bemerkt dat [appellante] zich, bij haar beroep op artikel 263 BW, niet laat leiden door hetgeen partijen bij een huwelijk beogen, met name op een harmonieuze wijze een bestaan opbouwen. Voorts heeft zij niet gesteld zich te willen inspannen voor herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen dan wel dat zij het geloof heeft dat zulks in de naaste toekomst het geval kan zijn. Zij heeft evenmin vermeld wat zij vanaf de ontwrichting van het huwelijk en de beëindiging van het samenleven met [geïntimeerde] heeft gedaan om te voorzien in verblijf in een andere woning. Het hof bemerkt dat het [appellante] sec gaat om het continueren van het verblijf in een woning die de werkgever van [geïntimeerde] hem, vanwege zijn beroep, ter beschikking had gesteld. Het hof overweegt dat [appellante] hiermede oneigenlijk gebruik maakt van het artikel 263 BW en dat op die grond het beroep daarop afgewezen dient te worden. 
2.6 Het vorenoverwogene brengt met zich dat het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden zal worden bevestigd. 
2.7 De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt daar partijen echtelieden zijn.  

3. De beslissing in hoger beroep  
Het hof:  

  • bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden; 
  • compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen gevallen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt. 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf, lid, en mr. R.M. Praag, lid-plaatsvervanger, en door de fungerend–president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 02 oktober 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.  

 w.g. S.C. Berenstein                                                     w.g. D.D. Sewratan 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. H.P. Boldewijn, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde in persoon verschenen is bij de uitspraak.