SRU-HvJ-2015-23

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14961
  • Uitspraakdatum 19 juni 2015
  • Publicatiedatum 06 april 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Appellante vordert scheiding op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Er wordt hoger beroep aangetekend . Het Hof bevestigd het vonnis is eerste aanleg.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

In de zaak van 

[appellante], 
wonende aan de [adres 1] in het [district] , 
appellante,  
gemachtigde: mr. M.R. Sheombar, advocaat, 

tegen 

[geïntimeerde], 
wonende aan de [adres 2] in het [district], 
geïntimeerde, 
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat, 
inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis  van 14 mei 2012 (A.R.NO. 105156) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser, 
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit. 
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve aangeduid als respectievelijk “de vrouw” en “de man”; 

Het procesverloop 

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen: 

  • De verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat appellante op 15 mei 2012 hoger beroep heeft ingesteld; 
  • De schriftelijke pleitnota de dato 07 november 2014; 
  • De schriftelijke antwoord pleitnota de dato 05 december 2014; 
  • De schriftelijke repliek pleitnota de dato 19 december 2014;
  • De schriftelijke dupliek pleitnota de dato 15 januari 2015; 

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 20 maart 2015 doch nader op heden; 

De beoordeling  

1. Het gaat in deze zaak om het volgende. 
De man heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat tussen partijen, gehuwd op 23 februari 1966 in het Ressort Sur/FH, de echtscheiding zal worden uitgesproken en voorts dat de vrouw wordt veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin zij zijn gehuwd. 
1.1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 14 mei 2012 de echtscheiding uitgesproken als verzocht, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd bevolen, en voorts – kort – gezegd – een boedelnotaris en twee onzijdige personen benoemd. 

2.1 De vrouw heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman op 15 mei 2012 appél aangetekend tegen het vonnis van 14 mei 2012.  Alhoewel uit voormeld vonnis niet blijkt of partijen in persoon danwel bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest kan op grond van het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de vaste jurisprudentie op het stuk van het voortijdig ingesteld appél er vanuit worden gegaan dat het appél tijdig is aangetekend. De vrouw is derhalve ontvankelijk in het ingesteld hoger beroep. 

2.2. De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen: Partijen zijn op 23 februari 1966 in het Ressort Sur/FH, in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn er geen kinderen geboren; 

2.3 Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man – zakelijk weergegeven en voor zovér voor de beslissing van belang – aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd: 

2.3.1. dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht aangezien de vrouw aan de man te kennen heeft gegeven niet meer te willen samenwonen en heeft de vrouw dientengevolge haar intrek in de bovengedeelte van de echtelijke woning genomen terwijl partijen reeds 5 jaren niet meer samenwonen; 
2.3.2. dat partijen geen contact met elkaar onderhouden en dat gelet op de gespannen situatie ook de man te kennen heeft gegeven niet meer te willen samenwonen met de vrouw; 
2.3.3. dat enig zicht op verbetering van de gescheiden situatie tussen beide echtelieden volgens de man niet meer mogelijk is. 

2.4. De vrouw heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aangevoerd dat zij ontkent dat zij in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd op 23 februari 1996 zoals is gesteld in het inleidend rekest, immers uit de stukken door de man zelf overgelegd blijkt dat partijen zijn gehuwd op 23 februari 1966. Voorts ontkent de vrouw dat zij aan de man te kennen heeft gegeven dat zij niet samen wil wonen met de man. Er is dagelijks contact tussen partijen en partijen leven niet op gespannen voet met elkaar. De vrouw voert voorts aan dat zij geen ander onderdak heeft; dat als de man elders zijn intrek wil nemen dat zij recht c.q. zaak is, doch kan zij naar haar oordeel niet van de ene op de andere dag dakloos worden gemaakt. 

2.5.In zijn conclusie van repliek in eerste aanleg heeft de man gesteld dat er duidelijk sprake is van een verschrijving en vraagt rectificatie van de verschrijving in dier voege dat partijen zijn gehuwd op 23 februari 1966 en het huwelijk van 23 februari 1966 wordt ontbonden. Voorts stelt de man dat volgens de bedoeling van de wetgever echtelieden een gemeenschappelijk huishouden dienen te hebben en getrouwheid en hulp jegens elkaar verschuldigd zijn hetgeen in casu niet het geval is nu de ene echtgenoot in de bovenverdieping en de andere in de  benedenverdieping woont. Ook is de situatie onhoudbaar. 
2.6. In haar conclusie van dupliek in eerste aanleg vraagt de vrouw geen akte van rectificatie te verlenen c.q. de gevraagde wijziging niet te verlenen daar de man een incidentele vordering had moeten indienen, de wijziging kan volgens de vrouw niet bij conclusie van repliek geschieden daar zij al haar conclusie van antwoord heeft genomen en zij wordt geschaad in haar verweer. Voor het overige ontkent de vrouw de stellingen van de man. 
2.7 In hoger beroep concludeert de vrouw tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste  aanleg en tot opnieuw recht te doen c.q. recht te spreken; 
2.8. Daartoe heeft de vrouw een tweetal grieven tegen voormeld vonnis aangevoerd. De eerste grief komt er op neer dat de gevraagde rectificatie ten aanzien van de datum van het huwelijk welke bij conclusie van repliek heeft plaatsgevonden niet toelaatbaar is, het gaat niet om een verschrijving zoals de man in eerste aanleg en de kantonrechter hebben aangegeven. De man had ter zake een incidentele vordering dienen in te stellen. Als tweede grief voert de vrouw aan dat het huwelijk niet duurzaam is ontwricht en dat partijen een tafel– en bed relatie hebben met elkaar en ook een gemeenschappelijk huishouden. Door de man is verweer gevoerd waarop voor zover nodig hierna zal worden ingegaan. 
2.9. Het hof zal allereerst de eerste grief bespreken. Naar het oordeel van het hof haalt deze grief het niet in rechte en dient te worden verworpen. Door de kantonrechter is terecht geoordeeld dat blijkens overgelegde huwelijksakte het gaat om een verschrijving van het jaartal 1996 in stede van 1966. Immers is de overgelegde huwelijksakte waarin als huwelijksdatum is opgenomen 23 februari 1966 ook niet betwist noch van valsheid beticht. De stelling van de vrouw dat rectificatie van een dergelijke eenvoudige verschrijving slechts bij incidentele vordering kan, vindt geen steun. Van belang is dat de tegenpartij, in casu de vrouw, zich over de gevraagde rectificatie heeft kunnen uitlaten, hetgeen wel het geval is geweest in casu. De  kantonrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de vrouw niet in haar verdediging is geschaad. 
2.10 Ingaand op de tweede aangevoerde grief is het hof van oordeel dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Immers is alszijnde door de vrouw onweersproken c.q. erkend dat gedurende de procesgang van deze zaak in eerste aanleg partijen gescheiden van elkaar leefden. Nu bij de behandeling van de zaak in hoger beroep circa vijf jaren verder wordt door de vrouw in de pleitnota enerzijds gesteld dat het huwelijk niet duurzaam is ontwricht en dat partijen een tafel– en bed relatie alsook een gemeenschappelijk huishouden hebben. Anderzijds wordt door de vrouw in haar repliek pleitnota aangevoerd dat de man de echtelijke woning heeft verlaten om vervolgens zijn intrek te nemen bij een andere madonna. Het hof oordeelt dat de hiervoor weergegeven stellingen van de vrouw dermate tegenstrijdig zijn en dat daaraan wordt voorbijgegaan. De tweede grief wordt dan ook verworpen. 
2.11 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten drage en betale. 

De beslissing in hoger beroep 
Het Hof: 
Bevestigt het vonnis waarvan beroep; 
Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten drage en betale; 
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. R.M. Praag, Leden–Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het  Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 19 juni 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend–Griffier.  

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.