SRU-HvJ-2015-22

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-852
  • Uitspraakdatum 15 mei 2015
  • Publicatiedatum 31 maart 2021
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Verzoeker vordert vernietging van zijn ontslagbeschiking. Het Hof is van mening dat door het ernstig plichtsverzuim aan te nemen en dan meteen de hoogste tuchtstraf op te leggen heeft de verweerder, naar het oordeel van het Hof, een disproportionele tuchtstraf opgelegd.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN 

In de zaak van 

[verzoeker], 
wonende aan de [adres] te [district], 
verzoeker,  
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat, 

tegen 

DE STAAT SURINAME, casu quo de Minister van Justitie en Politie, 
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door  
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, 
kantoorhoudende te Paramaribo, 
verweerder, 
gemachtigde: mr. R. Autar, Substituut Officier van Justitie,  
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit. 
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat; 

1.Het  procesverloop 
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen: 

  • Het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 15 mei 2014; 
  • Het  proces-verbaal  van het op 21 november 2014 gehouden verhoor  van partijen; 

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 06 maart 2015 doch nader op heden; 

2. De feiten 

2.1 [verzoeker]  is bij beschikking, Bureau [nummer 1] en K.A. [nummer 2] (hierna: de beschikking) een tuchtstraf van ontslag opgelegd, ingevolge artikel 40 lid 1 onder J van het Politiehandvest; 

2.2 De ontslagbeschikking de dato 28 april 2014 is in persoon uitgereikt aan [verzoeker]; 

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer 

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 
A. Nietigverklaring van de beschikking en dat [verzoeker] gerehabiliteerd wordt in de rang waarin hij diende met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 Politiehandvest; 

B.[verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid als vòòr de gewraakte beschikking op de normale wijze te vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat; 

C. Dat de Staat het vonnis uitvoert binnen een week na betekening of een door het Hof te stellen termijn, onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,= althans een door het Hof in goede justitie vast te stellen dwangsom, voor elke dag waarop de Staat in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis; 

3.2 [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] werd verdacht van primair: voorbereiding, secundair poging tot mensensmokkel. In de gewraakte beschikking is aangegeven dat er sprake is van vermoedens zijdens [verzoeker] voor zijn betrokkenheid en dat de bewijzen in deze zaak zo mager en tegenstrijdig waren dat [verzoeker] door het Openbaar Ministerie in vrijheid werd gesteld en de zaak aan de kantonrechter werd voorgelegd. Inmiddels is [verzoeker] vrijgesproken door de kantonrechter en het Openbaar Ministerie heeft geen hoger beroep aangetekend tegen voormelde beslissing. De opgelegde tuchtstraf van ontslag is in strijd met de onschuldpresumptie, genoemd in artikel 8 lid 2  van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: AVRM). Ten tijde van het in ontvangst nemen van de beschikking was [verzoeker] nog niet veroordeeld, zijn schuld was dus nog niet bewezen en dat betekent dat hij voor onschuldig dient te worden gehouden totdat de strafrechter anders heeft beslist. Derhalve kon er geen sprake zijn van ernstig plichtsverzuim ten tijde van het uitreiken van vorenvermelde beschikking. Dat een eventuele tuchtstraf onlosmakelijk verbonden is  met de strafzaak en dat de overheid niet alvast een voorschot kan nemen op een door de strafrechter te nemen beslissing. De Staat maakt zich eveneens schuldig aan schending van het algemene beginsel van goed bestuur en het verbod op willekeur daar andere korpsleden, zelfs diegenen die strafrechtelijk veroordeeld zijn, hun werkzaamheden gewoon konden hervatten.  

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt  – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling. 

4. De beoordeling 

Ontvankelijkheid 
4.1 Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering. 

4.2 De Staat heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verweer gevoerd. Dat de opgelegde tuchtstraf niet afhankelijk is van de uitkomst van de strafzaak. Naar het oordeel van het Hof is het standpunt van de Staat in deze correct. Er is geen enkele wetsbepaling die voorschrijft dat, indien tegelijk met een disciplinair onderzoek tegen een ambtenaar van politie, een strafrechtelijk onderzoek gaande is, de uiteindelijke afloop van de strafzaak dient te worden afgewacht alvorens een tuchtstraf kan worden opgelegd. Het daartoe strekkend verweer van de Staat is derhalve gegrond en is de daartoe strekkende grondslag van de vordering van verzoeker niet in rechte komen vast te staan; 

4.3 Voorts heeft [verzoeker] aangevoerd dat  in de gewraakte beschikking is aangegeven dat er sprake is van vermoedens ten aanzien van de betrokkenheid van verzoeker. Naar het oordeel van het Hof is de daartoe strekkende grondslag van verzoeker’s vordering wel in rechte komen vast te staan. Immers is de ontslaggrond hetwelk ernstig plichtsverzuim zou constitueren, in overwegende mate rechtstreeks afhankelijk van de uitkomst van de strafzaak. Door uitgaande van vermoedens het ernstig plichtsverzuim aan te nemen aan de zijde van [verzoeker] en dan meteen de hoogste tuchtstraf op te leggen heeft de Staat , naar het oordeel van het Hof, een disproportionele tuchtstraf opgelegd. Naar het oordeel van het Hof staat de opgelegde tuchtstraf niet in een redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Het voorgaande klemt te meer nu [verzoeker] door de kantonrechter is vrijgesproken en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. 

4.4 Immers is in de beschikking als dragende overweging opgenomen (begin citaat) “ dat onderinspecteur [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met artikel 4 lid 2 van het Politie Handvest, de artikelen 3 en 10 van de Instructies voor de ambtenaren van politie en de punten 1, 2 en 3 Gedragscode voor de ambtenaren van politie en de Personeelswet; namelijk taakuitoefening in overeenstemming met de geldende rechtsregelen; het verbod om giften en/of beloften aan te nemen teneinde in de dienstbetrekking iets te doen of na te laten; toezicht houden op de naleving van wettelijke regelingen; zich te allen tijde en onder alle omstandigheden zodanig te gedragen dat aan de waardigheid van zijn ambt geen afbreuk worden gedaan en het aanzien van de politie niet wordt geschaad; altijd eerlijk en oprecht zijn, zich houden aan de instructies voor ambtenaren van politie en alle andere ter zake dienende wettelijke regelingen; betrouwbaar zijn, de waarheid te spreken en de waarheidsvinding te bevorderen; zich als een voorbeeldfiguur gedragen, alsook zich niet schuldig maken aan strafbare feiten en overtredingen” (einde citaat). Naar het oordeel van het Hof is de inhoud van al het voorgaande op de helling komen te staan met de – inmiddels onherroepelijke – beslissing van de strafrechter. 

4.5 Gelet op al het voorgaande zal het Hof het gevorderde toewijzen als hierna te melden. De mede gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden afgewezen nu het Hof rechtdoende in Ambtenarenzaken in eerste en hoogste instantie beslist. Het gevorderde onder sub B en C van het petitum van het verzoekschrift kunnen niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet en zullen derhalve worden afgewezen. De onder sub A van het petitum gevorderde rehabilitatie met toekenning van de schadeloosstelling kan evenmin gecategoriseerd worden onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet en zal derhalve eveneens worden afgewezen. Het overig gevorderde onder sub A van het petitum zal worden toegewezen in voege als na te melden. 

4.6 De Staat zal, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [verzoeker] gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van het vonnis.  

5. De beslissing  

Het hof: 
5.1 Verklaart nietig de beschikking bekend onder Bureau No. [nummer 1] en K.A. [nummer 2] van het Ministerie van Justitie en Politie welke aan [verzoeker] in persoon is uitgereikt en waarbij [verzoeker] is ontslagen. 

5.2 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [verzoeker] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.60,– ( Zestig Surinaamse Dollars). 

5.3 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;  

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en  mr. G.L. de Miranda,Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het  Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 mei 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend–Griffier. 

w.g. S.C. Berenstein                                 w.g. A. Charan 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. S.G.R. Khoen Khoen namens mr. R.R. Lobo, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Danning namens  mr. R.Autar, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.