SRU-HvJ-2015-25

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-759
  • Uitspraakdatum 17 april 2015
  • Publicatiedatum 06 april 2021
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Verzoekster vraagt vernietiging van het besluit waarin opgenomen dat de arbeidsovereenkomst wordt beeindigd. Verzoekster geeft aan dat het besluit niet afkomstig is van het bevoegd gezag. Het Hof concludeert dat verzoekster zich berust in het besluit van het bevoegd gezag en dat zij geen belang meer heeft bij haar vordering tot nietigverklaring van het besluit vervat in de voornoemde brief van de waarnemend directeur van Justitie en Politie, omdat met een nie-tigverklaring van dat besluit van de waarnemend directeur, het besluit van de Minister van Justitie en Politie, het bevoegde gezag, nog steeds overeind staat.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende in het [district] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
rechtspersoon, zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 29 november 2011, met producties;
  • het verweerschrift d.d. 27 december 2011, overgelegd d.d. 27 januari 2012;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 28 mei 2012, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 juli 2012;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in Raadkamer d.d. 02 november 2012;
  • de pleitnota d.d. 01 februari 2013, met een productie;
  • het antwoord pleitnota en uitlating productie d.d. 19 april 2013, met producties;
  • het repliek pleitnota en uitlating producties d.d. 03 mei 2013, met een productie;
  • het dupliek pleitnota en uitlating productie d.d. 17 mei 2013;

1.2 de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 16 augustus 2013, doch nader bepaald op heden.

De motivering

De feiten
1.Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoekster]” en ”het ministerie” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
1.1  [verzoekster] is op 01 november 2004 op arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tewerkgesteld    op het ministerie als administratief medewerkster op de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken.
1.2 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 01 januari 2008 J[nummer 1], is de op arbeidsovereenkomst dienende landsdienaar op de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken van het ministerie, [verzoekster], te rekenen van 23 juli 2007 in de functie van administratief medewerker tewerkgesteld op de afdeling Departementsleiding (Secretariaat van de Onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Algemeen Beheer) van voormeld ministerie.
1.3 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 27 mei 2011 J [nummer 2] , is aan [verzoekster] de tuchtstraf van boete naar rato van twee weken bezoldiging opgelegd omdat zij zich op 28 en 29 september 2010; 6, 13 14, 15, 18 19, 22 en 25 tot en met 29 oktober 2010; 8 en 15 november 2010; 9 en 10 december 2010, zonder enig bericht van verhindering en/of nadere kennisgeving onwettig aan de dienst heeft onttrokken, waarbij aan [verzoekster] te kennen is gegeven dat bij een eerstvolgend plichtsverzuim van soortgelijke of ernstiger aard, een zwaardere tuchtstraf in overweging zal worden genomen.
1.4  Bij schrijven van de waarnemend directeur van Justitie en Politie d.d. 13 juli 2011 J[nummer 3] , is aan [verzoekster], voor zover van belang, het navolgende medegedeeld:
“(…) Middels deze wordt u bericht dat gelet op uw negatief presentiegedrag, besloten is om de op 1 november 2004 met u voor onbepaalde tijd, aangegane arbeidsovereenkomst, met toepassing van artikel 2 sub b van voormelde arbeidsovereenkomst, ingaande 15 september 2011 op te zeggen.”
1.5 [verzoekster] heeft in reactie op voormeld schrijven middels een schrijven van haar gemachtigde d.d. 05 september 2011 ref.no. FFPT/jhn, verzocht om herziening van de beslissing vervat in de brief van 13 juli 2011.
1.6 Bij schrijven van de waarnemend directeur van Justitie en Politie d.d. 16 november 2011 J[nummer 4], is negatief beslist op het verzoek vervat in het schrijven d.d. 05 september 2011 ref.no. FFPT/jhn.
1.7 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 november 2011 J[nummer 5], is de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met toepassing van artikel 2 sub b van de arbeidsovereenkomst, te rekenen van 15 september 2011 opgezegd.           
1.8 [verzoekster] heeft de ontslagbeschikking d.d. 17 november 2011 J[nummer 5] op 19 december 2011 ontvangen.

De vordering, grondslag en het verweer daartegen
2.1 [verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. te vernietigen althans nietig te verklaren de brieven d.d. 13 juli 2011 J[nummer 3] en 16 november 2011 J[nummer 4], afkomstig van de waarnemend directeur van Justitie en Politie, waarbij de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] gesloten voor onbepaalde tijd met ingang van 15 september 2011 wordt beëindigd c.q. opgezegd;
b. het ministerie te veroordelen om te rekenen van de dag dat het vonnis aan het ministerie is betekend, [verzoekster] de gelegenheid te geven om haar diensten te hervatten, onder toekenning van haar laatst genoten salaris en emolumenten vanaf de dag waarop de beëindiging van de arbeidsovereenkomst nietig is verklaard, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag, voor iedere dag dat het ministerie nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven.
2.2 [verzoekster] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat het ministerie de arbeidsovereenkomst met haar heeft beëindigd met als grond negatief presentiegedrag, zonder haar in de gelegenheid te stellen zich ter zake te verweren, zoals artikel 158 lid 3 van de Grondwet (GW) juncto artikel 63 lid 3 van de Personeelswet (PW) dat voorschrijft, waardoor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet rechtmatig is en derhalve nietig, nog daargelaten het feit dat de opzegging bij beschikking van het bevoegde gezag dient te geschieden, hetgeen niet is gebeurd, daar de waarnemend directeur van Justitie en Politie niet het bevoegde orgaan is inzake de beëindiging.
2.3 Het ministerie heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het door [verzoekster] gevordede niet toewijsbaar is en het Hof terzake onbevoegd is, omdat het door [verzoekster] gevorderde buiten de bevoegdheid van de ambtenarenrechter valt.

De beoordeling van het geschil
3.1 Het Hof constateert dat [verzoekster] arbeidcontractant is in de zin van artikel 1 van de Personeelswet, nu zij, zoals uit de overgelegde stukken blijkt, op basis van een arbeidsovereenkomst tewerk is gesteld op het ministerie in de functie van Administratief Medewerkster.
3.2 Het Hof begrijpt uit de stellingen van [verzoekster] dat met de gevorderde nietigverklaring c.q.vernietiging van de brieven van respectievelijk 13 juli 2011 en 16 november 2011, bedoeld wordt de in voormelde brieven vervatte besluiten.
Aangezien de brief van 13 juli 2011 betrekking heeft op nietigverklaring van het besluit tot opzegging van de arbeidsovereenkomst, acht het Hof zich op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.
Nu de brief van 16 november 2011 betrekking heeft op nietigverklaring van het besluit tot weigering om [verzoekster] in de gelegenheid te stellen om haar diensten te hervatten, acht het Hof zich ingevolge artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet niet bevoegd om van deze vordering kennis te nemen aangezien dit besluit niet valt onder de in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet genoemde besluiten.
Evenzo acht het Hof zich ingevolge artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet niet bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder b van het petitum.
Het verweer van het ministerie gaat derhalve slechts gedeeltelijk op.
3.3 [verzoekster] heeft niet weersproken dat de waarnemend directeur gemachtigd was om de arbeidsovereenkomst met haar te ondertekenen. Echter is niet gesteld of gebleken dat de waarnemend directeur opnieuw gemachtigd was door de Minister van Justitie en Politie, in casu het bevoegde gezag ingevolge artikel 3 lid 3 van de Personeelswet, om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te beëindigen c.q. op te zeggen. De waarnemend directeur was naar het oordeel van het Hof daarom niet bevoegd om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te beëindigen c.q. op te zeggen.
3.4 Bij antwoord pleitnota heeft het ministerie de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d.17 november 2011 J[nummer 5], in casu het bevoegde gezag ingevolge artikel 3 lid 3 van de Personeelswet, waarbij is besloten om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met toepassing van artikel 2 sub b van de arbeidsovereenkomst, te rekenen van 15 september 2011, op te zeggen, overgelegd.
Het ministerie heeft aangevoerd dat [verzoekster] niet is opgekomen tegen dit besluit van de Minister van Justitie en Politie, het bevoegde gezag, waardoor de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet meer vatbaar is voor vernietiging op grond van enig rechtsmiddel en de opzegging daarom definitiefVoorts voert het ministerie aan dat de bedoelde brief van de directeur slechts als mededeling aan [verzoekster] bedoeld was.
3.5 [verzoekster] heeft bij repliek pleitnota daartegenover aangevoerd dat zij moeilijk tegen 2 besluitenkan reageren en dat de beschikking door de minister is gegeven zonder dat het onbevoegde besluit van de waarnemend directeur van Justitie en Politie is ingetrokken. [verzoekster] voert aan dat zij moelijk kan ageren tegen de beslissing van de Minister van Justitie en Politie, indien zij reeds een proces is begonnen tegen de handelingen van de directeur van Justitie en Politie.
3.6 Het Hof overweegt dat [verzoekster] zelf heeft gesteld dat de directeur van Justitie en Politie niet het bevoegde gezag was om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, waardoor die opzegging nietig was. Nu [verzoekster] daarna niet opkomt tegen het wel door het bevoegde gezag genomen besluit, zijnde de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 november 2011 J[nummer 5], waarvan zij reeds voor de overlegging van haar pleitnota op 01 februari 2013, namelijk vanaf 19 december 2011, kennis heeft gedragen, concludeert het Hof dat [verzoekster] zich heeft berust in de beslissing van de Minister van Justitie en Politie en dat zij geen belang meer heeft bij haar vordering tot nietigverklaring van het besluit vervat in de voornoemde brief van de waarnemend directeur van Justitie en Politie, omdat met een nietigverklaring van dat besluit van de waarnemend directeur, het besluit van de Minister van Justitie en Politie, het bevoegde gezag, nog steeds overeind staat.
Voor wat betreft het gevorderde onder a van het petitum zal [verzoekster] daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

De beslissing

Het Hof:
4.1 verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering:

  • tot nietigverklaring van het besluit vervat in de brief van 16 november 2011 J [nummer 4], afkomstig van de waarnemend directeur van Justitie en Politie;
  • zoals gevorderd onder sub b van het petitum;

4.2 verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk voor wat betreft de vordering tot nietigverklaring van het besluit vervat in de brief van 13 juli 2011 J[nummer 3], afkomstig van de waarnemend directeur van Justitie en Politie.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 april 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                                                                           w.g. A. Charan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens mr. F.F.P. Truideman, advocaat, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. A.R. Baarh, advocaat, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.